CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 2 JULI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak is bij het Hof aanhangig gemaakt bij wege van een verzoek om een prejudiciële beslissing van de president van de Ierse High Court van 31 juli 1980, in een geding waarin de Anglo-Irish Meat Company Limited van de Ierse minister van Landbouw UKL442069,16 vordert. Dit zou het nog uitstaande bedrag aan monetair compenserende bedragen (mcb's) zijn, dat aan de onderneming verschuldigd zou zijn voor een aantal partijen rundvlees die zij tussen 20 maart 1978 en 28 april 1979 vanuit Ierland in het Verenigd Koninkrijk heeft ingevoerd. De vordering is gericht tegen de Ierse minister van Landbouw, daar genoemde twee Lid-Staten op grond van artikel 2bis van verordening 974/71 van 12 mei 1979 (PB L 106 van 1971, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1112/73 van 30 april 1973 (PB L 114 van 1973, blz. 4), waren overeengekomen dat Ierland het compenserende bedrag zou betalen dat door het Verenigd Koninkrijk als invoerende Lid-Staat zou moeten worden toegekend.
Op het betrokken tijdstip maakte de onderneming haar bedrijf van het kopen van vee en het verkopen van vlees. Een groot gedeelte van haar exporten was bestemd voor het Verenigd Koninkrijk. Het vlees in geding bestond uit gekoelde voorvoeten van runderen waaruit de atlas was verwijderd. De atlas bevindt zich in de hals van het dier en weegt circa 0,5 kg.
Bij het vervullen van de douaneformaliteiten gaf de onderneming het vlees aan onder post 02.01 A II a) 4 aa van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT), te weten als ander gekoeld vlees „delen met been”, en vulde dat in op het controle-exemplaar T 5, het bij deze transacties vereiste document voor intracommunautair douanevervoer. De Ierse douane achtte deze indeling juist en belastte de onderneming bij uitvoer met mcb's volgens het bij deze tariefpost behorende tarief, die de onderneming ook betaalde. Bij invoer van de goederen in het Verenigd Koninkrijk voorzag de Britse douane het T 5-formulier echter van verschillende aantekeningen, waarbij zij de indeling onder de aangegeven onderverdeling bestreed en het formulier van een dossiernummer voorzag. Ter terechtzitting heeft de onderneming betwist dat de goederen door deze aantekening formeel onder een andere tariefpost waren ingedeeld. In de verwijzingsbeschikking wordt echter gesteld dat de goederen voor binnenlands gebruik in het Verenigd Koninkrijk werden vrijgegeven onder post 02.01 A II a) 2 bb en dat de Britse douane haar Ierse collega's hiervan op de hoogte heeft gebracht overeenkomstig artikel lObis, lid 4, van verordening nr. 1380/75 van 29 mei 1975 (PB L 139 van 1975, blz. 37), zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1556/77 van 11 juli 1977 (PB L 173 van 1977, blz. 10). Ongeacht de aard van de door haar gemaakte aantekening, is het duidelijk dat de douane van het Verenigd Koninkrijk van mening was dat het vlees als „andere voorvoeten en voorspannen” onder post 2 bb viel. De mcb's voor voorvoeten waren lager dan voor delen vlees met been. De Ierse minister van Landbouw betaalde dit lagere, door het Verenigd Koninkrijk vastgestelde bedrag. De vordering heeft betrekking op het verschil tussen de twee bedragen.
Ofschoon het geen normaal handelsgebruik lijkt te zijn de atlas te verwijderen, en ofschoon de verwijdering ervan de verhandelbaarheid van het produkt niet beïnvloedt, betoogt de onderneming dat indien zij door verwijdering van het been kan bewerkstelligen dat het vlees onder een andere, gunstiger post wordt ingedeeld, zij zonder meer gerechtigd is zulks te doen. Andere handelaars zouden hetzelfde doen, en op een gebied met smalle winstmarges zou zij geen andere keus hebben. Bijgevolg tekende zij bezwaar aan tegen de indeling op grond waarvan de hoogte van de mcb's bij invoer was vastgesteld. Nadat enige brieven waren gewisseld, verzocht de Britse douane de Commissie, de zaak voor te leggen aan het Comité Nomenclatuur van het GDT. Het probleem werd door het Comité Nomenclatuur voor het eerst bestudeerd op 4 december 1978, doch eerst op 6 april 1979 werd daarover formeel gestemd. Volgens het advies van het comité vielen voorvoeten waaruit de atlas is verwijderd, niet onder post 02.01 A II a) 2 bb, maar onder post 02.01 A II a) 4 aa; kort nadien, op 11 mei 1977, stelde de Commissie verordening nr. 936/79 vast (PB L 117 van 1979, blz. 19), die in juni 1979 in werking trad en voorvoeten overeenkomstig het advies van het comité indeelde onder post 4 aa. Voorts werd het tarief van de mcb's voor vlees dat onder de twee posten viel, per 30 april 1979 gelijk getrokken (vgl. artikel 1 van verordening nr. 745/79 van de Commissie van 11 april 1979, PB L 95 van 1979, blz. 1).
De president van de High Court heeft het Hof drie vragen voorgelegd :
„1.
Moeten de bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief van de Europese Gemeenschappen (als vervat in verordening nr. 950/68 van de Raad, zoals later gewijzigd), voor wat het tijdvak van 20 maart 1978 tot 20 april 1979 betreft aldus worden uitgelegd dat gekoelde voorvoeten van runderen, waaruit de atlas is verwijderd, voor douanedoeleinden moeten worden ingedeeld onder post 02.01 A II a) 4 aa en dienovereenkomstig behandeld bij de berekening van monetair compenserende bedragen, die in het handelsverkeer tussen Lid-Staten bij uitvoer worden geheven of bij invoer toegekend?
2.
Zo ja, moeten de bepalingen van de artikelen 10bis en 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75 aldus worden uitgelegd, dat verweerder gehouden is verzoekster monetair compenserende bedragen toe te kennen volgens het bij bedoelde tariefpost behorende tarief, en niet volgens het tarief behorende bij een andere post die — naar overeenkomstig artikel lObis, lid 4, is meegedeeld — is toegepast bij de inklaring van de betrokken goederen bij invoer in de Lid-Staat van bestemming?
3.
Indien een van de voorgaande vragen ontkennend wordt beantwoord: moeten genoemde bepalingen van verordening nr. 1380/75 aldus worden uitgelegd, dat verweerder gehouden is verzoekster het — wegens de toepassing van tariefpost 02.01 A II a) 4 aa — te veel betaalde gedeelte van de bij uitvoer van de betrokken goederen uit Ierland geheven monetair compenserende bedragen terug te betalen?”
De eerste vraag
Post nr. 02.01 A II a) 2 van het GDT geeft enkel een specificatie van „voorspannen en voorvoeten”. De Aanvullende Aantekeningen aan het begin van het hoofdstuk definiëren voorspannen en voorvoeten als bedoeld bij deze onderverdeling als volgt:
„... het voorste deel van het hele (halve) geslachte dier dat alle beenderen, alsmede de hals en de schouder(s) omvat, met tenminste vier (paar) en ten hoogte tien (paar) ribben ...”
De Ierse douane was van mening dat het vlees door het verwijderen van de atlas niet meer binnen de definitie van voorspannen en voorvoeten kon vallen, daar het niet langer kan worden geacht „alle beenderen” te bevatten, zodat het diende te worden aangemerkt als „delen met been”. De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk evenwel waren blijkbaar van oordeel dat „alle beenderen” alleen betrekking heeft op de ribben, zodat verwijdering van de atlas de indeling van het vlees niet beïnvloedde, of althans voor de verhandeling van het geslachte dier niet van belang was en niet kon verhinderen dat dit werd geacht „alle beenderen” te bevatten.
De in juni 1979 in werking getreden verordening nr. 936/79 deelde het vlees duidelijk in onder postonderverdeling 4 aa (delen met been). Er lijkt overeenstemming over te bestaan dat zij geen terugwerkende kracht heeft (vgl. bijvoorbeeld de zaken 30/71, Siemers, Jurispr. 1971, blz. 919, en 158/78, Biegi, Jurispr. 1979, blz. 1103). Zij is dus niet bindend voor de indeling van goederen die, gelijk in casu, waren ingevoerd vóór haar inwerkingtreding, Verzoekster, de minister van Landbouw en de Commissie verklaren echter eensgezind dat de door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk vastgestelde indeling onjuist was; zij betogen dat de verordening weliswaar geen antwoord geeft op deze vraag, maar waardevolle aanwijzingen bevat voor de juiste uitlegging. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk het standpunt ingenomen dat de tekst van de Aanvullende Aantekeningen anders zou hebben geluid, indien het de bedoeling was geweest dat het ontbreken van een halsbeentje indeling onder post 02.01 A II a) 2 bb zou beletten. Verder — aldus deze regering — zijn de Aanvullende Aantekeningen op zijn minst onduidelijk. Aangezien verwijdering van de atlas het wezenlijke karakter van een rundervoorvoet niet wijzigt, noch verhindert dat deze als zodanig wordt verhandeld, is de indeling als voorvoet en niet als delen met been de juiste.
Volgens de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT zijn voor de indeling wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de toepasselijke aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken. Onder laatstgenoemde aantekeningen vallen mijns inziens ook de „Aanvullende Aantekeningen” aan het begin van Hoofdstuk 2, die zo worden genoemd omdat zij een aanvulling vormen op de aantekeningen op de hoofdstukken, die zijn overgenomen uit de IDR-Nomenclatuur, waarop het GDT is gebaseerd. Waar in de Aanvullende Aantekeningen de omschrijving van „voorvoet” de zinsnede bevat „dat alle beenderen ... omvat”, wordt mijns inziens niet enkel gedoeld op de ribben, zoals het Verenigd Koninkrijk stelt, al was het maar omdat de Aantekeningen vervolgens bepalen dat een voorvoet tussen vier (paar) en tien (paar) ribben kan omvatten. Dit laatste lijkt geen zin te hebben indien de voorvoet „alle ribben” moet omvatten. Ofschoon het juist moge zijn dat de Aantekeningen gelukkiger hadden kunnen worden geformuleerd en dat de reden voor het oorspronkelijke onderscheid misschien niet voor de hand ligt, is er mijns inziens niets aangevoerd op grond waarvan mag worden geconcludeerd dat aan de zinsnede„dat alle beenderen ... omvat” een andere dan haar normale betekenis moet worden toegekend. Alle beenderen betekent alle beenderen en niet alle beenderen op één na of alle beenderen behoudens een voor de handel onbelangrijk been.
Dat het vlees de atlas dient te bevatten om als voorvoet te kunnen worden aangemerkt, lijkt voorts te worden bevestigd door de Toelichtingen op het GDT. In de versie van 1978 wordt daarin met betrekking tot post 02.01 A II verklaard: „Voor de toepassing van de definities van voorvoeten ... gelden als a) hals: het halsgedeelte met spieren en de zeven halve halswervels”. Ter terechtzitting hebben zowel verzoekster als de Commissie bevestigd dat de atlas één van de zeven halve halswervels is. Indien dit zo is, maakt hij derhalve deel uit van de „hals” en moet hij als zodanig aanwezig zijn.
De juiste indeling van het onderhavige vlees was volgens mij dan ook die in post 02.01 A II a) 4 aa. Ik ben tot dit standpunt gekomen onafhankelijk van het advies van het Comité Nomenclatuur, hoewel het daarmee wel te verenigen valt; het is dan ook niet nodig in te gaan op hetgeen naar voren is gebracht omtrent de betekenis van de opvatting van het Comité Nomenclatuur voor de uitlegging van het GDT.
De tweede vraag
Voor wat de tweede vraag betreft, heeft het Hof in het arrest van 18 september 1980 (zaak 795/79, Handelsmaatschappij Pesch, Jurispr. 1980, blz. 2705) overwogen dat artikel 1 van verordening nr. 974/71 de bevoegdheid tot toekenning van mcb's bij invoer aan de invoerende Lid-Staat heeft opgedragen, en dat artikel 2 bis van de verordening er niet toe strekt aan de uitvoerende staat de bevoegdheid over te dragen, mcb's bij invoer toe te kennen, doch enkel om het mogelijk te maken dat die Lid-Staat „in onderlinge overeenstemming met en voor rekening van de invoerende Lid-Staat, het compenserende bedrag bij invoer betaalt' dat de invoerende Lid-Staat zelf dient toe te kennen”. Aangezien de toekenning van mcb's is gekoppeld aan de tariefindeling van de goederen, kan de uitvoerende Lid-Staat slechts mcb's betalen volgens het tarief behorende bij de tariefpost waaronder de goederen door de invoerende Lid-Staat zijn ingedeeld. Het Hof heeft in voornoemd arrest voorts overwogen dat „de uitvoerende Lid-Staat bij het betalen van de door de invoerende Lid-Staat verschuldigde bedragen is gehouden aan de tariefindelingen van de betrokken produkten, die laatstgenoemde staat bij de invoer ervan toepast”.
De onderneming heeft geprobeerd een onderscheid te maken tussen de beslissing in de zaak-Pesch en de onderhavige zaak. Het feit dat in casu de zaak is voorgelegd aan het Comité Nomenclatuur, dat zich in de door de onderneming voorgestane zin heeft uitgesproken, zou betekenen dat de Ierse minister van Landbouw verplicht is het bedrag te betalen dat op grond van dat advies had moeten worden betaald. Ik leg rechtsoverweging 11 van het arrest-Pesch echter niet aldus uit, dat indien de procedure wordt gevolgd waarbij een geschil aan het Comité Nomenclatuur wordt voorgelegd, dit resulteert in een automatische correctie van de door de douane van de invoerende staat vastgestelde tariefindeling. Voor de uitvoerende staat is de indeling van de invoerende staat beslissend, in het bijzonder wanneer, zoals in casu, het comité zijn advies heeft gegeven nadat het Verenigd Koninkrijk de onderhavige goederen had ingedeeld.
Subsidiair stelt de onderneming dat de uitvoerende Lid-Staat in geval van twijfel verplicht is de inlichtingen in te winnen die nodig zijn om een eind te maken aan een geschil omtrent de door de invoerende Lid-Staat gegeven indeling, daar hij krachtens artikel 2 bis van verordening nr. 974/71 verplicht is de mcb's te betalen die de invoerende staat bij een juiste uitlegging van het gemeenschapsrecht „zou hebben toegekend”. Ofschoon het stellig verdedigbaar is de verplichting om het bedrag te betalen dat de invoerende staat zou hebben toegekend, aldus te verstaan dat de uitvoerende staat het juiste bedrag dient te betalen en niet enkel hetgeen de invoerende staat ten onrechte als het juiste bedrag beschouwt, valt een dergelijk betoog mijns inziens niet te rijmen met de beslissing van het Hof in de zaak-Pesch.
In die zaak heeft het Hof beklemtoond dat krachtens artikel 2 bis de invoerende Lid-Staat verantwoordelijk blijft voor de toekenning van de mcb's en derhalve, om de juiste hoogte van die bedragen te kunnen vaststellen, ook voor de indeling van de goederen. De uitvoerende Lid-Staat heeft uitsluitend tot taak de aldus vastgestelde betaling te verrichten. Voorts betaalt die staat na overlegging van en in overeenstemming met het communautaire document voor douanevervoer dat betrekking heeft op de goederen. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is de uitvoerende Lid-Staat bij het betalen van de verschuldigde mcb's slechts de gemachtigde van de invoerende Lid-Staat. Hij is niet gerechtigd de in het document voor communautair douanevervoer vervatte berekening van de invoerende Lid-Staat te verifiëren.
Artikel 10 bis, lid 4, van verordening nr. 1380/75 bepaalt dat wanneer importen voor binnenlands gebruik worden vrijgegeven onder een andere dan de in het document voor communautair douanevervoer aangegeven tariefpost, het douanekantoor van vertrek daarvan in kennis moet worden gesteld. Gewoonlijk zal dit geschieden door een aantekening op het document voor communautair douanevervoer voordat dit wordt teruggestuurd naar het douanekantoor van vertrek (vgl. artikel 12 van verordening nr. 223/77 van 22 december 1976 — PB L 38 van 1976, blz. 20). Ter terechtzitting heeft verzoekster betoogd dat de betaling van de mcb's ingevolge artikel 16 van verordening nr. 1380/75 mag worden uitgesteld „in gevallen waarin twijfel bestaat omtrent de juistheid van het voorgelegd dossier en door de overheid een onderzoek is ingesteld”. Dit betreft echter de situatie waarin het vermoeden bestaat dat het document voor communautair douanevervoer niet nauwkeurig aangeeft in hoeverre de invoerformaliteiten zijn vervuld en welke rechten en heffingen van gelijke werking zijn betaald, of wanneer bijvoorbeeld uit het document niet kan worden afgeleid onder welke indeling de goederen zijn vrijgegeven voor binnenlands gebruik in de invoerende Lid-Staat. Volgens mij is de uitvoerende Lid-Staat op grond daarvan niet gerechtigd of gehouden, de betaling van de mcb's uit te stellen, hangende zijn eigen onderzoek naar de juistheid van de tariefindeling door de invoerende Lid-Staat.
Indien de importeur of exporteur stelt dat de tariefindeling door de invoerende Lid-Staat onjuist is, dient hij mijns inziens de bevoegde autoriteiten van die staat te verzoeken de indeling te herzien. Indien de invoerende Lid-Staat weigert om de indeling te herzien of het advies van het Comité Nomenclatuur te volgen, kan daartegen bij de huidige stand van het recht worden opgekomen met een beroep voor de nationale rechter. De betrokkene kan volgens mij de autoriteiten van de uitvoerende Lid-Staat niet dwingen tot een andere indeling.
De Commissie heeft betoogd dat zelfs indien de Britse autoriteiten de onderhavige goederen onjuist hadden ingedeeld, zij niettemin gerechtigd waren mcb's toe te kennen volgens het bij voorvoeten behorende tarief en niet volgens dat voor delen met been, indien zij van mening waren dat het mcb-stelsel werd gemanipuleerd of misbruikt met als gevolg dreigende distorsie van de handel. Gezien hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt in verband met de beslissing van het Hof in de zaak-Pesch, is deze vraag volgens mij in casu niet van belang. Bijgevolg spreek ik me ook niet uit over de vraag of de door de Commissie genoemde zaken de door haar voorgestane ver gaande stelling staven, danwei of de onderhavige feiten daadwerkelijk kunnen worden aangemerkt als een manipulatie of misbruik van het stelsel der mcb's.
De derde vraag
De nationale rechter stelt vervolgens in zijn derde vraag aan de orde of de minister van Landbouw gehouden is de bij uitvoer van vlees vanuit Ierland geheven mcb's aan verzoekster terug te betalen, nu deze werden vastgesteld volgens een hoger tarief dan behoorde bij de tariefindeling waarvan werd uitgegaan bij invoer van het vlees in het Verenigd Koninkrijk. Het antwoord luidt mijns inziens ontkennend. De indeling door de Ierse autoriteiten was juist — daarover zijn partijen het eens — en de mcb's zijn geheven volgens het juiste tarief. De verordeningen bevatten geen grondslag voor een verplichting tot terugbetaling van regelmatig geheven mcb's, ongeacht hetgeen eventueel gebeurt bij invoer.
Verzoekster heeft betoogd dat dit tot een kennelijk onrechtvaardig resultaat leidt, omdat het betekent dat op hetzelfde produkt op hetzelfde tijdstip en in het kader van één enkele transactie twee tegenstrijdige indelingen worden toegepast, met als gevolg dat mcb's worden toegepast volgens verschillende tarieven. Indien er al een rechtsmiddel bestaat, kan dit echter niet worden aangewend tegen de instantie van de uitvoerende Lid-Staat, die heeft gehandeld op de grondslag van een afspraak als bedoeld in artikel 2 bis van verordening nr. 974/71, zoals gewijzigd.
Mitsdien ben ik van mening dat de door de High Court gestelde vragen dienen te worden beantwoord als volgt:
1.
Tussen 20 maart 1978 en 28 april 1979 vielen gekoelde voorvoeten van runderen waaruit de atlas was verwijderd, onder post 02.01 A II a) 4 aa van het GDT en waren daarop mcb's van toepassing volgens het bij die post behorende tarief;
2.
Ingevolge artikel 2 bis van verordening nr. 974/71 en de artikelen 10 en 11 van verordeningen nr. 1380/75, zijn de autoriteiten van de uitvoerende Lid-Staat gehouden mcb's te betalen volgens het door de invoerende Lid-Staat vastgestelde tarief, ook indien de tariefindeling waarop dat tarief is gebaseerd, wordt geacht onjuist te zijn;
3.
Verordening nr. 1380/75 verplicht de autoriteiten van de uitvoerende Lid-Staat niet de bij uitvoer van goederen regelmatig geheven mcb's terug te betalen, enkel op grond dat deze bedragen door de invoerende Lid-Staat volgens een ander tarief zijn geheven of toegekend.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy