CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 17 SEPTEMBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
I —
Het kan voorkomen dat ambtenaren zich beklagen over het feit dat zij gedwongen zijn prestaties te verrichten die boven het niveau liggen waarvoor zij, gezien hun indeling, worden betaald. Veel ongebruikelijker is het dat zij erop aandringen moeilijker taken te mogen verrichten dan die welke men van hen mag verwachten, zonder evenwel het bijbehorende salaris te verlangen. In deze zaak hebt u echter van een dergelijk geval kennis te nemen.
In haar verzoekschrift nr. 218/80 vraagt mejuffrouw Waltraut Kruse het Hof, de Commissie te gelasten haar recht op behoud van haar werkzaamheden als vertaalster te waarborgen en haar uitsluitend te belasten met taken die met deze functie verband houden.
In repliek vraagt zij bovendien om een verklaring voor recht, dat de Commissie haar verplichting om haar bijscholing te vergemakkelijken, niet is nagekomen, en verzoekt zij, de Commissie deswege te veroordelen tot betaling van één frank ter zake van vergoeding van de schade die zij daardoor zou hebben geleden.
Verzoekster is sinds 1961 ambtenaar van de Commissie. Per 1 juni 1962 werd zij in vaste dienst aangesteld als secretaresse in de rang C 3, salaristrap 1. In categorie C bestaat er een loopbaan secretaressestenotypiste of beambte, die zich uitstrekt over twee rangen, C 2 en C 3.
Per 1 april 1963 werd verzoekster tewerkgesteld bij het uitvoerend secretariaat van het directoraat-generaal „Onderzoek en onderwijs”, directoraat Programma's, en op 1 oktober 1964 werd zij bevorderd naar rang C 2, salaristrap 1. Na herhaaldelijk bij andere diensten te zijn tewerkgesteld, belandde zij tenslotte op 1 maart 1973 bij het secretariaat van het directoraat-generaal „Onderzoek, wetenschappen en onderwijs”. Zij is echter nooit meer bevorderd en schijnt de laatste salaristrap van de hoogste rang van haar loopbaan reeds lang geleden te hebben bereikt.
Vanaf 1970/1971 werd verzoekster in toenemende mate belast met het vertalen en redigeren van teksten in verscheidene talen: sinds maart 1973 was zij zelfs uitsluitend met deze taak belast, waarvan zij zich, naar uit haar beoordelingsrapporten blijkt, tot volle tevredenheid kweet.
In het beoordelingsrapport over de periode 1 juli 1977 -30 juni 1979, door de beoordelaar ondertekend op 3 juni 1980, staat bij de vraag „Komen de taken met de opleiding en de capaciteiten van de ambtenaar overeen?” het antwoord: „De taken komen niet overeen met haar bekwaamheid en opleiding. Toch heeft zij, dankzij bijscholingscursussen en andere initiatieven, een kennis weten te verwerven die haar in staat stelt deze binnen het kader van het directoraat-generaal nuttig te gebruiken, met dien verstande dat zij verklaart, om gezondheidsredenen niet in staat te zijn zich met enig andere werk bezig te houden.”
Over haar prestaties en gedrag in de dienst bevat dit rapport de volgende beoordeling: „Stelt zelf haar prioriteiten vast; vandaar, over het geheel ontoereikend, ook al worden bepaalde werkzaamheden verricht in haar vrije tijd en tijdens de weekeinden”; „alleen eigen initiatief wanneer het erom gaat nieuwe talen te leren; in alle opzichten een outsider”.
Vanaf juni 1979 was verzoekster, volgens haar eigen zeggen, „gedwongen haar vertaalwerk meer en meer te laten schieten om onbelangrijke secretariaatswerkzaamheden te verrichten”.
Vanaf 6 juni 1979 was zij wegens ziekte afwezig. Op 7 januari 1980 meldde zij zich, onder voorbehoud van „al haar verworven rechten”, weer op haar werk. Op 8 januari 1980 was zij wederom wegens ziekte afwezig, hoewel haar op 3 december 1979 was aangeboden haar bij de bibliotheek te detacheren, waar zij spoedvertaalwerk zou kunnen verrichten, zij het slechts voor de helft van de tijd.
Op 18 april 1980 diende verzoekster een klacht in, die op 28 juli daaropvolgende werd afgewezen.
II — Ontvankelijkheid
Mijns inziens is ernstige twijfel op zijn plaats met betrekking tot de ontvankelijkheid van het op 28 oktober 1980 ingeschreven beroep, hetzij wegens het feit dat de klacht van 18 april 1980 tardief was, hetzij op grond van het zuiver bevestigende karakter van het besluit tot afwijzing van deze klacht op 28 juni 1980, ook al wordt in dit besluit zelf niet op de tardiviteit van de klacht gewezen.
De advocaat van verzoekster heeft dit ongetwijfeld zelf beseft, want in zijn op 19 januari 1981 ingeschreven repliek komt hij met nieuwe conclusies, strekkende tot vaststelling van een verzuim van de Commissie en tot verkrijging van schadevergoeding. Maar deze nieuwe conclusies lijken mij op hun beurt niet-ontvankelijk, althans wat het eerste punt ervan betreft.
Daarenboven voert de Commissie aan, dat verzoekster geen werkelijk belang heeft, aangezien de invaliditeitscommissie, waaraan haar geval inmiddels is voorgelegd, zich binnenkort zal uitspreken over verzoeksters geschiktheid voor de met haar categorie overeenkomende taken. Zij concludeert dan ook tot opschorting van de behandeling totdat genoemd orgaan advies zal hebben uitgebracht.
Het hoofd van de afdeling „individuele rechten en voorrechten” heeft verzoekster op 22 september 1980 inderdaad verzocht hem zo spoedig mogelijk de naam op te geven van de arts die haar in de ¡nvaliditeitscommissie zal vertegenwoordigen. Op 27 november 1980 heeft hij dit verzoek herhaald en verzoekster gewaarschuwd dat, als hij vóór 15 december 1980 geen antwoord zou hebben ontvangen, hij de president van het Hof zou vragen ambtshalve een arts te benoemen, overeenkomstig artikel 7 van bijlage II bij het Statuut. Ter zitting is ons meegedeeld dat deze aanwijzing heeft plaatsgevonden en dat de commissie de dag tevoren, op 3 juni 1981, was bijeengekomen.
Het verzoek van de Commissie om de behandeling op te schorten, behoeft dus niet te worden ingewilligd; het lijkt mij integendeel logisch dat de ¡nvaliditeitscommissie haar werkzaamheden opschort om niet op het arrest vooruit te lopen.
III — Ten gronde
Het is niet nodig lang stil te staan bij de vragen inzake ontvankelijkheid en procesbelang, want ik meen dat beide groepen vorderingen ongegrond zijn.
1.
Vaststaat dat de omschrijving van de werkzaamheden en bevoegdheden, welker uitoefening van verzoekster wordt verlangd, overeenkomt met de standaardfunctie en de benaming van de loopbaan C 2/C 3. Verzoekster ontvangt trouwens, in ieder geval sinds 1973, de vaste vergoeding bedoeld in artikel 4 bis van bijlage VII bij het Statuut (in de versie van verordening nr. 914/78 van 3 mei 1978), die enkel wordt toegekend voor werkzaamheden als secretaressestenotypiste en typiste; in geval van functiewijziging zou deze vergoeding moeten vervallen.
Het „verband tussen standaardfuncties en loopbanen in elk der categorieën en in de groep voor de talendienst, als bedoeld in artikel 5, lid 4, van het Statuut” (bijlage I bij het Statuut) en de door iedere instelling vastgestelde omschrijving van de werkzaamheden en bevoegdheden die aan iedere standaardfunctie zijn verbonden, zijn niet alleen bedoeld om de administratie in staat te stellen van een ambtenaar de prestaties te eisen die met zijn indeling en zijn functieomschrijving overeenkomen, maar ook om de ambtenaren tegen onredelijke eisen van de administratie te beschermen (arrest van 12 juli 1973, Tontodonati, Jurispr. 1973, blz. 785, r.o. 8: „de administratie... [mag] van een ambtenaar niet verlangen dat hij zich belast met werkzaamheden van een boven zijn rang gelegen niveau.”) Behalve bij tewerkstelling ad interim, kan men een ambtenaar niet vragen een ambt te vervullen dat bij een hogere loopbaan van zijn categorie of groep behoort dan waarin hij is geplaatst (artikel 7, lid 2, van het Statuut). Hooguit kan het feit dat een ambtenaar werkzaamheden aanvaardt op een niveau boven zijn rang, een factor zijn die bij bevordering in aanmerking moet worden genomen, maar het verleent hem geen enkel recht op herindeling (arrest van 19 maart 1975, Van Reenen, Jurispr. 1975, blz. 454, r.o. 6; arrest van 11 mei 1978, de Roubaix, Jurispr. 1978, blz. 1089, r.o. 17).
Buiten het geval van een interim, kan een ambtenaar alleen via een bevordering (al dan niet na vergelijkend onderzoek) regelmatig met werkzaamheden van een hoger niveau worden belast.
Volgens het dossier heeft verzoekster zich in 1975 aangemeld voor een vergelijkend onderzoek op basis van schriftelijke bewijsstukken en van een examen, dat georganiseerd was voor de vorming van een reserve van adjunct-vertalers in de rangen A 7/A 8. Zij werd echter niet toegelaten, op grond dat zij niet over de vereiste bewijsstukken (diploma's of ervaring) beschikte; tegen die beslissing is zij toen niet opgekomen.
In haar brief van 22 april 1980 verklaart verzoekster overigens zelf, dat zij geenszins betwist dat zij tot categorie C behoort, en dat zij geen rechten wil opeisen die verbonden zijn aan de functie van vertalers die op regelmatige wijze in groep LA zijn ingedeeld.
Gezien de bijzonder lovende beoordelingen in haar beoordelingsrapporten over de tijdvakken 1969/1971, 1971/1973, 1973/1975 en 1975/1977, kan men zich er slechts over verbazen dat verzoekster weliswaar regelmatig van post heeft gewisseld doch nooit heeft meegedaan met een vergelijkend onderzoek voor een post overeenkomend met de nieuwe, tot categorie Β behorende standaardfuncties van secretariaatsassistent en adjunct-secretariaatsassistent, die bij verordening nr. 1473/72 van de Raad van 30 juni 1972 waren ingesteld, juist om bepaalde groepen ambtenaren die in C-rangen geblokkeerd waren of geblokkeerd dreigden te raken, de mogelijkheid te bieden om tot de B-rangen door te dringen.
Hoe dit ook zij, ik kan alleen maar vaststellen dat artikel 24 van het Statuut nergens de rechten toekent waarvan verzoekster thans de erkenning door het Hof verlangt. Dat zij zich zelf als vertaaister heeft geschoold en dat de functie van vertaler, die zij tot volle tevredenheid van haar hiërarchische meerderen de facto uitoefent, beantwoordt aan een groeiende behoefte van de dienst, kan haar geen onaantastbaar recht geven op het behoud van die gespecialiseerde functie.
2.
Artikel 24, derde en vierde alinea, van het Statuut, bepaalt dat de Gemeenschappen
„... de bij en nascholing van de ambtenaar vergemakkelijken voor zover dit verenigbaar is met de eisen van een goede werking der diensten in overeenstemming met haar eigen belangen.
Voor de verdere loopbaan wordt ook met deze bij- en nascholing rekening gehouden”.
Aangenomen dat de „verplichting tot bijstand” (artikel 24), waarvan verzoekster in repliek stelt dat deze niet is nagekomen, de draagwijdte heeft die zij eraan toekent, dan meen ik dat de administratie hieraan heeft voldaan voor zover haar eigen belangen dit toelieten.
In zijn attest van 22 oktober 1979 verklaarde de behandelend arts van verzoekster, dat „zij in staat is haar werkzaamheden te hervatten indien het werk dat men haar aanbiedt, met haar capaciteiten overeenkomt. Is dit niet het geval, dan valt een medisch-psychologische terugval te vrezen”. Op 2 januari 1980, verklaarde hij nogmaals dat „enkel de functie van vertaalster mogelijk niet nadelig zou zijn voor de stabilisering van haar medisch-psychologisch evenwicht”.
De Commissie lijkt deze aanbeveling te hebben gevolgd, toen zij verzoekster in november 1979 via de wetenschappelijke assistent van het directoraat-generaal deed weten, dat zij de helft van de normale werktijd aan bibliotheekwerk zou moeten besteden en de andere helft aan spoedvertalingen. De Commissie heeft overtuigend uiteengezet, dat het niet verenigbaar is met de goede werking der diensten indien verzoekster meer dan de helft van haar tijd met vertaalwerk zou vullen. Als men aan het verband tussen standaardfuncties en loopbanen niet elke betekenis wil ontnemen, lijkt het trouwens ook niet mogelijk verder te gaan en verzoekster, evenals in het verleden, uitsluitend met vertaalwerk te belasten.
3.
Volgens verzoeksters advocaat vormen „binnen iedere categorie de arbeidsomstandigheden, specialisaties en prerogatieven die de ambtenaar heeft verworven, een zo onbetwistbaar recht, dat elke eenzijdig door het gezag opgelegde wijziging in deze omstandigheden, specialisaties en prerogatieven, die deze beperkt of de uitvoering ervan bemoeilijkt, een onrechtmatige handeling oplevert”.
Deze stelling mist mijns inziens elke grond: verzoekster had binnen haar categorie geen enkel voorrecht verworven; als men van verzoekster eist dat zij de met haar functie overeenkomende werkzaamheden hervat — met de bijzondere regeling die haar tenslotte is voorgesteld —, is er geen sprake van een „eenzijdige” handeling die de Commissie schadeplichtig zou kunnen maken.
Ik veroorloof mij nog de opmerking, dat, in de lijn van het beleid waarvoor de Commissie kennelijk heeft gekozen toen zij besloot een „medisch-sociale sector” in het leven te roepen, verzoeksters geval eerder tot de competentie van die sector lijkt te behoren, dan tot die van de inva-Iiditeitscommissie. De Commissie lijkt
een stap in die richting te hebben gedaan door verzoekster voor te stellen de helft van haar tijd aan vertaalwerk te besteden; zij zou deze kans moeten aangrijpen voordat de invaliditeitscommissie over haar geval beslist.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van beide partijen in hun eigen kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy