AANVULLENDE CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 12 NOVEMBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Tijdens de eerste behandeling van deze zaak werd door het Europees Parlement onder meer aangevoerd dat het beroep niet ontvankelijk was, omdat de klacht bedoeld in artikel 90 Ambtenarenstatuut te laat was ingediend. Hiertoe werden twee argumenten aangevoerd: het eerste had betrekking op het begin, het tweede op het einde van de termijn waarbinnen de klacht had moeten worden ingediend.
Dit tweede argument was, dat de klacht uiterlijk op 3 juni 1980 had moeten zijn ontvangen. Volgens het Parlement was de klacht echter eerst op 4 juni ontvangen, dus een dag te laat. Het baseerde zich hierbij op het poststempel op het betrokken stuk. Michel aanvaardde deze datum als die waarop de klacht in feite was ontvangen.
Bij mijn conclusie dat het beroep op het Hof niet ontvankelijk moest worden verklaard, ging ik ervan uit, dat de klacht te laat was ontvangen, daar het Hof noch uitdrukkelijk, noch mijns inziens impliciet bevoegd was die periode te verlengen.
Na de mondelinge behandeling voor het Hof en nadat ik mijn conclusie had genomen, werd een verder onderzoek ingesteld, waarbij bleek dat de klacht in feite op 3 juni door het Parlement was ontvangen, hoewel zij eerst op 4 juni was bezorgd aan de terzake bevoegde personen, die erover moesten beslissen. Het Parlement erkent thans dat de klacht, zoals door Michel gesteld, op 3 juni en dus tijdig is ontvangen.
In de bijzondere omstandigheden van het geval lijkt het mij juist, dat het beroep, na de heropening van de procedure, ontvankelijk worde verklaard.
Niettemin betreur ik, a) dat niet vóór de mondelinge behandeling bij de posterijen een onderzoek is ingesteld naar de juiste datum waarop de klacht door het Parlement is ontvangen, en b) dat het Parlement dit argument met betrekking tot de datum heeft gehanteerd zonder volstrekt zeker te zijn dat het stuk in feite niet vóór 4 juni was ontvangen. Het is bepaald wenselijk, dat een dergelijk argument bij een volgende gelegenheid niet wordt gehanteerd, zonder dat wordt nagegaan op welk tijdstip precies de klacht in feite is ontvangen.
Ik meen derhalve dat het beroep thans ontvankelijk moet worden verklaard. Wanneer het Hof de in mijn eerste conclusie genoemde bezwaren tegen een aantal uitgangspunten van het besluit van de jury deelt, dan zal het moeten beslissen of dat besluit moet worden nietigverklaard of dat schadevergoeding moet worden toegekend. Zo het na de nietigverklaring van het besluit mogelijk zou zijn dat Michels sollicitatie opnieuw in overweging wordt genomen, dan lijkt mij dat de meest aangewezen weg. Zou het Hof echter menen dat, niettegenstaande de juistheid van mijn kritiek op het besluit, het niet meer mogelijk is Michel genoegdoening te geven langs de weg van nietigverklaring van het besluit, dan lijkt mij dit typisch een geval waarin schadevergoeding op haar plaats zou zijn.
In mijn eerste conclusie wees ik er al op, dat Michel niet per se het gehele bedrag behoeft te krijgen dat hij verlangt — in totaal ongeveer BFR 90000. Het is uiteraard moeilijk in gevallen als dit een passende schadevergoeding te bepalen, doch wanneer het Hof zou oordelen dat Michel in dit geval met een nietigverklaring weinig zou zijn geholpen, zou een schadevergoeding ten bedrage van BFR 20000, in plaats van de gevorderde BFR 90000, wellicht passend zijn. Maar voor zover het gaat om wat vandaag ter discussie staat, concludeer ik tot ontvankelijkverklaring van het beroep.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy