CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 4 JUNI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Rekenkamer is ingesteld in 1975. In de loop van het organisatieproces van haar talend ienst maakte zij op 24 oktober 1978 kennisgeving van vacture nr. CC/LA/27/1978 bekend voor de post van hoofd van de talendienst. Deze post was ingedeeld in de rang LA/3. Onder het personeel van de Rekenkamer bevond zich op dat moment niemand die geschikt werd geacht voor bevordering naar rang LA/3. Zij die in de Gemeenschappen de post van afdelingshoofd in de rang LA/3 bekleedden en zichzelf geschikt achtten, werden verzocht te solliciteren. Blijkbaar hebben zich slechts drie sollicitanten gemeld, waarvan er slechts één aan de in de kennisgeving gestelde voorwaarden bleek te voldoen maar die zijn sollicitatie introk. De post van hoofd van de talendienst bleef dus vacant.
Op dezelfde dag werd een andere kennisgeving van vacature (nr. CC/LA/28/1978) voor de post van réviseur in de rangen LA/5 - LA/4 bekendgemaakt. Réviseurs die in deze rangen bij de Gemeenschappen werkzaam waren, werden verzocht te solliciteren. De heer Adriaen van Zaanen, réviseur bij de Commissie jn de rang LA/4, verzocht op grond van die kennisgeving om overgang naar de Rekenkamer. Op 8 december 1978 besloot de Rekenkamer hem in haar talendienst op te nemen, waarbij hij met ingang van 1 december 1978 in rang LA/4, salaristrap 5, werd ingedeeld.
Van Zaanen heeft aangevoerd dat hem bepaalde toezeggingen waren gedaan dat, wanneer hij naar de Rekenkamer zou overgaan, hij na enige tijd tot hoofd van de talendienst zou worden bevorderd. De Rekenkamer heeft dit ontkend. Hoe dit ook zij, in dat stadium werd geen verdere poging gedaan om iemand te vinden voor een vaste aanstelling als hoofd van de talendienst. In plaats daarvan besloot de Rekenkamer in de vacature te voorzien door middel van een tewerkstelling ad interim; bij besluit van 1 maart 1979 droeg zij de post voor een tijdvak van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van het besluit, aan Van Zaanen op. Dat besluit was gebaseerd op artikel 7 Ambtenarenstatuut dat, voor zover van belang, het volgende bepaalt:
„2.
De ambtenaar kan worden aangewezen ad interim een ambt te vervullen dat bij een hogere loopbaan van zijn categorie of groep behoort dan waarin hij is geplaatst. Met ingang van de vierde maand van zijn tewerkstelling ad interim ontvangt hij een aanvullende toelage, gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging, verbonden aan zijn rang en salaristrap, en de bezoldiging welke overeenkomt met de salaristrap die hem zou toekomen in de aanvangsrang, indien hij was aangesteld in de loopbaan waarin hij ad interim tewerk is gesteld.
Tewerkstelling ad interim kan ten hoogste voor één jaar plaatsvinden, behalve wanneer zij direct of indirect, strekt tot vervanging van een ambtenaar die in het belang van de dienst is gedetacheerd, onder de wapenen is geroepen, dan wel langdurig ziekteverlof geniet.”
In confesso is dat Van Zaanen geen ambtenaar heeft vervangen die in het belang van de dienst was gedetacheerd, onder de wapenen was geroepen of wegens langdurige ziekte afwezig was. Zijn tewerkstelling ad interim werd bij een reeks besluiten verlengd, waarvan het laatste dateert van 28 februari 1980. Bij dit besluit werd verzoekers tewerkstelling ad interim verlengd van 1 januari 1980 tot 29 februari 1980, op welke datum zij, aldus het besluit, „noodzakelijkerwijs zal worden beëindigd.” Strikt genomen werd in de verschillende aan het Hof voorgelegde besluiten enkel de aan de tewerkstelling ad interim verbonden toekenning van een aanvullende toelage verlengd, maar zijn zij als een verlenging van de tewerkstelling ad interim aangemerkt. Blijkens de bewoordingen van het besluit van 28 februari 1980 was de Rekenkamer van oordeel dat verzoekers tewerkstelling ad interim automatisch zou eindigen aan het einde van de in artikel 7, lid 2, genoemde periode van één jaar.
Op 28 februari 1980 besloot de Rekenkamer tevens de heer E., reviseur in de rang LA/5, voor zes maanden ad interim aan te stellen als hoofd van de talendienst. Daarop diende Van Zaanen bij de Rekenkamer op 3 april 1980 een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut. Daarin erkende hij dat zijn tewerkstelling ad interim op grond van artikel 7, lid 2, van het Statuut niet verder had kunnen worden verlengd, maar voerde hij aan dat de benoeming van E. om drie redenen onwettig was. In de eerste plaats zou artikel 7, lid 2, het tot aanstelling bevoegde gezag verbieden, langer dan een jaar door een reeks tewerkstellingen ad interim in een vacature te voorzien. In de tweede plaats zou een ambtenaar volgens artikel 7, lid 2, slechts ad interim kunnen worden tewerkgesteld in een tot de eerstvolgende hogere loopbaan behorende post; de post van hoofd van de talendienst behoorde evenwel tot de rang LA/3, terwijl E. in de rang LA/5 was ingedeeld. In de derde plaats voerde hij aan dat de aanstelling van E. niet in het belang van de dienst was geschied, volgens hetwelk overeenkomstig een van de in artikel 29 Ambtenarenstatuut genoemde procedures in de vacature moest worden voorzien.
Van Zaanen's klacht is blijkbaar niet door de Rekenkamer beantwoord, zodat zij na het verstrijken van de in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut genoemde termijn van vier maanden als afgewezen moest worden beschouwd. Bij op 4 september 1980 ter griffie ingediend verzoekschrift heeft Van Zaanen het onderhavige geding ingeleid.
Ondertussen had de Rekenkamer op 2 september aankondiging van intern vergelijkend onderzoek nr. CC/LA/3/80 bekengemaakt voor de post van hoofd van de talendienst. Op 8 september 1980 schreef Van Zaanen de jury dat hij om de in zijn klacht van 3 april en in zijn inleidend verzoekschrift uiteengezette redenen niet solliciteerde. De sluitingsdatum voor het indienen van sollicitaties was aanvankelijk 22 september, maar op 12 september verlengde de Rekenkamer de termijn tot 2 oktober. Op 1 oktober veranderde Van Zaanen van gedachten en verzocht hij formeel om toelating tot het vergelijkend onderzoek, zij het met de verklaring dat hij zijn beroep handhaafde. De raadsman van Van Zaanen heeft ter terechtzitting medegedeeld dat zich in totaal 18 sollicitanten voor het vergelijkend onderzoek hadden opgegeven, die allen, ook Van Zaanen, om de een of andere reden werden afgewezen.
Het verzoekschrift van Van Zaanen behelst vier vorderingen:
1)
het besluit tot beëindiging van zijn tewerkstelling ad interim is niet met redenen omkleed en dient te worden nietig verklaard;
2)
de Rekenkamer was niet gerechtigd een andere ambtenaar ad interim tewerk te stellen, daar de termijn voor tewerkstelling ad interim is beperkt tot één jaar;
3)
de Rekenkamer was gehouden kennis te geven van een vacature en de mogelijkheden te onderzoeken daarin overeenkomstig de artikelen 4 en 29 Ambtenarenstatuut bij wege van bevordering te voorzien;
4)
door geen besluit te nemen heeft de Rekenkamer Van Zaanen tekort gedaan en hem schade toegebracht die op één rekeneenheid kan worden begroot.
De artikelen 4 en 29 van het Statuut luiden als volgt:
Artikel 4
„Aanstelling of bevordering kan er slechts toe strekken in een vacature te voorzien overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut.
Iedere vacature bij een instelling wordt ter kennis van het personeel dezer instelling gebracht, zodra het tot aanstelling bevoegde gezag besloten heeft dat in deze vacature moet worden voorzien.
Kan in deze vacture niet worden voorzien bij wege van overplaatsing, bevordering of een intern vergelijkend onderzoek, dan wordt zij ter kennis van het personeel der drie Europese Gemeenschappen gebracht.”
Artikel 29
„1.
Ten einde te voorzien in een vacature bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
a)
de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling;
b)
de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling;
c)
de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen;
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.
Tot vergelijkend onderzoek kan eveneens worden overgegaan voor het vormen van een reserve ter vervulling van vacatures.
2.
Voor het aanwerven van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, alsmede in buitengewone gevallen voor het vervullen van ambten waarvoor bijzonder kundigheden vereist zijn, kan door het tot aanstelling bevoegde gezag een andere procedure worden gevolgd dan die van het vergelijkend onderzoek.”
De Rekenkamer heeft de ontvankelijkheid van de eerste drie vorderingen betwist, daartoe stellende dat:
1)
Van Zaanen in zijn klacht heeft erkend dat zijn tewerkstelling ad interim niet kon worden verlengd, zodat hij deze kwestie niet in beroep kan aanvoeren;
2)
hij door het besluit tot beëindiging van zijn tewerkstelling ad interim niet in zijn belangen wordt geschaad, aangezien hetzelfde resultaat onvermijdelijk voortvloeit uit artikel 7, lid 2, Ambtenarenstatuut;
3)
de benoeming van E. niet kan worden betwist, tenzij Van Zaanen deze ambtenaar in het geding roept;
4)
Van Zaanens derde vordering niet-ontvankelijk is aangezien zij niet in de klacht is gesteld.
De door de raadsman van de Rekenkamer aangevoerde argumenten voor de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van Van Zaanen zijn mijns inziens niet steekhoudend. Voor de stelling dat Engelhardt in het geding had moeten worden geroepen opdat het beroep ontvankelijk kan worden, zijn geen gronden aangevoerd. Indien E. dit had gewenst, had hij ongetwijfeld om tussenkomst kunnen verzoeken ter bescherming van zijn belangen. Het feit dat verzoeker hem niet in het geding heeft geroepen, leidt mijns inziens niet tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Van Zaanen erkent weliswaar dat zijn tewerkstelling ad interim niet opnieuw kon worden verlengd, doch in werkelijkheid wil hij zien uitgemaakt of de Rekenkamer gerechtigd was, de post van hoofd van de talendienst langer dan één jaar door tewerkstellingen ad interim te bezetten. In het ontkennende geval zou de Rekenkamer overeenkomstig de artikelen 4 en 29 Ambtenarenstatuut in de vacature moeten hebben voorzien en had Van Zaanen kans gemaakt om bij wege van bevordering of vergelijkend onderzoek op de betrokken post te worden aangesteld. Dit middel kan mijns inziens ontvankelijk worden geacht. Bovendien ligt het naar mijn mening besloten in verzoekers klacht.
Met betrekking tot verzoekers eerste vordering ben ik van oordeel dat het bestreden besluit de precieze reden voor de noodzakelijke beëindiging van verzoekers tewerkstelling ad interim weliswaar niet vermeldt, doch dat het duidelijk aangeeft dat deze eindigde omdat zij moest worden beëindigd, terwijl beide partijen wisten dat dit zo was op grond van artikel 7 van het Statuut. Maar zelfs al zou Van Zaanen terecht betogen dat het besluit niet met redenen is omkleed, dan nog heeft hij geen belang bij nietigverklaring van het besluit tot beëindiging van zijn tewerkstelling ad interim; immers, zoals hijzelf uitdrukkelijk in zijn klacht en impliciet in zijn tweede vordering in rechte heeft erkend, had zijn tewerkstelling ad interim na februari 1980 niet kunnen worden verlengd. Voorts zou hij er door vernietiging van het besluit niet op vooruitgaan, aangezien de Rekenkamer het besluit gezien de bewoordingen van artikel 7, lid 2, enkel ten gronde zou kunnen bevestigen (vgl. zaak 8/76, Morello, Jurispr. 1976, blz. 1415). Derhalve dient deze vordering mijns inziens ongegrond te worden verklaard.
Volgens de raadsman van Van Zaanen belet artikel 7, lid 2, dat een post langer dan één jaar door een of meer tewerkstellingen ad interim wordt bezet. Deze bepaling, tezamen met artikel 4, zou voorschrijven dat in een post moet worden voorzien binnen één jaar nadat deze vacant is geworden. In het tegenovergestelde geval, zo wordt gesteld, zou het tot aanstelling bevoegde gezag een post voor onbepaalde tijd, zo niet voor altijd, onbezet kunnen houden door middel van aanstellingen ad interim.
Artikel 7, lid 2, heeft mijns inziens geen betrekking op het tijdvak gedurende hetwelk een post bij wege van een of meer tewerkstellingen ad interim mag worden bezet. De eerste alinea van artikel 7, lid 2, geeft duidelijk aan dat het gaat om de aanstelling van een bepaalde ambtenaar; gesproken wordt van „zijn tewerkstelling”. De zinsnede „tewerkstelling ad interim kan ten hoogste voor één jaar plaatsvinden” heeft dezelfde strekking. Artikel 7, lid 2, beoogt hoofdzakelijk te voorkomen dat een ambtenaar te lang een post bezet die behoort bij een hogere loopbaan dan waarin hij is geplaatst, met alle gevolgen van dien voor zijn toekomstige loopbaan en zijn positie binnen de dienst. Het bepaalt niet dat een post slechts gedurende een jaar door middel van een tewerkstelling ad interim mag worden gezet. In de redering van verzoekers raadsman zou, indien binnen een jaar geen geschikte kandidaat wordt gevonden, de post onbezet moeten blijven dan wel een ongeschikte kandidaat moeten worden benoemd.
Dit betekent niet dat er geen grenzen bestaan voor het tot aanstelling bevoegde gezag. Wanneer in een vacature moet worden voorzien, dient voornoemd gezag binnen een redelijk termijn over te gaan tot uitvoering van de in de artikelen 4 en 29 voorziene procedures. Indien niets wordt ondernomen of bij een buitensporige vertraging kan er reden zijn voor een op de artikelen 4 en 29 gebaseerd beroep in rechte. Artikel 7, lid 2, evenwel beperkt niet de vervulling van de functie tot een jaar, doch alleen het tijdvak gedurende hetwelk een bepaalde ambtenaar de functie mag vervullen.
Voorts is aangevoerd dat de aanstelling van E. onrechtmatig was op grond dat tewerkstelling ad interim slechts zou kunnen geschieden in de rang die onmiddellijk volgt op die waarin de betrokken ambtenaar is geplaatst. Verzoekers belang in dit verband zou zijn gelegen in de volledige handhaving van het rangenstelsel. Een ambtenaar zou niet ondergeschikt mogen worden gemaakt aan een collega met een lagere rang. In artikel 7, lid 2, gaat het echter niet om de „rang” maar om de „loopbaan”. Veel ambten omvatten meer dan één rang. Wanneer derhalve een ambtenaar een ambt bekleedt dat twee rangen omvat en hij in de lagere rang is ingedeeld, is het, wanneer hij wordt aangewezen om ad interim een post te vervullen die bij de eerstvolgende hogere loopbaan behoort, zeer wel mogelijk dat hij de tussenliggende rang overslaat. Dit schijnt in casu het geval te zijn, nu de kennisgeving van vacature op grond waarvan Van Zaanen naar de Rekenkamer is overgegaan, aangeeft dat réviseurs in de loopbaan LA/5-LA/4 worden ingedeeld. De tewerkstelling ad interim van een réviseur in de rang LA/5 in een hogere loopbaan, en wel in de rang LA/3, komt derhalve geenszins onrechtmatig voor. Ernstige schending van het belang van de dienst is niet aangetoond.
Mitsdien dient de tweede vordering mijns inziens te worden afgewezen.
Wat betreft de derde vordering heeft Van Zaanen aangevoerd, dat de Rekenkamer de procedure voor de aanstelling van het hoofd van de talendienst had moeten heropenen, zodra de eerste kennisgeving van vacature van 24 oktober 1978 geen geschikte kandidaat bleek te hebben opgeleverd. Gesteld wordt dat de Rekenkamer de mogelijkheden had moeten onderzoeken om bij wege van bevordering in de vacature te voorzien, en dat Van Zaanen zelf het meest geschikt was voor de functie (en wellicht de enige die voor bevordering naar de rang LA/3 in aanmerking kwam).
Artikel 29 rangschikt de verschillende procedures voor de voorziening in een vacature, waarbij de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing het eerst door het tot aanstelling bevoegde gezag dienen te worden onderzocht (vgl. zaak 176/73, Van Belle, Jurispr. 1974, blz. 1361). Dit geeft de ambtenaar echter nog geen recht op bevordering: het tot aanstelling bevoegde gezag beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid en, onder bepaalde omstandigheden, kan het houden van een intern vergelijkend onderzoek gerechtvaardigd zijn, met name wanneer slechts één kandidaat voor bevordering in aanmerking komt (vgl. zaak 123/75, Küster, Jurispr. 1976, blz. 1701). In casu is de vertraging bij de inleiding van een nieuwe procedure voor de aanwerving van het hoofd van de talendienst blijkbaar te wijten aan het feit dat de Rekenkamer, nadat de eerste kenisgeving van vacature geen geschikte kandidaat had opgeleverd, besloot tot het houden van een vergelijkend onderzoek; de voorbereidingen en formaliteiten daarvoor namen evenwel veel tijd in beslag, daar de interne organisatie van de Rekenkamer nog niet was voltooid. Daartoe moesten in totaal ongeveer nog 157 vergelijkende onderzoeken worden georganiseerd, waarvan dat voor de post van hoofd van de talendienst het laatste was. Het valt te betreuren dat zoveel tijd is verstreken tussen de eerste kennisgeving van vacture en het vergelijkend onderzoek voor de functie van hoofd van de talendienst. Gezien de voorhanden zijnde gegevens geloof ik echter niet dat de Rekenkamer haar verplichtingen dermate heeft veronachtzaamd, dat een beroep voor het Hof gerechtvaardigd is. Mitsdien moet de derde vordering worden afgewezen.
Aangezien de eerste drie vorderingen moeten worden afgewezen, dient ook de vierde vordering te worden verworpen.
Bijgevolg dient het beroep, hoewel Van Zaanens teleurstelling begrijpelijk is, mijns inziens te worden verworpen. Elk van beide partijen dient haar eigen kosten te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels
Full & Egal Universal Law Academy