CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 12 FEBRUARI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De dames M. G. Carbognani en M. Coda Zabetta zagen zich, na onderscheidenlijk sedert september 1962 te Luxemburg en sedert september 1965 te Brussel in dienst van de Commissie werkzaam te zijn geweest, als secretaressen tewerkgesteld op het voorlichtingsbureau te Rome, waar zij in september 1968 hun arbeid aanvingen.
Aannemende dat de administratie zich zou gedragen naar de gevestigde praktijk, volgens welke ambtenaren hun standplaats kunnen behouden, rekenden zij er geruime tijd op dat hun plaatsing te Rome een duurzaam karakter zou dragen, zodat zij er zouden kunnen blijven. Zij hebben dan ook terstond gereageerd, toen de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer hun een 17 december 1979 gedagtekende circulaire deed toekomen, inhoudende dat zij zich er op grond van een besluit van de Commissie d.d. 28 november 1979 op hadden voor te bereiden uiterlijk in de maand september 1980 weer te zullen werken ter plaatse waar de Commissie gevestigd is.
In die brief en in bedoeld besluit werd evenwel alleen maar toepassing gegeven aan het door de Commissie op 24 november 1976 ingevoerde roulatiesysteem voor het personeel der Voorlichtingsbureaus (bijlage V bij het beroepschrift). Volgens dat systeem wordt men normaliter vooreerst drie jaar op een bureau tewerkgesteld (paragraaf 3.2), welke termijn in uitzonderingsgevallen tot ten hoogste zes jaar kan worden verlengd (paragraaf 3.3). Nadat die periode is verstreken, keren de ambtenaren terug naar Brussel, een der voorlopige plaatsen van vestiging van de Commissie, dan wel zij worden, desgewenst, tewerkgesteld op een ander Voorlichtingsbureau of zelfs, naar aan de door de ambtenaren in te vullen formulieren kan worden afgelezen, elders. Hun werk wordt in den regel door andere ambtenaren van hun salarisgroep overgenomen; dit ligt besloten in de term „roulatie” (paragrafen 1.2 en 2.1).
Het roulatiesysteem geldt voor ambtenaren in de categorieën A, B en C, met dien verstande dat de Commissie in haar besluit van november 1976 (letter b) voor de beide laatstgenoemde groepen een flexibeler procedure heeft voorzien, volgens welke er met eventuele ambtelijke of persoonlijke problemen rekening kan worden gehouden. Volgens de stukken (bijlage VI bij het beroepschrift, blz. 14) wordt het roulatiesysteem op bedoelde ambtenaren niet toegepast, wanneer zij 55 jaar of ouder zijn en wanneer hun persoonlijke, gezins- of sociale omstandigheden aan overplaatsing in de weg staan en voor zover zij op een bepaald bureau werden tewerkgesteld voordat het besluit, waarbij het systeem werd ingevoerd, het licht zag.
Was aanvankelijk voorzien dat het systeem op uiterlijk 1 juli 1979 zou worden ingevoerd (paragraaf „III overgangstijd” van het besluit van 24 november 1976), pas in 1980 was het zo ver, omdat de Commissie in verband met de maatregelen, met de verkiezing van het Europese Parlement samenhangende, alsnog had besloten alle roulatiebesluiten tot september 1979 uit te stellen (mededeling van 7 november 1979, document SEC(79)1981, blz. 3, bijlage VII bij het beroepschrift).
In de roulatieformulieren, die verzoeksters in verband met de voor 1980 te verwachten overplaatsingen invulden, spraken beiden de wens uit om de door hen genoemde persoonlijke en gezinsredenen niet elders te worden tewerkgesteld. Het bij het besluit van 24 november 1976 in het leven geroepen roulatiecomité (paragraaf 2.3) stelde op zijn vergaderingen van 2 oktober en 26 november 1979 ten aanzien van verzoeksters een onderzoek in. Het comité achtte de door hen aangevoerde persoonlijke en gezinsredenen niet voldoende zwaarwegend om het systeem te hunnen aanzien buiten toepassing te laten; hun namen werden dan ook geplaatst op de ontwerplijst van ambtenaren die in 1980 zouden moeten rouleren. Op 28 november ging de Commissie met het voorstel akkoord en plaatste verzoeksters formeel op de lijst; de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer stelde verzoeksters hiervan in kennis door middel van de circulaire welke hij hun op 17 december 1979 deed toekomen.
Zoals de directeur-generaal in zijn brief had aangekondigd, werden vervolgens in de Personeelskoerier van 25 januari 1980 sollicitanten opgeroepen voor de door het vertrek van de dames Carbognani en Coda Zabetta vrijkomende plaatsen van „bureausecretaressen (categorie C) Italiaans” op het voorlichtingsbureau te Rome.
Tegelijkertijd trachtten verzoeksters het daarheen te leiden dat het besluit der Commissie — eventueel: voorlopig — niet op hen werd toegepast. Op 16 januari 1980 vroeg mevrouw Coda Zabetta in een tot de woordvoerder en de directeur-generaal Voorlichting van de Commissie gerichte brief opnieuw de aandacht voor haar omstandigheden; haar werd geantwoord dat haar persoonlijke en gezinsomstandigheden de roulatiecommissie bekend waren toen die commissie te haren inzien een onderzoek instelde en bedoeld voorstel deed. Op 12 maart 1980 dienden verzoeksters overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren een klacht in tegen het bij circulaire van 17 december 1979 te hunner kennis gebrachte besluit van 28 november 1979.
Zonder een antwoord op die klacht dan wel de afloop van de hiervoor in het Statuut voorziene termijn af te wachten, kwamen verzoeksters vervolgens op 11 juli 1980 krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut in beroep, met vordering dat het bij brief van 17 december te hunner kennis gebrachte besluit van 28 november vooralsnog niet zou worden ten uitvoer gelegd.
In zijn beschikking van 31 juli 1980 kon de fungerend president van het Hof van Justitie, gezien de memorie der Commissie en hetgeen door partijen die dag tijdens de mondelinge behandeling was verklaard, vaststellen dat een beslissing in kort geding achterwege kon blijven, aangezien de Commissie aan het voornemen dat zij in haar brief van 17 december kenbaar had gemaakt, geen gevolg zou geven zolang er inzake de herplaatsing der verzoeksters geen formele besluiten zouden zijn genomen — met passende termijnen, bij de tenuitvoerlegging dier besluiten in acht te nemen. Nog diezelfde avond nam het hoofd van de bijzondere dienst „Management en Organisatie, Personeelsbezetting” met betrekking tot „herplaatsing met aanwijzing van standplaats” ten aanzien van ambtenaren in de categorieën C en D bekleed met de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag (bijlage VIII bij de memorie der Commissie betreffende het eerste verzoek om een beslissing in kort geding), genoemde formele besluiten, waarbij verzoeksters zich per 1 januari 1981 andere standplaatsen zagen toegewezen — en anderen zich zagen aangewezen om hun plaatsen in te nemen —; een en ander werd hun terstond per telex medegedeeld.
Vervolgens werd op de klacht van verzoeksters d.d. 12 maart expressie verbis afwijzend beschikt, waarvan hun pas op 3 september, als zo dikwijls: pas na afloop van de termijn, mededeling werd gedaan.
Een klacht als bedoeld in artikel 90 van het Statuut tegen de besluiten van 31 juli dienden verzoeksters in op 20 oktober, dat wil zeggen pas na hun repliek van 16 oktober en maar enkele dagen voor afloop van de hun in artikel 90, lid 2, ingeruimde termijn van drie maanden.
Tenslotte vorderden verzoeksters op 5 december 1980 nogmaals een beslissing in kort geding, waarmede zij wederom trachtten te bereiken dat hun overplaatsing van Rome naar Brussel voorshands niet zou worden ten uitvoer gelegd. Toen de Commissie zich bereid verklaard had hun tot uiterlijk 1 april 1981 uitstel te verlenen, lieten zij die eis varen. Dat hun die nieuwe termijn werd ingeruimd, werd gemotiveerd met de overweging dat er met de toepassing van het roulatiesysteem pas kort geleden een aanvang was gemaakt en dat men hoopte dat het geding spoedig tot een uitspraak zou leiden.
I — In de eerste plaats rijst de vraag of verzoeksters in hun beroepen kunnen worden ontvangen.
1.
In de memorie, door de Commissie ingediend naar aanleiding van het eerste verzoek om een beslissing in kort geding, stelde de Commissie zich op het standpunt dat verzoeksters in hun beroepen niet kunnen worden ontvangen, omdat zij op het tijdstip van indiening jegens verzoeksters nog geen formeel herplaatsingsbesluit had genomen. De brief van de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer d.d. 17 december 1979 en de in de Personeelskoerier van 25 januari 1980 geplaatste oproeping van sollicitanten voor de vacatures die door het vertrek van verzoeksters zouden ontstaan, zouden slechts voorbereidende maatregelen zijn geweest, waardoor verzoeksters zich niet bezwaard konden gevoelen.
In haar conclusie van antwoord heeft de Commissie zich met betrekking tot deze vraag evenwel gerefereerd aan het oordeel van het Hof van Justitie. Zij stelt zich thans op het standpunt dat het van overdreven formalisme zou getuigen, van verzoeksters te verlangen dat zij zich tegen de formele besluiten d.d. 31 juli 1980 tot wijziging van hun standplaats zullen verzetten, als de Commissie zich in de afwijzende beschikkingen, door haar genomen naar aanleiding van de klachten, door verzoeksters vóór de formele besluiten ingediend, reeds over alle aspecten van het probleem heeft uitgesproken, zodat op hiertegen gerichte klachten met stelligheid een gelijkluidend antwoord mag worden verwacht.
2.
Ik zie geen redenen, waarom verzoeksters niet in hun beroepen kunnen worden ontvangen.
a)
Om te beginnen ben ik het met de Commissie eens, dat wie al te zeer aan de letter van de procedurevoorschriften vasthoudt, alleen maar bereikt dat de zaak, in strijd met een behoorlijke procesgang, op de lange baan wordt geschoven.
b)
Voorts lijdt het geen twijfel dat de oorzaak van het geding moet worden gezocht in het besluit de dames Carbognani en Coda Zabetta van Rome naar Brussel over te plaatsen. Dit besluit is echter ten duidelijkste niet op 31 juli 1980 door het hoofd van de bijzondere dienst „Management en Organisatie, Personeelsbezetting” genomen, maar op 28 november 1979 — op voorstel van de roulatiecommissie — door de Commissie zelf. Het is namelijk zo dat de Commissie op grond van haar besluit van 24 november 1976, waarbij het roulatiesysteem werd ingevoerd, zelf de lijst heeft opgesteld van de ambtenaren wier standplaats in 1980 zou worden gewijzigd en op die lijst stonden ook de namen van verzoeksters. Ook al valt niet te ontkennen dat de brieven van de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer van 17 december 1979 en de in de Personeelskoerier van 25 januari 1980 geplaatste advertentie als voorbereidende maatregelen voor een formeel besluit waren te beschouwen, toch zijn het mijns inziens allereerst maatregelen ter uitvoering van het door de Commissie zelf genomen principiële besluit tot overplaatsing.
Die geldt mijns inziens ook voor de formele besluiten, met betrekking tot de herplaatsing — op bepaalde posten — van ambtenaren in de categorieën C en D op 31 juli 1980 genomen door het hoofd van de bijzondere dienst „Management en Organisatie, Personeelsbezetting”, te dezen met de uitoefening van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag belast. In de door de Commissie aanvankelijk voorgestane opvatting zouden alleen deze besluiten als verzoeksters bezwarende maatregelen zijn te beschouwen. De bevoegdheid van de ambtenaar die deze besluiten heeft genomen, is, naar ons ook tijdens de mondelinge behandeling door de vertegenwoordiger der Commissie met zoveel woorden werd bevestigd, een uitvoerende bevoegdheid. Speelruimte is hem slechts gelaten wanneer het tijdstip moet worden vastgesteld c.q. uitgesteld, waarop aan de besluiten der Commissie, uiteraard na overleg met de diensten waarin de naar Brussel over te plaatsen ambtenaren zullen worden opgenomen, uitvoering zou worden gegeven. In casu had bedoelde ambtenaar verzoeksters tweemaal uitstel verleend, en mocht de goede werking van de dienst — te Brussel — waar mevrouw Coda Zabetta zou worden tewerkgesteld, zich daar niet tegen verzetten, dan zou te haren aanzien wellicht aan verder uitstel kunnen worden gedacht, zodat haar zoontje niet in de loop van het schooljaar van school behoeft te veranderen. In geen geval kan bedoelde ambtenaar echter zelfstandig wijziging brengen in de lijst der ambtenaren, die in verband met de roulatieprocedure van standplaats moeten wisselen. Daartoe is alleen de Commissie bevoegd, c.q. het Hof van Justitie, namelijk wanneer het een tegen een roulatiebesluit ingediend beroep gegrond verklaart.
Ik ben dan ook van mening dat, in het kader van een tegen een roulatiebesluit gericht beroep, als bezwarende maatregelen is te beschouwen het oorspronkelijke besluit der Commissie, volgens welke de betrokken ambtenaar elders zou worden tewerkgesteld, en niet een ter uitvoering van dat besluit genomen maatregel, waarin alleen de details kunnen worden geregeld.
c)
Het doet mijns inziens aan de juistheid van deze opvatting niet af, dat het besluit van 28 november 1979 in het beroepschrift niet met zoveel woorden wordt genoemd. Verzoeksters vorderen dat het den Hove behage „de op 17 december 1979 bekend gemaakte besluiten, waarbij de Commissie de posten van verzoeksters bij het voorlichtingsbureau te Rome vacant verklaard heeft en hun overplaatsing naar de standplaats te Brussel heeft gelast, nietig te verklaren.” Kennelijk dient bij de bij brief van de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer „op 17 december 1979 bekendgemaakte besluiten” met name te worden gedacht aan het besluit dei-Commissie d.d. 28 november 1979, waarbij de namen van verzoeksters zijn opgenomen op de lijst der ingevolge de roulatieprocedure naar Brussel over te plaatsen ambtenaren van het voorlichtingsbureau.
3.
Ook al mocht u niet mijn opvatting delen dat dit besluit van de Commissie als de bezwarende maatregel is te beschouwen, dan nog acht ik het beroep in ieder geval om een andere reden ontvankelijk.
In de conclusie, door mij genomen in de zaak 17/78 (Deshormes, Jurispr. 1979, blz. 205, 207) heb ik met verwijzing naar het Duitse ambtenarenrecht de opvatting verdedigd, dat een ambtenaar van de Gemeenschappen er belang bij heeft in beroep te komen, wanneer hij een aanspraak kan doen gelden „waarvan het wezen zeker niet zonder meer mag worden aangetast, ook al kan de wetgever op detailpunten nog steeds wijziging aanbrengen.” Ook 's Hofs tweeede kamer heeft zich in het arrest, in deze zaak op 1 februari 1979 gewezen, op het standpunt gesteld dat er bij een bestuursmaatregel om bepaalde omstandigheden van mag worden uitgegaan dat zij „de rechtspositie van de belanghebbende onmiddellijk en rechtstreeks” raakt, „zelfs indien dit besluit pas later moet worden uitgevoerd.” (Jurispr. 1979, blz. 189, 197, 10).
Ik acht deze jurisprudentie op de onderhavige zaken toepasselijk. Mijns inziens kregen verzoeksters er een „reeds bestaand”, „actueel” en „rechtmatig belang”, als in genoemd arrest (r.o. 12) bedoeld, bij tegen het besluit der Commissie de procedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut van de ambtenaren in te leiden, toen het besluit hun officieel was medegedeeld. Ongeacht het succes dat voor hun beroepschriften was weggelegd, behoefden zij, strikt juridisch gezien, de formele herplaatsingsbesluiten niet af te wachten, omdat de tot het nemen dier besluiten bevoegde instantie door een besluit van een hoger gezagsorgaan gebonden — en derhalve tot het nemen dier besluiten verplicht — was.
II — De eerste beroepsgrond is tweeledig en aan die twee leden komt een geheel verschillend gewicht toe. Als ik het goed begrijp, stellen verzoeksters zich in hoofdzaak op het standpunt dat het roulatiesysteem niet op hen mag worden toegepast, en wel omdat die toepassing met terugwerkende kracht zou geschieden en ook om met de dienstvervulling verband houdende redenen niet door de beugel zou kunnen i.e. zich niet zou verdragen met artikel 7, lid 1, eerste volzin, van het Statuut.
1.
Ik zou willen beginnen met een opmerking van terminologische aard. Verzoeksters spreken steeds van hun overplaatsing van Rome naar Brussel. Kent men aan de term overplaatsing de gebruikelijke betekenis toe, dan is dit ook juist. Het is evenwel niet het geval wanneer men de term overplaatsing in strikt statutaire zin opvat.
Blijkens de artikelen 4, 7, lid 1, en 29, lid 1. van het Statuut is overplaatsing slechts mogelijk als er een vacature moet worden vervuld. Men kan in de zin van het Statuut slechts naar een vacante post worden overgeplaatst. Zoniet, dan wordt een mutatie als hierbedoeld, met of zonder wijziging van standplaats, herplaatsing (respectievelijk herplaatsing met behoud van standplaats) genoemd. Van zulk een herplaatsing was bij de dames Carbognani en Coda Zabetta sprake.
2.
Thans overgaande tot een bespreking van de opmerkingen, door verzoeksters over het roulatiesysteem gemaakt, meen ik tot beter begrip van hun standpunt, allereerst te moeten stilstaan bij het onderscheid, door hen gemaakt tussen ambtenaren die na onderscheidenlijk vóór 24 november 1976 op de Voorlichtingsbureaus tewerk werden gesteld.
Verzoeksters erkennen dat de toepassing van het roulatiesysteem op na 24 november 1976 op een bureau geplaatste ambtenaren, rechtmatig is. Zij Avisten ervan en aanvaardden slechts voor bepaalde tijd op het bureau te worden tewerkgesteld. Bij hun sollicitatie wisten zij dat zij na afloop van een in beginsel tot drie jaar beperkte periode, naar de plaats van vestiging van hun instelling zouden moeten terugkeren of, desgewenst, elders in de buitendienst der Commissie konden worden tewerkgesteld. Ik zou in dit verband een vergissing willen signaleren, die verzoeksters kennelijk parten speelt. Het roulatiesysteem houdt niet in dat de ambtenaar eens in de drie jaar moet verhuizen; ambtenaren die eenmaal op een bureau hebben gewerkt, -worden nadien alleen op hun eigen uitdrukkelijk verzoek op een ander bureau of elders in de buitendienst geplaatst, in welk geval zij niet naar de centrale vestigingsplaatsen behoeven terug te keren. Blijkens hetgeen hiervoor werd opgemerkt, zijn verzoeksters van mening dat de overplaatsing — lees: herplaatsing — van ambtenaren die zich in zulk een situatie bevinden, geacht moet worden in gemeen overleg te zijn geschied. Aan die opvatting leggen zij ten grondslag artikel 7 van het Statuut, dat alleen zou zijn geschreven voor overplaatsingen waartoe in gemeen overleg wordt overgegaan, terwijl het dienstbelang er ook om zou moeten vragen. Verzoeksters erkennen dat de invoering van een roulatiesysteem voor ambtenaren die na 24 november 1976 zijn tewerkgesteld, in het algemeen mag worden geacht in het dienstbelang te zijn geschied.
In een geheel andere situatie zouden zich echter ambtenaren bevinden die, zoals zijzelf, vóór 24 november 1976 op een bureau werden tewerkgesteld. Hun herplaatsing zou reeds omdat zij met terugwerkende kracht zou geschieden, onrechtmatig zijn. Evenals de Commissie valt het mij moeilijk dit argument te begrijpen. Niet wel is in te zien hoe de toepassing van een in 1976 ingevoerd systeem in 1980, zou kunnen worden aangemerkt als een rechtshandeling of rechtsfeit, waaraan gevolgen voor het verleden zijn verbonden.
3.
Verzoeksters wraken hun herplaatsing ook omdat daartoe tegen hun wil is overgegaan. Omdat het roulatiesysteem nog niet bestond toen zij zich op het bureau te Rome zagen tewerkgesteld, hebben zij zich er uiteraard niet — eventueel: stilzwijgend — mee akkoord kunnen verklaren dat de in dat systeem voorziene maatregelen op hen zouden worden toegepast. Waar de herplaatsing dus een dwangmatig karakter draagt, zou zij rechtens ongegrond zijn. Verzoeksters achten herplaatsing in de systematiek van het Statuut principieel slechts met toestemming van betrokkenen geoorloofd. Dit zou slechts in twee zich thans niet voordoende gevallen anders zijn, namelijk als de herplaatsing een disciplinair karakter draagt en wanneer ertoe moet worden overgegaan omdat een ambt of post is komen te vervallen.
a)
Allereerst zij opgemerkt dat het volgens het systeem van het communautaire ambtenarenrecht, dat in zoverre in de lijn ligt van alle mij bekende systemen waarin de betrekkingen tussen administratie en ambtenaren zijn vastgelegd, niet nodig is dat betrokkene in zijn herplaatsing toestemt. Dit wil niet zeggen dat de overheid te dezen naar willekeur kan beslissen. Veeleer gelden er materiële voorwaarden, waarover ik nog kom te spreken. De toestemming van betrokkene behoort er evenwel niet toe. Terecht heeft de Commissie erop gewezen dat dit een consequentie is van het feit dat „de rechtsband tussen een ambtenaar en de administratie statutair en niet contractueel van aard is” (arrest, door de tweede kamer van het Hof op 19 maart 1975 gewezen in de zaak 28/74, Gillet t. Commissie, Jurispr. 1975, blz. 463, 473, r.o. 4). Kan in de contractuele betrekkingen, volgens het klassieke arbeidsrecht bestaande tussen de werkgever en zijn werknemer, het contract in beginsel slechts in overleg tussen partijen worden gewijzigd, de administratie heeft „het recht te allen tijde elke wijziging in de bepalingen van het Statuut aan te brengen die zij in het belang van de dienst wenselijk acht” (conclusie door de advocaat-generaal H. Mayras genomen in de gevoegde zaken 177/73 en 5/74 en in de zaak 10/74, Reinarz t. Commissie, Jurispr. 1974, blz. 831, 834).
Bij lezing van het besluit van 24 november 1976 blijkt dat het roulatiesysteem geen uitzondering op deze regel vormt. Veeleer blijkt uit de bijzondere uitvoeringsvoorschriften voor ambtenaren in de salarisgroepen B en C, dat er te hunnen aanzien van een vrijstelling mag worden gesproken, „wanneer zij 55 jaar of ouder zijn of wanneer hun persoonlijke, gezins- of sociale omstandigheden aan herplaatsing in de weg staan.” Vrijstelling: ambtenaren die aan de door mij genoemde voorwaarden voldoen, behoeven met hun herplaatsing in het kader van het roulatiesysteem geen genoegen te nemen, anders dan andere ambtenaren die derhalve ook tegen hun wil met wijziging van standplaats kunnen worden herplaatst.
b)
Voorts blijkt de statutaire positie van verzoeksters ook mede te brengen dat zij aan de omstandigheid dat hun voor de invoering van het roulatiesysteem een bureau werd toegewezen, geen aanspraak kunnen ontlenen op handhaving — te hunnen aanzien — van de vroegere regeling. Weliswaar is ook in het ambtenarenrecht van de Gemeenschappen een handhaving van bepaalde vroegere voorschriften ten behoeve van bepaalde ambtenaren bekend, waarbij bijvoorbeeld te denken valt aan bepalingen, waarin de berekening is geregeld van de pensioenen van ambtenaren, benoemd voor de inwerkingtreding van het EGKS-Statuut van 1956. Dit zijn evenwel uitzonderingsgevallen, waarin het orgaan waarvan het voorschrift uitgaat, in zoverre uitdrukkelijk in handhaving van de vroegere rechtstoestand heeft toegestemd. Dit kan geen regel zijn; de door de Commissie terecht geciteerde professor Weil heeft erop gewezen dat de erkenning „van een verkregen recht op handhaving van de bij indiensttreding geldende regeling ertoe zou leiden dat er een ‚staalkaart’ zou moeten worden aangehouden, hetgeen met de eisen van een behoorlijk bestuur nauwelijks te verenigen zou zijn, omdat het aantal toepasselijke voorschriften dan precies zo groot zou zijn als de som der tijdstippen waarop de onderscheiden personeelsleden in dienst zijn getreden” (La nature du lien de fonction publique dans les organisations internationales, Revue générale de droit international public, 1963, blz. 274).
4.
Ten slotte zou de Commissie volgens verzoeksters haar bevoegdheden hebben overschreden door, in het kader van het roulatiesysteem, artikel 7, lid 1, eerste volzin, van het Statuut, dat wil zeggen een bepaling die van een hogere instantie, de Raad, is uitgegaan, te wijzigen zonder daartoe gemachtigd te zijn.
Ik zou allereerst willen opmerken dat er in casu van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van het Statuut, volgens hetwelk een overplaatsing in het belang van de dienst moet zijn, niet kan worden uitgegaan. Zoals de Commissie heeft betoogd, is het artikel een van de voorschriften waarin besloten ligt dat er een vacature moet zijn, wil er in statutaire zin tot overplaatsing worden overgegaan. Daar hiervan in casu geen sprake is, kan het voorschrift niet worden ingeroepen. Daarentegen is het principe dat er in tot uitdrukking komt, namelijk dat iedere niet door redenen van dienstbelang ingegeven wijziging van de standplaats onrechtmatig is, stellig te beschouwen als een algemeen beginsel van communautair en nationaal ambtenarenrecht. Ik meen het argument van verzoeksters derhalve in die zin te moeten verstaan, dat het roulatiesysteem huns inziens niet door het dienstbelang is ingegeven.
De Commissie ontkent niet dat onder meer de inachtneming van het dienstbelang grenzen stelt aan de ruime discretionaire bevoegdheden welke het Hof van Justitie haar in zijn rechtspraak betreffende de organisatie van de dienst heeft ingeruimd; en anders dan verzoeksters menen, is de roulatieprocedure ook ontegenzeggelijk een procedure welke de organisatie van de dienst der Commissie betreft. Als het tot een overplaatsing, wijziging der tewerkstelling of herplaatsing moet komen, dient aan de volgende materiële eisen te zijn voldaan:
—
het dienstbelang moet zijn in acht genomen;
—
van misbruik van discretionaire bevoegdheden mag geen sprake zijn;
—
iedere ambtenaar behoort verzekerd te zijn van zijn statutaire rechten: aanspraak op behoud van salaris; overeenstemming tussen betrokkenes salarisgroep en de post waarop hij wordt tewerkgesteld.
In verband met deze laatste voorwaarde zou ik erop willen wijzen, dat hier niet in het algemeen aan de tewerkstelling op een post, behorende tot betrokkenes loopbaan en salarisgroep te denken valt, maar — meer concreet — aan een taakstelling die met betrokkenes salarisgroep in overeenstemming is en ook voorkomt op de tabel van bijlage IA van het Statuut, waarin het verband tussen standaardfuncties en loopbanen is weergegeven (arrest, door's Hofs derde kamer op 28 mei 1980 gewezen in de gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner t. Commissie, nog niet gepubliceerd, r.o. 13).
Voorts blijkt mijns inziens bij lezing van voormeld arrest-Kuhner dat er nog twee voorwaarden moeten worden gesteld. Overweegt de administratie tot overplaatsing van een ambtenaar over te gaan, dan heeft zij er voor te zorgen dat men niet slechts het dienstbelang, maar ook het belang van de ambtenaar zelf recht doet wedervaren; het Duitse ambtenarenrecht spreekt in dit verband van een „Fürsorgepflicht” (r.o. 22 van het arrest-Kuhner). Mag het er voor worden gehouden dat een herplaatsingsbesluit de betrokken ambtenaar ernstig nadeel bezorgt, dan brengt een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur mede dat betrokkene zich, behalve in bijzondere uitzonderingsgevallen, over de maatregel kan uitspreken (r.o. 25 arrest-Kuhner). En in bepaalde gevallen mag een herplaatsing ook als zeer nadelig voor betrokkene worden beschouwd, namelijk wanneer er een echte verhuizing aan vastzit.
Verzoeksters hebben zich er in casu met zoveel woorden alleen op beroepen dat het dienstbelang niet zou zijn in acht genomen, namelijk zowel omdat de Commissie niet bevoegd zou zijn het voorschrift, waarin deze eis besloten bleek te liggen, te wijzigen, doch ook om andere redenen.
Zo menen zij dat de administratie, wil de overplaatsing van haar ambtenaren rechtmatig zijn, met een beroep op het dienstbelang in abstracto niet kan volstaan. Zij zou ook moeten aangeven waarin dat belang gelegen is en waarom het, afgewogen tegen de geledeerde belangen van betrokkene, als voldoende zwaarwegend is te beschouwen. Verzoeksters doelen hiermede implicite op de „Fürsorgepflicht” zoals die in het arrest, door het Hof in de zaak-Kuhner gewezen, werd gepreciseerd. Die plicht zou inderdaad zijn geschonden, wanneer aan een herplaatsingsmaatregel voor de administratie maar een heel gering belang en voor de betroffene zwaarwegende nadelen verbonden zouden zijn.
Het wil mij voorkomen dat de mogelijkheid van. zulk een schending zich nu juist in het omstreden systeem kan voordoen, tenminste in bepaalde gevallen. Erkend wordt dat het dienstbelang in het algemeen medebrengt dat leidinggevende ambtenaren van categorie A, zoals met name de hoofden der voorlichtingsbureaus, van tijd tot tijd moeten rouleren. En, gezien de discretionaire bevoegdheden welke de administratie bij de organisatie van haar dienst zijn ingeruimd, mag het er voorts voor worden gehouden dat het roulatiesysteem in beginsel geldt voor ambtenaren van de categorie B, waartoe vanwege de zelfstandigheid welke zij voor hun werk behoeven, de als hoofd van dienst optredende hoofdsecretaressen dienen te worden gerekend. Het wil er bij mij evenwel niet in dat een zo log en in zijn condities zo dwingend systeem als het roulatiesysteem in het belang van de dienst ook zou moeten gelden voor beambten die — als secretaressen — in de categorie C met uitvoerende taken zijn belast. Waar bet dienstbelang niet in bet geding is, meen ik dat de eerste beroepsgrond terecht is voorgedragen.
Vergelijking van het — ontbrekend — belang dat de administratie er bij heeft het roulatiesysteem op verzoeksters toe te passen met het tegengesteld belang der verzoeksters, leidt mijns inziens tot eenzelfde resultaat. Ook al zou een overplaatsing van het ene land naar het andere niet mogen worden aangemerkt als een ongewone, onvoorzienbare gebeurtenis in de loopbaan van een communautaire ambtenaar, dan nog kunnen daardoor logischerwijze niet te verwaarlozen persoonlijke en menselijke problemen, als door de dames Carbognani en Coda Zabetta geschetst, ontstaan (bijlage 4 bij hun beroepschriften), problemen die ik in het belang van de in zoverre te betrachten discretie verder onbesproken zou willen laten. Het is in dit verband stellig ook niet zonder belang dat verzoeksters zich sinds meer dan tien jaar op het bureau te Rome zagen tewerkgesteld, en dat zij het er — ten onrechte, maar op grond van een door de Commissie niet weersproken bestendige administratieve praktijk — voor hielden dat zij die standplaats konden behouden. Het komt mij dan ook voor dat het besluit, het roulatiebesluit in 1980 op verzoeksters toe te passen, in strijd met de te dezen op de administratie rustende „Fiir-sorgepflicht” is tot stand gekomen.
III — De tweede beroepsgrond van verzoeksters houdt schending in van artikel 25, lid 2, van het Statuut, volgens hetwelk „iedere... nadelige beslissing... met redenen [dient] te zijn omkleed”, en die motivering moet mijns inziens ook nauwkeurig zijn. Verzoeksters achten de motivering van de brieven van de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer van 17 december 1979 en de redengeving van de oproeping van sollicitanten, zoals die in de Personeelskoerier van 25 januari 1980 te vinden is, namelijk dat bedoelde maatregelen met toepassing van het roulatiesysteem zouden worden genomen, onjuist.
Het ontmoet bij mij geen bezwaar dat deze stukken geen bezwarende maatregelen inhouden, immers het oorspronkelijk besluit van de Commissie d.d. 14 november 1979, dat ik wel als zodanig zou willen beschouwen, is precies zo geformuleerd als bedoelde uitvoeringsmaatregelen. Het kon ook niet anders, immers het besluit waarbij de lijst van mutaties — tussen de zetel der administratie en de verschillende bureaus — voor 1980 werd opgesteld, was het eerste besluit waarin het roulatiesysteem tot toepassing werd gebracht.
In wezen is deze beroepsgrond drieledig.
1.
In de eerste grief waarvan zij zich in zoverre bedienen, hanteren verzoeksters nogmaals het argument dat de toepassing van het roulatiesysteem te hunnen aanzien met terugwerkende kracht zou zijn geschied, en omdat zulk een toepassing met terugwerkende kracht in het besluit van de Commissie d.d. 24 november 1976, waarbij het systeem werd ingevoerd, niet voorzien was, zou het besluit, waarin hun herplaatsing op het roulatiesysteem werd gebaseerd, onjuist gemotiveerd zijn.
Verzoeksters kiezen hier voor hun betoog kennelijk een onjuist uitgangspunt.
Wij stelden reeds vast dat, wanneer een besluit uit 1976 in 1980 wordt toegepast, zonder averechts woordgebruik niet van een toepassing met terugwerkende kracht kan worden gesproken.
2.
Het tweede argument, door verzoeksters aangevoerd ten betoge dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, wordt mijns inziens met juistheid voorgedragen. Zoals reeds opgemerkt, vormt het beluit van 24 november 1976„de grondslag voor de overplaatsing van ambtenaren in de categorieën B en C, waarbij evenwel flexibeler toepassingsmodaliteiten zijn voorzien, volgens welke er met eventuele ambtelijke of persoonlijke problemen rekening kan worden gehouden.”
Zoals reeds werd vastgesteld is deze grotere flexibiliteit te zoeken in de omstandigheid dat het roulatiesysteem niet op ambtenaren in de loopbanen B en C wordt toegepast, wanneer zij vóór de beschikking van november 1976 waren tewerkgesteld en wanneer zij bovendien 55 jaar of ouder zijn dan wel wanneer hun persoonlijke, gezins- of sociale omstandigheden aan herplaatsing in de weg staan. Met toepassing van deze criteria werd ten aanzien van 22 ambtenaren in de categorieën B en C, die vóór het besluit van november 1976 op de bureaus waren tewerkgesteld, in 1980 de roulatie om redenen van persoonlijke aard uitgesteld; drie hunner waren te Rome tewerkgesteld.
Ook de dames Carbognani en Coda Zabetta, ambtenaren in de categorie C, hebben om uitstel gevraagd en de persoonlijke en gezinsomstandigheden uiteengezet, die huns inziens zodanig uitstel rechtvaardigden. Dat de administratie deze omstandigheden kent — doch niet voldoende zwaarwegend achtte —, blijkt uit de stukken; zij worden daarin, wat mevrouw Coda Zabetta betreft, uitdrukkeiijk genoemd (brief van de woordvoerder en directeur-generaal Voorlichting van 7 februari 1980, bijlage 5 bij haar beroepschrift), terwijl zij ten aanzien van mevrouw Carbognani stilzwijgend in aanmerking schijnen te zijn genomen (vermelding op de mutatielijst door de roulatiecommissie; mededeling van de heer Tugendhat aan de Commissie d.d. 7 november 1979; bijlage 6 bij haar beroepschrift).
Nochtans beklagen verzoeksters zich er over dat de administratie niet heeft aangegeven waarom zij de door hen aangevoerde gronden niet steekhoudend achtte en hen derhalve, anders dan de 22 andere ambtenaren, niet voor het door hen verlangde uitstel van de herplaatsing heeft gevrijwaard — waarmede zij evenwel, anders dan de Commissie meende, niet bedoelen dat de Commissie huns inziens haar besluit tot herplaatsing had dienen te motiveren met een vergelijking tussen de door verzoeksters aangevoerde redenen van persoonlijke aard en de redenen, aangevoerd door de andere te Rome in dezelfde loopbanen werkzame ambtenaren, aan wie zodanig uitstel wel was verleend.
Zij zijn echter van mening dat de Commissie verplicht is de algemene beginselen aan te geven, welke zij bij het selecteren van wel voor uitstel in aanmerking komende ambtenaren zou hebben gehanteerd, en daarbij mede te delen welke persoonlijke, gezins- of sociale omstandigheden zij naar hun aard als voldoende zwaarwegend beschouwde om de beoogde herplaatsingsmaatregel uit te stellen. Alleen dan zou zij kunnen beoordelen of die beginselen als adequaat zijn te beschouwen en of zij te hunnen aanzien een correcte toepassing hebben gevonden — en daaromtrent een uitspraak van het Hof van Justitie kunnen uitlokken.
Deze conclusie ligt mijns inziens in de lijn van de overweging welke uw Hof in zijn reeds geciteerde arrest-Kuhner deed gelden (r.o. 15, derde volzin), volgens welke „de motiveringsplicht ten doel heeft, de betrokkene in staat te stellen te beoordelen of het besluit een gebrek vertoont waardoor zijn wettigheid kan worden betwist, alsmede de rechterlijke toetsing mogelijk te maken...”.
In hetzelfde arrest hebt u voorts overwogen dat er voor de beslissing of een besluit voldoende met redenen omkleed is, „niet alleen rekening [moet] worden gehouden met het document waarbij dat besluit wordt meegedeeld, maar ook met de omstandigheden waaronder het is genomen en ter kennis van de betrokkene gebracht, alsmede met de dienstnota's en andere mededelingen... die de betrokkene duidelijk hebben ingelicht over de redenen en de grondslag van bedoeld besluit” (r.o. 15, tweede volzin, van genoemd arrest).
En toen het ging om wijziging van de tewerkstelling van een ambtenaar, werkzaam op het bureau voor de Statistiek, c.q. om wijziging van zijn woonplaats, heeft uw Hof de formule die het had gebezigd in een eerder geval, waarin het ging om een ambtenaar die van het Centrum voor Onderzoek te Petten naar het Centrum voor Onderzoek te Ispra (Italië) werd overgeplaatst en met die overplaatsing geen genoegen nam, als volgt verruimd: „... dat om te beslissen of al dan niet aan de vereisten van artikel 25 is voldaan, niet alleen moet-worden gezien naar het overplaatsingsbeluit op zichzelf, maar ook naar de dienstnota's die dit besluit steunen, welke naar behoren aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht en hem duidelijk hebben geïnformeerd over de redenen die aan genoemd besluit ten grondslag liggen” (arrest, op 14 juli 1977 door 's Hofs tweede kamer gewezen in de zaak 61/76, Geist t. Commissie, Jurispr. 1977, blz. 1419, 1432, r.o. 23).
Ook al zou men de overwegingen welke het Hof in het arrest-Kuhner deed gelden, op de situatie van de dames Carbognani en Coda Zabetta transponeren, dan nog meen ik dat hun door de te hunner kennis gebrachte omstandigheden onvoldoende uitsluitsel werd gegeven. Aan de stukken kan worden ontleend, dat zij als algemene informatie het besluit van de Commissie tot invoering van het roulatiesysteem (bijlage 5 bij het verzoekschrift in de zaak 161/80) en de mededeling van 7 november 1979, waarin de uitvoeringsvoorschriften voor ambtenaren in de loopbanen B en C werden vermeld (bijlage 6 bij het beroepschrift in de zaak 161/80) bij de hand hadden. Aan concrete informatie beschikte mevrouw Coda Zabetta slechts over de mededeling van haar directeur-generaal, volgens welke haar persoonlijke omstandigheden de roulatiecommissie bij indiening van het voorstel bekend waren, terwijl, wat mevrouw Carbognani betreft, aan de mededeling van 7 november 1979 slechts kan worden ontleend dat de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet waren beschouwd als voldoende zwaarwegend om het verlangde uitstel te verlenen.
Weliswaar gaat het mijns inziens te ver in een herplaatsingsbesluit precies aan te geven welke in de persoonlijke sfeer gelegen omstandigheden tot uitstel van de roulatiemaatregel kunnen leiden of niet; dit zou voor betrokkene en zijn collega's wel eens pijnlijk kunnen zijn. In zoverre acht ik termen aanwezig 's Hofs jurisprudentie inzake bevordering (arrest voor 's Hofs Eerste kamer op 13 juli 1972 gewezen in de zaak 90/71, Bernardi t. Parlement, Jurispr. 1972, blz. 603, 609, r.o. 15) in de door de Commissie bepleite ruime zin te verstaan.
Anderzijds acht ik het ook nodig dat bekend wordt welke de algemene beginselen er voor de beoordeling van de „persoonlijke, gezins- of sociale omstandigheden” worden gehanteerd, als de roulatiecommissie over de verlening van uitstel heeft te beslissen. Waar die beginselen geheim bleven, konden verzoeksters mijns inziens niet beoordelen — en kan het Hof niet nagaan — of er naar haar situatie „vrij van willekeur en objectief” een onderzoek werd ingesteld (vgl. de conclusie, door mij genomen in de zaak 89/79, Bonu t. Raad, Jurispr. 1980, blz. 565, 568). De bij besluiten als het onderhavige stellig in acht te nemen discretie mag niet zover gaan dat rechterlijke toetsing onmogelijk wordt.
Hiertegen kan mijns inziens niet worden ingebracht dat de Commissie ambtenaren van haar voorlichtingsbureau buiten het roulatiesysteem om zou mogen herplaatsen, en wel omdat het dienstbelang daartoe een voldoende grondslag biedt — en alle aanleiding geeft —, zodat een ten overvloede gegeven motivering leemten zou mogen vertonen. Veeleer ben ik van mening dat de Commissie, wanneer zij eenmaal op grond van het roulatiesysteem een besluit beeft genomen, de betrokken ambtenaar in staat moet stellen na te gaan of er te zijnen aanzien, gezien de door de Commissie zelf opgestelde criteria, aan bet systeem een reguliere toepassing werd gegeven.
3.
In hun conclusie van repliek hebben verzoeksters gesteld dat de te hunnen aanzien genomen besluiten nog in andere zin als onvoldoende met redenen omkleed zouden zijn te beschouwen; aan dit nieuwe argument hebben zij tijdens de mondelinge behandeling de betekenis van een nieuwe beroepsgrond toegekend.
a)
Zij stellen twee feiten tegenover elkander. Tot hun herplaatsing zou zijn besloten in het kader van het roulatiesysteem, waarin ervan wordt uitgegaan dat er voor iedere herplaatste ambtenaar, wat de door hem verrichte werkzaamheden betreft, een vervanger komt; die vervanging is evenwel op het voorlichtingsbureau te Rome uitgebleven. Zij verbinden hieraan de conclusie dat de voor hun herplaatsing aangevoerde redenen niet de juiste zijn geweest.
In haar conclusie van dupliek stelt de Commissie dat de redenen, door haar aangevoerd, toen er op 14 november 1979 een lijst werd opgesteld van ambtenaren die in 1980 zouden moeten rouleren, de juiste waren; het tot aanstelling bevoegd gezag zou evenwel nadien hebben gemeend de door verzoeksters opengelaten plaatsen in het dienstbelang niet te moeten vervullen. Een vergelijking tussen de voorlichtingsbureaus te Rome en Bonn zou namelijk hebben geleerd, dat men te Rome — bij een gelijk aantal ambtenaren in de loopbanen A en B (negen te Bonn, acht te Rome) — de beschikking had over bijna driemaal zoveel secretaressen als te Bonn (veertien te Rome, vijf te Bonn). De Commissie is nu van mening dat het aan de juistheid van de oorspronkelijke redengeving niet afdoet dat zich bij de reeds bestaande redenen een verdere, aan het dienstbelang ontleende, reden voegt.
b)
De discussie hieromtrent nam, tijdens de mondelinge behandeling, een nieuwe wending, namelijk toen verzoeksters betoogden dat uit de conclusie van dupliek zou blijken waarom er in werkelijkheid te hunnen aanzien tot herplaatsing was overgegaan: men zou het aantal secretaressen op het voorlichtingsbureau te Rome hebben willen verkleinen. Door de roulatieprocedure toe te passen om tot een andere personeelsbezetting te komen, zou de Commissie van haar bevoegdheden een ander gebruik hebben gemaakt dan waartoe zij haar waren toegekend; zij zou die bevoegdheden hebben misbruikt. Dit zou een derde beroepsgrond opleveren, en verzoeksters zouden volgens artikel 42, paragraaf 2, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering ook in zoverre in hun beroep kunnen worden ontvangen, omdat de door hen aangevoerde omstandigheden pas later aan het licht zouden zijn gekomen.
Ik acht dit niet juist: wij hebben hier slechts te maken met een poging een gang van zaken waarmede verzoeksters reeds bekend waren, anders te presenteren. Tijdens de mondelinge behandeling die tot de op 31 juli 1980 in kort geding gegeven beslissing leidde, dat wil zeggen voordat er was geantwoord, heeft de gemachtigde van de Commissie reeds het te groot aantal secretaressen op het bureau te Rome genoemd en erop gewezen dat men overwoog twee hunner te Milaan, op een aldaar te openen bijkantoor, tewerk te stellen. Voorts blijkt mijns inziens uit de inhoud van deze zogenaamde nieuwe beroepsgrond ten duidelijkste, dat men het zojuist besproken, voor repliek voorgedragen argument zonder meer herhaalt.
c)
Een en ander ontslaat ons evenwel niet van de plicht het argument in zijn oorspronkelijke vorm te toetsen. Na enige aarzeling kwam ik tot de conclusie dat het ongegrond is.
Weliswaar is het stellig niet geheel correct met betrekking tot het litigieuze systeem van „roulatie” te spreken; deze term houdt in dat de ambtenaren van de betrokken bureaus in principe moeten worden vervangen. In die richting wijzen ook de in het kader van het systeem gegeven voorschriften, waarin de handhaving van de continuïteit bij de dienstvervulling centraal staat (vgl. I — Roulatieprincipes; II — Uitvoering van het roulatiesysteem, alinea 2.1), en met name ook de bepaling volgens welke de elders, en wel vooral te Brussel werkzame ambtenaren der Commissie over de mogelijkheden tot tewerkstelling op de bureaus moeten worden geïnformeerd, zodat zij in het kader van het roulatiesysteem kunnen solliciteren (vgl. II — Uitvoering van het roulatiesysteem, alinea 1.2). Leest men deze bepalingen echter zorgvuldig, dan blijken zij niet in te houden dat iedere (wederom) te Brussel geplaatste ambtenaar moet worden vervangen, wanneer de administratie vaststelt dat hun werkzaamheden kunnen worden overgenomen door collega's die ter plaatse werkzaam blijven.
Weliswaar zou men, wanneer de administratie eenmaal de eerste stappen heeft gedaan teneinde, in het kader van het roulatiesysteem, tot herplaatsing te komen, i.e. de ambtenaren van hun herplaatsing op de hoogte heeft gesteld en de mogelijkheid heeft geopend naar de door hun vertrek vrijkomende posten te solliciteren, logischerwijze ook mogen verwachten dat de aldus ingeleide procedure ten einde toe wordt gevolgd. Heeft zij evenwel inmiddels vastgesteld dat de ambtenaren beter niet kunnen worden vervangen, dan kan haar daarvan mijns inziens geen verwijt worden gemaakt, omdat zij evengoed buiten het roulatiesysteem om, dat wil zeggen alleen op grond van het dienstbelang, tot wijziging van de tewerkstelling van deze boventallige ambtenaren had kunnen overgaan (arrest, door 's Hofs eerste kamer op 11 juli 1968 gewezen in de zaak 16/67, Labeyrie t. Commissie, Jurispr. 1968, blz. 435, 450 e.V.; arrest, door 's Hofs eerste kamer op 16 juni 1971 gewezen in de zaak-Vistosi t. Commissie, 1.c., biz. 542, r.o. 14; arrest door 's Hofs tweede kamer op 14 juli 1977 gewezen in de zaak-Geist t. Commissie, 1.c., blz. 1434, r.o. 38). Ik meen dat de Commissie, wat de dames Carbognani en Coda Zabetta betreft, het dienstbelang voldoende heeft gemotiveerd.
IV — Ik geef uw Hof op de onder II en III 2 genoemde gronden in overweging
—
de op 28 november 1979 door de Commissie genomen beschikking, houdende opstelling van de lijst van ambtenaren van haar Voorlichtingsbureaus waarop het roulatiesysteem in 1980 zou worden toegepast, ten aanzien van de dames Carbognani en Coda Zabetta nietig te verklaren;
—
de Commissie overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy