CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN 13 OKTOBER 1981 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
De zaken waarop de onderhavige conclusie betrekking heeft vinden hun oorsprong in vorderingen tot schadevergoeding, krachtens artikel 178 EEG-Verdrag tegen de Raad en de Commissie ingesteld door enkele Italiaanse ondernemingen die gritz en breukrijst voor de brouwerij-industrie produceren (daaronder is ook een vennootschap die hier brouwt en haar vordering heeft ingesteld als cessionaris van het aan haar leverancier van gritz en breukrijst toekomende recht op restitutie bij de produktie). Betrokkenen stellen, schade te hebben geleden ten gevolge van de intrekking van de restituties bij de produktie voor de beide genoemde landbouwprodukten in het tijdvak tussen augustusseptember 1975 en 19 oktober 1977. Ik wil erop wijzen dat de restituties zijn ingetrokken bij de verordeningen van de Raad nrs. 665 en 668 van 4 maart 1975 — die voor gritz trad op 1 augustus 1975 in werking en die voor breukrijst op 1 september 1975 — en dat het Hof bij arrest van 19 oktober 1977 (gevoegde zaken 124/76 en 20/77, Moulins et Huileries de Pont-à-Mousson en Société Coopérative Providence Agricole de la Champagne) de in verordening nr. 665/75 vervatte intrekking onverenigbaar met het gelijkheidsbeginsel verklaarde en het aan de gemeenschapsinstellingen overliet, aan de discriminerende situatie een einde te maken. Daaraan gaf de Raad bij de verordeningen 1125, 1126 en 1127 van 22 mei 1978 in dier voege gevolg dat hij de derhavige restitutie weer invoerde, doch eerst met ingang van de datum van het arrest. In casu vorderen verzoeksters vergoeding van de schade over de periode tussen de datum van intrekking van de restituties (in drie gevallen een latere datum) en de datum waarop de communautaire rechten weer werden ingevoerd.
De Raad en de Commissie hebben preliminair de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering opgeworpen, stellende dat deze te laat was ingesteld. En nu het Hof heeft besloten deze exceptie afzonderlijk te onderzoeken, beperkt mijn conclusie van heden zich tot het probleem van de ontvankelijkheid.
2.
Tot staving van hun opvatting beroepen de Commissie en de Raad zich op artikel 43 van het aan het EEG-Verdrag gehechte Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie. De eerste volzin van dit artikel bepaalt: „De vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit, dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven.” In casu dient derhalve te worden bepaald welk feit aanleiding heeft gegeven tot de vorderingen van de verzoekende ondernemingen, of juister gezegd, op grond van welk, de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap teweegbrengend, feit de benadeelde ondernemingen de in artikel 178 EEG-Verdrag voorziene vordering hebben kunnen instellen. Volgens de Commissie en de Raad is dit feit de publikatie van de twee verordeningen waarbij de produktierestituties voor gritz en breukrijst werden ingetrokken. De verjaringstermijn zou dus op 20 maart 1975 zijn ingegaan; daar alle rechtsvorderingen na 20 maart 1980 zijn ingesteld, zouden ze zijn verjaard. Volgens verzoeksters echter dient, waar niet-contractuele aansprakelijkheid het bestaan van schade impliceert, als terminus a quo te worden aangemerkt het moment waarop de schade is ingetreden, dat wil zeggen het moment waarop aan de ondernemingen die gritz en breukrijst hadden geproduceerd, geen restituties meer werden uitgekeerd.
3.
In de eerste plaats wil ik opmerken dat mijns inziens aan de bewoordingen van genoemd artikel 43 geen enkel argument kan worden ontleend ten gunste van het standpunt van de gemeenschapsinstellingen. Deze hebben getracht te profiteren van de omstandigheid dat het onderhavige voorschrift verwijst naar het feit dat de aansprakelijkheid teweegbrengt en niet naar de inbreuk op de vermogensrechten van de gelaedeerde; het in artikel 43 bedoelde feit zou derhalve de gebeurtenis zijn die de schade heeft veroorzaakt.
Stricto sensu spreekt het voorschrift echter van het feit dat tot de vorderingen tot schadevergoeding aanleiding heeft gegeven (dit is bijzonder duidelijk in de Italiaanse tekst). Aldus wordt opengelaten of het ingetreden zijn van de schade al dan niet een voorwaarde is om de vorderingen te kunnen instellen. Hetzelfde probleem doet zich overigens ook voor wanneer men van mening is dat bedoeld artikel ongeacht zijn formulering het oog had op het feit dat de aansprakelijkheid teweeg brengt: het staat immers buiten kijf dat de verplichting tot schadevergoeding niet alleen een onrechtmatig handelen vooronderstelt doch ook dat deze handeling schade veroorzaakt voor de gelaedeerde; moet deze schade echter reeds zijn ingetreden of is het voldoende dat reeds met de onrechtmatigheid de schade kan worden voorzien?
4.
In de rechtspraak van het Hof is op dit purit geen vaste lijn te ontdekken. Het arrest van 14 december 1962 (gevoegde zaken 46 en 47/59, Meroni, Jurispr. 1962, blz. 819, inzonderheid blz. 840) bevat der overweging dat de bij artikel 40 van 's Hofs Statuut-EGKS vastgestelde verjaringstermijn, wanneer een schade niet zeker is, eerst kan ingaan wanneer het bedrag ervan definitief is vastgesteld. Bedoeld artikel komt geheel overeen met artikel 43 van het Statuut-EEG. In het arrest van 2 juni 1976 (gevoegde zaken 56 en 60/74, Kampffmeyer, Jurispr. 1976, blz. 711) werd echter verklaard „dat artikel 215 van het (EEG)-Verdrag niet in de weg staat aan een beroep op het Hof ter vaststelling van de aansprakelijkheid der Gemeenschap voor op handen zijnde — en met voldoende zekerheid te verwachten — schade, zelfs niet wanneer het nadeel nog niet nauwkeurig kan worden becijferd” (r.o. 6). In laatstbedoelde zaken vorderden enige Duitse maaibedrijven bij in juli 1974 ingediende beroepsschriften, dat de Gemeenschap aansprakelijk zou worden gesteld voor de schade — en wel voor een toekomstige schade — die zij in het graanverkoopseizoen 1974/1975 zouden hebben geleden ten gevolge, van de in een aantal tussen mei en juni 1974 gepubliceerde verordeningen vervatte prijsregeling en steunverlening voor durumtarwe. De Raad en de Commissie voerden als verweer aan dat het gemeenschapsrecht slechts een schadevergoedingsactie kent voor daadwerkelijk geleden schade. Het Hof verwierp dit betoog met de verklaring dat verzoeksters „aanstonds bij publikatie — en nog vóór de inwerkingtreding — van de regeling der Gemeenschap aan het Hof de vraag mochten voorleggen of en in hoeverre die regeling hun bij de Franse concurrenten in het nadeel kon brengen en, zo ja, of zij derhalve met het beginsel ener gelijke behandeling in strijd moest worden geacht” (r.o. 8). In het arrest van 2 maart 1977 (zaak 44/76, Milch-, Fett- und Eier-Kontor, Jurispr. 1977, blz. 393) werd tenslotte bevestigd dat de Gemeenschap ook aansprakelijk kan worden gesteld voor toekomstige, mits „op handen zijnde en met voldoende zekerheid te verwachten — schade, zelfs ... wanneer het nadeel nog niet nauwkeurig kan worden becijferd”.
Uit de arresten Kampffmeyer en Milch-, Fett-í'.,und Eier-Kontor leiden verweerders af dat de verzoekende ondernemingen hun actie hadden kunnen instellen, zodra de verordeningen houdende intrekking van de restituties voor gritz en breukrijst waren gepubliceerd. Derhalve zou dat moment moeten worden aangemerkt als de terminus a quo van de verjaring van de onderhavige schadevergoedingsacties. Verzoeksters hebben daartegen onder meer aangevoerd dat de mogelijkheid om vergoeding van toekomstige schade te vorderen, het begin van de in artikel 43 van 's Hofs Stá-tuut-EEG bedoelde verjaringstermijn niet beïnvloedt. In deze opvatting zou bovengenoemd arrest-Kampffmeyer de belanghebbende weliswaar de mogelijkheid bieden, in rechte op te treden zodra de schadeveroorzakende maatregel is gepubliceerd, doch hem niet verplichten de actie onmiddellijk in te stellen, omdat anders de extinctieve verjaring zou ingaan. Evenwel mag niet worden vergeten dat elke verjaringstermijn voor een vordering in rechte ingaat op de datum waarop de actie kan worden ingesteld: zulks is inherent aan het begrip extinctieve verjaring zelf. Enkel indien de vordering tot vergoeding van toekomstige schade wordt opgevat als een ander rechtsmiddel dan de vordering tot vergoeding van reeds ingetreden schade (bijvoorbeeld als een vorm van afwending van het loutere risico dat schade zal intreden) zou men zich twee verschillende verjaringstermijnen voor elk van beide acties kunnen voorstellen. Deze opvatting is echter vreemd aan het gemeenschapsrecht, dat slechts één soort actie met betrekking tot niet-contractuele aansprakelijkheid kent, die er zowel op is gericht de aansprakelijkheid vast te stellen als de gelaedeerde schadeloos te stellen. Mitsdien komt het mij voor dat, voor zover de vordering uit de artikelen 215 en 178 EEG-Verdrag kan worden geacht ook voor toekomstige schade te kunnen worden ingesteld, het moment waarop de bevoegdheid tot instelling van de vordering kan worden uitgeoefend, de terminus a quo van de verjaring vormt voor elke vordering tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor het schadeveroorzakende feit.
5.
Doorslaggevend voor de oplossing van het geschilpunt is de bepaling van de onrechtmatige daad waarvoor de Gemeenschap door verzoekers aansprakelijk word geacht. Is dat werkelijk de loutere vaststelling van de maatregelen waarbij de produktierestitutie voor gritz en breukrijst werden ingetrokken, dat wil zeggen de uitvaardiging ervan, onafhankelijk van hun inwerkingtreding? Het antwoord kan slechts ontkennend luiden: indien deze maatregelen om een of andere reden niet in werking waren getreden, zou er geen onrechtmatige daad zijn geweest.
Deze bevinding — die mijns inziens geldt in elk geval waarin de niet-contractuele aansprakelijkheid voortvloeit uit een normatieve handeling — geldt zeker in het onderhavige geval. In genoemd arrest van 19 oktober 1977 (Moulins et Huileries de Pont-à-Mousson en Société Coopérative Providence Agricole de la Champagne) verklaarde het Hof dat „de rechtstoestand die door artikel 3 van de verordening 665/75 ... in het leven is geroepen, onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel en dat de bevoegde instellingen van de Gemeenschap de nodige maatregelen dienen te nemen om deze onverenigbaarheid op te heffen” (r.o. 28). In datzelfde arrest werd opgemerkt dat „er verschillende mogelijkheden bestaan om weer tot een gelijke behandeling van de twee betrokken produkten te' komen ...”. In werkelijkheid is dus de onrechtmatige daad waarvoor de EEG ter verantwoording wordt geroepen, de discriminerende situatie die is ontstaan ten gevolge van de maatregelen waarbij de restituties werden ingetrokken. Deze situatie bestond vanaf het moment waarop die maatregelen werden toegepast; zij zou zich nooit hebben kunnen voordoen indien de communautaire autoriteiten in de periode van enkele maanden tussen de vaststelling en de inwerkingtreding van de maatregelen tot intrekking ook de intrekking hadden gelast van de restituties voor zetmeel, het anders behandelde gelijksoortige produkt. Een van de mogelijkheden om de gelijke behandeling van de twee vergeleken produkten (maïszetmeel en gritz voor de brouwerij-industrie) weer te herstellen, was in feite de opheffing van de communautaire steunregeling voor beide produkten. Het spreekt nagenoeg vanzelf dat discriminatie ook had kunnen worden voorkomen door intrekking van de onderhavige maatregelen voordat de gevolgen ervan ontstonden. Deze laatste mogelijkheid is echter minder waarschijnlijk en, zoals gezegd, was er een arrest van het Hof nodig om de gemeenschapsinstellingen ertoe te brengen de ingetrokken restituties weer in te voeren.
Op grond van het vorenoverwogene zouden verzoeksters in de periode tussen 20 maart 1975 en de datum van inwerkingtreding van de voorschriften waarbij de restituties werden ingetrokken, geen actie hebben kunnen instellen, ook niet door gebruik te maken van de mogelijkheid vergoeding van toekomstige schade te vorderen, om de eenvoudige reden dat de onrechtmatige situatie zich nog niet had voorgedaan.
6.
Andere nuttige opmerkingen kunnen worden gemaakt met als uitgangspunt de aard van de onrechtmatige daad, zoals deze zich aan mij heeft voorgedaan. Een discriminerende situatie is niet een eenmalige, maar een duurzame onrechtmatigheid die in de tijd voortduurt en geleidelijk steeds ernstiger schadelijke gevolgen teweegbrengt. Indien men nu de door mij aangehangen opvatting deelt, dat de onrechtmatige situatie in casu was ingetreden op het moment van inwerkingtreding van de verordeningen 665 en 668/75, geeft dat — voor wat het begin van de verjaringstermijn betreft — hetzelfde resultaat als waartoe verzoeksters komen met een beroep op het feit dat de schade is ingetreden op het moment waarop volgens het door deze maatregelen ingetrokken stelsel aanspraak op de restituties had kunnen worden gemaakt. Hierbij ga ik er echter van uit dat de datum waarop de onrechtmatige situatie zich voor het eerst voordeed dezelfde is als die waarop genoemde verordeningen werden uitgevaardigd. Dit neemt niet weg dat de situatie onrechtmatig is gebleven tot en met 19 oktober 1977, vanaf welke datum opnieuw aanspraak op restituties kon worden gemaakt. De vordering tot schadevergoeding is dus geleidelijk verjaard, zoals in elk geval van duurzame onrechtmatigheid. Enkel de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van de schade die eventueel is ontstaan door de discriminerende situatie van vóór de vijf jaar voorafgaande aan het instellen van de actie, moet dus verjaard word geacht.
Vervolgens wil ik duidelijk stellen dat wanneer in casu een soort permanente onrechtmatigheid mocht blijken te hebben bestaan vanaf het moment waarop de maatregelen tot intrekking van de restituties werden uitgevaardigd, de gelaedeerden niet bevoegd konden worden geacht een actie tot vergoeding van toekomstige schade in te stellen in het tijdvak tussen maart 1975 en de datum van inwerkingtreding van deze maatregelen. Immers zoals gezegd moet volgens genoemd arrest-Kampffmeyer toekomstige schade „met voldoende zekerheid te verwachten” zijn op het moment waarop de actie wordt ingesteld. Deze mate van zekerheid ontbrak echter zolang de gemeenschapsinstellingen de schadelijke gevolgen van de getroffen maatregelen geheel konden voorkomen door een van de twee hiervoor aangeduide beslissingen te nemen (eveneens intrekking van de restituties voor zetmeel of tijdige intrekking van bedoelde maatregelen).
Voor wat de voorzienbaarheid van de schade betreft wil ik tenslotte ook nog een andere omstandigheid onderzoeken.
Voor het recht om de onderhavige produktierestituties te innen gold, zoals bekend, zowel voor gritz als voor breukrijst als voorwaarde, dat beide voor het brouwen van bier waren gebruikt. Dat betekent dat het risico van schade ten gevolge van het niet-uitkeren van de restituties werd beïnvloed door de keuze van de producerende ondernemingen en de houding van de afnemers aangaande de bestemming en het gebruik van gritz en breukrijst. In een dergelijke situatie kan moeilijk worden aangenomen dat alle potentieel betrokken ondernemingen op het moment waarop de restituties voor beide bovengenoemde produkten werden ingetrokken, met voldoende zekerheid konden vaststellen dat zij schade zouden lijden (tenzij mag worden aangenomen dat de actie tot vergoeding van toekomstige schade kan worden ingesteld door eenieder die behoort tot een groep die potentieel in haar geheel door een communautaire maatregel wordt benadeeld.
7.
Tot staving van de opvatting dat de onrechtmatige daad in casu een eenmalig en niet een duurzaam karakter had, heeft de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting betoogd dat de schade bestond in het verlies van de ondernemingen dat onmiddellijk na de publikatie van de maatregelen tot intrekking van de restituties kon worden vastgesteld. Ik geloof echter niet dat uit de vermeende aard van de door de ondernemingen geleden schade een conclusie kan worden getrokken omtrent de aard van de onrechtmatige daad: het omgekeerde is logischer. Door de onderhavige onrechtmatigheid voor te stellen als een discriminerende situatie die ontstond toen de maatregelen tot intrekking van de restituties werden vastgesteld, zou het theoretisch ook mogelijk zijn het verlies van de onderneming tot de op het moment van die vaststelling waarneembare nadelige gevolgen te rekenen (welk verlies later tot uiting zou komen bij de berekening van de invloed van het niet ontvangen van de verwachte inkomsten op het bedrijfsvermogen). In casu is echter de ontvankelijkheid van bepaalde vorderingen aan de orde. In de eerste plaats mag niet worden vergeten dat deze acties zijn ingesteld nadat inderdaad ten gevolge van de intrekking van de restituties inkomsten niet waren ontvangen, terwijl voorts de schade die verzoeksters vergoed willen zien, is veroorzaakt door de intrekking en het gedurende een bepaalde en reeds verstreken periode niet opnieuw invoeren van de restituties voor gritz en breukrijst. Mitsdien kan het standpunt van de Commissie mij in het geheel niet overtuigen en blijf ik de mening toegedaan, dat de onrechtmatigheid de quo bestond in de vanaf de datum van toepassing van de maatregelen tot intrekking van de restituties tot en met 19 oktober 1977 durende discriminerende situatie, en dat de nadelige gevolgen ten gevolge van het niet uitkeren van de restituties geleidelijk zijn ontstaan.
8.
Tot staving van deze opvatting wijs ik op de ongerijmde gevolgen waartoe het tegenovergestelde standpunt leidt. De verzoekende onderneming in zaak 257/80 (de vennootschap Mangimi Niccolai) is pas in maart 1976 met de produktie van gritz en gries voor de brouwerij-industrie begonnen, dat wil zeggen in een tijdvak na zowel de vaststelling als de inwerkingtreding van de maatregelen waarbij de restituties voor deze groepen produkten waren ingetrokken. Desalniettemin stellen de Raad en de Commissie dat ook in dat geval de verjaring was ingegaan op het moment van publikatie van de verordeningen 665 en 668/75. Dat komt neer op de bewering dat het tijdvak tussen maart 1975 en maart 1976, toen de onderneming duidelijk geen aanspraak kon maken op vergoeding van de schade ten gevolge van de discriminatie van de producenten van gritz voor de brouwerij-industrie, eveneens tot de verjaringstermijn van vijf jaar moet worden gerekend alsof de rechthebbende geheel had stilgezeten (tenzij men ervan uitgaat dat de onderhavige onderneming een actie tot schadevergoeding kon instellen nog voor zij met de produktie van het gediscrimineerde produkt was begonnen). Om deze moeilijkheid te overwinnen heeft de Raad zich beroepen op het arrest van het Hof van 4 oktober 1979 (gevoegde zaken 241, 242, 245-250/78, DGV Deutsche Getreideverwertung und Rheinische Kraftfutterwerke GmbH e.a., Jurispr. 1979, biz. 3017). Rechtsoverweging 19 betreft het geval van een onderneming die pas in februari 1976 was opgericht en de gritzproduktie ter hand had genomen, dat wil zeggen enige maanden na het besluit van de Raad tot intrekking van de gritzrestituties. Het Hof was van oordeel dat de door de onderneming geleden schade niet kon worden vergoed, en blijkbaar had de Raad in dat geval dezelfde oplossing gesuggereerd. In bovengenoemd arrest hield het Hof zich echter niet bezig met het probleem van het begin van de termijn voor het instellen van de schadevergoedingsactie — de enige vraag die thans aan de orde is — maar met het totaal andere, materieelrechtelijke probleem van het bestaan van aansprakelijkheid van de Gemeenschap. Het beroep op die zaak lijkt mij dan ook niet terecht.
9.
Thans ga ik over tot een onderzoek van de feitelijke situatie in elk van de onderhavige zaken afzonderlijk, om vast te stellen of en eventueel in hoeverre elk beroep tijdig is ingesteld en derhalve ontvankelijk is. Daartoe moet rekening wordenden gehouden met de data waarop de verzoeken tot schadevergoeding bij de Commissie zijn ingediend. Genoemd artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG bepaalt immers, behalve dat de onderhavige verjaringstermijn vijf jaar bedraagt, dat „de verjaring wordt gestuit, hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, hetwelk de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden bepaald in artikel 173 ...” Anderzijds kunnen bij letterlijke toepassing van dit voorschrift enkel de op juiste wijze tot de gemeenschapsautoriteiten gerichte verzoeken om schadevergoeding ex artikel 215 EEG-Verdrag de verjaring stuiten. Ik kan namelijk niet meegaan met de door verzoeksters verdedigde opvatting, dat ook de tot de nationale autoriteiten gerichte verzoeken de verjaring kunnen stuiten op grond dat die autoriteiten verplicht zijn verzoeken aan de communautaire instanties door te zenden (of liever gezegd metterdaad ervoor moeten zorgen dat ze worden doorgezonden). Mijns inziens heeft het doorzenden van ten onrechte bij de nationale autoriteiten ingediende verzoeken om schadevergoeding naar de gemeenschapsautoriteiten waarschijnlijk enkel een (niet verplichte) informatieve functie in het kader van de samenwerking tussen nationale en communautaire autoriteiten op administratief terrein. Hier bevinden we ons dus op een geheel ander vlak dan dat van de verjaring.
Na het bovenstaande wil ik erop wijzen dat de verzoeken om schadevergoeding voor wat de gritzproduktie betreft op 18 augustus 1980 zijn ingediend door de firma Wührer (verzoekster in zaak 256/80), op 15 maart 1980 door de firma Mangimi Niccolai (verzoekster in zaak 257/80), op 27 maart 1980 door de vennootschap de Franceschi di Pordenone (verzoekster in zaak 265/80), op 15 april 1980 door de firma de Franceschi di Monfalcone (verzoekster in zaak 51/81) en, voor wat de breukrijstproduktie betreft, op 8 augustus 1980 door de vennootschap Riseria Modenese (die zaak 267/80 aanhangig heeft gemaakt) en op 2 september 1980 door de firma Riserie Angelo e Giacomo Roncaia (verzoekster in zaak 5/81). Doch aangezien de discriminerende situatie (het feit dat de aansprakelijkheid teweegbracht) op 1 augustus 1975 is ingetreden voor de gritzproducenten en op 1 september 1975 voor de breukrijstproducenten, hebben de vennootschappen Mangimi Niccolai, De Franceschi di Pordenone, Riseria Modenese en De Franceschi di Monfalcone hun verzoek — en vervolgens hun beroep in rechte — ingediend vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van vijf jaar. Dat maakt een afzonderlijk onderzoek van de situatie van de vennootschap Mangimi Niccolai, die zoals gezegd eerst op 16 maart 1976 gritz voor de bierbrouwerij begon te produceren, overbodig. Voor de beide andere ondernemingen (Birra Wührer en Riserie Roncaia) dient het voor een onrechtmatige daad van duurzame aard geldende criterium te worden toegepast, volgens hetwelk het verzoek om schadevergoeding en de daarop volgende actie gedeeltelijk zijn verjaard voor wat de meer dan vijf jaar vóór de indiening van de afzonderlijke vorderingen geleden schade betreft.
10.
Concluderend geef ik het Hof in overweging:
a)
het door de SpA Mangimi Niccolai, de SpA De Franceschi Marino & Figli, te Pordenone, de Sri Riseria Modenese en de SpA De Franceschi, te Monfalcone, tegen de Commissie en de Raad van ministers van de Europese Gemeenschappen ingestelde beroep ontvankelijk te verklaren;
b)
het door de SpA Birra Wührer tegen de Commissie en de Raad van ministers ingestelde beroep ontvankelijk te verklaren, doch uitsluitend voor de na 18 augustus 1975 ingetreden schade;
c)
het door de firma Riserie Angelo e Giacomo Roncaia tegen de Commissie en de Raad van ministers ingestelde beroep ontvankelijk te verklaren, doch uitsluitend voor de na 2 september 1975 ingetreden schade.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy