CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 18 JUNI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Peter Tither was vanaf 10 augustus 1978 tot aan de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot het onderhavige beroep, ambtenaar op proef bij de Commissie. Hij verzoekt het Hof thans om nietigverklaring van een beoordelingsrapport, gedateerd 6 juli 1979, waarin wordt aanbevolen hem te ontslaan, en van een besluit om hem te ontslaan van 1 augutus 1979. Voorts vordert hij nietigverklaring van een in een brief van 24 april 1980 vervat besluit van de Commissie tot afwijzing van zijn klacht tegen de beoordeling en het ontslagbesluit. Tenslotte vordert hij een groot bedrag aan schadevergoeding.
De zaak betreft artikel 34 van het Ambtenarenstatuut, zoals gewijzigd. Voor zover hier van belang, luidt dit artikel als volgt:
„(1)
Met uitzondering van hen die tot de rangen A 1 en A 2 behoren, dienen alle ambtenaren, alvorens in vaste dienst te kunnen worden aangesteld, een proeftijd te volbrengen. Deze proeftijd duurt voor ambtenaren van... categorie Β 9 maanden en voor de overige ambtenaren 6 maanden.
Wanneer de ambtenaar tijdens zijn proeftijd wegens ziekte of ongeval gedurende ten minste één maand verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, kan het tot aanstelling bevoegde gezag de proeftijd met een overeenkomstige periode verlengen.
(2)
Uiterlijk een maand voor het verstrijken van de proeftijd wordt ten aanzien van de ambtenaar op proef een beoordeling opgesteld betreffende zijn geschiktheid voor het vervullen van de hem uit hoofde van zijn functie opgedragen taken, alsmede betreffende zijn prestaties en zijn gedrag in de dienst. Deze beoordeling wordt ter kennis gebracht van de betrokkene, die schriftelijk zijn opmerkingen hierover kan maken. De ambtenaar op proef die zich niet voldoende geschikt heeft getoond om in vaste dienst te worden aangesteld, wordt ontslagen...
Tenzij hij zijn werkzaamheden bij de dienst waartoe hij oorspronkelijk behoorde, onverwijld kan hervatten, geniet de ontslagen ambtenaar op proef een vergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris wanneer hij ten minste zes maanden in dienst is geweest...”
Daar Tither in categorie Β was aangesteld, zou zijn proeftijd normaliter op 10 mei 1979 zijn verstreken. Aangezien hij wegens ziekte echter enige tijd verhinderd was zijn werkzaamheden te verrichten, werd de proeftijd overeenkomstig artikel 34, lid 1, met een maand verlengd.
Op 11 mei 1979 ondertekende het hoofd van zijn afdeling een overeenkomstig artikel 34, lid 2, opgestelde beoordeling. Hoewel hierin werd vermeld dat zijn contacten binnen de dienst te wensen overlieten en hij enige moeilijkheden had gehad om zich aan te passen aan het dienstpatroon bij de Commissie, werden zijn kennis en initiatief hogelijk geprezen. In de beoordeling werd aanbevolen hem in vaste dienst aan te stellen. Het rapport werd ter kennis gebracht van verzoeker, die er zijn opmerkingen aan toevoegde en het ondertekende.
Kort nadien kreg Tither drie dagen buitengewoon verlof, van maandag 21 mei tot en met woensdag 23 mei 1979, om bij de plaatselijke verkiezingen te Llanelli zijn stem uit te brengen. De overige twee dagen van die week hadden de ambtenaren van de Commissie verlof. Tither zegt dat hij het daarop volgende weekend opnieuw ziek werd en niet in staat was terug te keren naar Brussel.
Hij beweert dat hij maandag 28 mei 1979 en de volgende dag meermaals vruchteloos heeft getracht zijn directe meerdere te telefoneren. Op dinsdag 29 mei bezocht hij naar zijn zeggen eerst een arts in Cydweli. De dag daarop vertrok hij naar Brussel. In Londen ontving hij een boodschap, dat hij de heer Munro, assistent van de directeur-generaal Vervoer te Brussel moest opbellen. Dit deed hij vanuit het kantoor van de Commissie te Londen. Partijen geven een verschillende lezing van dit gesprek, hoewel het duidelijk is dat Munro zijn misnoegen erover uitte dat Tither niet op zijn werk was verschenen. Tither keerde vervolgens terug naar zijn woonplaats in Wales, nadat hij — naar zijn zeggen — de trein naar Brussel had gemist en te ziek en te ontdaan was om de volgende trein (een nachttrein) te nemen. De volgende avond belde Tither Munro thuis op en op vrijdagmorgen 1 juni belde Munro hem in Wales. Partijen geven een uiteenlopend relaas van deze gesprekken, maar beiden zeggen dat Tither meedeelde dat hij een arts moest consulteren.
De volgende dagen maande de Commissie Tither per telegram en per brief, zijn afwezigheid te verklaren of terug te keren naar Brussel. Hij zegt dat hij zich in die periode bij zijn afdelingshoofd telefonisch heeft ziekgemeld. Hij zond de Commissie een medisch attest en een brief betreffende zijn ziekte.
De Commissie ontving vervolgens op 4 juni, 15 juni, 6 juli en 30 juli gedateerde medische attesten, waarin werd verklaard dat verzoeker op die data was onderzocht en gedurende een bepaalde tijd niet op zijn werk kon komen. Tither heeft het Hof thans een attest betreffende het gehele tijdvak van 29 mei tot 6 augustus 1979 overgelegd. Daarin staat dat hij werd onderzocht op hartafwijkingen en dyspepsie en niet op het werk kon verschijnen. In het attest werd voorts megedeeld dat „dit betrouwbare symptomen waren, verergerd door een angsttoestand..., doch dat bij nader onderzoek geen ernstige organische afwijkingen zijn geconstateerd.”
Op 6 juli 1979 (toen het eerste medisch attest de Commissie stellig had bereikt en het tweede blijkbaar ook) ondertekende Tithers afdelingshoofd een nieuwe beoordeling van verzoeker. Daarin werd geklaagd over „onvoldoende verantwoordelijkheidsgevoel bij spoedeisende werkzaamheden”, en werd gezegd dat „het is voorgekomen dat hij zonder kennisgeving afwezig was van zijn werk”; voorts was sprake van „ernstig wangedrag... sedert het eerste beoordelingsrapport is opgesteld.” Ter toelichting deelde het afdelingshoofd mee dat Tither achteraf medische attesten betreffende het tijdvak van 4 juni tot 6 juli had gezonden, doch de Commissie niet per telex had medegedeeld dat hij ziek was geworden. In de beoordeling stond voorts dat „Tither gesprekken met de assistent van de directeur-generaal van DG II had gehad, en hem in arrogante en ongepaste bewoordingen had geschreven”, en werd aanbevolen hem te ontslaan.
Tither ontving deze beoordeling op 17 juli 1979, met een begeleidend schrijven waarin hij werd uitgenodigd hierover binnen 15 dagen schriftelijk zijn opmerkingen te maken. Per telex van 19 juli 1979 berichtten Tithers raadslieden de Commissie op welke datum de brief en de bijlage waren aangekomen. Munro antwoordde per telegram van 20 juli dat de Commissie zijn opmerkingen inwachtte tot 31 juli 1979. Toen de Commissie op 1 augustus nog geen opmerkingen van Tither had ontvangen, besloot zij hem te ontslaan, daar hij om de in de beide beoordelingsrapporten genoemde redenen niet geschikt was gebleken voor zijn functie.
In de daarop volgende briefwisseling tussen partijen diende Tither eerst een formele klacht in de zin van het Ambtenarenstatuut in, waarin hij stelde dat het vermeende ontslag ongeldig was, doch verlangde hij nadien bij brief van 11 oktober 1979 de vergoeding bij ontslag bedoeld in artikel 34, lid 2, derde alinea, van het Statuut. De Commissie zond Tither een cheque van £ 2 420,43 als vergoeding, berekend overeenkomstig artikel 34, lid 2, met een begeleidend schrijven waarin stond dat het verzoek om een vergoeding neerkwam op een wijziging van zijn klacht. Hij antwoordde per kerende post dat hij op advies van zijn raadslieden de cheque weigerde en deze niet zou verzilveren. Blijkbaar bood hij de'cheque toch aan en werd deze uitbetaald.
De Commissie stelt niet dat het accepteren van deze vergoeding een belemmering vormt voor verzoekers vorderingen. Ik geloof niet dat het estoppelbeginsel hier enigerlei rol speelt. De vordering van een vergoeding overeenkomstig artikel 34, lid 2, moet worden geacht niet in de weg te staan aan het bij de klacht ex artikel 90 gevorderde. Gezien het standpunt van de Commissie, ben ik van mening dat het Hof niet ambtshalve behoeft te verklaren dat het accepteren van deze vergoeding zo zeer indruist tegen het instellen van een vordering in de onderhavige zaak, dat deze vordering al dadelijk moet worden afgewezen.
Tither betoogt in de eerste plaats dat de Commissie krachtens artikel 34 van het Statuut of enige andere bepaling niet bevoegd is, meer dan één beoordelingsrapport over een ambtenaar op te stellen. De tweede beoordeling zou derhalve nietig zijn en dit zou ook gelden voor het daarop gebaseerde ontslagbesluit. Het is natuurlijk juist dat artikel 34 de verplichting bevat slechts één beoordelingsrapport op te stellen, hieruit volgt echter niet dat niet meer dan één rapport kan worden opgesteld. Het Hof lijkt reeds te hebben aanvaard dat, ingeval een eerste beoordelingsrapport ongunstig is uitgevallen, het bevoegde gezag opnieuw rapporten kan opstellen, zeker wanneer dit geschiedt om de ambtenaar een verbetering in zijn werk te kunnen aanrekenen: zaak 52/70 (Nagels, Jurispr. 1971, blz. 365 en 371).
Evenzo moet het bevoegde gezag naar mijn mening een tweede rapport kunnen opstellen, wanneer het eerste gunstig was. Dit volgt uit het feit dat de proeftijd van een ambtenaar ingevolge artikel 34 niet eindigt op de datum van de beoordeling, die „uiterlijk een maand over het verstrijken van die proeftijd wordt... opgesteld”, doch zich uitstrekt over het aantal maanden dat in artikel 34, lid 1, is genoemd, tenzij hij wordt verkort op grond van duidelijke ongeschiktheid van de ambtenaar op proef. Bij de vervulling van zijn taak (bijvoorbeeld ingevolge artikel 27) heeft het tot aanstelling bevoegde gezag het recht, en in bepaalde gevallen zelfs die plicht, rekening te houden met belangrijke nieuwe feiten of omstandigheden, die zich voordoen of aan de dag treden tussen het opstellen van de eerste beoordeling en het einde van de proeftijd, en die betrekking hebben op de geschiktheid van de ambtenaar. Wanneer genoemd gezag rekening moet houden met dergelijke feiten of omstandigheden, gebiedt de billijkheid dat de ambtenaar de gelegenheid krijgt zijn opmerkingen te maken. Een tweede beoordelingsrapport vormt een passend en juist middel om de ambtenaar te waarschuwen dat het gezag een nieuw element in aanmerking neemt, en hem uit te nodigen daarover opmerkingen te maken. Voorts is het een zinvol communicatiemiddel tussen de verschillende niveaus in de dienst.
Tither heeft betoogd dat na het opstellen van de beoordeling voorgevallen of aan de dag getreden feiten alleen het voorwerp kunnen vormen van krachtens artikel 87, lid 1, van het Statuut te nemen tuchtmaatregelen. Dit is inderdaad een mogelijkheid. Dit sluit mijns inziens echter niet per se uit, dat een nadere beoordeling kan worden opgesteld voordat over de aanstelling in vaste dienst wordt beslist.
Voorts is gesteld dat de tweede beoordeling bijna twee maanden na het in artikel 34 voorgeschreven tijdvak was opgesteld. Het Hof heeft echter in de zaken 10 en 47/72 (Di Pillo, Jurispr. 1973, blz. 763, op blz. 770) reeds beslist dat een verzuim van het bevoegde gezag om binnen enkele maanden na de in het Statuut voorgeschreven periode een beoordeling op te stellen, weliswaar tot aansprakelijkheid van de Commissie kan leiden, doch niet de ongeldigheid van het beoordelingsrapport meebrengt.
Verzoeker heeft verder gesteld dat het besluit om hem te ontslaan, ongeldig was omdat het zo kort na de tweede beoordeling werd genomen, dat hij niet in staat was tijdig zijn opmerkingen daarover te maken. Hiertoe werd aangevoerd dat „het onbillijk was een ambtenaar die naar de Commissie bekend was, wegens ziekte afwezig was, enige termijn, laat staan een korte en fatale termijn, voor te schrijven.” Mijns inziens is de Commissie in gevallen als het onderhavige verplicht, de ambtenaar een redelijke termijn te laten om zijn opmerkingen te maken: zie zaak 99/77 (D'Auria, Jurispr. 1978, blz. 1267, op blz. 1274) en zaak 17/74 (Transocean Marine Paint Association, Jurispr. 1974, blz. 1063, op blz. 1079). Welk tijdvak voldoende is, hangt van de omstandigheden van het geval af. In casu gaf de Commissie Tither aanvankelijk 15 dagen, gerekend vanaf de verzending van de tweede beoordeling, om zijn opmerkingen te maken; nadat zij had vernomen dat de beoordeling en het begeleidend schrijven pas na 11 dagen in Wales waren aangekomen, werd de termijn voor inzending van zijn opmerkingen dienovereenkomstig verlengd. Inmiddels had Tither een advocatenbureau ingeschakeld dat per telex contact onderhield met de Commissie. Dit heeft er echter nimmer op gewezen dat de termijn te kort was, noch gevraagd om verlenging, of aangevoerd dat Tither zo ziek was, dat hij het kantoor niet behoorlijk kon instrueren. Indien het advocatenkantoor een redelijke verlenging had gevraagd en had verklaard waarom, dan betwijfel ik nauwelijks dat die verlenging zou zijn toegestaan. Daarom meen ik dat Tithers bewering dat hem onvoldoende tijd is gegeven om opmerkingen te maken, moet worden verworpen.
Voorts werd betoogd dat het besluit om uitvoering te geven aan de tweede beoordeling gebrekkig was, omdat daarin alleen werd verwezen naar de ongunstige opmerkingen in de eerste beoordeling en niet naar de gunstige. Het besluit moet de gronden vermelden waarop het is gebaseerd; het behoeft echter niet alle tegenargumenten aan te halen. Ongetwijfeld moet in vele gevallen een afweging van belangen plaatsvinden. Volgens mij kan uit de bewoordingen van het onderhavige besluit niet worden afgeleid dat gunstige factoren buiten beschouwing werden gelaten.
Uiteraard staat de vraag of een ambtenaar op proef al dan niet moet worden ontslagen, hoofdzakelijk ter beoordeling van het tot aanstelling bevoegd gezag. Naar mijn mening is het Hof echter bevoegd in te grijpen, wanneer de voorschriften niet zijn nageleefd, wanneer de rechten van de verdediging zijn geschonden, wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag heeft gehandeld in strijd met het recht of tot een conclusie is gekomen waartoe het gezien de omstandigheden, in redelijkheid niet had kunnen komen. Dat slechts één maand voor het te verwachten eind van de proeftijd een aanbeveling tot aanstelling in vaste dienst is opgesteld en aan de ambtenaar op proef is medegedeeld, is op zichzelf een omstandigheid die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van latere gebeurtenissen.
De klachten van de Commissie over Tithers gedrag in de periode na toezending van de eerste beoordeling, zijn in wezen tweeledig: enerzijds betreffen zij zijn afwezigheid, beweerdelijk zonder kennisgeving, en anderzijds zijn optreden tegenover zijn meerderen.
De eerste afwezigheid waarover de Commissie klaagt, was van 21 tot 23 mei, toen hij verlof had geltregen om bij plaatselijke verkiezingen zijn stem uit te brengen. De Commissie zegt dat hij geen recht op dat verlof had. Men kan erover twisten of hij recht had op het gehele verlof. Hij heeft het echter — blijkbaar te goeder trouw — aangevraagd en gekregen. Indien Tither, zoals de Commissie thans betoogt, voor dit doel geen recht had op drie dagen verlof, doch slechts op één dag, was de Commissie wellicht gerechtigd de overige twee dagen af te trekken van Tithers jaarlijks verlof, doch kan zij mijns inziens niet Tithers afwezigheid gedurende deze beide dagen aanvoeren als grond voor zijn ontslag.
De volgende afwezigheid die hier van belang is, geldt de periode van maandag 28 mei tot en met vrijdag 1 juni, de laatste werkdag voorafgaand aan de datum van het eerste medisch attest, dar vóór de bestreden besluiten aan de Commissie werd voorgelegd. Een ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, is krachtens artikel 59, lid 1, van het Statuut uiteraard verplicht dit zijn instelling zo spoedig mogelijk mede te delen en, wanneer hij meer dan drie dagen afwezig is, een medisch attest over te leggen. Voor het Hof is niet aangetoond, dat er een bijzondere verplichting bestaat om de mededeling per telex te doen, zoals Tithers afdelingshoofd in zijn tweede beoordeling stelde, of per telegram, zoals de heer Munro volgens verweester aan Tither heeft meegedeeld.
De voor het Hof afgelegde verklaringen over de telefoongesprekken tussen de heren Tither en Munro verschillen zozeer, dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld op welke datum Tither het eerst heeft meegedeeld dat hij ziek was. Maar zelfs in de lezing van Munro zou Tither op donderdagavond 31 mei hebben toegezegd, medische attesten over te leggen betreffende het tijdvak van 28 mei tot 1 juni. Naar het schijnt deelde Tither uiterlijk op de vierde dag van zijn afwezigheid zijn instelling mede dat hij vanaf het begin van die periode door ziekte was verhinderd op zijn werk te verschijnen. Gezien dit feit en zijn bewering dat hij op 28 mei heeft getracht een verklaring te geven voor zijn afwezigheid en op 30 mei daarin is geslaagd, meen ik dat redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat Tither handelde in strijd met artikel 59, lid 1. Doch zelfs indien dat wel zo was, moet dit worden bezien in het licht van de daarop volgende gebeurtenissen.
Toen op 6 juli de tweede beoordeling werd opgesteld, had de Commissie twee medische attesten ontvangen over het tijdvak van 4 juni tot 6 juli. Toen op 1 augustus het ontslagbesluit werd genonem, had zij nog een medisch attest d.d. 6 juli ontvangen. Geen van deze attesten wordt in het ontslagbesluit genoemd. Voorts werd het Hof medegedeeld dat degene die het ontslagbesluit heeft genomen, waarschijnlijk wel op de hoogte was gesteld van de data en de ontvangst van de attesten en „hetgeen daarin als reden voor een regelmatige afwezigheid werd opgegeven”, doch niet de attesten of de feitelijke diagnose had gezien.
Wanneer de zinsnede in de tweede beoordeling „afwezigheid van het werk zonder kennisgeving” moet slaan op einige periode tussen 4 juni en 6 juli, dan is zij niet gerechtvaardigd. Aangezien de beide medische attesten in de beoordeling zijn vermeld, neem ik aan dat dit niet de bedoeling was, zodat op dat tijdstip alleen het tijdvak tussen 28 mei en 4 juni nog over bleef. Het was onverstandig van Tither, dat hij zich eerst na zijn ontslag een medisch attest over dit tijdvak heeft bezorgd. Gezien het in die periode gevoerde overleg en de latere medische attesten acht ik het echter niet redelijk dat hij is ontslagen wegens afwezigheid in dat tijdvak, met name omdat hem niet uitdrukkelijk is gevraagd of hij zich voor dat tijdvak een attest kon bezorgen.
Zodoende blijft slechts de andere reden die is aangevoerd voor het besluit om Tither te ontslaan, namelijk zijn optreden tegenover zijn meerderen, dat in de tweede beoordeling is omschreven als „astrant en bij tijd en wijle laatdunkend en ongepast gedrag.” Hij zou zich in mondelinge en schriftelijke contacten met de heer Munro hebben uitgelaten „in arrogante en ongepaste bewoordingen.” Zelfs in Munro's versie van bedoelde gesprekken wordt Tither echter geen woordgebruik toegeschreven dat beantwoordt aan de omschrijving in de tweede beoordeling, en uiteraard geeft Tither een andere en gunstiger lezing van zijn woorden. Daarom heb ik om inzage verzocht van brieven waarop de Commissie haar bewering doet steunen. Het Hof ontving echter slechts een kopie van de brief van 10 juni 1979, die Tither zelf bij zijn verzoekschrift had gevoegd. Naar mijn mening kan hoogstens worden gezegd dat deze in krachtige bewoordingen is gesteld, doch ik zie er niets in dat beledigend, laat staan arrogant of ongepast is. Hetzelfde geldt voor een aantal andere door Tither geschreven en aan het Hof voorgelegde stukken. Geen daarvan kan volgens mij zijn ontslag rechtvaardigen, nu in de eerste beoordeling werd aanbevolen, Tither in vaste dienst aan te stellen, ondanks zijn onbevredigende contacten met anderen binnen de afdeling.
Bovendien moet erop worden gewezen dat Tither tussen de eerste beoordeling en de datum van zijn ontslag in feite slechts vijf dagen heeft gewerkt. Er was zeer weinig gelegenheid voor gedragingen als hier bedoeld, tenzij in verband met zijn afwezigheid. Nu specifieke voorbeelden van dergelijk gedrag ontbreken, geloof ik mij te kunnen beperken tot bovengenoemde feiten. Naar mijn menig was het ontslagbesluit van de Commissie, gezien alle voor het Hof voorgedragen feiten, niet een besluit waartoe het betrokken gezag in redelijkheid kon komen.
Daarom komt het mij voor, dat Tither recht heeft op nietigverklaring van de tweede beoordeling, het ontslagbesluit en de afwijzing van zijn klacht. In zaak 24/79 (Oberthür, Jurispr. 1980, blz. 1745) verklaarde het Hof dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het passender is slechts schadeloosstelling toe te kennen en een door het Hof onjuist geoordeelde handeling niet nietig te verklaren. Ik meen echter dat een dergelijk geval zich hier niet voordoet. Het is voor Tither van belang dat het besluit wordt nietigverklaard, en de verreikende gevolgen uit de zaak-Oberthür kunnen zich hier niet voordoen. Anderzijds behoeft dit nog niet te betekenen dat Tithers dienstverband wordt voortgezet. Al is twijfel mogelijk, ik voor mij ben van mening dat het dienstverband bij het eind van de proeftijd is geëindigd, ook als hij niet was ontslagen. Indien het ontslag wordt nietigverklaard, heeft hij recht op vergoeding van de schade die hij wegens het uitblijven van een vaste aanstelling heeft geleden. Hij is alleen niet in vaste dienst benoemd omdat de Commissie zich over zijn afwezigheid en zijn gedrag een oordeel heeft gevormd waartoe zij in redelijkheid niet kon komen.
Als schadeloosstelling komt hem niet het door hem gevorderde salaris toe, doch „hij heeft recht op vergoeding van de schade die hij werkelijk heeft geleden doordat hem dat salaris... is onthouden” (zaak 58/75, Sergy, Jurispr. 1976, blz. 1139, op blz. 1153).
In beginsel bestaat dit bedrag eerstens uit het verschil tussen het nettosalaris waarop hij recht zou hebben gehad, indien hij vanaf de datum van zijn ontslag tot het tijdstip van het arrest bij de Commissie in dienst was geweest, en het netto-inkomen dat hij in diezelfde periode uit werkzaamheden elders heeft ontvangen of had kunnen ontvangen wanneer hij zich redelijke inspanningen had getroost om een passende werkkring te vinden. Voorts moeten naar mijn mening (eventuele) inkomsten uit werkloosheidsuitkeringen en andere in verband met zijn werkloosheid toegekende uitkeringen van sociale zekerheid worden afgetrokken. Het nettosalaris mag hier mijns inziens niet de ontheemdingstoelage omvatten, waarmee Tithers salaris krachtens artikel 69 van het Statuut zou zijn verhoogd. Dit bedrag dient de werkelijke kosten te dekken die een ambtenaar naar verwachting moet maken wanneer hij buitenslands woont. Zie hierover de opmerkingen van rechter Donner in de Personeelskoerier van 27 juni 1962 en het artikel van Louis Peeters: „L'impôt communautaire sur la rémunération des fonctionnaires et agents des Communautés européennes”, Revue internationale des sciences administratives, 1968 (3), blz. 256, op blz. 260. Op het relevante tijdstip woonde Tither niet buitenslands en maakte hij deze kosten derhalve niet.
In de tweede plaats meen ik dat hij recht heeft op een vergoeding wegens derving van toekomstig salaris, hoe moeilijk die ook valt te berekenen. Hiervoor moet namelijk een beoordeling plaatsvinden van de tijdsduur waarin hij tewerkgesteld had kunnen zijn, en van de mogelijkheid dat hij wettig zou worden ontslagen. Daarbij moeten zoveel imponderabilia in aanmerking worden genomen, dat het bedrag volgens mij in ieder geval moet worden beperkt tot een periode van ten hoogste 10 jaar. Zelf beperkt hij zijn vordering tot BFR 500 000.
Hij vordert voorts vergoeding van de kosten die hij als gevolg van zijn ontslag heeft moeten maken. Hij heeft deze schadevordering echter niet met bewijs gestaafd. Het is best mogelijk dat hij bij beëindiging van zijn huurovereenkomst in Brussel schadevergoeding moest betalen. Ten aanzien van het bedrag daarvan en van de andere vorderingen heeft hij echter geen bewijs bijgebracht.
Het komt mij voor dat het Hof geen dezer schadevorderingen kan toewijzen. Het lijkt mij het beste, het aan partijen over te laten, tot overeenstemming te komen over het vraagstuk van de schadevergoeding. Mocht dit niet gelukken, dan moet het hun vrijstaan het Hof te dezen om een beslissing te verzoeken.
Tither vraagt voorts een aanzienlijk bedrag aan smartegeld voor de kommer en kwel, hem aangedaan door het onrechtmatig optreden van de Commissie. Deze vordering is verder niet uitgewerkt en moet mijns inziens in ieder geval worden afgewezen.
Tither vordert rente over zijn achterstallig salaris inclusief toelagen, vanaf de respectieve vervaldata. Ik meen dat hij recht heeft op rente, doch niet vanaf het tijdstip waarop het salaris had moeten worden betaald. Zoals het Hof overwoog in het arrest van 7 mei 1981 (zaak 156/80, Morbelli, nog niet gepubliceerd), zijn moratoire interessen alleen verschuldigd wanneer de betaling door de Commissie ten onrechte is vertraagd. Het niet-voldoen door de Commissie van het door verzoeker gevorderde kan echter eerst onrechtmatig worden geacht vanaf 9 oktober 1979, toen zijn klacht bij de Commissie is ingeschreven. In zaak 114/77 (Jacquemart, Jurispr. 1978, blz. 1697, op blz. 1710) overwoog het Hof dat het tijdvak waarover moratoire interessen verschuldigd zijn, moet ingaan op de datum van de klacht. Op grond van die uitspraak moet naar mijn mening rente worden betaald vanaf dat tijdstip tot aan de dag van betaling.
In ander verband betoogde Tither dat het juiste percentage bij de berekening van de moratoire interessen 10 % is. Het Hof heeft herhaaldelijk 8 % een passend percentage geoordeeld. Ik verwijs naar de zaken 40/79 (mevrouw P.) en 785/79 (Pizziolo; zie hierin de conclusie van advocaat-generaal Warner van 26 februari 1981, nog niet gepubliceerd). Met het oog op de wisselende rentepercentages moet dit cijfer wellicht eens worden herzien, doch ik acht het in dit geval passend.
Tenslotte vordert Tither vergoeding van de door hem gemaakte kosten. Ik meen dat hij recht heeft op vergoeding van zijn kosten en dat de Commissie moet worden veroordeeld tot terugbetaling aan de kas van het Hof van de bedragen die Tither overeenkomstig 's Hof beschikking van 2 oktober 1980 als rechtsbijstand van het Hof heeft ontvangen. Eventuele andere kosten moeten worden begroot en door de Commissie betaald, doch verder behoeven geen bedragen aan rechtsbijstand ingevolge de beschikking van het Hof meer te worden betaald.
Ik concludeer mitsdien dat Uw Hof:
1.
Nietig verklare de beoordeling van de Commissie d.d. 6 juli 1979, waarin wordt aanbevolen verzoeker te ontslaan, haar besluit van 1 augustus 1979 om verzoeker te ontslaan en het besluit van 24 april 1980 tot afwijzing van verzoekers klacht tegen het opstellen van die beoordeling en tegen het besluit van 1 augustus 1979;
2.
De Commissie veroordele tot betaling aan verzoeker van:
a)
schadevergoeding gelijk aan de nettobezoldiging, exclusief ontheemdingstoelage, waarop hij recht zou hebben gehad indien hij vanaf de feitelijke datum van zijn ontslag tot de datum van het arrest bij de Commissie in dienst was geweest, met aftrek van hetgeen hij heeft ontvangen uit hoofde van andere werkzaamheden of van werkzaamheden die hij redelijkerwijs had kunnen aanvangen of van voor de duur van zijn werkloosheid aan hem betaalde werkloosheids- of andere uitkeringen, benevens aftrek van het door de Commissie aan verzoeker betaalde bedrag aan schadeloosstelling voor zijn ontslag;
b)
schadevergoeding wegens toekomstige salarisderving;
c)
vergoeding van kosten door hem gemaakt wegens het feit dat hij geen vaste aanstelling in zijn ambt heeft gekregen;
d)
rente over het sub a genoemde bedrag tegen 8 % 's jaars vanaf 9 oktober 1979 tot aan de dag van betaling, en
e)
de proceskosten overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering;
3.
De zaak in handen legge van partijen, teneinde zo mogelijk overeenstemming te bereiken over de vergoeding en, bij gebreke van overeenstemming, de zaak wederom aan het Hof voor te leggen;
4.
De Commissie veroordele tot betaling aan 's Hofs kas van een bedrag gelijk aan de bij wege van rechtsbijstand aan Tither betaalde bedragen overeenkomstig artikel 76, paragraaf 5, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering, en tot betaling aan Tither van eventuele andere aan hem opgekomen kosten; en
5.
Zal verstaan dat verder geen bedragen bij wege van rechtsbijstand overeenkomstig 's Hofs beschikking van 2 oktober 1970 aan Tither worden betaald.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy