CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 29 SEPTEMBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De onderhavige prejudiciële zaak heeft betrekking op de uitlegging van een bepaling van verordening (EEG) nr. 269/73 van de Commissie van 31 januari 1973 houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding”, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73 van 30 mei 1973. Zoals bekend zijn de onderhavige compenserende bedragen ingesteld bij de Akte betreffende de toetreding tot de Europese Gemeenschappen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Volgens de artikelen 51 en 52 van deze Akte konden de communautaire autoriteiten de prijzen van de landbouwprodukten in de nieuwe Lid-Staten gedurende de overgangsperiode vaststellen op een peil dat afweek van dat van de gemeenschappelijke prijzen. Volgens artikel 55, lid 1, van de Akte moesten de verschillen in het prijspeil worden opgeheven door een stelsel van compenserende bedragen, die in het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten onderling en met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling moesten worden geheven door de invoerende staat of toegekend door de uitvoerende staat.
Bedoelde bedragen zijn vervolgens, gedurende de vijfjarige overgangsperiode, geleidelijk verlaagd, in hetzelfde tempo als de jaarlijkse aanpassing van de voor de nieuwe Lid-Staten vastgestelde landbouwprijzen en de aan het begin van ieder landbouwseizoen vastgestelde gemeenschappelijke prijzen.
In de considerans van verordening nr. 229/73 van de Raad van 31 januari 1973, die de algemene regels vaststelde van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” in de sector granen, werd onder meer overwogen dat deze bedragen ertoe dienden, goederenverkeer onder bevredigende voorwaarden mogelijk te maken tussen twee Lid-Staten met een verschillend prijspeil. Daartoe bepaalde de verordening dat de exporteur van granen van een Lid-Staat waar de prijzen hoger lagen, aanspraak kon maken op een compenserend bedrag, en dat de importeur van een Lid-Staat met een lager prijspeil een compenserend bedrag moest betalen. Zoals ik heb opgemerkt in mijn conclusie in zaak 6/78 (Union Française des Céréales, Jurispr. 1978, blz. 1675), was in geval van exporten van de oorspronkelijke Lid-Staten naar de nieuwe Lid-Staten (waar de graanprijzen lager waren) de functie van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” in wezen gelijk aan die van de restituties bij uitvoer naar derde landen. Immers zowel in het ene als in het andere geval heeft men, door steunverlening aan de exporteurs, de exportbelemmering willen opheffen die bestond in het hogere prijspeil in de Gemeenschap ten opzichte van derde landen of in de oorspronkelijke Lid-Staten ten opzichte van de nieuwe Lid-Staten. De in het handelsverkeer tussen twee nieuwe Lid-Staten aan de exporteurs betaalde compenserende bedragen hadden uiteraard dezelfde functie, op grond dat een van die staten (het uitvoerende land) een hoger prijspeil had dan de invoerende staat.
Wat de hoogte van de compenserende bedragen betreft, waren die welke moesten worden toegepast in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en een van de nieuwe Lid-Staten, gelijk aan het verschil tussen de prijzen, vastgesteld door de voor de betrokken nieuwe Lid-Staat bevoegde communautaire instellingen, en de gemeenschappelijke prijzen (artikel 55, lid 2, van de Toetredingsakte en artikel 1 van verordening nr. 229/73 van de Raad). In het handelsverkeer tussen de nieuwe Lid-Staten waren de compenserende bedragen evenwel gelijk aan het verschil tussen de bedragen die van toepassing waren in het handelsverkeer tussen elk van de nieuwe Lid-Staten en de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling (artikel 55, lid 3, van de Toetredingsakte en artikel 3 van verordening nr. 229/73).
Er zij hier op gewezen dat ingevolge artikel 6 van verordening nr. 229/73 een stelsel van voorafgaande vaststelling van het compenserende bedrag kon worden ingevoerd, zoals voorzien in het kader van het stelsel van invoerheffingen en uitvoerrestituties in het handelsverkeer met derde landen. Verordening nr. 3280/73 van de Commissie van 4 december 1973 voorzag in de invoering van dat stelsel en bepaalde onder meer dat het compenserende bedrag werd berekend volgens het tarief geldende op de dag waarop de aanvraag van het voorfixatiecertificaat werd ingediend. De geldigheidsduur van genoemd certificaat was beperkt; een in een van de oorspronkelijke Lid-Staten afgegeven certificaat kon ook worden gebruikt in een van de andere oorspronkelijke Lid-Staten. Voor graan voorzag de verordening in een verplichte waarborg van drie rekeneenheden per ton; deze werd vrijgegeven tegen overlegging van het bewijs dat de in artikel 8 van de verordening bedoelde douaneformaliteiten waren vervuld en, in geval van uitvoer, dat het produkt het geografisch grondgebied had verlaten van de Lid-Staat waarop genoemde formaliteiten waren vervuld.
Tenslotte zou ik erop willen wijzen dat ingevolge artikel 5 van verordening nr. 269/73 van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73, de betaling van het compenserende bedrag eveneens afhankelijk was van de overlegging van het bewijs dat het produkt het geografische grondgebied van de staat waar de douaneformaliteiten waren vervuld, had verlaten. Dat bewijs moest worden geleverd door overlegging van het controle-exemplaar Τ 5, geviseerd door de autoriteiten van het land van bestemming en voorzien van de vermelding „bestemd om in het vrije verkeer te worden gebracht”. Hierna zal evenwel blijken dat de diverse taalversies van deze bepaling niet overeenstemmen en dat de twijfels van de verwijzende rechter hieruit voortvloeien.
2.
Ik zal de feiten in het kort samenvatten. Op basis van een op 29 juli 1975 door de Deense autoriteiten afgegeven, tot 26 september 1975 geldig certificaat, had de firma Töpfer te Hamburg — die zich bezighoudt met de internationale handel in graan — voorafgaande vaststelling verkregen van een compenserend bedrag „toetreding” voor de uitvoer van 5000 ton graan uit Denemarken naar het Verenigd Koninkrijk, ter hoogte van 24,05 rekeneenheden per ton (ten gunste van de uitvoerende firma), waartoe zij de voorgeschreven waarborg stelde. Op 27 augustus 1975 had de firma Töpfer ook van de Belgische autoriteiten voorafgaande vaststelling verkregen van een compenserend bedrag „toetreding” voor de invoer van graan afkomstig uit Denemarken en het Verenigd Koninkrijk in een Lid-Staat van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling. Dat bedrag was twee rekeneenheden per ton (ten laste van de invoerende firma). Ook dit keer werd de voorgeschreven waarborg gesteld.
Op 4 september 1975 sloot Töpfer met de firma Bremer Rolandmühle te Bremen een overeenkomst voor de verkoop van 1800 ton Deens graan. Op 15 september 1975 verkocht Töpfer 1800 ton Deens graan tegen de prijs van UKL 63 per ton aan de Engelse firma Dalgety Franklin Ltd. te Norwich, maar de volgende dag (16 september) kocht zij de verkochte waar van laatstgenoemde firma terug tegen de prijs van UKL 66,35 per ton. Intussen, bij telex van 15 en 19 september, bevrachtte Töpfer bij een Engelse reder drie schepen om bovengenoemde partij graan vanuit Denemarken te vervoeren, waarbij zij de volgende instructies gaf: „for destination Lowestoft” — „discharging and reloading into the same vessel” — „final destination: Bremen”. De partij van 1800 ton Deens graan werd dienovereenkomstig naar Lowestoft in het Verenigd Koninkrijk vervoerd, waar zij, althans gedeeltelijk, werd gelost in silo's van de firma Lowestoft Storage Shipping Co. op kosten van genoemde firma Dalgety Franklin. Onmiddellijk na vervulling van de invoerformaliteiten werd de partij graan op dezelfde schepen geladen en naar Bremen uitgevoerd.
Op basis van het voorfixatiecertificaat van 29 juli ontving de firma Töpfer in Denemarken een compenserend bedrag van DKR 287500 (overeenkomend met ongeveer 20,62 rekeneenheden per ton), waarbij de gestelde waarborg werd vrijgegeven. Na de formaliteiten voor invoer in Duitsland te hebben vervuld, betaalde de firma Töpfer op basis van het op 27 augustus in België verkregen certificaat een compenserend bedrag van 2 rekeneenheden per ton. Evenwel had de firma Töpfer op het controle-exemplaar T 5, dat naar behoren was geviseerd door de Britse autoriteiten en was overgelegd aan de Deense autoriteiten, verklaard dat de goederen waren bestemd om in Groot-Brittannië in het vrije verkeer te worden gebracht. In het licht van bovenstaande feiten werd die verklaring onjuist bevonden, waarop de Deense officier van justitie voor economische delicten de aansprakelijke leden van de firma Töpfer bij akte van 14 november 1979 inbreuk op wet nr. 595 van 22 december 1972 betreffende de tenuitvoerlegging van de verordeningen van de Europese Economische Gemeenschap inzake de ordening van de landbouwmarkten ten laste heeft gelegd en veroordeling van verdachten tot terugbetaling van de ten onrechte ontvangen compenserende bedragen heeft gevorderd.
Tijdens de strafprocedure hebben verdachten toegegeven dat reeds voordat de goederen uit Denemarken werden uitgevoerd, de bedoeling bestond de goederen uiteindelijk, overeenkomstig genoemde overeenkomst van 4 september 1975, aan een klant van de firma Töpfer in de Bondsrepubliek te leveren. Zij hebben evenwel staande gehouden dat geen bepaling van gemeenschapsrecht eraan in de weg stond dat de goederen, na in Groot-Brittannië in het vrije verkeer te zijn gebracht, alsnog werden uitgevoerd naar de Bondsrepubliek Duitsland. Het Byret te Kopenhagen heeft in een beschikking van 17 oktober 1980 verklaard dat de betekenis van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73, moet worden vastgesteld, gelet op de verschillen tussen de diverse taalversies en rekening houdende met de verklaring van het openbaar ministerie, dat genoemde bepaling in de diverse Lid-Staten op verschillende wijzen wordt toegepast. Het Byret heeft het Hof derhalve krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht, zich uit te spreken over de volgende vraag:
„Mag een Lid-Staat (A) die een voorfixatiecertificaat heeft afgegeven betreffende het compenserende bedrag „toetreding” bij uitvoer van tarwe naar een andere Lid-Staat (B), op grond van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 269/73 van de Commissie, zoals gewijzigd bij artikel 2 (lees: artikel 1) van verordening (EEG) nr. 1466/73, aan de rechthebbende betaling van dit bedrag weigeren, wanneer de tarwe douanetechnisch in Β in het vrije verkeer is gebracht en de rechthebbende een in Β afgegeven controledocument als bedoeld in verordening (EEG) nr. 2315/69 van de Commissie heeft overgelegd dat onder meer de vermelding bevat „bestemt til afsætning til forbrug” of „für den freien Verkehr bestimmt”, doch de tarwe in Β uitsluitend in het vrije verkeer is gebracht met het oog op onmiddellijke wederuitvoer naar een derde Lid-Staat (C) ? Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de bepalingen inzake de compenserende bedragen „toetreding” bij uitvoer van Β naar C in acht worden genomen”.
3.
De kern van de door de verwijzende rechter gestelde vraag is derhalve artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 van de Commissie, zoals gewijzigd bij artikel 1 (en niet bij het in de vraag abusievelijk vermelde artikel 2) van verordening nr. 1466/73 van de Commissie. Zoals gezegd heeft het onderhavige artikel betrekking op het bewijs dat de betrokkene moet overleggen om betaling van het compenserende bedrag „toetreding” te verkrijgen; indien hij dit bewijs niet kan leveren, kan geen betaling plaatsvinden. Ik meen dan ook dat deze bepaling niet alleen de bewijsmiddelen aanwijst op grond waarvan betaling kan worden verkregen, doch tevens daadwerkelijke voorwaarden vaststelt voor het bestaan van het recht op het compenserende bedrag (nadere voorwaarden zijn neergelegd in andere artikelen van de verordening, zoals artikel 7).
Artikel 5, lid 2, schrijft een uitvoeriger bewijs voor dan artikel 5, lid 1, indien het compenserende bedrag wordt gecorrigeerd met de invloed van de douanerechten, indien het op de dag van uitvoer voor het betrokken produkt hoger is dan de laagste uitvoerrestitutie, of indien het wordt toegepast voor een produkt waarvoor geen restitutie is vastgesteld. Met name bepaalt de laatste alinea welk document moet worden overgelegd om aan te tonen dat in de Lid-Staat van bestemming de invoerformaliteiten zijn vervuld en dat de verschuldigde rechten en heffingen van gelijke werking zijn opgelegd. In de bij verordening nr.1466/73 van de Commissie gewijzigde versie luidt deze laatste alinea: „Het in de vorige alinea bedoelde bewijs wordt geleverd door overlegging van het in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2315/69 bedoelde controle-exemplaar”. Vervolgens geeft artikel 1 van verordening nr. 1466/73 aan welke bijzondere vermeldingen van het controle-exemplaar moeten worden ingevuld, en bepaalt daartoe (sub b): „vak 104 waarin de niet toepasselijke vermeldingen moeten worden doorgehaald en een van de volgende vermeldingen moet worden aangebracht: „bestemd om in het vrije verkeer te worden gebracht”; „Bestemt til afsætning til forbrug”; „für den freien Verkehr bestimmt”; „intended for entry for home use”; „destiné à être mis à la consommation”; „destinato ad essere immesso in consumo”. Tenslotte bepaalt dit artikel dat het bevoegde douanekantoor van de Lid-Staat van bestemming het vak „controle op het gebruik en/of de bestemming” invult en hierbij het bedrag van de werkelijk geheven douanerechten bij invoer aanduidt.
De twijfel die de verwijzende rechter ertoe heeft aangezet zich tot het Hof te wenden, heeft betrekking op de in vak 104 van het controle-exemplaar aan te brengen vermeldingen. De vermelding in het Frans („destiné à être mis à la consommation”), die nauwkeurig overeenstemt met de Deense, de Engelse en de Italiaanse versies, impliceert dat de goederen — volgens de verklaring van de exporteur — bestemd zijn om in de handel te worden gebracht in het invoerende land, dat wil zeggen om in dat land op de markt te worden gebracht teneinde de consumenten aldaar te kunnen bereiken. Daarentegen is de vermelding in het Duits („für den freien Verkehr bestimmt”), waarmee de Nederlandse versie overeenstemt, door de verdachten in de Deense strafzaak uitgelegd als „bestemd om in het vrije verkeer te worden teruggebracht”, dat wil zeggen, in de grond der zaak, bestemd om in het invoerende land te worden ingeklaard. De gevolgen van beide afwijkende formuleringen in bovenstaande uitlegging zijn duidelijk: de eerste verhindert dat de exporteur aanspraak kan maken op betaling van het compenserende bedrag, indien de goederen bestemd zijn om op een andere markt dan die van het land van de eerste inklaring tot verbruik wordt aangegeven; volgens de tweede evenwel kan betaling plaatsvinden op de enkele voorwaarde dat de goederen zijn ingeklaard in het eerste land waarnaar zij zijn uitgevoerd.
4.
De verdachten in de hoofdzaak hebben te hunner verdediging beklemtoond dat de litigieuze bepaling op uniforme wijze en volgens objectieve criteria moet worden uitgelegd. Dit kan niet worden betwist. Het resultaat is echter tegengesteld aan de wens van de betrokken justitiabelen.
Een eerste argument tegen hun stelling vloeit voort uit een nadere beschouwing van de Duitse formulering (en van de overeenstemmende Nederlandse versie) van artikel 5, lid 2. Aan het vereiste dat een produkt bestemd is om in het vrije verkeer te worden gebracht „für den freien Verkehr bestimmt”) in het land van invoer — voorwaarde voor de voorafgaande vaststelling van het compenserend bedrag — is niet ipso facto voldaan door vervulling van de formaliteiten voor inklaring (in het Duits: „Abfertigung”), die enkel een noodzakelijke voorwaarde vormen voor het op de markt brengen van het produkt in het betrokken land. Indien niet wordt voldaan aan een nadere voorwaarde — aanbod op de markt, aanbod aan potentiële verkrijgers in het land van bestemming dan wel het bestaan van een verkrijger aan wie het produkt wordt geleverd — vindt geen ruil plaats. In casu is het van belang dat de verkoop aan de Engelse firma Dalgety Franklin Ltd. (die plaats vond op 15 september 1975) een dag later werd gevold door de wederinkoop door de firma Töpfer. Toen de goederen de Engelse haven van Lowestoft binnenkwamen, waren zij dan ook eigendom van de uitvoerende firma.
Algemeen gesproken zij erop gewezen dat de Duitse en de Nederlandse formuleringen ook aldus kunnen worden uitgelegd dat zij te verenigen zijn met de versies in de andere gemeenschapstalen. Het gemeenschappelijk element is dat van de markt van de invoerende staat: de gedachte dat het produkt bestemd moet zijn voor de markt van die staat, ligt mijns inziens in alle taalversies besloten, zodat men, door de zin „für den freien Verkehr bestimmt” beperkt en formeel uit te leggen als in het vrije verkeer brengen (dat wil zeggen als inklaring), de Duitse taalversie verkeerd zou opvatten. Anderzijds spreekt het vanzelf dat, indien een bepaling in een bepaalde taal in abstracto op twee manieren kan worden uitgelegd, de voorkeur moet worden gegeven aan die welke het dichtst grenst aan de overeenkomstige formuleringen in andere talen. Van belang is hier dat de noodzaak van een uniforme uitlegging zich in casu te meer opdringt, nu het onderhavige artikel de vermeldingen omtrent de bestemming van het produkt in alle gemeenschapstalen opsomt, ongeacht de taalversie van verordening nr. 1466/73. Hiermee is geen rekening gehouden door de betrokkenen, die beweren hun gedrag enkel te hebben gebaseerd op de Duitse versie en deze overeenkomstig hun eigen belang hebben uitgelegd.
Er kan nog een ander argument worden aangevoerd voor de stelling dat de diverse taalversies op overeenstemmende wijze kunnen worden uitgelegd. De motivering van het onderhavige voorschrift is neergelegd in de vierde overweging van verordening nr. 269/73 („overwegende dat het, wanneer het door de Lid-Staat van vertrek toegekende compenserende bedrag hetzij hoger is dan de restitutie bij uitvoer naar derde landen, hetzij met de invloed van de in de invoerende Lid-Staat geheven douanerechten wordt gecorrigeerd, noodzakelijk blijkt, teneinde misbruiken te voorkomen of het passende compenserende bedrag toe te kennen, het bewijs te verlangen dat het betrokken produkt in de Lid-Staat van bestemming in het vrije verkeer is gebracht”) ( 2 ). In de Deense versie van verordening nr. 269/73 wordt gesproken van in bet vrije verkeer brengen in de Lid-Staat van bestemming; zoals gezegd wordt evenwel — nog steeds in de Deense versie — in artikel 1 van verordening nr. 1466/73 de uitdrukking aangifte tot verbruik („bestemt til afsætning til forbrug”) gehanteerd. De omstandigheid dat beide uitdrukkingen in eenzelfde taalversie naast elkaar worden gebruikt, toont duidelijk aan dat de communautaire wetgever daaraan dezelfde betekenis hechtte. In casu hadden de betrokkenen hier rekening mee moeten houden, in aanmerking genomen dat hun verzoek om voorafgaande vaststelling van het compenserende bedrag aan de Deense autoriteiten was gericht.
5.
Naast bovengenoemde, aan de bewoordingen van de betrokken regeling ontleende argumenten vloeit echter een — beslissend — argument voort uit de systematiek daarvan. De gehele communautaire regeling inzake compenserende bedragen „toetreding” was gebaseerd op het feit dat gedurende een bepaalde periode verschillen bestonden in het prijspeil van landbouwprodukten, in de betrekkingen tussen de oorspronkelijke Lid-Staten en elk van de nieuwe Lid-Staten, alsmede tussen de nieuwe Lid-Staten. Zoals gezegd had de onderhavige regeling ten doel, het communautaire vrije verkeer van landbouwprodukten mogelijk te maken door een compensatie van die verschillen. Dit impliceerde derhalve telkens opnieuw een vergelijking tussen twee markten (uitvoerende staat en staat van bestemming), op basis waarvan de hoogte van het compenserende bedrag werd vastgesteld. Het moet dan ook ontoelaatbaar worden geacht dat een produkt waarvoor een compenserend bedrag wordt toegekend op grond van het lagere prijsniveau in een andere Lid-Staat, naar die Lid-Staat wordt vervoerd met het enkele doel aldaar de formaliteiten voor inklaring te vervullen, om onmiddellijk daarna door dezelfde exporteur naar een derde Lid-Staat te worden vervoerd, zonder ooit in de eerste Lid-Staat van bestemming op de markt te zijn gebracht. Een dergelijke situatie (waarvan in casu sprake is) is duidelijk in strijd met de ratio van de aan de exporteurs in de vorm van compenserende bedragen toegekende steun, die wordt verleend voor het op de markt brengen van het produkt in de Lid-Staat van bestemming en op grond dat concurrentie met de plaatselijke handelaren — die bevoordeeld zijn door lagere prijzen — zonder communautaire steun onmogelijk is.
Deze redenering samenvattend, kan worden opgemerkt dat de compenserende bedragen een middel vormen tot bevordering van de handel tussen twee Lid-Staten waarvan de marktprijzen op een verschillend niveau liggen. Maar indien een exporteur een Lid-Staat kiest als punt van doorvoer en korte opslag van de goederen, is het onjuist om deze staat als Lid-Staat van bestemming te beschouwen : zij wordt niet betrokken bij de concrete verhandeling, die in werkelijkheid plaatsvindt tussen de uitvoerende staat en de staat van uiteindelijke bestemming.
6.
Tenslotte mag de strekking van de uit te leggen bepaling niet uit het oog worden verloren. Blijkens bovengenoemde bewoordingen van de vierde overweging van verordening nr. 269/73 bestaat deze erin „misbruiken te voorkomen” en „het passende compenserende bedrag toe te kennen”. Het bewijs dat de goederen in de Lid-Staat van bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht ( 3 ), is met het oog op die doelstellingen voorgeschreven. In een geval als het onderhavige kan misbruik niet worden ontkend: voor de levering van een partij Deens graan dat bestemd was voor Duitsland (dit blijkt zowel uit de overeenkomst van 4 september 1975 tussen de firma's Töpfer en Bremer Rolandmühle als uit de instructies aan de commandant van de voor het vervoer bevrachte schepen) zorgde de exporteur ervoor dat in een haven in Engeland werd aangelegd, enkel om het compenserende bedrag te ontvangen. Meer in het algemeen gezegd is ongetwijfeld sprake van misbruik in geval van een zuiver speculatieve transactie van de exporteur, waarbij het in het vrije verkeer brengen van goederen in de Lid-Staat waar zij korte tijd verblijven, beperkt blijft tot het vervullen van de ¡nklaringsformaliteiten. Hieraan kan worden toegevoegd dat een compenserend bedrag, berekend voor het op de markt brengen van een produkt in een Lid-Staat (in casu het Verenigd Koninkrijk), te hoog en derhalve geheel onjuist is indien het wordt toegekend aan degene die het produkt in werkelijkheid naar een andere Lid-Staat (in casu de Bondsrepubliek) uitvoert.
In casu hebben de betrokkenen te hunner verdediging aangevoerd dat de latere weg van de uitgevoerde goederen niets uitstaande heeft met de handelstransactie waarvoor het compenserende bedrag wordt toegekend, en dat geen betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de exporteur weet dat de goederen bestemd zijn om alsnog naar een andere Lid-Staat te worden uitgevoerd; zij hebben voorts betoogd dat de bedoelingen en de subjectieve beweegredenen van de exporteur de toepassing van het stelsel niet mogen beïnvloeden. Het is duidelijk dat deze argumenten niet kunnen worden staande gehouden in een geval als het onderhavige, waarin dezelfde exporteur de goederen — in het kader van in de grond der zaak een enkele handelstransactie — enkel met het oog op inklaring in een Lid-Staat heeft binnengebracht, na reeds een verkoopovereenkomst met een firma in een andere Lid-Staat te hebben gesloten en het verdere vervoer naar deze laatste staat te hebben geregeld. Ik meen evenwel dat zelfs indien de speculatie op andere wijze werd geconstrueerd — bij voorbeeld indien een verkrijger in het land van de eerste bestemming voor rekening van de exporteur optrad als tussenpersoon — op grond van de communautaire regeling inzake de compenserende bedragen zou kunnen worden onderzocht of al dan niet sprake is van misbruik door de exporteur. Immers aangenomen dat het op de markt brengen van het produkt in de Lid-Staat van bestemming latere handelstransacties niet kan verhinderen, moet eveneens worden aangenomen dat de exporteur die de compenserende bedragen ontvangt, onbevoegd is de door hem uitgevoerde goederen naderhand naar andere Lid-Staten over te brengen. De enkele omstandigheid dat hij weet dat de goederen naderhand naar een andere Lid-Staat worden uitgevoerd, is niet van belang; zijn bedoeling evenwel voordeel te trekken uit de technische gebreken van de steunregeling is, indien zij wordt bereikt, ongetwijfeld in strijd met het algemene beginsel van de goede trouw en vormt een onrechtmatig misbruik.
Met betrekking tot de technische gebreken van de regeling zou ik tenslotte willen opmerken dat mij niet duidelijk is, hoe een dergelijk groot verschil kon bestaan tussen het compenserende bedrag dat de importeur heeft ontvangen door het Deense graan in Groot-Brittannië in te voeren alvorens het naar de Bondsrepubliek te vervoeren, en het bedrag dat hij zou hebben ontvangen indien hij het onderhavige produkt rechtstreeks van Denemarken naar de Bondsrepubliek had vervoerd. Men kan zich afvragen of dergelijke technische gebreken werkelijk onvermijdelijk zijn! Zeker is dat een betere redactie van verordening nr. 1466/73 en een betere coördinatie van de verschillende taalversies in elk geval een ander gebrek (dat van technisch-juridische aard) zouden hebben voorkomen en de uitlegging ervan zou hebben vergemakkelijkt.
7.
Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, op de door het Byret te Kopenhagen bij beschikking van 17 oktober 1980 gestelde vraag te antwoorden dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 van de Commissie, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening nr. 1466/73, aldus moet worden uitgelegd dat de exporteur die in een nieuwe Lid-Staat uit een andere Lid-Staat met hogere prijzen afkomstige landbouwprodukten invoert, geen aanspraak kan maken op betaling van compenserende bedragen „toetreding”, indien de goederen na inklaring niet daadwerkelijk op de markt van de invoerende staat worden gebracht, maar onmiddellijk na inklaring door dezelfde ondernemer naar een derde Lid-Staat worden uitgevoerd.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
( 2 ) Noot van de vertaler: in het Italiaans: „ ... immissione al consumo nelle Stato membro di destinazione”.
( 3 ) Noot van de vertaler: in het Italiaans wordt, zoals gezegd, gesproken van „immissione al consumo”.
Full & Egal Universal Law Academy