CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 MEI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In het najaar van 1973 maakte de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (van 8 september 1973, C 71, blz. 4 e.v.) bekend, dat zij een algemeen vergelijkend onderzoek aan de hand van bewijsstukken en een examen zou organiseren voor de vorming van een reserve van assistenten in de loopbaan Β 3/B 2 (vergelijkend onderzoek COM/B/106).
De aard van de werkzaamheden van de te bezetten post was omschreven als volgt:
„Uitvoerend ambtenaar die in het kader van algemene richtlijnen wordt belast met moeilijke en ingewikkelde werkzaamheden, met name het opstellen en bijwerken van programma's voor een computer van de derde generatie.”
De kandidaten moesten ten minste 28 jaar oud zijn en mochten niet ouder zijn dan 40. Over de vereiste getuigschriften of diploma's en de beroepservaring werd in de aankondiging het volgende gezegd:
—
volledige middelbare opleiding (einddiploma)
—
kennis van twee programmeertalen zoals COBOL, PL/1, FORTRAN, APL, ALGOL, METASYMBOL, enz., met dien verstande dat een van beide talen COBOL of PL/1 moet zijn;
—
goede kennis betreffende het verzamelen van gegevens voor de programmering en het beheer van de programma's;
—
ervaring in het behandelen per computer van administratieve of statistische vraagstukken of documentair onderzoek;
—
beroepservaring op het door dit vergelijkend onderzoek bestreken gebied.
Verzoeker in het onderhavige geding, de heer Blasig, nam met succes aan dit vergelijkend onderzoek deel. Hij ontving vervolgens een brief van de directeur van het voor de dienst van de Commissie in Luxemburg bevoegde Directoraat Personeelszaken en algemeen beheer van 6 september 1974, waarin hem een post van „assistent (programmeur)” werd aangeboden met de mededeling dat hij bij aanvaarding van het aanbod zou worden aangesteld als ambtenaar op proef in de categorie B, rang 3, salaristrap 1. Op 1 oktober 1974 trad verzoeker in dienst, waarbij hij werd ingezet in de administratieve eenheid „systeemanalyse en programmering” op een post die onder het huishoudelijk krediet viel. Bij besluit van 18 oktober 1974 werd hij met ingang van 1 oktober 1974 als assistent in de rang Β 3/1 tot ambtenaar op proef benoemd. Bij besluit van 16 juli 1975 werd hij in die functie met ingang van 1 juli 1975 tot ambtenaar in vaste dienst benoemd.
Reeds voor die tijd — namelijk bij schrijven van 6 december 1974 — had verzoeker zich met een tweeledig verzoek tot de Commissie gewend. In de eerste plaats wenste hij te vernemen, op grond van welke criteria in het kader van vergelijkend onderzoek COM/B/106 de inschaling in rangen en salaristrappen had plaatsgevonden, of gebruik was gemaakt van de mogelijkheden van artikel 31, lid 2, sub b, respectievelijk artikel 32, tweede alinea van het Statuut en op grond van welke criteria hij in rang Β 3/1 was ingeschaald. Voorts diende hij uit voorzorg een klacht in wegens te lage inschaling, waarbij hij met een beroep op zijn beroepservaring inschaling in rang Β 2/1 althans in rang Β 3/3 vorderde.
De klacht werd bij nota van 2 juni 1975 afgewezen onder verwijzing naar een bijgevoegd, op 1 juli 1973 in werking getreden besluit van de Commissie inzake de bij aanwerving te hanteren criteria voor de benoeming in een rang en de indeling in een salaristrap. Tot een gerechtelijke procedure kwam het destijds niet.
Op 20 december 1979 richtte verzoeker nogmaals een klacht tot het tot aanstelling bevoegde gezag. Tot staving van zijn betoog dat bij het vergelijkend onderzoek COM/B/106 in werkelijkheid een uitschrijving voor een post in de rang Β 1 had plaatsgevonden en dat hij dienovereenkomstig met ingang van 1 oktober 1974 in de rang Β 1 had moeten worden ingedeeld, beriep hij zich in hoofdzaak op de in een besluit van de Commissie van 1 juli 1972 vastgestelde„omschrijving van de werkzaamheden en bevoegdheden die verbonden zijn aan de in bijlage I A van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen genoemde standaardfuncties”, op voornoemde bijlage bij het Statuut, op de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek COM/B/106 gegeven omschrijving van de aard der werkzaamheden van de te bezetten post en de daarvoor gestelde toelatingseisen, alsmede op de door hem sinds zijn indiensttreding daadwerkelijk uitgeoefende werkzaamheden.
Bij nota van 24 april 1980 werd deze klacht door het bevoegde lid van de Commissie afgewezen. Hierbij werd gesteld dat de inschaling van verzoeker onbetwistbaar was geworden nu hij niet in beroep was gegaan nadat zijn eerste klacht was afgewezen; voorts werd gesteld dat de inschaling feitelijk gerechtvaardigd was door de deelneming aan een vergelijkend onderzoek dat was toegesneden op de loopbaan Β 3/B 2: de gestelde uitoefening van hoger gewaardeerde werkzaamheden kon geen aanspraak geven op inschaling in een andere loopbaan.
Hierop heeft verzoeker zich tot het Hof gewend met de vordering.
—
voor recht te verklaren dat verweerster gehouden is, verzoeker met ingang van 1 oktober 1974 in rang Β 1 in te schalen, en
—
verweerster te veroordelen tot betaling aan verzoeker van het verschil tussen de daadwerkelijk betaalde bezoldiging en die welke hij bij een regelmatige inschaling zou hebben ontvangen, vermeerderd met 8 % rente.
De Commissie heeft geconcludeerd dat de vordering niet ontvankelijk althans ongegrond moet worden verklaard.
Mijn standpunt in deze zaak is het volgende.
I — De ontvankelijkheid
De Commissie acht het beroep over de gehele lijn niet ontvankelijk. De vordering tot wijziging van verzoekers inschaling vormt volgens haar een bezwaar tegen een besluit uit 1974, waartegen destijds een klacht is ingediend zonder dat het daarna tot een gerechtelijke procedure is gekomen. Op dat besluit kan volgens haar thans niet meer worden teruggekomen, daar het nadien door het tot aanstelling bevoegde gezag gegeven besluit — de afwijzing van verzoekers klacht van 20 december 1979 — niets anders is dan een bevestigende handeling zonder zelfstandig bezwarend element. Voor zover verzoeker zich echter beroept op de omstandigheid dat hij eerst later de onjuistheid heeft ontdekt van zijn inschaling, doordat hij in 1979 een Gids voor de beoordeling met de in 1972 vastgestelde functieomschrijvingen ontving, acht de Commissie doorslaggevend dat het daarbij niet om het ontstaan van een nieuw feit gaat. De vraag wanneer verzoeker daadwerkelijk kennis heeft gekregen van genoemd element acht zij evenmin beslissend, op grond dat de functieomschrijving reeds in de Personeelskoerier van 4 september 1973 is bekendgemaakt en verzoeker reeds in 1975, in verband met zijn eerste beoordeling, inzage kon hebben in de Gids voor de beoordeling. De niet-ontvankelijkheid van de vordering betreffende de inschaling brengt zonder meer die van de vordering tot nabetaling van bezoldiging mee. Daar deze vordering — nog steeds aldus de Commissie — berust op de beweerdelijke onrechtmatige inschaling, gelden in zoverre — wat de in acht te nemen termijnen betreft — noodzakelijkerwijs dezelfde overwegingen. Zij merkt voorts op dat indien men die vordering evenwel aanmerkt als een vordering tot schadevergoeding, deze overeenkomstig artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG reeds verjaard was toen de klacht van 20 december 1979 werd ingediend.
Hiertegenover stelt verzoeker in de eerste plaats dat het in zijn klacht uit 1974 niet ging om inschaling in de rang Β 1, doch — zoals ook duidelijk wordt uit het besluit van de Commissie op die klacht — uitsluitend om een hogere inschaling binnen de loopbaan Β 3/B 2, op grond van de door hem meegebrachte beroepservaring. Pas in oktober 1979, toen hij de gids voor de beoordeling met de functieomschrijving ontving, werd hem duidelijk dat hij aanspraak kon maken op inschaling in de rang Β 1. Verzoeker vervolgt dat de Commissie hier niet tegen in kan brengen dat deze omschrijving al in 1973 was bekendgemaakt of dat híj in 1975 in ieder geval een supplement op de Gids voor de beoordeling heeft ontvangen. Dit laatste is volgens hem in werkelijkheid niet gebeurd, zodat hij niet reeds in 1975 in kennis is gesteld van de functieomschrijving. Met betrekking tot de bekendmaking in 1973 acht verzoeker echter essentieel, dat hij destijds nog niet in dienst stond van de Gemeenschap. Evenmin kan volgens hem worden gesteld dat hij hierover zelf informatie had moeten inwinnen; de goede trouw brengt veeleer mee dat de werkgever zijn ondergeschikten tijdig alle beschikkingen en besluiten doet toekomen die voor hun positie als ambtenaar van belang zijn.
Met betrekking tot deze argumenten van partijen moet allereerst worden opgemerkt, dat de door verzoeker in de schriftelijke procedure geuite opvatting dat onwettige besluiten altijd kunnen worden aangevochten, kennelijk onjuist is. Zij is duidelijk in strijd met het systeem van het Statuut. Op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor de administratie maar ook voor de belangen van anderen van belang is, heeft het Statuut de toetsing van de rechtmatigheid van bezwarende handelingen afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat daarom binnen bepaalde termijnen eerst — via een klacht — bij het tot aanstelling bevoegde gezag en vervolgens — via een beroep — bij het Hof wordt verzocht.
Van wezenlijk belang is voorts, dat het verzoeker in werkelijkheid te doen is om een wijziging van het in 1974 bij zijn indiensttreding genomen besluit over zijn indeling in de salarisschaal. Gezien de in het Statuut gestelde termijnen — indiening van de klacht binnen drie maanden na mededeling van het gewraakte besluit (artikel 90) — kan zulks in beginsel niet meer worden bereikt met behulp van een procedure die in 1979 met een klacht is ingeleid. Het ligt voor de hand dat een hierop gegeven besluit enkel als een bevestigende handeling kan worden aangemerkt, waartegen volgens de rechtspraak geen beroep openstaat (zie onder meer het arrest van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677). Dit te meer nu in het besluit op de klacht met name werd gesteld dat de gewraakte inschaling reeds onaantastbaar was geworden, waarbij slechts terloops werd opgemerkt dat de in 1974 vastgestelde inschaling objectief gezien zonder meer gerechtvaardigd was.
Dit zou slechts anders zijn indien na het oorspronkelijke inschalingsbesluit nieuwe feiten hadden plaatsgevonden, dat wil zeggen indien de feitelijke en de rechtssituatie was gewijzigd. In een dergelijk geval zou er voor de administratie inderdaad aanleiding kunnen zijn, een eerder genomen besluit opnieuw in overweging te nemen en — in geval van een nieuwe administratieve procedure — zou een daaropvolgende handeling niet als zuiver bevestigend kunnen worden beschouwd; het zou dan veeleer gaan om een nieuwe handeling, waardoor een nieuwe termijn voor het indienen van een klacht en voor het instellen van beroep zou worden ingeleid. Dit kan worden afgeleid uit de bestaande rechtspraak, zoals het arrest van 16 december 1964 (gevoegde zaken 109/63 en 13/64, Muller, Jurispr. 1964, blz. 1357), waarin het Hof heeft overwogen dat de administratie gehouden is op een onaantastbaar geworden besluit terug te komen wanneer zich wezenlijke nova hebben voorgedaan, en het arrest van 15 december 1966 (zaak 59/65, Schreckenberg, Jurispr. 1966, blz. 779), waaraan soortgelijke overwegingen ten grondslag liggen.
Het is echter duidelijk dat het onderhavige geval anders ligt. In werkelijkheid baseert verzoeker zijn in 1979 genomen actie niet op het ontstaan van nieuwe feiten in de zin van bovengeciteerde rechtspraak; hij stelt enkel dat hij pas op dat moment het juridisch criterium voor de beoordeling van het inschalingsbesluit heeft ontdekt, zodat het hier gaat om een criterium dat in 1974 reeds gold en dat bij het nemen van het aangevochten besluit in acht had moeten worden genomen. Een dergelijke situatie kan niet tot de conclusie leiden dat de administratie een nieuw, weer aanvechtbaar besluit heeft genomen toen zij zich uitsprak over verzoekers verlangen; in werkelijkheid gaat het hier om een zuiver bevestigende handeling die geen nieuwe termijn voor het indienen van een klacht deed ingaan, juist omdat het door verzoeker aangevoerde element voor de administratie niet nieuw was.
Hooguit zou men bij latere ontdekking van een element dat belangrijk is voor de beoordeling van een besluit, kunnen denken aan de mogelijkheid van gedektverklaring van het verzuim, waarover artikel 42, tweede alinea van 's Hofs Statuut-EEG bepaalt:
„Verval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn kan niet worden tegengeworpen, wanneer de betrokkene toeval of overmacht aantoont.”
Maar een beroep op deze bepaling maakt verzoekers beroep evenmin ontvankelijk. Zo moet reeds principieel worden betwijfeld, of ontbrekende of gebrekkige rechtskennis — en daarvan is in casu bij verzoeker sprake — wel grond kan zijn voor het gedekt verklaren van een verzuim. Hiervoor kan worden verwezen naar de betrokken bepalingen van nationaal recht — zoals paragraaf 60 van de Duitse Verwaltungsgerichtsordnung —, volgens welke beslissend is of de overschrijding van een termijn al dan niet verwijtbaar is, en waarover de commentaren opmerken dat met gebrek aan rechtskennis in beginsel geen rekening kan worden gehouden (vergelijk Kommentar zur Verwaltungsgerichtsordnung van Eyermann-Fröhler, aantekening 11 bij paragraaf 60). Derhalve kan worden gesteld — althans voor ambtenaren van bepaalde rangen, waartoe zeker ook hogere B-ambtenaren moeten worden gerekend — dat dezen zich de voor de toetsing van hun inschaling vereiste juridische kennis tijdig zelf moeten verschaffen en dat zij zich, wanneer ze dit nagelaten hebben, ter rechtvaardiging van een later ingesteld beroep niet kunnen beroepen op de zorgplicht van het tot aanstelling bevoegde gezag en op de omstandigheid dat zij door bedoeld gezag onvoldoende zijn ingelicht over de details van hun positie als ambtenaar.
Bovendien kan in casu de omstandigheid dat verzoeker tot 1979 onbekend was met de voor zijn inschaling geldende criteria, in geen geval verschoonbaar worden geacht voor een mogelijke gedektverklaring van een verzuim. Daarbij behoeft niet te worden ingegaan op de vraag of verzoeker in 1975 tezamen met een functieomschrijving een supplement bij de Gids voor de beoordeling is uitgereikt of dat dit — zoals verzoeker beweert — niet is geschied. Veeleer is van belang dat verzoeker bij zijn indiensttreding het Statuut heeft ontvangen. Hiermee werd hij — door artikel 5 — gewezen op het bestaan van functieomschrijvingen, waarvan hij gemakkelijk kennis had kunnen nemen aangezien zij in het najaar van 1973 in de voor iedere ambtenaar toegankelijke Personeelskoerier waren bekendgemaakt. Voorts heeft verzoeker zich kennelijk — zoals uit zijn eerste klacht blijkt — direct na zijn indiensttreding in de kneepjes van het personeelsrecht verdiept en zich met name beziggehouden met de inschalingscriteria. Daarmee was het voor hem in beginsel maar een kleine stap, de kwestie in volle omvang te onderzoeken en niet alleen zijn inschaling binnen een loopbaan te bekijken; in elk geval diende hij zijn bezwaren terzake niet eerst in 1979 te uiten.
Nu het verzoeker derhalve in 1979 niet meer vrij stond, op een in 1974 genomen besluit over zijn inschaling terug te komen, is niet alleen zijn eerste maar ook zijn tweede vordering niet ontvankelijk. Zulks om de duidelijke reden dat het door hem gestelde recht op nabetaling afhankelijk is van de vaststelling van de onrechtmatigheid van het besluit over zijn inschaling, hetgeen thans niet meer mogelijk is. Hierin kan verzoeker overigens geen wijziging brengen door te trachten het recht op nabetaling voor te stellen als een recht op schadevergoeding. Het is in dit verband al veelzeggend, dat het verzoekschrift geen bijzondere uitweidingen over een dienstfout bevat en dat de schade zou moeten worden gecompenseerd door nabetaling van het verschil tussen verzoekers bezoldiging en die van een ambtenaar in de rang Β 1. Deze casus doet dan ook duidelijk denken aan die welke in bovengenoemde zaak 59/65 (Jurispr. 1966, blz. 779) aan de orde was. In die zaak werd beklemtoond dat verzoeker in werkelijkheid geen schadevergoeding vorderde maar eenvoudig het verschil tussen de door hem ontvangen bezoldiging en die behorende bij de rang A 3; daartoe werd uitdrukkelijk vastgesteld dat langs deze weg — dat wil zeggen met behulp van een vordering tot schadevergoeding — de niet-ontvankelijkheid van een op die onrechtmatigheid gebaseerde vordering van dezelfde geldelijke strekking niet kon worden ontlopen. Bovendien moet in de onderhavige zaak ook acht worden geslagen op artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG, volgens hetwelk vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit, dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven, verjaren. Daar het schadebrengende feit — de beweerdelijk onjuiste inschaling van verzoeker — in 1974 zou hebben plaatsgevonden en de daartegen gerichte klacht — voor zover het de inschaling in de rang Β 1 betreft — pas in december 1979 is ingediend, zou een beroep op verjaring zeker succes hebben; de tweede vordering zou derhalve in ieder geval op die grond moeten worden afgewezen.
II — De gegrondheid
Ik hoef thans nog slechts subsidiair in te gaan op de door de Commissie eveneens ontkennend beantwoorde vraag, of de vordering gegrond is.
Verzoekers aanwerving, waarbij de thans omstreden inschaling werd vastgesteld, vond overeenkomstig artikel 29 van het Statuut plaats op grond van een vergelijkend onderzoek waarvan de details in bijlage III bij het Statuut zijn geregeld. De gevolgde procedure, die voor een aanspraak als de onderhavige ongetwijfeld van doorslaggevende betekenis is, is geheel duidelijk voor zover in de aankondiging werd gesproken van de aanwerving van assistenten in de loopbaan Β 3 en Β 2.
1.
Verzoeker is echter van mening — en dit vormt een van de belangrijkste argumenten ter ondersteuning van zijn verzoek — dat de loopbaan voor de aangekondigde post daarmee onjuist werd voorgesteld. Er bestaan volgens hem verschillende aanwijzingen dat in werkelijkheid inschaling in de rang Β 1. werd beoogd. De belangrijkste is zijns inziens de omschrijving van de aard der werkzaamheden, en met name de omstandigheid dat hier, evenals bij de in 1972 door de Commissie — voor de loopbaan Β 1 — opgestelde omschrijving van de ambten die uit het huishoudelijk krediet worden gefinancierd, wordt gesproken van het opstellen en bijwerken van programma's. Daarnaast acht hij de in de aankondiging gestelde minimum leeftijd van belang, welke wijst op een lange beroepservaring als programmeur. Verder zou ook de in de aankondiging — met name in afdeling III, sub 3 en 4 — verlangde kennis voor verzoekers opvatting pleiten.
Mijns inziens kan men echter verzoekers mening op dit punt al niet meer volgen.
Bij voorbaat kan men al een groot vraagteken plaatsen bij verzoekers poging, via een wijziging van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek tot een wijziging van zijn inschaling te komen. Gesteld al dat in werkelijkheid — in afwijking van de uitdrukkelijke bewoordingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek -— een post in de rang Β 1 was uitgeschreven, dan was dit toch niet zonder meer te zien, zodat ook niet alleen sollicitaties voor een dergelijke post zijn binnengekomen. Het vergelijkend onderzoek zou derhalve zijn vervalst: geenszins kan met zekerheid worden gezegd, dat bij een juiste gang van zaken met duidelijke aankondiging van een post in de rang Β 1, uitgerekend verzoeker zou zijn gekozen uit de dan ongetwijfeld andere kring van sollicitanten. Bij aanvaarding van verzoekers uitgangspunt zou het bijgevolg veeleer voor de hand liggen het gehele vergelijkend onderzoek ongeldig te verklaren, dan verzoeker, die heeft deelgenomen aan een onderzoek dat niet duidelijk op de rang Β 1 was toegesneden, thans een dergelijke hogere inschaling toe te kennen.
Nog belangrijker dan deze overweging is voorts dat op de aankondiging, tot stand gekomen in het kader van een zorgvuldige procedure nadat het paritair comité was gehoord, in werkelijkheid niets kan worden aangemerkt voor zover daarin uitdrukkelijk sprake is van inschaling in de rang Β 3/B 2.
Beziet men om te beginnen de door verzoeker aangehaalde functieomschrijving uit 1972, die inderdaad — naast de inleidende bepalingen in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek — het belangrijkste criterium vormt, dan is essentieel dat volgens die omschrijving — voor zover thans van belang — „het uitvoeren van moeilijke en ingewikkelde werkzaamheden binnen het kader van algemene richtlijnen” kenmerkend is voor de loopbaan Β 3/B 2. Dit komt bijna woordelijk overeen met het eerste gedeelte van de functieomschrijving in de onderhavige aankondiging van vergelijkend onderzoek, waarin wordt gesproken van „moeilijke en ingewikkelde werkzaamheden” die „in het kader van algemene richtlijnen” moeten worden uitgevoerd. Anders dan verzoeker meent, heeft dit laatste niet alleen bij administradeve ambtenaren maar ook bij technische ambtenaren betekenis. Wanneer daarnaast nog wordt gesproken van „het opstellen en bijwerken van programma's voor een computer van de derde generatie”, dan wordt hiermee — zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond — slechts schijnbaar gerefereerd aan de functieomschrijving voor ambtenaren in de rang Β 1, waarin wordt gesproken van het „uitwerken van machineprogramma's voor elektronische ordinatoren”. De inhoud van de hele aankondiging dwingt tot dit oordeel. Men kan immers wel aannemen, dat met laatstgenoemde zinsnede niet is beoogd te refereren aan een post in de rang Β 1, waarvoor volgens de functieomschrijving van de Commissie de uitvoering van bijzonder moeilijke en ingewikkelde werkzaamheden binnen het kader van algemene richtlijnen kenmerkend is. Nu in de eerste alinea van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek uitdrukkelijk sprake is van een loopbaan in de rangen Β 3/B 2, en in de omschrijving van de aard van de functie enkel van moeilijke en ingewikkelde werkzaamheden wordt gesproken, is de zinsnede met betrekking tot de programma's voor een computer van de derde generatie veeleer zo uit te leggen, dat het hier gaat om de uitwerking van programma's in om zo te zeggen afgezwakte zin, en derhalve hoofdzakelijk om steun bij dergelijke werkzaamheden. De omstandigheid dat in de betrokken omschrijving van de aard van de functie behalve het opstellen ook het bijwerken van programma's wordt genoemd, hetgeen met de functieomschrijving voor posten in de rang Β 1 niet het geval is, zou ook een aanwijzing in deze richting kunnen zijn; hierop hoeft thans echter niet te worden ingegaan.
Ook de andere door verzoeker genoemde aanwijzingen kunnen mijns inziens geen twijfel doen ontstaan aan de juistheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/B/106. Dit geldt zeker voor de erin gestelde minimumleeftijd. Ook wanneer men ervan uitgaat — doch dit hoeft volgens mij niet — dat daarmee op een zekere beroepservaring juist op het gebied van de dataverwerking wordt gedoeld, dan kan daaruit nog niet worden afgeleid dat het moet gaan om programmeurs met de voor een loopbaan in de rang Β 1 vereiste ervaring. Het tegendeel is veeleer aan te nemen, nu volgens het „besluit inzake de bij aanwerving te hanteren criteria voor de benoeming in een rang en de indeling in een salaristrap” — dat verzoeker tezamen met het op zijn eerste klacht genomen besluit heeft ontvangen en dat als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd — voor inschaling in de rang Β 1 een 14-jarige beroepservaring is vereist, waarvan op het onderhavige terrein toch moeilijk sprake kan zijn bij een kandidaat die de minimumleeftijd van 28 jaar heeft. Hetzelfde geldt voor hetgeen in de aankondiging werd gesteld met betrekking tot de voor de te bezetten post vereiste kennis. Zelfs al ware het zo dat deze zich in niets van de voor de rang Β 1 vereiste kennis onderscheidt — waarop thans niet dieper behoeft te worden ingegaan —, dan zou dit nog niet betekenen dat in werkelijkheid een vacature voor een post in de rang Β 1 had moeten worden aangekondigd. Een dergelijke gelijksoortige kennis voor functies van verschillende rangen is niet zo uitzonderlijk. In casu zou dit alleen maar betekenen, dat die kennis niet behoeft te worden ingezet bij de uitvoering van bijzonder moeilijke werkzaamheden (B 1), maar slechts bij de uitvoering van moeilijke werkzaamheden in het kader van de loopbaan Β 3/B 2, waar zij evenzeer haar goede gronden heeft, ook al gaat het slechts om ondersteunende werkzaamheden.
2.
Nu verzoekers voornaamste argument, volgens hetwelk in werkelijkheid de aankondiging van een vergelijkend onderzoek voor een post in de rang Β 1 was bedoeld, derhalve faalt, moet nog worden nagegaan of andere door hem aangevoerde argumenten zijn aanspraak op een inschaling in de rang Β 1 kunnen rechtvaardigen.
Dit geldt zeker niet voor de omstandigheid dat in de brief van 6 september 1974, waarin verzoeker een functie werd aangeboden, de uitdrukking „programmeur” is gebruikt zoals die ook in de functieomschrijving van de Commissie bij de rang Β 1 figureert. Een dergelijke beknopte omschrijving van de werkzaamheden in een administratieve mededeling kan ongetwijfeld geen beslissende betekenis hebben, niet in de laatste plaats op grond dat dit begrip noch in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek noch in het benoemingsbesluit opduikt; bovendien wordt in hetzelfde schrijven van de administratie uitdrukkelijk gesproken van een ambt van „assistent” en inschaling in de rang Β 3/1.
Voorts is onduidelijk welke aanwijzingen de door verzoeker genoemde twee andere vergelijkende onderzoeken (COM/B/135 en COM/B/137) voor de beoordeling van het onderhavige geval hebben kunnen opleveren. Laatstgenoemd vergelijkend onderzoek is namelijk identiek aan het onderhavige. In vergelijkend onderzoek COM/B/135 ging het echter niet om adjunct-programmeurs in de loopbaan Β 2/3, maar om de bezetting van posten in de loopbaan Β 4/B 5. Daarom was in die aankondiging ook geen sprake van de uitvoering van moeilijke en ingewikkelde werkzaamheden en het bijstaan van programmeurs, maar uitsluitend van de uitvoering van lopende werkzaamheden onder toezicht en de deelneming aan het opstellen en bijwerken van programma's.
Tenslotte kan verzoekers vordering evenmin worden gemotiveerd met een verwijzing naar de werkzaamheden die hij sedert zijn indiensttreding daadwerkelijk zou hebben uitgeoefend, noch met een beroep op de overeenkomstig artikel 43 van het Statuut over verzoeker uitgebrachte beoordelingen, waarin zijn functie wordt aangeduid als „programmeur” met de verklaring dat hem werkzaamheden op het gebied van de systeemanalyse zijn toevertrouwd en dat hij systeemanalyse- en programmeringswerkzaamheden coördineert. Immers deze vermeldingen en waarderingen in de overeenkomstig artikel 43 van het Statuut door verzoekers superieuren opgestelde beoordelingen kunnen op zich zelf geen inschaling rechtvaardigen die afwijkt van de in het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag vastgestelde inschaling. En wat de gestelde daadwerkelijk uitgeoefende werkzaamheden betreft, heeft de Commissie uitdrukkelijk bestreden dat verzoeker werkzaamheden verricht die overeenkomen met die van de rang Β 1. Volgens de rechtspraak kan een dergelijke omstandigheid (zie bijvoorbeeld het arrest van 19 maart 1975, zaak 189/73, Van Reenen, Jurispr. 1975, blz. 445) ook hooguit van betekenis zijn voor een bevordering, maar geen aanspraak geven op een andere inschaling. Dit is ook juist omdat anders de bepalingen betreffende de uitvoering van vergelijkende onderzoeken gemakkelijk zouden kunnen worden ontdoken en de aan het tot aanstelling bevoegde gezag voorbehouden bevoegdheden zouden worden uitgehold.
Na dit alles behoeft niet meer te worden ingegaan op hetgeen is betoogd inzake de bedoeling van de Commissie, de omschrijving van uit het huishoudelijk krediet gefinancierde posten te wijzigen ten einde deze in overeenstemming te brengen met de omschrijving van de werkzaamheden van overeenkomstige, uit de kredieten voor onderzoek gefinancierde posten. Voor het onderhavige geval zijn deze kennelijk zonder belang daar het in hoofdzaak erom gaat, ook voor de uit het huishoudelijk krediet gefinancierde sector dataverwerking posten in de rang Β 4/B 5 te creëren. Concluderend moet veeleer worden vastgesteld dat het beroep niet gegrond kan worden geacht, en wel noch op het punt van de inschaling bij indiensttreding, noch wat betreft de vordering tot nabetaling van het verschil tussen de bezoldiging behorende bij de rang waarin verzoeker is ingeschaald en die behorende bij de rang Β 1.
III — Ik stel derhalve voor de vordering primair niet ontvankelijk en subsidiair ongegrond te verklaren, en overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering over de kosten te beslissen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy