CONCLUSIE VAN'DE ADVOCAATGENERAAL G. REISCHL
VAN 8 JULI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak is het geding zonder voorwerp geraakt, zodat het Hof van Justitie volgens artikel 69, paragraaf 5, van het Reglement voor de procesvoering vrijelijk ten aanzien van de proceskosten beslist.
Bij de beoordeling van de kansen van het beroep in zijn huidige stand resteert eigenlijk nog slechts één enkel middel, namelijk de stelling dat de litigieuze verordening is vastgesteld zonder de voorgeschreven raadpleging van het Parlement. Ik geloof niet dat dit middel gegrond is, want weliswaar heeft het Parlement zich niet over deze specifieke verordening uitgesproken, doch wel over het voorstel voor een verordening die een quotaregeling voor vijf jaar zou bevatten. Mijns inziens ligt in de omstandigheid dat het Parlement heeft ingestemd met een ruimere nieuwe regeling, ook de toestemming vervat tot verlenging van de betrokken oude regeling. Verder is van belang dat het Parlement, dat in de eerste zaak (arrest van 29 oktober 1980, zaak 138/79, Roquette Frères) heeft geïntervenieerd, zulks in deze zaak niet heeft gedaan. Ik geloof dat ook het Parlement van mening is dat aan zijn rechten in casu geen afbreuk is gedaan.
Het beroep is mijns inziens dan ook ongegrond. Desondanks zou ik het Hof willen voorstellen de kosten te compenseren, dus te verstaan dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy