CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 9 JULI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in de onderhavige zaak, Benoît Suss, een voormalig ambtenaar van de Commissie, werd op 3 mei 1977 het slachtoffer van een aanranding waarbij hij verwondingen opliep aan zijn hoofd, linkeroog en linkerknie, ten gevolge waarvan hij per 1 december 1979 werd gepensioneerd overeenkomstig de artikelen 53 en 78 Ambtenarenstatuut.
Het beroep heeft niet betrekking op het besluit om hem te pensioneren, dat gebaseerd was op zijn volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zijn verwondingen, maar op de toekenning van de uitkeringen ingevolge artikel 73 van het Statuut en de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten („de Regeling”).
Luidens artikel 19 van deze Regeling „worden de besluiten ... betreffende de vaststelling van de graad van blijvende invaliditeit genomen overeenkomstig de in artikel 21 vervatte procedure door het tot aanstelling bevoegde gezag
—
op de grondslag van de conclusie van de door de instellinggen aangewezen arts of artsen,
—
en, indien de ambtenaar zulks verlangt, na raadpleging van de medische commissie bedoeld in artikel 23.”
Artikel 20 bepaalt:
„Het besluit tot vaststelling van de graad van invaliditeit wordt genomen na de stabilisatie van het door de ambtenaar opgelopen letsel. De ambtenaar dient daartoe een medisch rapport te overleggen waarin de genezing of stabilisatie van zijn toestand worden vastgesteld en de aard van het letsel wordt omschreven.
Wanneer bij beëindiging van de medische behandeling de graad van invaliditeit nog niet definitief kan worden vastgesteld, dient het advies van de in artikel 19 bedoelde arts of artsen of, in voorkomend geval, het rapport van de medische commissie bedoeld in artikel 23, de uiterste datum aan te geven waarop het dossier van de ambtenaar aan een hernieuwd onderzoek moet worden onderworpen.
Indien de graad van invaliditeit op ten minste 20 % wordt geschat, kent het tot aanstelling bevoegde gezag een voorlopige vergoeding toe tot het niet betwiste gedeelte van het percentage blijvende invaliditeit. Deze vergoeding wordt in mindering gebracht op de definitieve uitkeringen.”
Artikel 21 bepaalt:
„Alvorens een besluit ingevolge artikel 19 te nemen, brengt het tot aanstelling bevoegde gezag het ontwerpbesluit, te zamen met de conclusies van de door de instelling aangewezen arts of artsen, ter kennis van de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden. Dezen kunnen verlangen dat het volledige medische rapport aan een arts hunner keuze wordt toegezonden.
Binnen zestig dagen kunnen de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden verlangen dat het advies van de in artikel 23 bedoelde medische commissie wordt ingewonnen.
Indien na het verstrijken van deze termijn geen verzoek om raadpleging van de medische commissie is gedaan, neemt het tot aanstelling bevoegde gezag het besluit conform het medegedeelde ontwerp.”
Overeenkomstig artikel 23 moet de me- dische commissie bestaan uit drie artsen, van wie één door het tot aanstelling bevoegde gezag, één door de ambtenaar en één in onderlinge overeenstemming door de eerste twee artsen wordt aangewezen. „Na beëindiging van haar werkzaamheden legt de medische commissie haar conclusies neer in een rapport dat wordt toegezonden aan het tot aanstelling bevoegde gezag en aan de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden.”
Na het ongeval werd Suss door drie artsen onderzocht, van wie er één, dr. Fromes, zich met het knieletsel bezighield. Op 13 junil978, meer dan een jaar na het ongeval, werd verzoeker onderzocht door dr. M., de door de Commissie aangewezen arts. Deze was van mening dat de letsels nog niet waren gestabiliseerd en dat Suss na een jaar een nieuw onderzoek diende te ondergaan. Hij vroeg dr. Fromes om diens prognose en verzocht hem Suss naar een neuroloog te verwijzen. Daarna werd Suss nog enige malen onderzocht door een aantal verschillende artsen. Op 30 november 1978 schreef hij de Commissie een brief, waarbij hij een kopie voegde van de twee medische attesten die betrekking hadden op het schedeltraumatisme en het oogletsel. In geen van beide werd schijnbaar met zoveel woorden gezegd dat hij was hersteld of dat zijn letsels waren gestabiliseerd. Uit het attest betreffende het schedeltraumatisme viel veeleer het tegendeel op te maken, want het adviseerde tot een nader onderzoek na verloop van zes maanden. Op 13 februari 1979 antwoordde dr. M. aan Suss en vroeg hem te zorgen voor een medisch attest betreffende zijn knieletsel en een recent attest betreffende zijn schedeltraumatisme. Tevens nodigde hij Suss uit voor een onderzoek.
Om verscheidene redenen bleek het onmogelijk te zijn een afspraak te maken in februari, maart of april. De twee medische attesten waarom dr. M. had gevraagd, werden Suss eerst in april toegezonden. Bij brief van 10 mei stuurde Suss de Commissie alle attesten die hij bezat. Een week later werd hij onderzocht door dr. M., die een rapport opstelde gedateerd 25 mei, met een schatting van Suss' blijvende gedeeltelijke invaliditeit wegens elk van de drie letsels. De drie schattingen tezamen leverden een invaliditeitsgraad op van 37,25 %, maar dit percentage werd verminderd op grond van een — thans als onjuist erkend — advies. De directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, die terzake de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag uitoefent (zie artikel 4 van het besluit van de Commissie van 5 oktober 1977, gepubliceerd in de Personeelskoerier van 17 november 1977) zond Suss op 24 juli een brief met dr. M's bevindingen, die, zo verklaarde hij, een ontwerpbesluit vormden tot toekenning van een globaal bedrag overeenkomend met een blijvende gedeeltelijke invaliditeit van 34 %. Hij vervolgde dat, tenzij om het advies van een medische commissie werd verzocht, het in die brief meegedeelde ontwerpbesluit als formeel besluit zou gelden, en vroeg om het nummer van de bankrekening waarop het bedrag van BFR 3187129 (de vergoeding voor een invaliteit van 34 %) moest worden gestort. Op 7 september verzocht Suss om een advies van de medische commissie bedoeld in artikel 21 van de Regeling, op grond dat in de door hem overgelegde medische attesten de invaliditeitsgraad op 50 % was geschat, plus een kleine verhoging wegens esthetische schade. Hij herhaalde zijn eerder gedaan verzoek om uitkering van een voorlopige vergoeding overeenkomstig artikel 20, lid 3. Dit keer vroeg hij met name om uitkering van het door de Commissie genoemde bedrag.
Het hoofd van afdeling I van directoraat B van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer beantwoordde deze brief op 22 oktober. Hij deelde mee dat de zaak overeenkomstig Suss' verzoek aan de medische commissie zou worden voorgelegd, maar weigerde een voorlopige vergoeding te betalen, omdat 1) een voorlopige vergoeding slechts kan worden betaald wanneer, na de beëindiging van de medische behandeling, de graad van invaliditeit niet definitief kan worden vastgesteld: dit was bij Suss niet het geval; en 2) het door dr. M. vastgestelde cijfer van 34 % niet onbetwist was, aangezien het betrekking had op drie verschillende letsels die, met uitzondering van het oogletsel, waarvoor het maximumbedrag was toegekend, alle nog aanleiding konden geven tot een geschil. Niettemin zo werd in de brief meegedeeld, zou een voorlopige vergoeding worden betaald voor het oogletsel, zulks ondanks de als eerste genoemde reden om de vergoeding nog niet uit te keren. Een voorlopige vergoeding van 25 % werd blijkbaar op 29 november 1979 uitbetaald.
Bij brief van 15 november vroeg de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer dr. M. de Commissie te vertegenwoordigen in de medische commissie. Toen Suss hiervan kennis kreeg, protesteerde hij op 19 december schriftelijk bij de Commissie tegen deze aanwijzing en beklaagde hij zich over de weigering van de Commissie akkoord te gaan met de door dr. M. vastgestelde graad van blijvende gedeeltelijke invaliditeit. Op 30 januari 1980 antwoordde de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, dat dr. M. was aangewezen omdat hij reeds vertrouwd was met Suss, en dat de Regeling niet voorzag in de mogelijkheid dat een partij het door de andere partij aangewezen lid van de medische commissie wraakt. Verder weigerde hij te aanvaarden dat het niet betwiste gedeelte van de invaliditeit 34 °/o bedroeg.
Bij brief van 12 februari 1980, twee dagen later bij de Commissie ontvangen, diende Suss een formele klacht in overeenkomstig artikel 90 van het Statuut, over de samenstelling van de medische commissie, de vertragingen in de procedures en zijn pensionering wegens invaliditeit. De Commissie liet niet van zich horen. De in artikel 90, lid 2, voorziene periode van vier maanden verstreek op 14 juni. Op 10 september, binnen de periode van drie maanden om in beroep te gaan tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de klacht, deponeerde Suss zijn verzoekschrift ter griffie.
Dit beroep bestaat in wezen uit drie onderdelen: 1. dr. M. kan geen deel uitmaken van de medische commissie en moet door een andere arts worden vervangen; 2. de Commissie moet een aanvullende voorlopige vergoeding uitkeren, overeenkomend met een blijvende invaliditeitsgraad van 12 %; 3. de Commissie moet 13 % moratoire interessen betalen over het gehele aan Suss verschuldigde bedrag, vanaf de datum van de stabilisatie van zijn letsels tot de dag van betaling.
De Commissie diende haar verweerschrift in op 15 oktober en schreef dezelfde dag aan Suss, dat zij instemde met zijn tweede eis en dat het geld op 10 oktober 1980 was overgemaakt. Dit punt kan dan ook als afgedaan worden beschouwd. Inmiddels had Suss overeenkomstig artikel 8.3 van het Reglement voor de procesvoering een verzoek in kort geding ingediend, dat op 3 november werd afgewezen.
Naast de drie vorderingen in de conclusies van het verzoekschrift formuleerde Suss in repliek nog drie eisen. Volgens een duidelijke rechtspraak kan een beroep op het Hof enkel in aanmerking worden genomen in de vorm waarin het in het inleidend verzoekschrift is neergelegd (zie bij voorbeeld zaak 83/63, Krawczynski, Jurispr. 1965, blz. 806; zaak 48/70, Bernardi, Jurispr. 1971, blz. 175; zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1979, blz. 2729; en zaak 125/78 GEMA, Jurispr. 1979, blz. 3173). De drie bijkomende eisen moeten mijns inziens dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Aangezien de 12 % waarvan sprake is in de tweede eis van het verzoekschrift, blijkbaar is betaald, dienen enkel nog de eerste en de derde eis te worden onderzocht. De Commissie betwist de ontvankelijkheid ervan, op grond dat het verzoekschrift niet strekt tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 30 januari 1980, waartegen, zo stelt zij, de klacht was gericht. In plaats daarvan noemt het enkel het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek. Dit stilzwijgend genomen besluit vormde slechts de bevestiging van het eerdere besluit en zou derhalve niet vatbaar zijn voor beroep; voor zover het beroep tegen dat eerdere besluit was gericht, zou het te laat zijn ingediend.
Op deze in de schriftelijke conclusies opgeworpen exceptie, is ter terechtzitting niet meer ingegaan — mijns inziens terecht. Zij lijkt mij ongegrond en ik zou ze dan ook verwerpen.
Het is waar dat Suss formeel opkomt tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht, maar het is volkomen duidelijk dat hij de wettigheid van met name genoemde besluiten, of van het feit dat bepaalde besluiten niet genomen zijn, betwist. Deze betwisting is slechts mogelijk wanneer hij een klacht overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut heeft ingediend en die klacht uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgewezen. Ofschoon de afwijzing van een klacht tegen een onwettig besluit in zekere zin de bevestiging vormt van dit besluit, dunkt mij dat zolang de klacht tijdig is ingediend, zoals hier het geval was, en zolang het beroep op het Hof is ingesteld binnen de voorgeschreven termijn vanaf de afwijzing van de klacht, zoals hier het geval was, onmogelijk kan worden gesteld dat de afwijzing van de klacht een louter bevestigende handeling is, waaraan men dient voorbij te gaan, en dat de enige relevante datum voor de berekening van de vervaltermijnen de datum is van het betwiste besluit. Volgens verweerster is het betrokken besluit vervat in de brief van 30 januari en dienovereenkomstig beweert zij dat Suss' beroep tardief is. Ook als dit juist zou zijn, meen ik dat Suss zich aan de procedure heeft gehouden en dat zijn beroep ontvankelijk is.
Suss stelt dat dr. M. geen lid kan zijn van de medische commissie, omdat hij de arts is die door de Commissie was aangewezen overeenkomstig artikel 19 van de Regeling. Anders zou hij lid zijn van een commissie die in beroep moet oordelen over haar eigen beslissing, en dus tegelijkertijd rechter en partij zijn. In de tweede plaats stelt Suss dat dr. M. adviseur is van, of anderszins is verbonden met de verzekeringsmaatschappij waarbij de Commissie haar ambtenaren heeft verzekerd. Het Hof zou derhalve moeten verklaren dat een andere arts moet worden aangewezen.
In zaak 156/80 (Morbelli, arrest van 21 mei 1981, nog niet gepubliceerd) overwoog het Hof dat het toezicht kan uitoefenen op de samenstelling en werking van de medische commissie om te waarborgen dat wordt voldaan aan de artikelen 19 en 23 van de Regeling, en mij dunkt dat dit ook mogelijk is nog voordat de commissie haar rapport heeft uitgebracht.
In die zaak wees het Hof er echter op, dat volgens artikel 23 de ambtenaar en de instelling elk een arts mogen aanwijzen die hun vertrouwen geniet. Het lijkt mij dus mogelijk dat een ambtenaar een arts kiest die hem heeft behandeld en tot een voor hem gunstige conclusie is gekomen. Evenzo kan de instelling, indien de ambtenaar door een door haar aangewezen arts is onderzocht en deze tot een voor de ambtenaar ongunstige conclusie is gekomen, deze in de regel ook aanwijzen als lid van de medische commissie. Het feit dat een arts al overeenkomstig artikel 19 van de Regeling is aangewezen, sluit hem mijns inziens niet ipso facto uit voor de medische commissie. Dit is immers geen beroepsinstantie in de gewone zin van het woord. Zij heeft tot taak de feiten vast te stellen en een schatting te maken in het licht van de haar bekende gegevens en van haar medische ervaring. Het feit dat een of twee van de artsen de patiënt reeds hebben onderzocht en zich een mening hebben gevormd, verhindert hun deelneming niet. De eerlijkheid van hun onderzoek wordt gewaarborgd door hun beroepsnormen en door de neutraliteit van het derde lid, aangewezen door de twee andere artsen of door het Hof. Er kunnen gevallen zijn waarin een instelling er goed aan doet een andere te kiezen dan de arts die ze krachtens artikel 19 van de Regeling had gekozen. Maar onder voorbehoud van het tweede door Suss ingeroepen punt is er in de onderhavige zaak niets aangevoerd wat tot uitsluiting van dr. M. om díe reden zou moeten leiden. Het eerste punt zou ik dan ook willen afwijzen.
Ook het tweede punt moet mijns inziens worden afgewezen. Ter terechtzitting verklaarde de Commissie, zonder daarbij op tegenspraak van Suss te stuiten, dat dr. M. niet in dienst is van de verzekeringsmaatschappij. Vaststaat dat de Commissie en de verzekeringsmaatschappij zijn overeengekomen dat de door de Commissie overeenkomstig artikel 19 van de Regeling aan te wijzen arts voor beide aanvaardbaar moet zijn. Dr. M. heeft een particuliere praktijk en het feit dat hij regelmatig in gevallen als het onderhavige wordt geraadpleegd, behoeft hem mijns inziens niet te diskwalificeren. Niets wijst erop dat dr. M. bij de vorming van zijn mening door de verzekeringsmaatschappij wordt beïnvloed of dat hij niet onpartijdig zou zijn.
Suss vordert interessen op de voet van 13 % over het hem verschuldigde bedrag met inachtneming van de voorlopig uitbetaalde vergoedingen, berekend vanaf de dag die de medische commissie uiteindelijk zal bepalen als de datum van stabilisatie van zijn letsels.
Alvorens te onderzoeken of er sprake is van enige onrechtmatige vertraging of gedraging van de Commissie, die de toekenning van interessen kan rechtvaardigen, lijkt het mij juist eerst na te gaan of de door Suss aangenomen begindatum de juiste is. Mijns inziens is dit niet het geval.
Volgens de artikelen 19 en 20, voor zover hier relevant, lijkt de gang van zaken te zijn als volgt: 1. de ambtenaar moet een medisch rapport overleggen waarin wordt verklaard dat hij is hersteld of dat zijn toestand zich heeft gestabiliseerd; 2. eerst dan moet de invaliditeitsgraad worden vastgesteld; 3. de aangewezen arts formuleert zijn bevindingen; 4. het tot aanstelling bevoegde gezag stelt een ontwerpbesluit op en brengt dit ter kennis van de ambtenaar; 5. indien niet om instelling van een medische commissie wordt gevraagd, moet het tot aanstelling bevoegde gezag na 60 dagen een besluit nemen conform het ontwerp; 6. zo de zaak voor de medische commissie komt, moet het tot aanstelling bevoegde gezag een besluit nemen na raadpleging van die commissie. Zolang het gezag de procedure niet op ongerechtvaardigde wijze vertraagt, is het vroegste tijdstip van waar af interessen kunnen lopen, mijns inziens de datum van het besluit waarbij de invaliditeitsgraad is bepaald, en niet de datum waarop de stabilisatie van het letsel is vastgesteld.
Daarnaast bestaat er evenwel de verplichting een voorlopige vergoeding toe te kennen overeenkomend met „het niet betwiste gedeelte van het percentage blijvende invaliditeit”, indien de graad van invaliditeit op „ten minste 20 % wordt geschat”. Wat ten aanzien van de graad van blijvende invaliditeit ook het verschil moge zijn tussen „vaststellen” in artikel 19 en „schatten” in artikel 20, van een „niet betwist gedeelte van het percentage blijvende invaliditeit” kan, dunkt mij, geen sprake zijn zolang de overeenkomstig artikel 19 aangewezen arts zijn conclusies niet heeft geformuleerd, al moet ik toegeven dat het verdedigbaar is dat in het derde lid van artikel 20 een ruimere mogelijkheid kan worden gelezen. Vóór dat stadium kan er mijns inziens dus geen verplichting bestaan om een voorlopige vergoeding te betalen. Tenzij de Commissie dat stadium op ongerechtvaardigde wijze vertraagt of oorzaak is van ongerechtvaardigde vertraging, kan geen rente worden gevorderd over het tijdvak dat eraan voorafgaat.
Suss wijt de vertraging in de uitkering van de voorlopige vergoeding aan dr. M. Deze zou dr. Fromes hebben gedelegeerd om Suss te onderzoeken, en dr. Fromes zou hebben nagelaten de hem door Suss ter hand gestelde medische attesten aan de Commissie door te zenden. Verder zou dr. Fromes zijn bevoegdheden gesubdelegeerd hebben aan andere artsen, die Suss onderzochten. Het enige bewijs hiervoor lijkt een brief van dr. M. aan dr. Fromes van 21 juni 1978 te zijn. Hieruit blijkt mijns inziens geen enkele vorm van delegatie, ook al was deze wettelijk mogelijk. Bovendien blijkt Suss' eigen visie op de situatie duidelijk uit twee brieven van zijn hand, gedateerd23 en 30 november 1980, waaruit duidelijk blijkt dat hij wist dat dr. Fromes niet namens de Commissie optrad. De Commissie kan dan ook niet aansprakelijk worden gesteld voor vertraging die mogelijk door de door Suss geraadpleegde artsen is veroorzaakt.
Voorts stond het aan Suss, en niet aan dr. M., de procedure in te leiden door overlegging van het medisch rapport bedoeld in artikel 20, eerste alinea. Dit heeft hij eerst gedaan op 30 november 1978. Hij zond toen twee medische attesten in, die betrekking hadden op het schedeltraumatisme en het oogletsel. Beide dateerden uit juli 1978 en waren al een tijd in zijn bezit. Volgens het eerste was het schedeltraumatisme nog niet gestabiliseerd en was een verder onderzoek noodzakelijk; het tweede gaf te verstaan dat verdere complicaties mogelijk waren. Het valt te begrijpen dat dr. M. nog een ander attest betreffende het schedeltraumatisme vroeg alsmede een betreffende het knieletsel. Suss zelf betoogt dat het oogletsel eerst op 30 maart 1979 gestabiliseerd was. Hoe dit ook zij, uit de attesten die hij op 10 mei 1979 bij de Commissie indiende, bleek dat het schedeltraumatisme per 1 januari 1979 als gestabiliseerd kon worden beschouwd. De twee attesten betreffende het oogletsel zijn respectievelijk gedateerd op 2 en 30 maart. Het laatste vermeldt niet of het oogletsel gestabiliseerd of geconsolideerd was; uit het eerstgenoemde blijkt duidelijk dat dit niet het geval was. De conclusie dringt zich op dat het feit dat het medisch rapport niet eerder is ingediend, meer dan aan iets anders valt toe te schrijven aan de aard en de ernst van zijn schedeltraumatisme en oogletsel.
Dr. M. stelde zijn rapport zonder verder uitsel op 25 mei op. De rentevordering moet mijns inziens dan ook worden afgewezen voor zover zij betrekking heeft op het daaraan voorafgaande tijdvak.
Bij brieven van 7 en 24 september 1979 vroeg Suss om uitbetaling van een voorlopige vergoeding. Op 22 oktober werd hem meegedeeld dat hij geen aanspraak kon maken op een vergoeding, maar dat 25 % zou worden uitgekeerd, hetgeen, zoals gezegd, op 29 november 1979 is gebeurd. Op 19 december en 22 januari vroeg hij opnieuw om uitbetaling van het door dr. M. aanvaarde percentage. Hij vorderde toen interessen over het nog niet betaalde bedrag. Het restbedrag van het door dr. M. aanvaarde percentage werd hem eerst uitgekeerd nadat het beroep was ingesteld.
Toen de Commissie de 25 % betaalde, was het duidelijk dat zij het globale invaliditeitspercentage „schatte” op ten minste 20 %. Bovendien lijkt het mij duidelijk (en daarvoor acht ik het niet nodig te onderzoeken of de medische commissie een lager percentage kon vaststellen dan de ingevolge artikel 19 aangewezen arts) dat de Commissie het door dr. M. vastgestelde percentage blijvende invaliditeit in de onderhavige zaak niet heeft betwist. Dit blijkt genoegzaam uit de brief van de Commissie van 24 juli 1979. Mij dunkt dan ook, dat er voor de Commissie werkelijk geen reden was om op het moment waarop zij de 25 % uitkeerde, niet meteen de 34 % te betalen, en dat mitsdien interessen moeten worden toegekend over 9 % van het totaal, vanaf 1 december 1979 tot de dag van betaling van het restbedrag. Ofschoon het Hof, of enkel de advocaat-generaal, in bepaalde gevallen heeft gemeend dat er slechts rente verschuldigd was vanaf de datum van de klacht (zie zaak 144/77, Jacquemart, Jurispr. 1978, blz. 1697, en de conclusie van advocaat-generaal Warner in zaak 40/79, mevrouw P., arrest van 5 februari 1981), lijkt mij dit toch geen absolute regel te zijn. In zaak 185/80 (Garganese, arrest van 2 juli 1981) heeft het Hof om billijkheidsredenen interessen toegekend vanaf de data waarop de respectieve betalingen verschuldigd waren, en niet vanaf de datum van de klacht. In de onderhavige zaak had Suss zijn aanspraken duidelijk geldend gemaakt en heeft de Commissie, na ze in overweging te hebben genomen, ze ten onrechte afgewezen. Het komt mij dan ook passend en billijk voor, in de onderhavige zaak interessen toe te kennen vanaf 30 november 1979 (zie ook zaak 115/76, Leonardini, Jurispr. 1978, blz. 735).
Ook al lijkt de Commissie zich in haar brief van 30 januari 1980 op het standpunt te hebben gesteld dat de berekening van dr. M., waardoor het percentage van 37,25 werd verlaagd tot 34, in principe verkeerd was, en ook al is ten slotte 37 % betaald, Suss maakte op dat moment aanspraak op betaling van 34 %,, en het komt mij dan ook juist voor, bij de berekening van de interessen van dit cijfer uit te gaan.
Suss verlangt rentevergoeding op de voet van 13 %, het percentage, zo zegt hij, dat de banken in Luxemburg voor leningen op midellange en korte termijn in rekening brengen. Het Hof is in een aantal gevallen uitgegaan van 8 %. In de onderhavige zaak betwist de Commissie niet dat 13 % een passend percentage is en in een tijd van veranderende rentepercentages kan het nodig zijn het door het Hof gehanteerde cijfer van tijd tot tijd te herzien. Het is mijns inziens passend interessen toe' te kennen tegen een percentage waarover partijen het eens zijn. Ik zou dan ook 13 % rente willen toekennen over 9 % van de totale vergoeding, vanaf 30 november 1979 tot 10 oktober 1980.
Beide partijen vragen de verwijzing van de wederpartij in de kosten. Aangezien Suss' verzoek in kort geding is afgewezen, moet hij de kosten daarvan dragen. In mijn opvatting is hij ten aanzien van zijn eerste vordering in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en is hij ten aanzien van de derde slechts gedeeltelijk geslaagd, terwijl de tweede vordering tussen partijen is geregeld. In deze omstandigheden lijkt het mij billijk dat de Commissie haar eigen kosten draagt overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering alsmede, overeenkomstig artikel 69, paragraaf 3, een derde van de door Suss gemaakte kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy