CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 4 JUNI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De zaak waarin ik thans heb te concluderen, betreft opnieuw de vraag hoe kersen die in een alcohol-watermengsel zijn ingelegd, moeten worden ingedeeld in het gemeenschappelijk douanetarief. Zij heeft reeds een roi gespeeld in zaak 37/75 (arrest van 11 november 1975, Bagusat, Jurispr. 1975, blz. 1339) en in de gevoegde zaken 87, 112 en 113/79 (arrest van 20 maart 1980, Bagusat, respectievelijk Einkaufsgesellschaft der Deutschen Konservenindustrie, Jurispr. 1980, blz. 1159).
In laatstgenoemde zaken had de invoer echter plaats na de vaststelling van een tariferingsverordening door de Commissie (verordening nr. 1709/74, PB L 180 van 1974, blz. 15), terwijl in de onderhavige zaak de invoer voor dit tijdstip geschiedde.
Op 16 augustus 1968 verkreeg verzoekster in het hoofdgeding van de Oberfinanzdirektion te München een overeenkomstig paragraaf 23 Zollgesetz afgegeven bindend tariferingsadvies. Daarin werden uit Joegoslavië ingevoerde weichselkersen, die waren ingelegd in een oplossing met 13,4% ethylalcohol en 9,3 % suiker, ingedeeld onder tariefpost 20.06 B I e) 1 („op andere wijze bereide of verduurzaamde vruchten, ook indien met toegevoegde suiker of alcohol: ... B. andere: I. met toegevoegde suiker of alcohol: ... e) andere vruchten: 1. met een suikergehalte van meer dan 9 gewichtspercenten”).
Bij arrest van 16 januari 1973 vernietigde het Bundesfinanzhof dit tariferingsadvies op beroep van verzoekster. Op 9 mei 1973 verkreeg deze een nieuw tariferingsadvies, waarin de eerder omschreven waar overeenkomstig de uitspraak van het Bundesfinanzhof waren ingedeeld onder post 08.11 („Vruchten, voorlopig verduurzaamd (b.v. door middel van zwaveldioxyde of in water waaraan zout, zwavel of andere stoffen voor het voorlopig verduurzamen zijn toegevoegd), doch als zodanig ongeschikt voor dadelijke consumptie: ... D. andere).
Tijdens de geldigheidsduur van het eerste tariferingsadvies, te weten van 16 augustus 1968 tot 24 april 1973, had verzoekster 111 partijen uit Joegoslavië afkomstige zoete en weichselkersen, met of zonder pit en ingelegd in een mengsel van alcohol en water, bij verschillende douanekantoren laten inklaren. Het alcoholgehalte bedroeg volgens opgave van verzoekster tussen de 14 en 16, en bij uitzondering 23 volumepercenten. Aan de hand van tal van monsters stelde de douane vast, dat het alcoholgehalte tussen 10,8 en 15 en in sommige gevallen zelfs 18,1 gwichtspercenten bedroeg; het suikergehalte lag deels onder en deels boven 9 gewichtspercenten. Al deze waren
werden door de douane onder post 20.06 ingedeeld, overeenkomstig het toen geldige tariferingsadvies. Verzoekster heeft tegen 23 van de desbetreffende heffingsnota's bezwaarschriften ingediend; voor de overige nota's was de beroepstermijn verstreken.
Na afgifte van het nieuwe tariferingsadvies vorderde verzoekster met een beroep op paragraaf 94 Reichsabgabenordnung, die een dergelijke discretionaire bevoegdheid toekent, rectificatie van alle heffingnota's die haar in de periode van 16 augustus 1968 tot 24 april 1973 waren toegezonden. De douanekantoren wijzigden de nota's echter slechts voor zover daartegen vóór de uitspraak van het Bundesfinanzhof van 16 januari 1973 bezwaarschriften waren ingediend. Voor het overige wezen zij rectificatie af, ook na indiening van bezwaarschriften tegen de afwijzende beschikkingen.
Vervolgens kwam het geschil voor het Finanzgericht München. Bij vonnis van 26 februari 1975 werden de afwijzende beschikkingen vernietigd voor zover de verjaringstermijn voor de bij de heffingnota's vastgestelde heffingen nog niet was verstreken. Nog verder in zijn kritiek op de houding van de douanekantoren ging het Bundesfinanzhof (BFH), waarbij beroep in cassatie was ingesteld. In het arrest van 26 april 1979 verklaarde het BFH, dat wanneer een beroep tegen een bindend tariferingsadvies is toegewezen, wijziging van op grond daarvan vastgestelde heffingnota's niet enkel dient te geschieden wanneer tegen die nota's al een bezwaarschrift was ingediend, doch ook mogelijk blijft wanneer deze definitief rechtsgeldig zijn geworden. Dit geldt ook indien pas na afloop van de voor heffingen geldende verjaringstermijn om rectificatie van de beschikkingen wordt verzocht. De beslissing van het Finanzgericht werd derhalve vernietigd en de zaak werd voor hernieuwd onderzoek terugverwezen naar dezelfde instantie. Volgens het BFH diende met name te worden onderzocht of het tariferingsadvies bindende werking heeft, dat wil zeggen of het tariferingsadvies ten grondslag heeft gelegen aan de tarifering. Dit was aan te nemen wanneer de ingevoerde goederen daaronder vielen en de douanekantoren aan het tariferingsadvies gebonden waren.
Bij de hernieuwde behandeling van de zaak wees het Finanzgericht erop, dat het, aangezien voor de materiële vaststelling van heffingen strikte regels golden, voor de toepassing van paragraaf 94 Reichsabgabenordnung van belang was of de oorspronkelijke beschikkingen onjuist waren, of met andere woorden de goederen door de douanekantoren verkeerd waren ingedeeld. In zoverre achtte het Finanzgericht zich niet gebonden door de arresten van het BFH van 16 januari 1973 en 26 april 1979 en evenmin door het tariferingsadvies van 9 mei 1973. Het probleem kon ook niet worden opgelost aan de hand van verordening nr. 1709/74, aangezien deze eerst na de betrokken importen in werking was getreden. Gelet evenwel op de door die verordening voorgeschreven indeling, waarmee de uitspraak van het BFH van 16 januari 1973 in tegenspraak was, moest worden vastgesteld dat de onderlinge afbakening van de posten 08.11 en 20.06 vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1709/74 niet duidelijk was.
Bij beschikking van 4 juli 1980 heeft het Finanzgericht de behandeling van de zaak derhalve geschorst en de volgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
„Hoe moest post 08.11 van het gemeenschappelijk douanetarief voor wat betreft de elementen ‚voorlopig verduurzaamd’ en ‚als zodanig ongeschikt voor dadelijke consumptie’ worden uitgelegd vóór de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 1709/74 van de Commissie van 2 juli 1974, en hoe moest de grens tussen deze post en post 20.06 worden getrokken?”
Ten opzichte van deze vraag luidt mijn standpunt als volgt:
1.
Bij memorie van 13 oktober 1980 heeft verzoekster in het hoofdgeding ons meegedeeld dat zij bij het BFH beroep had ingesteld tegen de verwijzingsbeschikking van het Finanzgericht. Zij begon haar schriftelijke opmerkingen dan ook met het verzoek de procedure te schorsen totdat het BFH uitspraak had gedaan.
Mijns inziens hoeft thans niet meer op dit verzoek te worden ingegaan. Het is blijkbaar niet gehandhaafd, aangezien het BFH inmiddels in voor verzoekster ongunstige zin heeft beslist. Als ik het goed zie, blijft het BFH bij zijn in een beschikking van 27 januari 1981 (Außenwirtschaftsdienst des Betriebsberaters 1981, blz. 971) neergelegde standpunt, dat geen beroep mogelijk is tegen prejudiciële verwijzingen van een Finanzgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag.
2.
Kennelijk heeft verzoekster evenmin het in haar schriftelijke opmerkingen neergelegde standpunt gehandhaafd, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing thans niet-ontvankelijk is, namelijk zolang niet is beslist op de aan de indelingsvraag voorafgaande vraag of het tweede tariferingsadvies terugwerkende kracht heeft tot 16 augustus 1968 en dus op de in geding zijnde importen moeten worden toegepast.
Hiermee kan slechts een uitspraak van het hiërarchisch hogere BFH zijn bedoeld, aangezien het Finanzgericht zich daarover blijkbaar al een oordeel heeft gevormd en er geen sprake van kan zijn dat het Hof deze instantie uitnodigt haar opvatting — die op het nationale recht betrekking heeft — te wijzigen.
Verzoekster heeft haar standpunt laten varen in verband met de uitspraak die het BFH inmiddels heeft gedaan, ook al is het door verzoekster aan de orde gestelde probleem daardoor niet opgelost, omdat haar beroep immers niet-ontvankelijk is verklaard. Die oplossing zou dus eerst kunnen worden bereikt in een eventueel in te stellen cassatieberoep wanneer het Finanzgericht op grond van 's Hofs prejudiciële beslissing tot een einduitspraak is gekomen en daarbij verzoeksters rechtsopvatting zou hebben afgewezen.
3.
Tijdens de mondelinge behandeling is verzoekster op een andere wijze op het zojuist genoemde standpunt teruggekomen.
Zij heeft erop gewezen dat volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 15 december 1971, zaak 77/71, Gervais-Danone, Jurispr. 1971, blz. 1127) krachtens paragraaf 23 van het Duitse Zollgesetz afgegeven bindende tariferingsadviezen ook naar gemeenschapsrecht toelaatbaar zijn; zij is van mening dat deze adviezen in elk geval geldig zijn inzover zij — waar communautaire indelingsbepalingen ontbreken — in overeenstemming zijn met de IDR-nomenclatuur. Dit zou
het geval zijn bij het onderhavige tariferingsadvies van 9 mei 1973, volgens hetwelk de bedoelde goederen — zoals hierboven vermeld — onder post 08.11 moesten worden ingedeeld. Dit advies was immers afgegeven op basis van het arrest van het BFH van 16 januari 1973, waarin met uitdrukkelijke verwijzing naar de IDR-nomenclatuur indeling onder post 20.06 werd afgewezen en werd vastgesteld dat post 08.11 van toepassing was. Het genoemde tariferingsadvies zou dus beslissend zijn voor de indeling; aangezien het terugwerkende kracht zou hebben tot 16 augustus 1968, zou de uitlegging van de in de verwijzingsbeschikking genoemde tariefposten en hun onderlinge afbakening voor de nationale rechter van geen enkel belang zijn bij de beoordeling van de heffingnota's betreffende de na dat tijdstip ingevoerde goederen.
Hiermede wordt kennelijk de relevantie van de door het Finanzgericht gestelde vraag voor de beslissing van het hoofdgeding ter discussie gesteld. Verzoeksters betoog vormt naar mijn mening echter geen dwingende aanleiding om van beantwoording van de gestelde vraag af te zien.
Het Hof heeft herhaaldelijk beklemtoond dat het in procedures op grond van artikel 177 EEG-Verdrag in principe niet behoeft te onderzoeken of beantwoording van de gestelde vragen wel noodzakelijk is voor de beslissing van het aan de nationale rechter voorgelegde geschil. Dit geldt in het bijzonder wanneer het daarbij niet gaat om factoren van zuiver gemeenschaprechtelijke aard, maar om aspecten van nationaal recht.
Dit is klaarblijkelijk in casu het geval. De vraag of het tweede tariferingsadvies eveneens met terugwerkende kracht verbindend is voor die importen ten aanzien waarvan het BFH ondanks het verstrijken van de verjarings- en beroepstermijnen rectificatie van de heffingsnota's overeenkomstig paragraaf 94 Reichsabgabenordnung mogelijk acht, is, zoals ook uit de schriftelijke opmerkingen van verzoekster zelf volgt, een vraag van nationaal recht. Evenmin kan worden gezegd dat deze vraag in het arrest van het BFH van 26 april 1979 ondubbelzinnig is beslist. In elk geval heeft het Finanzgericht de uitspraak van BFH niet aldus opgevat. Veeleer gaat het ervan uit, bij de beoordeling van de hem voorgelegde casus niet gebonden te zijn aan het tariferingsadvies, waarbij het zich kennelijk hoofdzakelijk baseert op aan het Duitse recht ontleende gronden. Op bladzijde 14 van de verwijzingsbeschikking wordt immers gezegd dat het bindende tariferingsadvies van 9 mei 1973 voor verzoekster geen recht doet ontstaan op toepassing van tariefpost 08.11 D op de reeds voordien ingevoerde en in het vrije verkeer gebrachte goederen. Nu er wat betreft de relevantie van de gestelde vraag voor de beslissing van het geding, ook geen sprake kan zijn van een kennelijke vergissing (zoals bedoeld in het arrest van 19 december 1968, zaak 13/68, Salgoil, Jurispr. 1968, blz. 631), kan niet worden staande gehouden dat het onderzoek van de gestelde indelingsvraag met het oog op het genoemde tariferingsadvies irrelevant is.
4.
Mitsdien moet worden onderzocht — en daarmee kom ik tot de door het Finanzgericht gestelde vraag — hoe post 08.11 van het gemeenschappelijk douanetarief, voor wat betreft de elementen „voorlopig verduurzaamd” en „als zodanig ongeschikt voor dadelijke consumptie” vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1709/74 moest worden uitgelegd en hoe de grens tussen deze post en post 20.06 moest worden getrokken. Verzoekster in het hoofdgeding heeft gesteld, dat vóór de inwerkingtreding van de genoemde verordening, die volgens de rechtspraak vanwege haar constitutief karakter geen terugwerkende kracht zou hebben, aan tariefpost 08.11 verschillende uitleggingen konden worden gegeven. Zij spreekt zelfs van verscheidene juiste uitleggingen. De verordening zou anders namelijk overbodig zijn geweest en niet pas 21 dagen na publikatie in werking zijn getreden. Als men nu voor deze periode de IDR-nomenclatuur volgt, zou indeling van de onderhavige goederen onder post 08.11 zeer wel mogelijk zijn, hetgeen ook door het BFH in zijn arrest van 16 januari 1973 is aanvaard. Blijkens het betrokken hoofdstuk van de IDR-nomenclatuur zou immers voor de toepassing van post 08.11 enkel bepalend zijn, dat de vruchten uitsluitend ten behoeve van het vervoer voorlopig zijn verduurzaamd, dat zij in hoofdzaak voor de voedselindustrie zijn bestemd en gewoonlijk zijn verpakt in vaten of houten bakjes.
Met de Commissie ben ik van mening dat er goede gronden zijn om deze opvatting niet te volgen.
Hiervoor zijn aanknopingspunten te vinden in de hierboven aangehaalde rechtspraak, met name in het arrest in de gevoegde zaken 87, 112 en 113/79 (Jurispr. 1980, blz. 1159) zij het dat daar — evenals in zaak 37/75 — het onderzoek naar de geldigheid van verordening nr. 1709/74 op de voorgrond stond. In samenhang met het onderzoek naar de verenigbaarheid daarvan met het gemeenschappelijk douanetarief, heeft het Hof echter tevens — en wel los van die verordening — post 08.11 uitgelegd, en op deze uitlegging kunnen wij thans zonder meer terugvallen.
Volgens die uitlegging nu is het element „ongeschikt voor dadelijke consumptie” beslissend voor de toepassing van post 08.11, terwijl de vraag of de betrokken produkten al dan niet voor verwerking zijn bestemd, niet relevant is voor de afbakening van het respectieve toepassingsgebied van de posten 08.11 en 20.06.
In mijn conclusie in de gevoegde zaken 87, 112 en 113/79 heb ik het genoemde element diepgaand onderzocht, rekening houdend met de verschillende taalversies van post 08.11 en de context waarin deze is geplaatst. Daarbij kwam ik tot de slotsom, dat de term „genießbar” eetbaar betekent en „Genuß” niets anders dan „Verzehr” (consumptie). Derhalve kan mijns inziens slechts aan indeling onder post 08.11 worden gedacht wanneer het produkt niet zonder gevaar voor de gezondheid dadelijk kan worden geconsumeerd. Het Hof is mij in deze opvatting gevolgd door erop te wijzen dat, wanneer een produkt door de consument in het algemeen niet als smakelijk wordt beoordeeld en het niet gebruikelijk is dit als zodanig te consumeren, dit nog niet betekent dat deze produkten alleen daarom ongeschikt voor de consumptie zouden zijn, „zolang zij maar zonder gevaar voor de gezondheid als zodanig kunnen worden geconsumeerd”.
Met deze vaststelling kan ook in casu worden volstaan. Aangezien uit de tot nog toe overgelegde deskundigenrapporten niet blijkt — gelijk ik eveneens in die conclusies heb uiteengezet — dat de ingevoerde produkten in de hierboven bedoelde zin ongeschikt zijn voor consumptie, moet worden geconcludeerd dat voor de indeling alleen post 20.06 in aanmerking komt en niet post 08.11, en dat verordening nr. 1709/74 dus inderdaad, zoals de Commissie heeft betoogd, een belangrijk hulpmiddel is voor de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief, ook wat het tijdvak vóór haar inwerkingtreding betreft.
Ter terechtzitting heeft verzoekster verder nog gewezen op de arresten van 15 oktober 1980 in de zaken 4/79 (Providence agricole de la Champagne) en 109/79 (Maïseries de Beauce; beide nog niet gepubliceerd), waarin het Hof, na de ongeldigheid van monetaire compenserende bedragen voor gritz te hebben vastgesteld, uitdrukkelijk overwoog dat dit niet de weg opende voor een betwisting van krachtens die ongeldige verordening verrichte heffing of betaling van mcb's voor wat betreft het vóór de datum van het arrest gelegen tijdvak. Onder verwijzing naar het aldus geformuleerde beginsel inzake de bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen, drong verzoekster erop aan, vast te stellen dat een bindend tariferingsadvies zijn werking behoudt, en bijgevolg ook voor de rechterlijke instanties bindend is, totdat een wijziging in het recht van kracht is geworden. Hierover wil ik enkel zeggen, dat dit geen aanleiding geeft tot verdere opmerkingen, die het kader van de gestelde vraag te buiten zouden gaan. In de eerste plaats immers is het duidelijk dat de feiten niet te vergelijken zijn. In de tweede plaats is het primair een vraag van nationaal recht of tariferingsadviezen die, zoals gezegd, naar gemeenschapsrecht toelaatbaar zijn, hun bindende werking behouden in situaties als de onderhavige, waarin onaantastbaar geworden heffingsbeschikkingen alsnog kunnen worden getoetst aan de hand van paragraaf 94 Reichsabgabenordnung. Pas wanneer dit is opgehelderd, kan de vraag aan de orde komen of een tariferingsadvies dat in strijd is met het gemeenschappelijk douanetarief, toch zijn werking behoudt zolang het niet overeenkomstig het nationale recht is vernietigd.
5.
Mitsdien stel ik voor, de vraag van het Finanzgericht München aldus te beantwoorden, dat het voor de toepassing van post 08.11 vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1709/74 beslissend was, of het vruchten betrof die voorlopig waren verduurzaamd en voor dadelijke consumptie ongeschikt waren en dat dit laatste geval niet aannemelijk was indien de vruchten zonder gevaar voor de gezondheid als zodanig konden worden geconsumeerd.
( 1 ) Vertaald uk het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy