CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 20 OKTOBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I —
De onderhavige prejudiciële vraag stelt het probleem aan de orde van de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt van een nationale regeling die voor de benaming „aperitief op basis van wijn” minimumvoorschriften vaststelt betreffende het percentage wijn dat in het produkt voorkomt, en inzake het alcoholgehalte van die wijn.
„Vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen” met een effectief alcoholvolumegehalte van ongeveer 22 % is ingedeeld onder post 22.06 van het gemeenschappelijke douanetarief (GDT) en valt als zodanig niet onder de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt.
Zonder in technische bijzonderheden te treden, kan worden gezegd dat vermout en aperitieven op basis van wijn worden bereid uit mistella, witte of rode tafelwijn of likeurwijn waarin men plantaardige stoffen — kina of ander — of diverse aromatische stoffen laat trekken, en waarvan men het alcoholgehalte door er zuivere alcohol aan toe te voegen verhoogt. In het handelsstadium hebben vermout en aperitieven een alcoholgehalte van 15 tot 23°. De wijn die als basis dient voor de bereiding van die produkten, kan worden gebruikt in de toestand waarin hij van de wijnbouwer komt, dan wel na versnijding of mutage (het gebruik van geconcentreerde most
voor het verzoeten is toegestaan), zodat de fabrikanten in hun kelders wijn kunnen bergen met een betrekkelijk laag alcoholgehalte, mits zij hem vóór de bereiding aanzetten door middel van andere wijn met een voldoende gehalte of door toevoeging van alcohol.
Voor de bereiding van produkten van post 22.06 GDT moet dus alcohol worden toegevoegd.
Met dit technisch vereiste is rekening gehouden in de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt. Krachtens artikel 25, lid 1, van verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen voor deze ordening, is toevoeging van alcohol aan wijn van verse druiven verboden, behalve voor distillatiewijn en likeurwijn. Volgens lid 2 beslist de Raad op voorstel van de Commissie over afwijkingen van dit verbod, met name ter zake van gebruik voor bijzondere doeleinden of van voor uitvoer bestemde produkten.
Zonder vooruit te lopen op de resultaten van een harmonisatie van de definities van de produkten van post 22.06 wat betreft de precieze aard van de alcohol die voor de bereiding ervan kan worden toegevoegd, werd in 's Raads verordening nr. 1598/71 van 19 juli 1971 de lijst van tot de wijnsector behorende produkten waaraan alcohol mag worden toegevoegd, aangevuld met onder meer tafelwijn bestemd voor de bereiding van produkten van post 22.06; wel werd gepreciseerd dat het moest gaan om uit landbouwprodukten verkregen ethylalcohol. Tot nu toe werd die afwijking steeds verlengd, laatstelijk bij verordening nr. 3196/80 van de Raad van 8 december 1980, „in afwachting van de vaststelling van de bepalingen tot aanvulling of harmonisatie van de definities van ... de produkten van post 22.06 van het gemeenschappelijk douanetarief”.
Men kan dus stellen dat, in zover vermout of aperitieven op basis van wijn steeds op basis van tafelwijn moeten worden bereid, die produkten tot de wijnsector behoren.
Welnu, volgens de definitie in punt 10 van bijlage II bij verordening nr. 816/70, die van kracht was ten tijde der feiten die aan de onderhavige procedure ten grondslag liggen, moet tafelwijn van post 22.05 GDT („wijn van verse druiven”), na de eventuele, bij artikel 19 toegestane behandelingen ter verhoging van het natuurlijke alcoholgehalte, onder meer een effectief alcoholgehalte hebben van ten minste 8,5° en een totaal alcoholgehalte van niet meer dan 15° (waarbij deze bovengrens in bepaalde gevallen op 17° kan worden gebracht).
Met die norm beoogde de Gemeenschap te verzekeren dat er in de „basiswijn” een aan de wensen van de verbruiker beantwoordende verhouding tussen alcoholgehalte en zuurgraad aanwezig is, en dat bij de produktie en veredeling een bepaald kwaliteitsniveau gegarandeerd is.
II —
De aan het Hof voorgelegde zaak betreft de bereiding in Frankrijk, tussen 1 juli 1976 en 31 mei 1978, van een aperitief: witte of rode „St.-Raphaël” met een alcoholgehalte van 16° per liter.
Dit produkt werd bereid in de volgende drie fasen:
1.
een gewone (rode of witte) Franse wijn met een alcoholgehalte van meer dan 8,5° doch minder dan 10° wordt door toevoeging van alcohol gealcoholiseerd tot een wijn van 15,1°;
2.
aan de gealcoholiseerde wijn worden opnieuw alcohol, alsmede suiker en water toegevoegd, ter verkrijging van een suikerhoudende basis van 15°;
3.
aan deze basis worden tenslotte alcohol, kleurstoffen, aromatische extracten en alcoholaten toegevoegd, totdat men de uiteindelijke alcoholhoudende drank van 16-18° verkrijgt.
De bepalingen van artikel 5 van het Franse decreet van 31 januari 1930, houdende algemene maatregelen van bestuur voor de toepassing van de wet van 1 augustus 1905 op het stuk van de handel in likeurwijn, vermout en aperitieven op basis van wijn, dateren wel van vóór de gemeenschappelijke ordening, doch waren nog van toepassing ten tijde van de feiten. Ingevolge deze bepalingen moeten dranken die onder de benaming „vermout” of „aperitief op basis van wijn” worden gehouden, vervoerd of verkocht, tenminste 80 % eerlijke handelswijn (of likeurwijn of druivemost) bevatten, met een alcoholgehalte van ten minste 10°.
Ingevolge de Franse regeling kunnen bij de bereiding van onder de benaming „aperitief” verkochte dranken dus tot ten hoogste 20 volumeprocenten, ofwel voor een vijfde, andere ingrediënten dan wijn worden gebruikt en moet het — vóór elke verrijking — van de natuurlijke vergisting van druivesap afkomstige alcoholgehalte in de andere vier vijfden bovendien ten minste 10° bedragen.
Guy en Jacques Vedel en Henri Lejeune erkennen dat zij de bepalingen van de Franse regeling niet hebben nageleefd, doch voeren te hunner verdediging aan dat die bepalingen hun niet kunnen worden tegengeworpen, omdat de door hen gebruikte wijn aan het minimumvereiste van de communautaire definitie (effectief alcoholgehalte 8,5°) voldeed. Volgens hen zijn sinds de inwerkingtreding van verordening nr. 816/70 de in de Franse regeling gestelde voorwaarden met betrekking tot zowel het gehalte (10°) als het percentage (80%) vervallen.
De vraag van het Tribunal de grande instance te Montpellier komt dan ook in wezen hierop neer, of artikel 5 van het Franse decreet van 31 januari 1930 in zijn geheel buiten toepassing is getreden ten aanzien van de nationale fabrikanten van het aperitief St.-Raphaël.
III —
Ontegenzeglijk is het vereiste dat één van de hoofdbestanddelen van een vloeibaar mengsel voor een bepaald percentage (80%) een alcoholgehalte van ten minste 10° moet hebben, strenger dan de voorwaarde dat dit bestanddeel in zijn geheel een gehalte moet hebben van ten minste 8,5°.
Om een alcoholgehalte van 16° (of van 23°, het maximum dat de Franse regeling voor aperitieven toestaat), te bereiken, zal de hoeveelheid toe te voegen alcohol bovendien afhangen van het alcoholgehalte van het bestanddeel „wijn” zelf; omgekeerd zal het basisbestanddeel — mits het een alcoholgehalte van ten minste 8,5° heeft — een relatief lager gehalte mogen hebben, naar gelang van het toegevoegde percentage alcohol: zou enkel behoeven te worden voldaan aan de communautaire definitie van tafelwijn (8,5°), dan zou voor het door de Franse regeling vereiste alcoholgehalte van de wijn (10°) rekening kunnen worden gehouden met de voor het aanzetten van de gebruikte wijn toegevoegde alcohol, daar in het effectieve alcoholvolumegehalte van een vloeibaar mengsel het door vergisting verkregen deel niet meer is te onderscheiden van het door verrijking verkregen deel.
Het verrijken van wijn is een oenologisch procédé dat belangrijke gevolgen kan hebben, zowel economische als op het gebied van de gezondheid. Alle wijnproducerende Lid-Staten hebben zich beijverd om voor deze praktijk een wettelijke regeling vast te stellen, die aan hun eigen klimaat of regionale omstandigheden beantwoordt.
Tegenover de communautaire regeling, die de toevoeging van alcohol aan voor de bereiding van aperitieven bestemde tafelwijn toestaat zonder de oorsprong ervan te preciseren (alcohol uit wijn of verdunde ethylalcohol van agrarische herkomst), staat noodzakelijkerwijs dat de Lid-Staten bevoegd blijven de modaliteiten van díe alcoholtoevoeging te regelen. Zo niet, dan zouden precentages alcohol kunnen worden toegevoegd, die niet te verenigen zijn met het gemeenschappelijke kwaliteitsbeleid.
De toevoeging van alcohol wordt geduld, doch mag niet leiden tot stimulering van de produktie van middelmatige „tafelwijn”, aangetast door ziekten of afkomstig van verboden wijnstokrassen, door daarvoor een bijkomende afzetmogelijkheid te verzekeren, namelijk de bereiding van vermout en aperitieven. Zo ook mag het alcoholgehalte van de voor de bereiding van het aperitief gebruikte wijn niet op een dusdanig niveau worden vastgesteld, dat het een extra-aansporing vormt voor het gebruik van ethylalcohol van agrarische herkomst; de nationale wetgever kon dus terecht van oordeel zijn dat een te sterke toevoeging van alcohol het produkt van de vergisting van verse druiven het eigen karakter van oogstwijn ontnam.
In dit verband wil ik opmerken dat sinds de onderhavige feiten in dit op kwaliteit gerichte streven een nieuwe stap is gezet, daar sinds de inwerkingtreding (op 2 april 1979) van 's Raads verordening nr. 337/79 van 5 februari 1979 de benaming tafelwijn is voorbehouden aan wijn met, onder meer, een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 9 % (tegenover 8,5 % vroeger), mits hij uitsluitend afkomstig is van andere dan in de wijnbouwzones A en Β geoogste druiven, hetgeen het geval is met de in casu gebruikte wijn (punt 11 van bijlage II in de versie van verordening nr. 337/79).
Bijgevolg kan tafelwijn, voor zover hij dient voor een bijzonder gebruik, namelijk de bereiding van vermout en aperitieven, anders worden gedefinieerd dan tafelwijn voor rechtstreekse consumptie, omdat in het eerste geval daaraan alcohol moet worden toegevoegd, terwijl dat in het tweede geval niet mag.
Opgemerkt zij, dat wel geëist moet worden dat het uiteindelijke mengsel voor 80 % wijn moet bevatten, wil het totale alcoholgehalte van het eindprodukt metterdaad voor het door de nationale wetgever gekozen percentage afkomstig zijn van de gebruikte wijn en niet van verdunde alcohol van agrarische herkomst.
Tenslotte dient te worden opgemerkt, dat met de verklaring dat het noodzakelijk doch ook voldoende is, dat de voor de bereiding van aperitieven gebruikte tafelwijn uit de andere wijnbouwzones dan de zones A en Β een effectief alcoholvolumegehalte moet hebben van ten minste 8,5 % (thans 9 %), op dit specifieke punt door een prejudiciële beslissing een communautaire definitie van aperitieven op basis van wijn zou worden gegeven.
Ofschoon de raadsman van G. en J. Vedel en van H. Lejeune ter terechtzitting heeft erkend dat er inzake de samenstelling en bereidingskenmerken van „gearomatiseerde wijn” geen communautaire regels bestaan, beklemtoonde hij dat toepassing van de Franse wetgeving uitsluitend op Franse produkten ongelijke mededingingsvoorwaarden kon scheppn.
Op grond van 's Hofs arrest van 20 februari 1979 (zaak 120/78, Rewe-Zentral, Jurispr. 1979, blz. 649) zou artikel 5 van het Franse decreet van 31 januari 1930 immers niet de verkoop in Frankrijk kunnen verhinderen van als „vermout” of „aperitief op basis van wijn” betitelde dranken, afkomstig uit andere Lid-Staten en bereid uit wijn met een alcoholgehalte van ten minste 8,5° en die dus voldoet aan de definitie van punt 10 van bijlage II bij verordening nr. 816/70.
Dit distorsiegevaar is misschien niet zo reëel als de fabrikanten van St.-Raphaël vrezen, aangezien wijn in elk geval de „basis” van de betrokken dranken zou moeten blijven en, naar ter terechtzitting werd verklaard, de wetgeving van de staten waaruit deze dranken merendeels afkomstig zijn, ten aanzien van het vereiste alcoholgehalte van de wijn even streng is als de Franse wetgeving.
De kans op ontduiking van de wetgeving is echter niet uitgesloten, en, anders dan bij de in Frankrijk vervaardigde aperitieven, zouden de Franse diensten deze niet kunnen ontdekken.
Deze situatie kan echter de toepassing van de Franse wetgeving niet beletten, wanneer deze althans, zoals ik meen, niet indruist tegen de communautaire regeling.
In de eerste plaats lijkt deze „omgekeerde discriminatie”, die het door de verdachten bereide produkt op de nationale markt zou ondervinden, mijns inziens op de ongelijkheden waarvan het Hof in zijn arrest van 13 maart 1979 (zaak 86/78, Peureux, Jurispr. 1979, blz. 897, r. o. 32-34) heeft geoordeeld dat zij „het gevolg zijn van de bijzonderheden van de niet-geharmoniseerde nationale wetgevingen op gebieden die onder de bevoegdheid van de Lid-Staten vallen”, en dat zij dus gerechtvaardigd waren.
In zijn arrest van 26 juni 1980 (zaak 788/79, Gilli, Jurispr. 1980, blz. 2071, r. o. 5) heeft het Hof geoordeeld dat het „bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling voor de produktie en de verhandeling van het betrokken produkt” — het ging om appelazijn, azijnzuur bevattende dat niet was verkregen door azijnzure gisting van wijn — „aan de Lid-Staten staat om, ieder op zijn eigen grondgebied, voor al hetgeen de produktie, de verhandeling en de consumptie daarvan raakt, een regeling te treffen, met dien verstande evenwel dat deze regeling de intracommunautaire handel niet al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, mag belemmeren”, dat wil zeggen dat zij niet ingaat tegen artikel 30 EEG-Verdrag.
In de tweede plaats toont deze situatie de grenzen aan van de „Cassis de Dijon” -rechtspraak en beklemtoont zij slechts de dringende noodzaak van communautaire bepalingen op dit gebied. De Commissie is zich daar wel van bewust; in de toelichting bij haar ontwerpvoorstel voor een verordening tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de definitie, de omschrijving en de aanbiedingsvorm van gedistilleerde dranken en van vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen, wordt verklaard: „De toepassing van de uit deze rechtspraak voortvloeiende beginselen — die de afschaffing kan omvatten van bepaalde selectieve criteria die tot nog toe waren vastgesteld in de nationale wetgevingen — is op zichzelf evenwel niet voldoende om een op kwaliteit gericht beleid te kunnen voeren dat op doeltreffende wijze de bescherming van de verbruikers en de loyale mededinging onder de producenten garandeert. Nu is voor deze sector, wellicht meer dan voor enige andere, aangezien de volksgezondheid ermee gemoeid is en het gaat om produkten die voor de mens niet onontbeerlijk zijn, de vaststelling van kwaliteitsnormen nodig en mogelijk. Daarom moeten dringend, met name uit hoofde van [dat] arrest van het Hof, communautaire voorschriften worden uitgevaardigd waarin zoveel mogelijk rekening is gehouden met onder meer de procédés die van ouds door de producenten worden toegepast”.
De met betrekking tot speciale wijnen zoals vermout en aperitieven reeds jaren geleden begonnen dialoog tussen de Lid-Staten is dus nog niet afgesloten. Met het oog op de onderhavige procedure vernamen wij, dat de Commissie oog had voor de „dringende noodzaak, op communautair vlak voorschriften vast te stellen inzake onder meer de samenstelling en de bereidingskenmerken van gedistilleerde dranken en gearomatiseerde wijn, aangezien de verschillen tussen de nationale bepalingen het vrije verkeer kunnen belemmeren en ongelijke mededingingsvoorwaarden kunnen scheppen”. Daartoe waren de diensten van de Commissie (in november 1980) „twee ontwerpvoorstellen aan het uitwerken inzake de definitie, de omschrijving en de aanbiedingsvorm van enerzijds gedistilleerde dranken, en anderzijds van vermout en andere wijn van verse druiven bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen, van post 22.06 GDT”. Het bestaan van deze ontwerpen toont duidelijk de noodzaak van preciseringen op dit gebied.
Mitsdien concludeer ik dat het Hof verklare voor recht:
Een nationale bepaling, luidens welke een onder de benaming „aperitief op basis van wijn” verkochte drank ten minste 80 % gewone eerlijke handelswijn met een alcoholgehalte van ten minste 10° moet bevatten, is niet in strijd met het gemeenschapsrecht.
( 1 ) uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy