CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 25 JUNI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President
mijne heren Rechters,
In de onderhavige prejudiciële zaak gaat het in hoofdzaak om de inhoud en de draagwijdte van artikel 2 van richtlijn nr. 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 167 van 1975 blz. 1). Deze bepaling luidt als volgt:
„Elke Lid-Staat erkent de door de overige Lid-Staten aan de onderdanen van de Lid-Staten overeenkomstig artikel 1 van richtlijn nr. 75/363/EEG afgegeven en in artikel 3 vermelde diploma's, certificaten en andere titels door daaraan, met betrekking tot de toegang tot de uitoefening van de werkzaamheden van arts, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels.”
Verzoeker in het hoofdgeding, de heer Broekmeulen, van Nederlandse nationaliteit, behaalde na zijn studie aan de Katholieke Universiteit te Leuven, België, op 30 juni 1979 het in artikel 3, sub b van bovenbedoelde richtlijn genoemde wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel-en verloskunde; dit geeft hem in België de bevoegdheid, de huisartsgeneeskunde uit te oefenen.
Overeenkomstig artikel 2 van de Nederlandse Wet regelende de uitoefening der geneeskunst werd hem bij besluit van de staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 18 september 1979 de bevoegdheid verleend, in Nederland de geneeskunst uit te oefenen. Op 19 oktober 1979 werd hij als arts beëdigd.
Bij brief van 14 november 1979 verzocht Broekmeulen om inschrijving in het register van erkende huisartsen. In dit verband wil ik erop wijzen dat in Nederland de inrichting van dit register, de voorwaarden voor inschrijving en de opleiding tot huisarts zijn geregeld in de statuten, het huishoudelijk reglement en de daarop gebaseerde besluiten van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst (hierna: de Maatschappij), een privaatrechtelijke vereniging.
Zonder bedoelde inschrijving is het in de praktijk onmogelijk, zich in Nederland als huisarts te vestigen. Volgens het Koninklijk besluit van 4 januari 1966 (het „Verstrekkingenbesluit”, Staatsblad 3), zoals gewijzigd bij Koninklijk besluit van 15 augustus 1973 (Staatsblad 428), dat de aan ziekenfondspatiënten toe te kennen verstrekkingen regelt, wordt namelijk onder „huisarts” verstaan „een arts, die is ingeschreven in het register van erkende huisartsen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst”. Voor niet-ingeschreven artsen is het daardoor onmogelijk een ziekenfondspraktijk uit te oefenen; bovendien echter wordt ook het uitoefenen van een particuliere praktijk voor alle artsen, ongeacht of zij al dan niet lid zijn van de Maatschappij, aanzienlijk bemoeilijkt, zo niet geheel onmogelijk gemaakt, daar ook een groot aantal particuliere verzekeraars in hun verzekeringspolissen het begrip huisarts in bovengenoemde zin omschrijven.
Met de inschrijvingen in het register is de Huisarts Registratie Commissie (hierna: de Registratiecommissie) belast. Deze wees Broekmeulens verzoek om inschrijving bij schrijven van 18 maart 1980 definitief af, nadat de Commissie van Uitvoering Huisartserkenning zich daarover reeds in negatieve zin had uitgelaten.
Volgens de Registratiecommissie kon verzoeker op grond van besluit nr. 1-1977 van het College voor Huisartsgeneeskunde niet in het betrokken register worden ingeschreven zolang hij de in besluit nr. 1-1974 van dat College voorgeschreven eenjarige opleiding tot huisarts niet had gevolgd.
De considerans alsmede artikel 1 van het destijds nog geldende besluit nr. 1-1977 luiden als volgt:
„Het College voor Huisartsgeneeskunde in vergadering bijeen op 21 januari 1977;
gezien de artikelen 2 tot en met 2c van de wet van 1 juni 1865, Stb. 60 (Wet uitoefening geneeskunst) en het Besluit van 27 augustus 1965, Stb 436 (Toelating buitenlandse artsen); gezien de inwerkingtreding op 20 december 1976 van de richtlijnen 75/362 en 75/363 van de Europese Gemeenschap inzake het vestigingsrecht van artsen binnen de Gemeenschap;
in aanmerking nemende enerzijds de wenselijkheid om tot enige algemene regeling te komen met betrekking tot de erkenning en registratie van artsen met niet-Nederlandse nationaliteit en kwalificaties, en anderzijds tot een regeling voor onderdanen van de Europese Gemeenschap, die in bezit zijn van één der krachtens de richtlijnen van de EG erkende diploma's van arts;
overwegende dat het, in afwachting van overeenstemming over de toepassing van genoemde richtlijnen op het stuk van de huisartsgeneeskunde, juist voorkomt navolgend besluit een beperkte geldigheidsduur te geven;
gehoord de Huisarts Registratie Commissie;
gelet op de artikelen 1107 en 1109 van het Huishoudelijk Reglement van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst;
heeft besloten
dat de inschrijving in het register van erkende huisartsen van artsen met buitenlandse diploma's, die de bevoegdheid hebben verkregen in Nederland de geneeskunst uit te oefenen, zal geschieden met inachtneming van de navolgende bepalingen:
Artikel 1
Onderdanen van de overige Lid-Staten der Europese Gemeenschap, die in het bezit zijn van één der krachtens de richtlijnen 75/362 en 75/363 EEG erkende diploma's van arts uit de overige Lid-Staten en die aan de Huisarts Registratie Commissie het wettig bewijs overleggen dat zij de bevoegdheid hebben verkregen in Nederland de geneeskunst uit te oefenen, worden op hun verzoek ingeschreven in het register van erkende huisartsen.”
Tegen de afwijzende beslissing van de Registratiecommissie heeft Broekmeulen bij brief van 10 juni 1980 binnen de gestelde termijn bij de volgens het huishoudelijk reglement bevoegde Commissie van Beroep Huisartsgeneeskunde (hierna: de Commissie van Beroep) beroep ingesteld.
Met een beroep op de considerans van bovengenoemd besluit heeft hij betoogd dat artikel 1 daarvan ook geldt voor Nederlanders die in een andere Lid-Staat van de EEG dan Nederland een artsdiploma hebben behaald. Met name voor het geval de Commissie van Beroep dit standpunt niet mocht aanvaarden, heeft hij subsidiair betoogd dat het besluit wegens strijd met de richtlijnen nrs. 75/362 en 75/363 niet op hem van toepassing is. Aan deze richtlijnen zou hij rechtstreeks het recht ontlenen, zijn inschrijving in het register van erkende huisartsen te vorderen, zonder in Nederland de eenjarige opleiding tot huisarts te hebben gevolgd. Tenslotte heeft hij gewezen op artikel 1119 van het huishoudelijk reglement van de Maatschappij, bepalende dat een arts die de opleiding tot huisarts niet heeft gevolgd, niettemin in het register kan worden ingeschreven indien hij naar het oordeel van de Registratiecommissie bijzondere theoretische kennis en bijzondere praktische bekwaamheid bezit. Aan deze voorwaarden zou hij voldoen.
De Commissie van Beroep, die evenals de Registratiecommissie van oordeel is dat de gevraagde inschrijving niet op grond van laatstgenoemde bepaling kan geschieden en dat de door verzoeker voorgestane uitlegging van artikel 1 van genoemd besluit evenmin aanvaardbaar is, heeft bij beslissing van 21 oktober 1980 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een uitspraak over de volgende vraag :
„Volgt uit de richtlijnen nrs. 75/362 en 75/363 (PB 167 van 1975) dat een Nederlander die in België het ‚wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel-en verloskunde’ heeft behaald en dienvolgens gerechtigd is in België praktijk uit te oefenen als huisarts, bij vestiging in Nederland recht heeft op inschrijving in het register van erkende huisartsen der Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst zonder voorafgaand in Nederland de opleiding voor huisarts te volgen? Bij deze vraagstelling wordt ervan uitgegaan dat krachtens algemeen geldende Nederlandse voorschriften de inschrijving in genoemd register eerst na het volgen van deze opleiding mogelijk is en dat in Nederland een arts eerst na inschrijving in dít register praktijk kan uitoefenen als huisarts.”
I — De ontvankelijkheid
Alvorens in te gaan op de aan het Hof voorgelegde vraag, dient in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid de verwijzingsbevoegdheid van de Commissie van Beroep te worden onderzocht.
Deze beschouwt zich als hoogste nationale rechterlijke instantie, die onder meer bevoegd zou zijn te beslissen over de vraag, wie in Nederland in het register van erkende huisartsen kan worden ingeschreven, en acht zich derhalve op grond van artikel 177 EEG-Verdrag gehouden, het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht voor zover dit voor de door haar te geven beslissing relevant is. Ook partijen in het hoofdgeding alsmede de Nederlandse regering en de Commissie, die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend, zijn — zij het op verschillende gronden — van mening dat de verwijzende instantie als rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag moet worden beschouwd.
Deze door de verwijzende instantie en partijen gehuldigde opvatting moet mijns inziens op grond van de strekking van artikel 177 EEG-Verdrag worden aanvaard, ongeacht de vraag of de verwijzende instantie een rechterlijke instantie in de zin van de Nederlandse Grondwet is.
Ook bij het onderzoek van de vraag of een instantie als rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag kan worden beschouwd, moet namelijk worden uitgegaan van de algemene regel dat de in het gemeenschapsrecht vervatte begrippen in twijfelgevallen, dat wil zeggen indien niet uitdrukkelijk naar nationaal recht wordt verwezen dan wel de toepasselijkheid daarvan uit de aard der zaak volgt, moeten worden geplaatst in de autonome rechtsorde van de Gemeenschap en derhalve aan de hand van de systematiek, de eisen en de doelstellingen van de Gemeenschap moeten worden uitgelegd. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 177 de strekking heeft, de uniforme uitlegging van het gemeenschapsrecht in de Lid-Staten te waarborgen door samenwerking van het Hof met de rechters van de Lid-Staten. Dienovereenkomstig dient de in artikel 177 vervatte uitdrukking „rechterlijke instantie van een der Lid-Staten” (in de Franse versie van het Verdrag „juridiction d'un des Etats Membres”, in de Italiaanse versie „jurisdizione di uno degli Stati Membri”, in de Engelse versie „any court or tribunal of a Member State”, en in de Duitse versie „Gericht eines Mitgliedstaates”) in de eerste plaats te verhinderen dat rechterlijke instanties van derde landen of internationale gerechtshoven, partijen in een voor een nationale rechterlijke instantie aanhangig hoofdgeding alsmede de Lid-Staten en hun organen dan wel de communautaire instellingen, zich krachtens dit voorschrift tot het Hof van Justitie kunnen wenden.
Dit wil echter nog niet zeggen dat de onderhavige uitdrukking in zoverre naar de nationale rechtsorde verwijst, dat alleen die instanties een zaak naar het Hof mogen verwijzen die in het nationale recht als rechterlijke instanties worden erkend. Hier mag immers niet over het hoofd worden gezien dat, zoals advocaat-generaal Gand reeds in zijn conclusie van 18 mei 1966 in zaak 61/65 (Vaassen-Goebbels, Jurispr. 1966, blz. 284 e. v.) heeft opgemerkt de rechterlijke en bestuursorganisatie in de verschillende Lid-Staten weliswaar in de regel op gemeenschappelijke beginselen berust, doch daarnaast door historische toevalligheden en verschillende rechtsopvattingen wordt beïnvloed. Derhalve dienen in het belang van een uniforme uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht de kenmerkende eigenschappen van een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag ook uniform te worden vastgesteld; daartoe behoeft slechts te worden onderzocht of de instanties die zich tot het Hof wenden, volgens de in de rechterlijke organisaties van de Lid-Staten geldende algemene beginselen de kenmerken vertonen van organen die geschillen met toepassing van rechtsvoorschriften dienen te beslechten.
Indien de betrokken uitdrukking echter een verwijziging naar nationaal recht inhield, zou het de Lid-Staten vrij staan om via een bepaalde inrichting van hun rechterlijke organisatie de verwijzingsbevoegdheid te ontnemen aan bepaalde instanties die gemeenschapsrecht moeten toepassen, of hen aan de verwijzingsplicht te onttrekken; dit zou uiteindelijk tot rechtsversplintering leiden, die met behulp van de prejudiciële procedure juist moet worden vermeden. Mitsdien komt aan het recht van de Lid-Staten slechts betekenis toe voor zover daarin een antwoord kan worden gezocht op de vraag of een bepaalde instantie daadwerkelijk de door het gemeenschapsrecht verlangde minimumkenmerken vertoont.
In dit verband behoeft naar mijn oordeel niet te worden ingegaan op de in casu niet geheel opgehelderde vraag, of de Commissie van Beroep in laatste instantie beslist dan wel of de betrokkenen tegen een afwijzende beslissing van de Huisarts Registratie Commissie bovendien beroep kunnen aantekenen bij de gewone rechter. Immers, zelfs indien zulk een rechterlijk toezicht bestaat, is het niet uitgesloten dat de aan dit toezicht onderworpen instantie zelf een rechterlijke instantie is; het is dan alleen uitgesloten dat het gaat om een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep en die gehouden is zich tot het Hof te wenden. Die vraag behoeft hier echter niet te worden beslist.
Aan welke algemene minimumvoorwaarden daarentegen moet zijn voldaan opdat van een rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 kan worden gesproken, kan worden afgeleid uit het arrest van het Hof van 30 juni 1966 (zaak 61/65, Vaassen-Goebbels, Jurispr. 1966, blz. 258), waarin het Hof eveneens moest beslissen of de verwijzende instantie als een rechterlijke instantie in bovenbedoelde zin kon worden beschouwd. Voor wat betreft het Scheidsgerecht van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf heeft het Hof die vraag toen om de volgende redenen, die ik hier in het kort zou willen vermelden, bevestigend beantwoord:
—
het Scheidsgerecht was naar Nederlands recht regelmatig ingesteld en was voorzien bij Reglement van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf, dat, met inbegrip van eventuele wijzigingen ervan, de goedkeuring behoefde van twee ministers;
—
de benoeming van de leden, de aanwijzing van de voorzitter en de vaststelling van het reglement van het Scheidsgerecht dienden te geschieden door de bevoegde minister;
—
het Scheidsgerecht was als permanente instantie belast met de kennisneming van de geschillen waarvan het Reglement een algemene omschrijving gaf;
—
het Scheidsgerecht moest bij de procesvoering op tegenspraak overeenkomstige regels in acht nemen als die welke golden voor de gebruikelijke rechtspleging; de in het Reglement bedoelde personen waren op grond van een verordening van een publiekrechtelijk lichaam verplicht lid van het Beambtenfonds en waren ten aanzien van de geschillen tussen hen en hun verzekeraar gehouden zich tot het Scheidsgerecht te wenden, dat verplicht was naar recht te oordelen.
Overeenkomstige omstandigheden als hiervoor vermeld, waaruit het Hof afleidde dat de betrokken instantie bevoegd was tot verwijzing, kunnen ook met betrekking tot de thans verwijzende Commissie van Beroep Huisartsgeneeskunde worden vastgesteld. Toegegeven zij dat haar samenstelling, taak en werkwijze, zoals gezegd, in de statuten, het huishoudelijk reglement en de daarop gebaseerde besluiten van de Maatschappij, een privaatrechtelijke vereniging, zijn geregeld. Beslissend is evenwel dat volgens artikel 26, lid 2, van de Statuten van de Maatschappij, waarop het huishoudelijk reglement is gebaseerd, de bepalingen van dat reglement welke betrekking hebben op de erkenning en registratie van o.a. huisartsen, alleen kunnen worden gewijzigd in overleg met de ministers onder wier departement het wetenschappelijk onderwijs respectievelijk de volksgezondheid ressorteren; daardoor wordt overheidstoezicht op de samenstelling, de taak en de werkwijze van de Commissie van Beroep gewaarborgd. Voorts is van belang, dat ingevolge het Verstrekkingenbesluit de aan de verzekerden toe te kennen uitkeringen en de aan de artsen te betalen vergoedingen tenslotte afhankelijk zijn gesteld van inschrijving in het register van erkende huisartsen.
Volgens het huishoudelijk reglement dient ook de benoeming van twee leden en van de voorzitter — „bij voorkeur een hoge rechterlijke functionaris” — van de Commissie van Beroep door genoemde ministers te geschieden. Een zekere onafhankelijkheid van de Commissie van Beroep wordt overigens ook door haar verdere samenstelling gewaarborgd, daar drie leden door de Nederlandse medische faculteiten en drie leden door de Maatschappij zelf worden benoemd.
Tenslotte is de Commissie overeenkomstig het huishoudelijk reglement als permanente instantie belast met de beslechting van de bij haar aanhangig gemaakte geschillen waarvan het huishoudelijk reglement een algemene omschrijving geeft.
De daarbij te volgen procedure is, zij het slechts summier, eveneens geregeld in het huishoudelijk reglement. Dit bepaalt onder meer dat partijen op hun verzoek moeten worden gehoord en dat de verzoekende partij zich in geval van een beroep tegen de Huisarts Registratie Commissie kan laten bijstaan door een advocaat.
De Commissie van Beroep beslist voorts over de aangevochten beslissingen op grond van de in het huishoudelijk reglement neergelegde bepalingen inzake de registratie van huisartsen alsmede volgens de in besluiten neergelegde voorschriften, en derhalve niet ex aequo et bono.
Het is bovendien van belang dat deze aan overheidstoezicht onderworpen bepalingen volgens welke de Commissie de bij haar ingestelde beroepszaken behandelt, niet alleen bindend zijn voor leden van de Maatschappij — nog altijd rond 93 % van de huisartsen — doch algemeen gelden. Dit volgt uit de betekenis die het register van erkende huisartsen door het Verstrekkingenbesluit heeft gekregen.
Op grond van bovenstaande gegevens moet derhalve worden vastgesteld dat de Commissie van Beroep kan worden aangemerkt als een op overheidsgezag berustend permanent gerecht, dat naar normen van recht in een formeel geregelde procedure op tegenspraak beslist. Ik sluit mij dan ook aan bij hetgeen in deze zaak van alle kanten is betoogd, en acht deze criteria voldoende om de Commissie van Beroep aan te merken als een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 177, die bevoegd is zich met een verzoek om een prejudiciële beslissing tot het Hof te wenden.
Zulks te meer nu de instantie zo niet juridisch dan toch in ieder geval feitelijk in de plaats treedt van de nationale rechters, en zij in ieder geval, zoals gezegd, feitelijk in laatste instantie beslist. Het doel van artikel 177 EEG-Verdrag — te waarborgen dat het gemeenschapsrecht in alle Lid-Staten gelijke werking heeft — zou niet worden bereikt indien men een instantie als de onderhavige niet bevoegd achtte zich tot het Hof te wenden.
II — Ten gronde
De Commissie van Beroep dient in aansluiting op het subsidiaire betoog van verzoeker in het hoofdgeding te beslissen over de vraag, of artikel 1 van besluit nr. 1-1977 in strijd is met de richtlijnen nrs. 75/362 en 75/363 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (PB L 167 van 1975, biz. 14). Uit de bepaling volgt namelijk naar het oordeel van de verwijzende rechterlijke instantie, dat alleen niet-Nederlandse artsen die onderdaan zijn van een Lid-Staat en die in een willekeurige Lid-Staat een niet-Nederlands artsdiploma hebben verworven, op hun verzoek in het register van erkende huisartsen worden ingeschreven — zonder dat zij de eenjarige Nederlandse opleiding tot huisarts behoeven te volgen — indien zij de Huisarts Registratie Commissie het wettelijk voorgeschreven bewijs overleggen dat zij overeenkomstig artikel 2 van de Wet regelende de uitoefening der geneeskunst de bevoegdheid hebben verkregen, in Nederland de geneeskunst uit te oefenen. Daarentegen zou in deze opvatting een Nederlands onderdaan, die in een andere Lid-Staat een artsdiploma heeft verworven dat hem aldaar de bevoegdheid verleent een huisartsenpraktijk uit te oefenen, zulk een praktijk niet in Nederland kunnen uitoefenen zonder zich in bovengenoemd register te laten inschrijven, hetgeen alleen mogelijk zou zijn indien hij een eenjarige opleiding volgt. Om te kunnen uitmaken of het onderhavige artikel in deze uitlegging verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, legt de Commissie van Beroep het Hof de kwestie van de uitlegging van voornoemde richtlijnen voor, die meerdere vragen opwerpt.
1.
Hierbij moet om te beginnen erop worden gewezen dat het duidelijke en onbeperkte voorschrift van artikel 2 van richtlijn nr. 75/362, dat de Lid-Staten geen discretionaire bevoegdheid laat, volgens de rechtspraak van het Hof rechtstreekse werking heeft in dier voege, dat de justitiabelen er zich voor de nationale rechters of instanties rechtstreeks op kunnen beroepen. De voorrang van het gemeenschapsrecht heeft dan tot gevolg, dat strijdige nationale bepalingen door de rechters of instanties van de Lid-Staten niet mogen worden toegepast.
In dit verband is voorts van belang dat, zoals het Hof onder meer reeds in de arresten van 12 december 1974 (zaak 36/74, Walrave, Jurispr. 1974, blz. 1405) en van 14 juli 1976 (zaak 13/76, Dona, Jurispr. 1976, blz. 1333) heeft vastgesteld, de werking van het gemeenschapsrecht, voor zover dit de verwezenlijking van het verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit dient, zich ook uitstrekt tot rechtsbetrekkingen waarbij het openbaar gezag niet althans niet rechtstreeks betrokken is, zoals bijvoorbeeld bij collectieve regelingen van arbeid in loondienst en dienstverrichtingen het geval is.
2.
Daarmee rijst de volgende vraag, te weten of een onderdaan van een Lid-Staat zich in zijn eigen land op de in het EEG-Verdrag vervatte voorschriften inzake het vrije verkeer van personen en de ter uitvoering daarvan vastgestelde richtlijn nr. 75/362 kan beroepen, om zijn in een andere Lid-Staat verworven vakbekwaamheden geldend te maken. Deze vraag, die de werkingssfeer ratione personae van de richtlijn raakt, moet reeds op grond van de bewoordingen van artikel 2 bevestigend worden beantwoord. Daarin is immers bepaald dat „elke Lid-Staat... de door de overige Lid-Staten overeenkomstig artikel 1 van richtlijn nr. 75/363/EEG afgegeven en in artikel 3 vermelde diploma's (erkent) ...”, zonder dat de eigen onderdanen uitdrukkelijk van deze regeling worden uitgezonderd.
Voor het overige heeft de Commissie terecht opgemerkt dat deze uitlegging ten volle wordt bevestigd door de verklaring van de Raad betreffende de definitie van begunstigden der richtlijnen, die is ingeschreven in de notulen van de vergadering tijdens welke de onderhavige richtlijnen zijn vastgesteld. Daarin wijst de Raad er uitdrukkelijk op dat de vrijheid van vestiging met name voor houders van in andere landen van de Gemeenschap behaalde diploma's onder dezelfde voor-, waarden voor de onderdanen van andere Lid-Staten moet worden gewaarborgd als voor de eigen onderdanen van de betrokken Lid-Staat, zoals dat overigens ook het geval is voor de overige richtlijnen.
Dat de onderdanen van alle Lid-Staten die aan de in de richtlijn gestelde toepassingsvoorwaarden voldoen, zich op de bepalingen van de richtlijn moeten kunnen beroepen, en wel ook tegenover de staat waarvan zij onderdaan zijn, volgt echter ook uit de aan genoemde richtlijn ten grondslag liggende bepalingen van het Verdrag tot waarborging van het vrije verkeer van personen, die op hun beurt weer voortvloeien uit het algemene verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit, alsmede uit de Algemene programma's van 18 december 1961 voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten en van de vrijheid van vestiging (PB 1962, blz. 32 en 36). Deze bepalingen, die tot de steunpilaren van de gemeenschappelijke markt moeten worden gerekend, strekken ertoe de mobiliteit van de werknemer binnen deze markt te waarborgen en alle onderdanen van de Lid-Staten de mogelijkheid te bieden, hun economische activiteiten in de vorm van vestiging of dienstverrichting in de Gemeenschap zonder enige discriminatie op grond van de nationaliteit uit te oefenen. Dienovereenkomstig heeft het Hof in het arrest van 7 februari 1979 (zaak 115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399) in een in zoverre identiek geval, zij het met betrekking tot een andere liberalisatierichtlijn, beslist dat de onderdanen van alle Lid-Staten die zich objectief gezien in een van de door de richtlijn beoogde situaties bevinden, van de daarin voorziene liberalisatiemaatregelen moeten kunnen genieten, zonder dat een verschil in behandeling mag worden gemaakt naar gelang van hun verblijfplaats of hun nationaliteit. De in dit arrest neergelegde gedachte, die eveneens in het arrest van 7 februari 1979 (zaak 136/78, Auer, Jurispr. 1979, blz. 437) tot uiting komt, te weten dat binnen de werkingssfeer van het Verdrag ook een bevoorrechting van onderdanen van een andere Lid-Staat ten opzichte van eigen onderdanen in strijd is met het gemeenschapsrechtelijk discriminatieverbod, moet ook in het onderhavige geval toepassing vinden. Zoals gezegd bevond en bevindt verzoeker in het hoofdgeding zich objectief gezien in dezelfde situatie als een Belgisch onderdaan die hetzelfde diploma bezit. Indien verzoeker enkel op grond van zijn nationaliteit anders werd behandeld dan een Belg of een onderdaan van een andere Lid-Staat die zich in dezelfde situatie bevindt, dan zou dit een ontoelaatbare, uitsluitend op de nationaliteit gebaseerde discriminatie van verzoeker zijn, die onverenigbaar is met het door het gemeenschapsrecht gewaarborgde vrije verkeer van personen. Derhalve moet in navolging van verzoeker, verweerster, de Nederlandse regering en de Commissie worden vastgesteld, dat de werkingssfeer ratione personae van richtlijn nr. 75/362 ook de onderdanen van de Staat van vestiging omvat, indien deze zich objectief bezien in een van de door de richtlijn beoogde situaties bevinden.
3.
Thans moet nog worden ingegaan op de zakelijke werkingssfeer van de richtlijn, waarbij het gaat om de vraag of de huisarts onder de in de richtlijn vervatte regeling valt en zo ja, welke rechtsgevolgen de richtlijn dan heeft.
Verweerster in het hoofdgeding heeft in dit verband betoogd dat de sinds 1973 in Nederland bestaande hoedanigheid van huisarts niet onder de richtlijnen nrs. 75/362 en 75/363 valt, daar de huisarts naast het in artikel 3, sub h, van richtlijn nr. 75/362 genoemde universitair getuigschrift van arts een speciale eenjarige opleiding moet volgen en derhalve niet als „arts” in de zin van hoofdstuk II van deze richtlijn kan worden beschouwd. Voorts zou de huisarts evenmin onder de in de hoofdstukken III en IV van de richtlijn genoemde specialisten worden vermeld. Mitsdien zou op de huisarts enkel artikel 8 van richtlijn nr. 75/362 analoog kunnen worden toegepast, volgens hetwelk de ontvangende Lid-Staat aan onderdanen der Lid-Staten die een der diploma's, certificaten of andere titels van opleiding tot specialist wensen te verkrijgen die niet onder genoemde hoofdstukken vallen, de opleidingseisen kan stellen die ter zake in zijn eigen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen worden voorgeschreven.
Dit standpunt kan evenwel, gezien de ontstaansgeschiedenis, de systematiek en de strekking van de betrokken richtlijnen, niet worden aanvaard. Zoals gezegd viel immers reeds aan het einde van de zestiger jaren en aan het begin van de zeventiger jaren in enkele Lid-Staten een tendens in de richting van een ruimere opleiding tot huisarts waar te nemen. Met name in Nederland is door wijziging van het Verstrekkingenbesluit en door besluit nr. 1-1977 de huidige kwalificatie van „huisarts” ontstaan. De Nederlandse regering heeft verklaard dat zij de Raad reeds in 1973, tijdens het voorbereidend overleg over beide richtlijnen, van deze binnenlandse rechtsontwikkeling in kennis heeft gesteld met de verzekering, teneinde de vaststelling van de richtlijnen niet te vertragen, dat geen aanvullende opleiding wordt verlangd van houders van niet-Nederlandse, in artikel 3 van richtlijn nr. 75/362 genoemde diploma's, die zich in Nederland wensen te vestigen.
Tegen deze achtergrond moet tenslotte ook, zoals de Nederlandse regering en de Commissie terecht hebben betoogd, de in het proces-verbaal van de vergadering van de Raad opgetekende verklaring worden gezien, waarin deze vaststelt dat in sommige Lid-Staten een algemene tendens ontstaat om meer gewicht te hechten aan de taak van de huisarts en het belang van zijn opleiding. De Raad heeft de Commissie dan ook uitdrukkelijk verzocht, de vraagstukken in verband met deze ontwikkeling te bestuderen en hun terzake voorstellen voor te leggen. Anders dan verweerster meent, kan uit deze verklaring echter niet worden afgeleid dat de Raad de huisarts van de werkingssfeer van de na de betrokken Nederlandse rechtswijziging in werking getreden richtlijnen heeft willen uitsluiten.
Uit de systematiek van de richtlijnen, die de artsen de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het recht op het vrij verrichten van diensten dient te vergemakkelijken, blijkt dat de Raad veeleer een onderscheid wilde maken tussen de in de hoofdstukken III en IV van richtlijn nr. 75/362 genoemde specialisten en de onder hoofdstuk II van deze richtlijn vallende niet-specialisten. Dit onderscheid ligt ook besloten in de in hetzelfde verband vastgestelde richtlijn nr. 75/363 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts, waarin voor de respectievelijke specialisten onder meer een minimumduur van de verdere opleiding van drie tot vijf jaar is voorgeschreven. Indien de andere in de richtlijn gestelde opleidingsvoorwaarden zijn vervuld, worden de in richtlijn nr. 75/362 genoemde specialistendiploma's door alle Lid-Staten erkend, met als gevolg dat de houders ervan zich binnen de gehele Gemeenschap kunnen vestigen zonder dat zij aan nadere opleidingsvoorwaarden behoeven te voldoen.
Zulks dient evenwel ook te gelden voor de in hoofdstuk II van richtlijn nr. 75/362 genoemde artsen, waaronder de Raad klaarblijkelijk de huisartsen met een in artikel 3 van richtlijn nr. 75/362 genoemd diploma zonder aanvullende specialisatie heeft willen verstaan.
Om te waarborgern dat deze diploma's, certificaten of andere titels van arts als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd, wordt in artikel 1 van de coördinatierichtlijn nr. 75/363 verlangd, dat de betrokkene de aldaar genoemde kennis en ervaring heeft verworven, waarbij met name op grond van artikel 1 sub d ook onder deskundige leiding voldoende klinische ervaring in ziekenhuizen moet zijn opgedaan.
Het bezit van een dergelijk in een Lid-Staat verkregen en als gelijkwaardig erkend diploma dient echter, evenals specialisten, ook-huisartsen de bevoegdheid te geven het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten daadwerkelijk uit te oefenen. Indien men het, overeenkomstig het betoog van verweerster in het hoofdgeding, toelaatbaar achtte dat voor de vestiging als huisarts een aanvullende opleiding wordt verlangd van houders van niet-Nederlandse diploma's, zouden houders van in andere Lid-Staten behaalde diploma's, die ten dele eerst na een langere opleiding worden afgegeven of waarvoor, zoals in Denemarken, een praktische opleiding is vereist, in Nederland zonder aanvullende opleiding geen huisartsenpraktijk kunnen uitoefenen. Voorts zouden houders van het in artikel 3, sub h, genoemde Nederlandse universitair getuigschrift van arts, die de eenjarige opleiding tot huisarts niet hebben gevolgd, zich in alle andere Lid-Staten kunnen vestigen. Het behoeft geen nader betoog dat een dergelijke ongelijke behandeling evenwel niet kan zijn beoogd met de richtlijn inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten.
Deze op de artikelen 49, 57, 66 en 235 EEG-Verdrag gebaseerde richtlijn heeft veeleer ten doel, zoals niet alleen uit haar opschrift maar ook uit haar considerans volgt, door de erkenning van gelijkwaardige titels van arts de „toegang tot de uitoefening der geneeskunst” daadwerkelijk te openen, teneinde het door het EEG-Verdrag voorziene vrije verkeer van personen voor onzelfstandigen en zelfstandigen te verwezenlijken. In Nederland kan een huisartsenpraktijk op grond van de daar geldende bijzondere bepalingen echter alleen worden uitgeoefend indien de betrokken arts is ingeschreven in het register van erkende huisartsen en bijgevolg zijn diensten door de organen van de sociale zekerheid alsook door de particuliere ziekteverzekeringen worden erkend. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, zou een loutere gelijkstelling van de in artikel 3 van richtlijn nr. 75/362 genoemde titels van arts niet beantwoorden aan de met de bepalingen inzake het vrije verkeer van personen beoogde doelstellingen, aangezien daarmee enkel een academische erkenning van diploma's zonder noemenswaardige praktische betekenis zou worden bereikt.
Anders dan verweerster in het hoofdgeding meent, kan mitsdien artikel 2 van richtlijn nr. 75/362, waar dit bepaalt dat elke Lid-Staat aan de in artikel 3 van deze richtlijn vermelde titels „met betrekking tot de toegang tot de uitoefening van de werkzaamheden van arts ... hetzelfde rechtsgevolg (toekent) als aan de door hemzelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels”, alleen in die zin worden uitgelegd dat houders van de betrokken diploma's zich in iedere Lid-Staat zonder aanvullende opleiding daadwerkelijk als arts kunnen vestigen.
4.
Tenslotte wordt de juistheid van deze uitlegging eveneens bevestigd in artikel 21 van de richtlijn, bepalende dat de Lid-Staten die van hun eigen onderdanen eisen dat zij een voorbereidende stage hebben vervuld om werkzaam te kunnen zijn als ziekenfondsarts, gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van deze richtlijn, dezelfde eisen kunnen stellen aan de onderdanen van andere Lid-Staten, waarbij de duur van de stage niet langer mag zijn dan zes maanden. Uit de bewoordingen van deze bepalingen volgt weliswaar niet rechtstreeks dat zij, zoals de Commissie meent, op de rechtssituatie in de Bondsrepubliek Duitsland is toegesneden, maar er kan niettemin uit worden afgeleid dat na het verstrijken van de periode van vijf jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de richtlijn, de vervulling van een voorbereidende stage in het geheel niet meer mag worden verlangd, en dat gedurende bedoelde periode slechts een voorbereidende stage van een half jaar mag worden voorgeschreven.
5.
Er zij bovendien nog op gewezen dat deze uitlegging ook in overeenstemming is met de Nederlandse rechts-en administratieve praktijk, voor wat de inschrijving van niet-Nederlandse artsen met een in een andere Lid-Staat afgegeven diploma betreft. Zo werden tot op heden Belgische onderdanen met een Belgisch diploma van doctor in de genees-, heel en verloskunde, op grond waarvan in België de huisartsenpraktijk mag worden uitgeoefend, op hun verzoek zonder meer in het betrokken register ingeschreven, na overeenkomstig artikel 2 van de Wet regelende de uitoefening van de geneeskunst de bevoegdheid te hebben verkregen, in Nederland de geneeskunst uit te oefenen.
Voorts is het van belang dat besluit nr. 4-1980 van het College van Huisartsgeneeskunde, waarin was bepaald dat houders van buitenlandse artsdiploma's slechts in het betrokken register konden worden ingeschreven indien zij voldeden aan dezelfde voorwaarden als voorzien voor de houders van een Nederlands artsdiploma, bij gebreke van overeenstemming met de richtlijnen nrs. 75/362 en 75/363 niet de instemming van de Nederlandse regering heeft gekregen en derhalve nog niet in werking is getreden.
Nu echter geen aanvullende opleiding mag worden verlangd van een niet-Nederlands onderdaan die houder is van een in een andere Lid-Staat behaald en in artikel 3 van richtlijn nr. 75/362 genoemd diploma, moet zulks, zoals gezegd, gelet op de overwegingen in de arresten in zaak 115/78 (Knoors) en zaak 136/78 (Auer), ook gelden voor een Nederlands onderdaan die houder is van een in een andere Lid-Staat behaald diploma in de zin van genoemd artikel 3.
6.
Uit de feitelijke en rechtssituatie van het onderhavige geval volgt dat het in het arrest-Knoors (zaak 115/78) overwogen risico, dat sommige onderdanen van een Lid-Staat de krachtens het Verdrag geschapen mogelijkheden misbruiken om te trachten zich te onttrekken aan de werkingssfeer van hun nationale wetgeving op het gebied van de vereiste vakkennis, in casu niet bestaat. Een dergelijk gevaar voor misbruik is nu eenmaal uitgesloten door richtlijn nr. 75/363, die de beroepsopleidingen van artsen coördineert door onder meer een minimumstudieduur voor te schrijven. Daar komt in casu nog bij, dat in Nederland de duur van de opleiding die wordt afgesloten met een universitair getuigschrift van arts, slechts voldoet aan het in richtlijn nr. 75/363 voorgeschreven minimum van zes jaar, terwijl het overeenkomstige diploma in België eerst na een zevenjarige studie kan worden behaald. Studenten die ingevolge de in Nederland geldende numerus clausus aan Belgische universiteiten gaan studeren, nemen derhalve zelfs een langere studieduur op de koop toe.
III — Concluderend geef ik het Hof derhalve in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Uit artikel 2 van richtlijn nr. 75/362 van de Raad van 16 juni 1975 volgt dat een Nederlands onderdaan, die in België het wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel-en verloskunde heeft behaald, na zijn toelating als arts in Nederland recht heeft op inschrijving in het register van erkende huisartsen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst, zonder tevoren in Nederland de opleiding tot huisarts te hebben gevolgd.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy