CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 4 JUNI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de onderhavige zaak gaat het om de indeling in het douanetarief van een als „blinkende Leuchtkreise” (flikkerende lichtkransen) aangeduid produkt dat in grote trekken — voor details verwijs ik naar de verwijzingsbeschikking — wordt omschreven als volgt:
Op een uit drie ringen bestaand kunststof frame met een doorsnede van ongeveer 21 cm zijn 49 — door elektrische draad onderling verbonden — ongeveer 24 mm lange kaarsvormige gloeilampen van verschillende kleuren in kunststof fittingen aangebracht, die bij het inschakelen van de stroom afwisselend gaan branden. Het frame is voorts met zilverpapierstrookjes en kleurige zilverpapierstrikjes versierd, en is bovendien voorzien van een element waarmee de krans in de top van een denneboom kan worden bevestigd.
Dit produkt werd in december 1978 uit Taiwan ingevoerd en overeenkomstig de aangifte van de importeur ingedeeld onder post 97.05 van het gemeenschappelijk douanetarief, zodat een invoerrecht van 10 % werd geheven. Genoemde tariefpost is als volgt geformuleerd:
„Ontspannings- en feestartikelen, cotillonartikelen, fop- en schertsartikelen en benodigdheden voor het goochelen; artikelen en toebehoren, voor kerstboomversiering en dergelijke kerstfeestartikelen (imitatiekerstbomen, kerstkribben, ook indien gestoffeerd, beeldjes en andere voorwerpen voor kerststalletjes, imitatieblokken voor kerstvuur, kerstmannetjes, enz.)”
In zijn bezwaarschrift verzocht de importeur om indeling in post 85.20, luidende:
„Elektrische gloeilampen en -buizen (met gloeidraad) en elektrische gasontladingslampen en -buizen (ook indien voor ultraviolette of infrarode stralen); boog-Iampen:
A.
Gloeilampen en gloeibuizen, voor verlichtingsdoeleinden :
....
B.
andere lampen en buizen
C.
Delen en onderdelen”
Het bevoegde Hauptzollamt was het hiermee evenwel niet eens; in zijn beslissing op het bezwaarschrift deelde het het produkt juist in onder postonderverdeling 39.07 E IV, krachtens welke een invoerrecht van 17,6 % is verschuldigd. Deze post luidt als volgt:
„Werken van de stoffen bedoeld bij de posten 39.01 tot en met 39.06
...
E.
van andere stoffen
...
IV.
andere.”
Het Hauptzollamt baseerde deze indeling op de stelling dat de kransen gezien de afwerking en de aanwendingsmogelijkheden ervan, niet als kerstboomversiering zijn te beschouwen doch als voorwerpen die als feestverlichting of in huisbars kunnen dienen. Volgens het Hauptzollamt betreft het „in assortiment opgemaakte goederen”, die overeenkomstig de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief sub A 3b moeten worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan zij hun wezenlijk karakter ontlenen. Daar de kransen hoofdzakelijk uit kunststof bestaan, was het Hauptzollamt van mening dat de goederen als „andere werken van kunststof — elektrische binnenverlichting” onder laatstgenoemde post vielen.
Daarop stelde de importeur beroep in bij het Finanzgericht te Berlijn. Tot staving van zijn opvatting dat de ingevoerde produkten als kerstboomversiering in de zin van tariefpost 97.05 zijn aan te merken, betoogde hij dat de kransen voor de Amerikaanse markt worden geproduceerd en aldaar daadwerkelijk als kerstboomversiering worden gebruikt. Bovendien zouden zij hun wezenlijk karakter in elk geval aan de gloeilampen ontlenen, aangezien de kunststof onderdelen van de kransen slechts een ondergeschikte functie vervullen.
Het Hauptzollamt betoogde in deze procedure dat de kransen weliswaar als kerstboomversiering kunnen worden aangewend, doch dat zij in Duitsland vooral als decoratieve verlichting en voor andere doeleinden worden gebruikt. Het was voorts van mening dat binnen de gehele Gemeenschap de belangrijkste aanwending wellicht een andere was.
Met het oog op deze uiteenlopende opvattingen over de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief heeft het Finanzgericht te Berlijn de behandeling van de zaak bij beschikking van 29 september 1980 geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de navolgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd :
„Moeten zogenaamde „flikkerende lichtkransen” met een doorsnede van ongeveer 21 cm, bestaande uit een ringvormig kunststof frame waarop ongeveer 24 mm lange, kaarsvormige, bij stroomtoevoer aan- en uitgaande gloeilampen van verschillende kleuren zijn aangebracht en die op de top van een kerstboom kunnen worden bevestigd, als kerstboomversiering worden ingedeeld onder post 97.05 van het gemeenschappelijk douanetarief (invoerrecht 10 %) dan wel, wegens de kunststof onderdelen, onder post 39.07 E IV van het gemeenschappelijk douanetarief (invoerrecht 17,6 %)?”
Alleen de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft over deze vraag zowel schriftelijk als mondeling opmerkingen gemaakt.
Met betrekking tot post 97.05, waaraan op grond van aantekening 1 sub q bij hoofdstuk 39 („Dit hoofdstuk omvat niet: ... q) artikelen bedoeld bij hoofdstuk 97 (speelgoed, spellen, sportartikelen, enz.)” in de eerste plaats kan worden gedacht, kan volgens de Commissie worden aangenomen dat het betrokken produkt door de fabrikant bestemd is voor gebruik als kerstboomversiering. Zij heeft voorts opgemerkt dat het in Europa ook af en toe als zodanig wordt gebruikt. Volgens haar volstaat dit evenwel niet en is het veeleer relevant, voor welk doel het produkt in de Gemeenschap hoofdzakelijk wordt gebruikt. Dit is niet het gebruik als kerstboomversiering, hetgeen wordt bevestigd door het in het hoofdgeding overgelegde advies van de Zentralverband der Elektrotechnischen Industrie e. V. en van de Vereinigung Bayerischer Spielwaren- und Christbaumschmuckhersteller e. V.
In antwoord op een vraag van het Hof heeft de Commissie met betrekking tot post 97.05 nog opgemerkt dat ook indeling onder het eerste gedeelte ervan („ontspannings- en feestartikelen, cotillonartikelen, fop- en schertsartikelen en benodigdheden voor het goochelen”) uitgesloten moet worden geacht. Blijkens de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur zou deze post enkel artikelen omvatten die, in verband met de kortstondige gebruiksduur, veelal van eenvoudig en weinig sterk maaksel zijn en niet moeten worden verward met de gebruiksartikelen waarvan zij slechts nabootsingen zijn. De lichtkransen zijn volgens de Commissie evenwel verlichtingsapparaten die als versiering bij feestjes, in een huisbar of als decoratie in etalages en winkels kunnen worden gebruikt; hieruit zou duidelijk blijken dat zij niet voor kortstondig gebruik zijn bestemd.
Nu de produkten — nog steeds aldus de Commissie — derhalve niet onder post 97.05 kunnen worden ingedeeld, dient men voor ogen te houden dat het een samengesteld werk betreft in de zin van bovengenoemde Algemene bepalingen sub A 2b. Krachtens Algemene bepaling A 3b zijn deze waren in te delen naar de stof of naar het goed waaraan zij hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald. Als zodanig komt volgens de Commissie het kunststof frame van de kransen in aanmerking, zodat deze inderdaad, gelijk het Hauptzollamt heeft gemeend, onder postonderverdeling 39.07 EIV zouden moeten worden ingedeeld.
Dit komt mij evenwel niet overtuigend voor. Mijns inziens kunnen bij twee punten in dit betoog al aanstonds bedenkingen worden gemaakt.
Met betrekking tot het gedeelte van post 97.05 waarin sprake is van „kerstboomversiering en dergelijke kerstfeestartike-len” zij toegegeven dat niet de door de fabrikant bedoelde bestemming beslissend is, doch de daadwerkelijke belangrijkste aanwending in de Gemeenschap. Voor deze opvatting pleiten de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur, waarin bij post 97.05 sub C 2 artikelen worden genoemd „welke gewoonlijk ter gelegenheid van kerstfeestversieringen worden gebruikt”. In dit verband kunnen echter de beide door de Commissie aangehaalde adviezen van twee Duitse verenigingen bezwaarlijk als een toereikende bewijsvoering worden beschouwd. Zij kunnen immers enkel dienen om de gebruikelijke aanwending in Duitsland te achterhalen, zulks nog afgezien van het feit dat de objectiviteit van de adviezen kan worden betwijfeld, aangezien de bij de verenigingen aangesloten fabrikanten ter bescherming van hun eigen belangen op een bepaalde indeling van de onderhavige produkten zouden kunnen aansturen. Indien derhalve van post 97.05 uitsluitend bovengenoemd gedeelte — kerstboomversiering en dergelijke feestartikelen — in aanmerking kwam, dan zou stellig een nader onderzoek naar de belangrijkste bestemming van het ingevoerd produkt in de gehele Gemeenschap noodzakelijk zijn alvorens men terecht tot de slotsom zou kunnen komen dat van aanwending als kerstboomversiering geen sprake kan zijn.
De tweede bedenking betreft de toepassing van Algemene bepaling A 3b, die evenwel alleen mogelijk is indien indeling onder post 97.05 is uitgesloten. Hierbij zou ik enkel willen opmerken dat op grond van de beschrijving van het produkt en de hiervoor aangeduide uiterlijke vormgeving ervan, terecht mag worden betwijfeld of het kunststof frame wel degelijk de stof is waaraan het zijn wezenlijk karakter ontleent. Mijns inziens wordt deze twijfel ook niet weggenomen door de aanvullende mondelinge opmerkingen die de gemachtigde van de Commissie in antwoord op vragen van de rechterrapporteur heeft gemaakt. Gezien de klaarblijkelijke functie van het produkt — verlichting en versiering door middel van lichteffecten — ligt het veeleer voor de hand bij de indeling de klemtoon te leggen op de verlichtingsonderdelen. Maar op grond van de volgende overwegingen behoeft hierover tenslotte geen uitsluitsel te worden gegeven.
In de rechtspraak van het Hof is reeds meermaals beklemtoond, dat voor de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief — gelijk ook blijkt uit Algemene bepaling A 1 — in de eerste plaats de bewoordingen van de tariefposten beslissend zijn. Voorts is in de rechtspraak eveneens herhaaldelijk overwogen (zie het arrest van 26 februari 1980, zaak 54/79, Hako-Schuh, Jurispr. 1980, blz. 311) dat de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur een nuttig uitleggingselement zijn.
Wat post 97.05 betreft, blijkt reeds bij eerste lezing dat het hier een post betreft die velerlei produkten omvat waarvan de omschrijving zeer elastisch is. Dit laatste vindt bevestiging in het feit dat het woord „dergelijke” wordt gebezigd (in de Duitse tekst twee maal het woord „ähnlich”). Zelfs indien men kerstboomversiering en dergelijke kerstfeestartikelen terzijde laat — omdat in zoverre in de huidige stand van het geding geen duidelijk oordeel kan worden geveld over de belangrijkste aanwending van het betrokken produkt binnen de Gemeenschap — dan komt in casu niettemin het zeer ruim geformuleerde eerste gedeelte van de post in aanmerking: „ontspan-nings- en feestartikelen, cotillonartikelen, fop- en schertsartikelen en benodigdheden voor het goochelen”. Indien men — met de Commissie — aanneemt dat de kransen in Europa vooral als verlichting bij feestjes of voor gelijksoortige doeleinden worden gebruikt, dan ligt volgens de bewoordingen van post 97.05 indeling als „feestartikelen” het meest voor de hand.
Aan deze opvatting staan mijns inziens evenmin de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur in de weg, die sub A spreken van „ontspannings- en feestartikelen en cotillonartikelen, welke, in verband met de kortstondige gebruiksduur, veelal van eenvoudig en weinig sterk maaksel zijn”. Al kan niet worden ontkend dat hier sprake is van eenvoudig en weinig sterk maaksel, terwijl voorts wordt opgemerkt dat de betrokken artikelen meestal van papier, van karton of watten zijn vervaardigd, dient men evenwel te bedenken dat deze beschrijving heel duidelijk wordt gerelativeerd door het gebruik van woorden als „veelal” en „meestal”. Daar komt nog bij dat een aantal van de aangehaalde voorbeelden — zoals hoeden, kledingstukken, parasols — niet beantwoorden aan voornoemde criteria.
Ik ben mitsdien van oordeel dat indeling van het betrokken produkt onder post 97.05 beslist gerechtvaardigd is en dat deze indeling in ieder geval — gezien de in Algemene bepaling A 3a neergelegde gedachte dat voorrang moet worden gegeven aan de post met de meest specifieke omschrijving — veel aannemelijker is dan indeling in de zeer algemene restcategorie van postonderverdeling 39.07 E IV.
Ik stel bijgevolg voor de door het Finanzgericht te Berlijn gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Zogenaamde „flikkerende lichtkransen”, bestaande uit een ringvormig kunststof frame met een doorsnede van ongeveer 21 cm, waarop ongeveer 24 mm lange, kaarsvormige, bij stroomtoevoer oplichtende gloeilampen van verschillende kleuren zijn aangebracht, kunnen worden ingedeeld onder post 97.05 van het gemeenschappelijk douanetarief.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy