CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 9 JULI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Op 11 maart 1980 verklaarde het Hof zich in zaak 104/79 (Foglia, Jurispr. 1980, blz. 745) onbevoegd om uitspraak te doen over de door Pretore te Bra krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gestelde vragen, die in een voor die rechter aanhangig geding waren gerezen. De verzoeker in dat geding, een Italiaanse wijnhandelaar, had van de verweerder een bedrag gevorderd dat de laatste weigerde te betalen en dat overeenkwam met de belasting over een partij Italiaanse likeurwijn die verzoeker aan verweerder had verkocht voor levering aan een derde persoon in Frankrijk. Die belasting was door de Franse douane ingevorderd en betaald door de door verzoeker ingehuurde expediteur. De feiten van de zaak zijn uiteengezet in het feitelijke deel van voornoemd arrest en het lijkt mij weinig zinvol er hier nog eens op in te gaan. Het Hof verklaarde zich onbevoegd omdat, als ik het goed begrijp, het ervan overtuigd was dat tussen partijen geen werkelijk geschil betreffende het gemeenschapsrecht bestond. Het geding voor de Italiaanse rechter, en misschien zelfs de gehele transactie, waren geconstrueerd met de bedoeling een uitspraak te verkrijgen over een aangelegenheid waarover partijen het eens waren. Aangezien tussen hen geen geschil bestond, was het Hof verplicht noch bevoegd daarover uitspraak te doen. De Pretore heeft nu vijf nieuwe vragen gesteld, vier ervan met de bedoeling nader te worden voorgelicht over werking en strekking van 's Hofs uitspraak, terwijl de laatste vraag een verzoek inhoudt om aanwijzingen met betrekking tot de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag op de feiten van de onderhavige zaak.
Tegen de onderhavige verwijzingsbeschikking werpt de Franse regering al aanstonds het bezwaar op, dat het Hof zich reeds onbevoegd heeft verklaard en dat de zaak niet kan worden heropend. Ik acht dit bezwaar niet gegrond. Al in zaak 29/68 (Milch-, Fett- und Eier-Kontor, Jurispr. 1969, blz. 165) overwoog het Hof dat de nationale rechterlijke instanties vragen kunnen stellen om meer klaarheid te verkrijgen over antwoorden op eerder gestelde vragen. De eerste vier vragen van de onderhavige verwijzingsbeschikking kunnen in dat licht worden bezien. Mij dunkt bovendien dat wanneer eerder is gevraagd vragen te beantwoorden op grond van onvolledige informatie, of wanneer zich relevante wijzigingen in de omstandigheden hebben voorgedaan, waardoor de eerder gegeven antwoorden niet meer toepasselijk zijn, het Hof nieuwe vragen ook over hetzelfde punt kan accepteren indien de zaak zich daartoe leent. Thans heeft de Pretore, gelijk hijzelf beklemtoont, meer toelichtingen verstrekt, en het lijkt mij daarom duidelijk dat het Hof mag onderzoeken of dit voldoende is om op de gestelde vragen, inzonderheid de vijfde, in te gaan.
In de eerste vraag wordt in algemene termen het probleem gesteld van de respectieve bevoegdheden van het Hof van Justitie en de nationale rechter met betrekking tot verwijzingen krachtens artikel 177; met name wordt daarin gevraagd welke hun respectieve bevoegdheden zijn, „gelet op de door de respectieve nationale rechtsorden aan de nationale rechterlijke instanties toegekende bevoegdheden, met betrekking tot de beoordeling van alle omstandigheden, feitelijk en rechtens, waardoor het bodemgeschil wordt gekenmerkt, en van alle daar opgeworpen vragen, vooral wanneer in het bodemgeschil om een declarator vonnis wordt verzocht.” Deze vraag vloeit kennelijk voort uit hetgeen voor de Pretore is gesteld, namelijk dat het Hof zich in zijn arrest de bevoegdheid heeft aangemeten uitspraak te doen over feitelijke vragen en te oordelen over de subjectieve bedoelingen en opstelling van partijen.
Krachtens artikel 177 is het Hof bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van het EEG-Verdrag en de uitlegging of geldigheid van bepaalde handelingen en statuten. Het artikel vervolgt dan: „Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag uitspraak te doen.”
Het Hof heeft deze bepaling, dunkt mij, zo opgevat, dat zij een vorm van samenwerking of dialoog instelt tussen het Hof zelf en de nationale rechter, waarbij elk een verschillende taak heeft. Enerzijds is het een zaak van gemeenschapsrecht, waarover uiteindelijk dus het Hof heeft te beslissen, of een gestelde vraag binnen de in de eerste alinea van artikel 177 genoemde categorieën valt — zaken 105/79 en 68/80, verzoeken om een prejudiciële beslissing van de rechter belast met de rechtspraak in het Tribunal d'Instance te Hayange (Jurispr. 1979, biz. 2257, en 1980, biz. 771), en zaak 175/68 R (Saunders, Jurispr. 1979, biz. 1129) —; of de instantie waar de gestelde vraag is gerezen, als een „rechterlijke instantie” is te beschouwen — zaak 61/65, (Vaasen, Jurispr. 1966, blz. 261), zaak 17/76 (Brack, Jurispr. 1976, blz. 1429). en zaak 65/77 (Razanatsimba, Jurispr. 1977, blz. 2229) —, en wanneer een vraag wordt geacht te zijn gerezen. Anderzijds heeft het Hof meermaals verklaard dat het in wezen de nationale rechterlijke instantie is die de feiten heeft vast te stellen; het staat ook aan deze instantie en niet aan het Hof om te beoordelen of het antwoord op een voor haar gerezen vraag noodzakelijk is voor het wijzen van haar vonnis. Het Hof verdiept zich niet in de redenen die tot de vraagstelling hebben geleid, noch in de relevantie van de vragen voor de betrokken zaak (zaak 26/62, Van Gend en Loos, Jurispr. 1963, blz. 1, op blz. 15; zaak 13/67, Becher, Jurispr. 1968, blz. 187, op blz, 197; en zaak 117/77, Algemeen Ziekenfonds Drenthe Platteland, Jurispr. 1978, blz. 825, op blz. 834-35); deze aspecten staan ter beoordeling van de nationale rechter.
De nationale rechter moet er evenwel van overtuigd zijn dat een dergelijke vraag zich voordoet en dat een antwoord noodzakelijk is. Wanneer het voor het Hof niet duidelijk is dat de rechter overwogen heeft of een antwoord op de vraag noodzakelijk is om in de betrokken zaak uitspraak te kunnen doen, of wanneer al aanstonds blijkt dat de rechter enkel heeft gemeend dat een antwoord op de vraag wellicht nuttig zou zijn, doch niet noodzakelijk voor het wijzen van zijn vonnis, dan meen ik dat het Hof mag weigeren de vragen te behandelen. Vanzelfsprekend zal het Hof slechts in uitzonderlijke gevallen tot de vaststelling komen dat de nationale rechter in dit opzicht te kort is geschoten. In de zaken 13/68 (Salgoil, Jurispr. 1968, blz. 453, op blz. 459) en 5/77 (Tedeschi, Jurispr. 1977, blz. 1555, op blz. 1574) overwoog het Hof, dat „wanneer een nationale rechterlijke instantie om uitlegging van een gemeenschapsvoorschrift vraagt, moet worden aangenomen dat zij deze interpretatie voor de berechting van het geschil noodzakelijk acht.” Toch kunnen zich bij uitzondering gevallen voordoen, waarin uit de verwijzingsbeschikking of uit de processtukken blijkt, dat de nationale rechter heeft nagelaten de zaak te toetsen aan het criterium voor toepassing van artikel 177. Er kunnen omstandigheden zijn waarin het Hof kan weigeren vragen te onderzoeken die kennelijk misbruik van de procedure voor het Hof zouden opleveren, of waarin het Hof het noodzakelijk zou oordelen de vragen voor nadere toelichting terug te verwijzen naar de nationale rechter, of nog, gelijk tijdens de mondelinge behandeling werd geopperd, waarin het Hof meent dat de zaak terug moet worden verwezen naar de nationale rechter opdat deze, in het licht van de opmerkingen van het Hof, nagaat of de prejudiciële verwijzing inderdaad noodzakelijk was.
Kernvraag in de onderhavige zaak is mijns inziens, of de nationale rechter ervan overtuigd is dat een vraag van gemeenschapsrecht in de zin van artikel 177 moet worden beantwoord teneinde hem in staat te stellen zijn vonnis te wijzen.
In sommige rechtsorden is het kennelijk mogelijk dat de rechter vonnis wijst in de zin van een tussen partijen tot stand gekomen schikking, bijvoorbeeld wanneer betaling wordt gevorderd van een schuld die niet wordt betwist. De rechter kan zich in een dergelijk geval baseren op de overeenstemming tussen partijen, zonder dat hijzelf bepaalde rechtsvragen behoeft te beantwoorden. Anderzijds kan het gebeuren dat hij, ongeacht de houding van partijen, zich moet overtuigen van wat rechtens behoort te zijn.
Wanneer in een zaak voor een nationale rechter een vraag van gemeenschapsrecht in de zin van artikel 177 rijst, doch de rechter de zaak kan berechten zonder die vraag te beantwoorden, dient hij ze mijns inziens niet naar het Hof te verwijzen, ook niet wanneer partijen dat zouden wensen. De keuze en de beslissing staan aan hem en niet aan de partijen. Is de nationale rechter van oordeel dat een antwoord op een dergelijke vraag noodzakelijk is voor het wijzen van zijn vonnis, dan is hij mijns inziens bevoegd deze vraag krachtens artikel 177 te verwijzen, waarbij het er niet toe doet of partijen hetzelfde standpunt innemen ten aanzien van dat punt van gemeenschapsrecht. Waar het op aankomt, is niet of partijen het eens zijn, doch of de rechter meent dat een antwoord op de vraag noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen. In een zaak waarin om een declaratoir vonnis wordt verzocht en die duidelijk en rechtstreeks een rechtsvraag in de zin van artikel 177 doet rijzen, is de rechter bevoegd deze vraag te verwijzen, ongeacht de houding van partijen. Behalve in het weinig waarschijnlijke geval dat de rechter gebonden is aan de overeenstemmende standpunten van partijen met betrekking tot het recht (zodat ter beslechting van de zaak hierover geen beslissing zijnerzijds noodzakelijk is), dient de rechter elke gerezen rechtsvraag die relevant is voor de beslissing in de zaak, op te lossen. Betreft die vraag een van de in de eerste alinea van artikel 177 genoemde rechtsbronnen, dan kan de rechter ze aan het Hof voorleggen.
Gelijk de Pretore bereidwillig erkent, was de voor hem aanhangige zaak in de eerste verwijzingsbeschikking wel erg summier weergegeven. Hij heeft thans de eerder aan het Hof meegedeelde gegevens aangevuld. De casuspositie, zoals ik die nu zie, is als volgt: verzoeker vordert een geldsom, doch acht het niet noodzakelijk daartoe een beroep te doen op het gemeenschapsrecht. Verweerder betwist de vordering onder verwijzing naar zijn overeenkomst met verzoeker, waarbij aansprakelijkheid voor betalingen die niet rechtens kunnen worden verlangd, wordt uitgesloten. De belastingen, zo zegt verweerder, waren niet verschuldigd wegens onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht. Verweerder wijst de vordering af en vordert zelf een verklaring voor recht in die zin. De rechter is tot de slotsom gekomen dat een vraag van gemeenschapsrecht moet worden beantwoord om hen in staat te stellen uitspraak te doen op de vordering en op de tegenvordering. Zo gezien is hij mijns inziens, onder voorbehoud van de nog te behandelen punten, bevoegd overeenkomstig artikel 177 een vraag naar het Hof te verwijzen. Hieraan staat mijns inziens niet in de weg het feit dat in de zaak niet is betwist — bijvoorbeeld door de expediteur Danzas — dat de door de Franse douane geheven belasting onwettig was.
De tweede vraag van de Pretore luidt als volgt:
„Kan de verwijzende rechter die op grond van zijn nationale recht hoe dan ook recht moet doen aan partijen, in het geval dat het Hof van Justitie zich in de loop van een prejudiciële procedure om welke reden dan ook onbevoegd verklaart uitspraak te doen over de voorgelegde vragen, eveneens overgaan tot interpretatie van het gemeenschapsrecht, en zo ja binnen welke grenzen en volgens welke criteria, of dient hij daarentegen uitsluitend een beslissing te nemen aan de hand van het nationale recht?”
Indien het Hof beslist dat de door de nationale rechter geformuleerde vraag geen betrekking heeft op de uitlegging van het EEG-Verdrag of op de geldigheid of uitlegging van afgeleide wetgeving (en dus niet onder artikel 177 valt), zal de nationale rechter deze conclusie moeten aanvaarden en de zaak aan de hand van zijn nationale recht moeten beslissen. Verklaart het Hof zich onbevoegd de vraag te beantwoorden op grond dat niet voldoende vaststaat dat de nationale rechter heeft onderzocht of een antwoord op de vraag noodzakelijk is voor het wijzen van zijn vonnis, dan zal de nationale rechter zich nader hierop moeten bezinnen. Komt hij tot de conclusie dat een antwoord op de vraag noodzakelijk is, dan kan hij de zaak stellig opnieuw naar het Hof verwijzen, doch dient hij, gelijk in de onderhavige zaak, het Hof voldoende gegevens te verstrekken teneinde ten genoegen van het Hof aan te tonen dat hij zich wel degelijk op het werkelijke probleem heeft bezonnen.
De derde vraag van de Pretore luidt als volgt:
„Bestaat in het kader van de uitleggingsmaatstaven van artikel 177 EEG-Verdrag in de communautaire rechtsorde een algemeen beginsel, volgens hetwelk de nationale rechter — voor wie een geschil aanhangig is waarin vragen rijzen inzake de uitlegging van gemeenschapsrecht, die ook nationale regelingen raken welke eventueel tot een andere rechtsorde behoren dan die van de aangezochte rechter — verplicht of bevoegd is vóór de prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat in het geding te roepen?”
Ik geloof niet dat er een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht bestaat, inhoudende dat de autoriteiten van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling voor een rechterlijke instantie van een andere Lid-Staat wordt onderzocht, in het geding kunnen of moeten worden geroepen. Wel bestaat er wellicht in het recht van alle Lid-Staten een algemeen beginsel, dat de nationale rechter de handelingen van een vreemde staat, althans waar deze in de uitoefening van soevereine bevoegdheid zijn verricht, niet mag toetsen (zie Rousseau, Droit International Public, 1980, vol. IV, biz. 14-15; O'Connell, International Law, 1970, vol. II, biz. 847). Ik acht het evenwel niet nodig dat het Hof zich in de onderhavige zaak hierover uitspreekt, want ook als een dergelijk beginsel niet zou bestaan, zou aan de hand van het nationale recht moeten worden uitgemaakt of een andere Lid-Staat in het geding kan worden geroepen, en of een Lid-Staat zich met een beroep op immuniteit van jurisdictie daartegen kan verzetten. Anders dan bij een rechtstreeks beroep overeenkomstig artikel 169 is het in de verwijzingsprocedure van artikel 177 niet mogelijk een Lid-Staat met dat doel als partij in het geding te roepen, als heeft hij wel de mogelijkheid te interveniëren. A fortiori kan er geen gemeenschapsvoorschrift bestaan krachtens hetwelk een Lid-Staat in een nationale procedure in het geding kan of moet worden geroepen alvorens een verwijzingsbeschikking wordt gegeven. Bovendien kent artikel 177 op zich noch het Hof noch de nationale rechter de bevoegdheid toe, de geldigheid van nationaal recht van een Lid-Staat te toetsen.
Gelijk het Hof overwoog in zaak 20/64 (Albatros, Jurispn 1965, XI-3, blz. 2), kan het „blijkens deze bepaling — en zulks in tegenstelling tot zijn bevoegdheid bij een beroep ex de artikelen 169 en 170 — het Verdrag niet op een bepaald geval toepassen, noch ook de geldigheid van een maatregel van intern recht daaraan toetsen.” De taak van het Hof bestaat in dergelijke gevallen enkel erin, de in de eerste alinea van artikel 177 genoemde rechtsbronnen uit te leggen.
De vierde vraag van de Pretore luidt als volgt:
„Althans worden, telkens wanneer voor of door een nationale rechter in een privaatrechtelijk geschil een uitleggingsvraag wordt opgeworpen die rechtstreeks subjectieve situaties van burgers of van handelaren van een Lid-Staat raakt, deze subjectieve situaties van materieel gemeenschapsrecht anders, dat wil zeggen minder beschermd, dan wanneer de administratie van de Lid-Staten waarvan de rechtsvoorschriften het voorwerp van uitleggingsvragen in verband met hun verenigbaarheid met het EEG-Verdrag vormen, hetzij voor de nationale rechter hetzij voor het Hof van Justitie van de EEG vertegenwoordigd wordt en partij is in het geschil?”
De werkelijke bedoeling van deze vraag is mij niet geheel duidelijk en ik vraag mij af of zij wel binnen de werkingssfeer van artikel 177 valt. Wanneer ik ze het voordeel van de twijfel geef, dan acht ik het niet uitgesloten dat hierin het reeds tijdens de vorige prejudiciële procedure behandelde probleem wordt opgeworpen, of een particulier een tegen hem ingestelde vordering kan betwisten op grond dat deze vordering enkel voortvloeit uit een met het EEG-Verdrag onverenigbare bepaling van een andere Lid-Staat dan die waar het geding is ingeleid, en die geen partij is bij het geschil. Afgezien van overwegingen van openbare orde, die aan toepassing van het recht van een andere Lid-Staat in de weg kunnen staan, meen ik dat wanneer een dergelijk probleem rijst, dit een oplossing dient te krijgen ongeacht of de Lid-Staat wiens wetgeving wordt betwist, partij is of anderzins in het geding is vertegenwoordigd. Het is voor nationale rechterlijke instanties niet ongewoon om problemen van vreemd recht op te lossen, die geen verband houden met het gemeenschapsrecht. Dergelijke problemen zullen des te eerder kunnen rijzen in handelszaken waarin de verenigbaarheid van de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat met het gemeenschapsrecht moet worden beoordeeld. Er kunnen zich taalproblemen voordoen en moeilijkheden in verband met het voordragen van het standpunt van de Lid-Staat, doch deze moeilijkheden behoeven mijns inziens niet te beletten dat een rechterlijke instantie van een andere Lid-Staat over dergelijke zaken uitspraak doet, inzonderheid wanneer deze uitspraak slechts partijen en niet de betrokken Lid-Staat bindt. Er kunnen passende procedures bestaan om de betrokken Lid-Staat in staat te stellen zijn standpunt uiteen te zetten, waardoor het risico van onbewust onjuiste belissingen wordt verminderd. Indien de zaak krachtens artikel 177 naar het Hof wordt verwezen, heeft de Lid-Staat de mogelijkheid te interveniëren. Daardoor komt hij weliswaar niet in dezelfde positie als een partij voor de nationale rechter, doch het Hof kan zich daardoor op de hoogte stellen van de opvatting van betrokken Lid-Staat.
Met zijn vijfde vraag wenst de Pretore te vernemen, of artikel 95 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het verbod van binnenlandse belastingen die verschillen naar gelang de oorsprong en de herkomst van een produkt, mede gevallen omvat als dat van de Franse fiscale regeling voor likeurwijnen, die gedetailleerd is beschreven in de eerste zaak-Foglia. Om de eerder genoemde redenen is het Hof van Justitie in een verwijzingsprocedure krachtens artikel 177 — anders dan in beroepen ingesteld krachtens artikel 169 — niet bevoegd uitspraak te doen over de geldigheid van een bepaling van nationaal recht. „Het staat den Hove echter wel vrij uit de bewoordingen van zodanig verzoek de vragen af te leiden welke een prejudiciële interpretatie van het Verdrag behoeven” (arrest-Albatros, reeds aangehaald). De vijfde vraag van de Pretore te Bra moet dan ook blijkbaar aldus worden uitgelegd, dat daarin wordt gevraagd of artikel 95 EEG-Verdrag, juist uitgelegd, de Lid-Staten verbiedt likeurwijn met fiscale oogmerken in te delen volgens criteria berustende op de objectieve kenmerken van het produkt of op benamingen van oorsprong, die tot gevolg hebben dat uit een andere Lid-Staat geïmporteerde produkten worden ingedeeld in een categorie waarvoor een hogere belasting geldt dan die welke over een binnenlands produkt wordt geheven.
Wat de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag betreft, staat inmiddels wel vast dat een verschil in behandeling tussen een binnenlands en een ingevoerd produkt niet uitdrukkelijk op de herkomst behoeft te berusten. De nationale rechter dient in dit verband veeleer acht te slaan op de materiële dan op de formele kant van de zaak. Het beslissend criterium is de daadwerkelijke invloed van elke belasting op de nationale produktie enerzijds en op de ingevoerde produkten anderzijds (zaak 75/79, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1980, blz. 481, r.o. 8). Zo kan een met fiscale oogmerken gemaakt onderscheid tussen produkten met verschillende fysische eigenschappen toch een inbreuk vormen op artikel 95, wanneer dat feitelijk tot gevolg heeft dat de nationale produkten worden bevoordeeld.
Wil artikel 95 van toepassing zijn, dan moet komen vast te staan dat de belasting op ingevoerde produkten hoger is dan die op „gelijksoortige binnenlandse produkten”, of dat door de op ingevoerde produkten gelegde belasting „andere produkties zijdelings worden beschermd.” Produkten zijn gelijksoortig in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag wanneer zij „uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen.” Als maatstaf geldt mitsdien niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik (zaak 168/78, Commissie t. Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 347, r.o. 5). Een belasting moet worden geacht andere produkten zijdelings te beschermen in de zin van artikel 95, tweede alinea, wanneer deze produkten ook maar gedeeltelijk, indirect of potentieel concurreren met bepaalde produkten van het invoerende land, die daar lager of op een voordeliger grondslag worden belast (zaak 27/67, Fink Frucht GmbH, Jurispr. 1968, blz. 315).
Of twee produkten vanuit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen, en of zij met elkaar in concurrentie staan, zijn in wezen feitelijke vragen die door de nationale rechterlijke instantie waarvoor de zaak aanhangig is gemaakt, moeten worden beantwoord. Voor het antwoord op de eerste van deze vragen lijkt het mij niet beslissend dat het ingevoerde en het binnenlandse produkt beide vallen onder een gemeenschappelijke definitie in een verordening van de Raad betreffende een gemeenschappelijke marktordening, gelijk verordening nr. 337/79 van 5 februari 1979 (PB L 54 van 1979, blz. 1, bijlage II), of in het gemeenschappelijk douanetarief (zie bijvoorbeeld post 22.05 C, PB L 335 van 1979, blz. 105). De criteria die de wetgever aanlegt bij het opstellen van een twee of meer produkten omvattende definitie kunnen doch moeten niet per se overeenkomen met de criteria die de rechter heeft toe te passen om na te gaan of deze produkten „gelijksoortig” zijn, en of zij „met elkaar in concurrentie staan.” In voornoemde zaak 27/67 overwoog het Hof dat „van gelijksoortigheid in de zin van artikel 95, eerste alinea, sprake is, wanneer de betrokken produkten normaliter kunnen worden geacht voor de toepassing van het belasting- of het douanerecht, casu quo in statistisch opzicht, tot één groep te behoren.” Het Hof had daarbij evenwel het oog op de indeling in de betwiste nationale wet en niet op de indeling in het gemeenschapsrecht, die was aangevoerd tot staving van de gelijksoortigheid van het ingevoerde en het nationale produkt.
In de onderhavige zaak kan het noodzakelijk zijn afzonderlijk te onderzoeken of een ingevoerd produkt, dat is ingedeeld als een likeurwijn zonder benaming van oorsprong, gelijksoortig is aan of concurrent met een likeurwijn met benaming van oorsprong of met een „vin doux naturel”. Het is denkbaar dat het antwoord in elk van deze twee gevallen anders zou zijn, gelet ophet feit dat de Franse regering in de eerste zaak-Foglia onderscheid maakte tussen de twee soorten likeurwijn. Volgens haar was de lagere belasting voor likeurwijn met benaming van oorsprong gerechtvaardigd door het streven eerlijke mededingingsvoorwaarden in stand te houden tussen produkten waarvoor zeer weinig voorschriften golden, en die waarop stringente produktie-eisen van toepassing waren. Verder wenste de Franse regering te onderscheiden tussen „vins doux naturels” en andere wijnsoorten, omdat eerstgenoemde worden vervaardigd uit wijnen met een zeer beperkte opbrengst per hectare, en mitsdien verschillen van massaprodukten. Zou de nationale rechter tot de slotsom komen, dat het binnenlandse en het ingevoerde produkt „gelijksoortig” zijn of met elkaar „in concurrentie” staan, dan moet nog worden onderzocht of het gemeenschapsrecht een verschillende fiscale behandeling toestaat.
In zaak 148/77 (Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1778) overwoog het Hof
„dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht en zolang de betrokken bepalingen niet zijn eengemaakt of geharmoniseerd, het de Lid-Staten niet verboden is aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingsvoordelen in de vorm van een ontheffing of vermindering van rechten toe te kennen” (r.o. 16).
Nog afgezien van in de gemeenschappelijke marktordening van verordening nr. 337/79 geïmpliceerde beperkingen van de fiscale bevoegdheden van de Lid-Staten — zoals aan de orde waren in het arrest van 10 maart 1981 (gevoegde zaken 36 en 71/80, Irish Creamery and Milk Suppliers' Association) —, zij hier herinnerd aan het vereiste dat door het Hof zelf in voornoemde zaak 148/77 is geformuleerd: „Zulke begunstigingsregelingen moeten zich naar de eisen van artikel 95 zonder onderscheid tot [produkten] uit andere Lid-Staten uitstrekken.”
Een begunstigingsregeling die van toepassing is op produkten uit welomschreven geografische gebieden, waaronder evenwel geen enkel in een andere Lid-Staat gelegen gebied, kan niet worden geacht aan dit criterium te voldoen.
Het staat aan de nationale rechter deze vragen te beantwoorden op basis van de hiervoor genoemde arresten en van het arrest van 27 mei 1981 (gevoegde zaken 142 en 143/80, Essevi en Salengo).
Concluderende ben ik van mening dat de vragen van de Pretore te Bra moeten worden beantwoord als volgt:
1.
Bij toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag dient de nationale rechterlijke instantie, alvorens het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken, te onderzoeken of een antwoord op de te stellen vraag noodzakelijk is voor het wijzen van haar vonnis. Het Hof van Justitie kan weigeren een vraag van een nationale rechterlijke instantie te beantwoorden, wanneer uit de verwijzingsbeschikking niet blijkt dat die instantie zich behoorlijk op die noodzaak heeft bezonnen.
2.
Wanneer een rechterlijke instantie van een Lid-Staat uitspraak moet doen over een vraag als bedoeld in artikel 177, eerste alinea, EEG-Verdrag, kan die vraag naar het Hof van Justitie worden verwezen, mits de nationale rechter daarbij het bepaalde in de tweede alinea van dat artikel in aanmerking neemt.
3.
Krachtens het gemeenschapsrecht is een nationale rechterlijke instantie die bij de uitlegging van een punt van gemeenschapsrecht ook over de nationale bepalingen van een andere Lid-Staat heeft te oordelen, niet verplicht of gemachtigd de autoriteiten van die staat als partij in het geding te roepen.
4.
Vragen betreffende de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de wettelijke regeling van een Lid-Staat kunnen door de rechterlijke instanties van een andere Lid-Staat in een geding tussen particulieren worden beslist, ongeacht of laatstgenoemde Lid-Staat partij is in het geding.
5.
Artikel 95 EEG-Verdrag, juist uitgelegd, verbiedt de Lid-Staten met fiscale oogmerken een indeling van likeurwijn in te stellen, die tot gevolg heeft dat op ingevoerde wijn een hogere belasting wordt gelegd dan op binnenlandse, zelfs indien die indeling op de objectieve kenmerken van de produkten berust, wanneer de produkten uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen en zij ook maar gedeeltelijk, indirect of potentieel met elkaar concurreren.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy