CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 10 JULI 1984
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De feiten
Voor een volledige weergave van de vele voor het beroep in deze gevoegde zaken relevante feiten, kan ook in dit geval weer worden verwezen naar het rapport ter terechtzitting. De inhoud van dit door het Statuut van het Hof (artikel 18, 4e alinea) vereiste processtuk beïnvloedt in niet onbelangrijke mate de omvang van de conclusies. Op grond van het in casu uitgebrachte rapport kan ik hier volstaan met een korte samenvatting van het belangrijkste feitenmateriaal.
Zoals U weet, wordt ongeveer 8 % van de communautaire graanproduktie aangewend voor industriële doeleinden, in het bijzonder voor de produktie van het basisprodukt zetmeel. Om de produktie van zetmeel ten opzichte van vooral synthetische substituten concurrerend te houden, voorziet de gemeenschappelijke graanmarktordening in de toekenning van restituties voor de produktie van dit zetmeel. Ditzelfde geldt onvermijdelijk ook voor de met zetmeel concurrerende produkten „Quellmehl” (bereid uit maïs en broodtarwe voor de bakkerij-industrie) en „gritz” (meel uit maïs en breukrijst voor de brouwerij).
Sinds het in werking treden van de gemeenschappelijke marktordening geldt ten aanzien van deze restituties bij de produktie het gelijkheidsbeginsel. In de loop der tijd echter stegen de budgettaire lasten van deze uitgaven aanzienlijk. Voor de Raad vormde deze ontwikkeling aanleiding om — in het kader van een aantal hervormingen in deze marktordeningen — de restituties voor de produktie van gritz en Quellmehl zonder meer af te schaffen. Dit vond plaats bij de verordeningen nrs. 665/75 (maïsgritz per 1. 8. 1975) en 668/75 (breukrijst per 1. 9. 1975) (PB L 72 van 1975, bLz. 14 en 18.) Deze handelingen leidden tot beroepen van door de afschaffing getroffen ondernemingen, naar aanleiding waarvan Uw Hof deze afschaffing wegens schending van het genoemde gelijkheidsbeginsel ongeldig verklaarde. Ter zake van de Quellmehlrestituties vond dit plaats in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77 (Jurispr. 1977, blz. 1753); ter zake van gritz in de zaak 117/76 (Jurispr. 1977, blz. 1753) en in de gevoegde zaken 124/76 en 20/77 (Jurispr. 1977, blz. 1795).
Naar aanleiding van deze arresten werden bij verordeningen nrs. 1125/78, 1126/78 en 1127/78 van 22 mei 1978
(PB L 142 van 1978) de produktierestituties van maïs, gritz en breukrijst weer ingevoerd. Dit vond plaats met terugwerkende kracht tot 19 oktober 1977, de datum waarop de arresten in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77 en de gevoegde zaken 124/76 en 20/77 werden gewezen. Dienovereenkomstig werden voor de tussenliggende periode — 1 augustus respectievelijk 1 september 1975 tot 19 oktober 1977 — geen restituties toegekend. In de arresten gewezen op 4 oktober 1979 in de zaak 238/78 (Jurispr. 1979, blz. 2955), de gevoegde zaken 241, 242, 245 en 250/78 (Jurispr. 1979, blz. 3017), de gevoegde zaken 261 en 262/78 (Jurispr. 1979, blz. 3045) en de gevoegde zaken 64 en 113/76, 167 en 239/78, 28 en 45/79 (Jurispr. 1979, blz. 3091) heeft Uw Hof erkend, dat voor schade, voortvloeiend uit het niet toekennen van de restituties gedurende deze tussenliggende periode, de Gemeenschap aansprakelijk is.
In de onderhavige zaken gaat het om een aantal Italiaanse ondernemingen die stellen gedurende het tussenliggende tijdvak maïsgritz en/of breukrijst bestemd voor de brouwerij te hebben aangewend. Conform de arresten van 19 oktober 1977 en 4 oktober 1979 verzochten deze ondernemingen de Gemeenschap tot betaling van restituties over deze tussenliggende periode.
De Commissie weigerde echter hierop in te gaan, zich beroepend op artikel 43 van het Statuut van het Hof inzake de verjaring. De ondernemingen stelden daarop een procedure ex artikel 215, 2e alinea, van het EEG-Verdrag in. In Uw interlocutoire arresten van 27 januari 1982 in de gevoegde zaken 256, 257, 265, 267/80 en 5/81, alsmede in de zaak 51/81 heeft Uw Hof de van de zijde van de Gemeenschap aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid verworpen. Derhalve bent U thans geroepen te oordelen over de gegrondheid van het beroep in deze zaken, alsmede van dat in de zaak 282/82. Al met al strekken de naweeën van de abrupte afschaffing van de restituties in 1975 door de Raad zich aldus uit over een periode van bijna tien jaren.
2. De ontvankelijkheid van de beroepen
Met inachtneming van de verjaringstermijn van artikel 43 van's Hofs Statuut, kunnen de perioden waarop de vorderingen tot schadevergoeding van de zes ondernemingen betrekking hebben, thans als volgt worden vastgesteld :
—
zaak 256/80: 18 augustus 1975 tot en met 18 oktober 1977,
—
zaak 257/80: 24 november 1975 tot en met 18 oktober 1977,
—
zaak 265/80: 28 november 1975 tot en met 18 oktober 1977,
—
zaak 267/80: 8 augustus 1977 tot en met 18 oktober 1977,
—
zaak 5/81: 12 februari 1976 tot en met 18 oktober 1977,
—
zaak 51/81: 9 maart 1976 tot en met 18 oktober 1977.
Voor een uitgebreidere weergave van de berekening van deze perioden verwijs ik wederom naar het rapport ter terechtzetting.
Ten aanzien van de zaak 282/82, welk beroep pas op 23 juni 1982 werd ingesteld en dus geen voorwerp vormde van uw arrest van 27 januari 1982, bestaat nog verschil van mening. Verzoeker in deze zaak, Birra Peroni, stelt dat de verjaringstermijn pas zou zijn aangevangen op 30 mei 1978, de datum van de publikatie van de verordeningen 1125/78 en 1127/78 van 23 mei 1978 (PB L 142 van 1978). Dit standpunt kan naar mijn oordeel niet worden gevolgd. De verjaringstermijn van artikel 43 van's Hofs Statuut heeft betrekking op de feiten die samenhangen met het afschaffen van de verordeningen 665/75 en 668/75 en niet op de latere rechtshandelingen die ten doel hebben de aangerichte en door Uw Hof erkende schade weg te nemen. Dit valt ook duidelijk af te leiden uit overweging 10 van uw interlocutoire arrest van 27 januari 1982, waarbij als gezegd de ontvankelijkheidsargumenten van de Raad en de Commissie werden afgewezen. Conform het door de Commissie en de Raad ingenomen standpunt zal de periode in de zaak 282/82 vastgesteld moeten worden op 23 juni 1977 tot en met 18 oktober 1977.
3. Het beroep ten gronde
Het beroep ten gronde van de zeven Italiaanse ondernemingen strekt ertoe de Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van de schade die is voortgevloeid uit het afschaffen van de produktierestituties bij verordeningen nrs. 665/75 en 668/75 van 4 maart 1975 volgens de door hen aangevoerde berekeningen en die welke het Hof nodig mocht oordelen. Voorts verzoeken zij de Gemeenschap te veroordelen tot betaling van de gederfde rente en de proceskosten. De Raad daarentegen verzoekt Uw Hof verzoekers op te dragen het bestaan van de daardwerkelijke schade, alsmede het causale verband daarvan met de onwettige handelingen van de Raad te bewijzen, bij gebreke waarvan het beroep verworpen zou dienen te worden, met veroordeling in de kosten. Subsidiair, indien de vorderingen geheel of gedeeltelijk gegrond worden bevonden, verzoekt de Raad deze te verminderen met de bedragen die op een volgend stadium in de handel zijn afgewenteld en vervolgens deze bedragen in lires vast te stellen meţ toepassing van de representatieve (groene) koers, op het moment dat de betaling van de restituties plaats had moeten vinden. De Commissie concludeert zonder meer tot verwerping van de beroepen, zich hoofdzakelijk baserend op de overweging dat de verliezen voortvloeiend uit de afschaffing van de restituties door prijsverhogingen op de afnemers zijn afgewenteld.
Deze respectievelijke vorderingen moeten worden gezien in het licht van uw eerdere arresten van 4 oktober 1979, waarin Uw Hof heeft vastgesteld dat de Gemeenschap ex artikel 215, 2e alinea, aansprakelijk is voor de schade, voortvloeiend uit het afschaffen van de restituties. Voorts is door Uw Hof in dezelfde arresten voor recht verklaard dat bij de berekening van de schade moet worden uitgegaan van het restitutiebedrag (gelijk aan dat voor maïszetmeel). Tegelijkertijd is erkend dat indien een afwenteling van de schade door hogere verkoopprijzen zou hebben plaatsgevonden, daarmede bij de vaststelling van de schade rekening zou moeten worden gehouden, in deze zaken bleek dit echter niet het geval te zijn, zodat de schade inderdaad werd berekend op grond van voor maïszetmeel geldende restitutiebedragen. Ditzelfde heeft plaatsgevonden in het arrest in de zaak 256/81 van 18 mei 1983 (Pauls Agriculture Ltd. t. Raad en Commissie, Jurispr. 1983, biz. 1707).
4. Het afwentelingsprobleem en de bewijslast
Dat de omvang van de geldvorderingen van justitiabelen op de nationale of communautaire overheid wegens ten onrechte geheven nationale of communautaire belastingen of ten onrechte niet uitbetaalde nationale of communautaire subsidies krachtens gemeenschapsrecht mede bepaald wordt door de mate waarin een afwenteling op volgende handelsfasen heeft plaatsgevonden, is in Uw rechtspraak een algemeen aanvaard gegeven. In algemene bewoordingen is dit beginsel nog eens onder woorden gebracht in de overweging 13 van Uw arrest in de zaak 199/82, San Giorgio (Jurispr. 1983, blz. 3595). Zoals ook de onderhavige zaken illustreren, is de implementatie van dit beginsel in sterke mate afhankelijk van de verdeling van de bewijslast. Gegeven de door Uw Hof uitgesproken regel dat de schade berekend moet worden op grond van de niet toegekende restitutiebedragen zijn er naar mijn oordeel drie argumenten aan te voeren waarom de bewijslast voor een eventueel plaatsgevonden hebbende afwenteling rust op de communautaire instellingen.
In de eerste plaats een economisch argument. Zoals ik in de aanvang van mijn conclusie reeds heb betoogd, zijn de onderhavige produktierestituties ingevoerd om een concurrerende aanwending van maïsgritz en breukrijst mogelijk te maken. De economische ratio van de produktierestituties is dat zonder toekenning daarvan de betrokken produkties geen rendabel bestaan zouden hebben. Men mag er derhalve vanuit gaan dat het nadeel van de intrekking van de restituties in beginsel niet in de verkoopprijzen is verwerkt, aangezien anders de concurrerende positie van deze produkten verloren zou zijn gegaan. Dit economisch argument schept dus een juridisch relevant vermoeden, ten gunste van klagers, dat volgens normale markteconomische beginselen, afwenteling niet heeft plaatsgevonden. Het is daarom logisch dat de Raad dit vermoeden weerlegt.
In de tweede plaats moet bedacht worden dat tussen de restitutiebedragen en de daadwerkelijk toegepaste verkoopprijzen wel een economisch maar geen juridisch verband bestaat. Het recht op restituties is niet afhankelijk van de daadwerkelijk toegepaste prijzen maar enkel van het aanwenden in de produktie van breukrijst voor de brouwerij en het produceren van maïsgritz. Terecht besliste Uw Hof dan ook in de arresten van 4 oktober 1979 dat bij de berekening van de geleden schade van de restitutiebedragen moet worden uitgegaan. Als uitgangspunt geldt derhalve dat de schade gelijk is aan de bedragen van de ingetrokken restituties, tenzij bewezen wordt dat afwenteling heeft plaatsgevonden. Het staat dan ook aan de Raad daarvan de omvang te bewijzen.
In de derde plaats volgt uit overweging 14 van Uw eerder genoemde San Giorgio-arrest, dat de verdeling van de bewijslast bij het terugvorderen van de in strijd met het gemeenschapsrecht geheven bedragen niet zodanig mag zijn dat de terugvordering daarmee in feite onmogelijk wordt gemaakt. Dit is, aldus Uw Hof, in het bijzonder het geval indien op de justitiabele de bewijslast drukt dat hij deze lasten niet heeft afgewenteld op volgende stadia in de handel. Mutatis mutandis geldt dit beginsel ook bij in strijd met. het gemeenschapsrecht niet uitbetaalde subsidies. Ook uit dit arrest volgt naar mijn oordeel dat de bewijslast inzake de afwenteling berust bij de Raad.
5. De schadevergoeding
Nu naar mijn oordeel de bewijslast voor een eventuele afwenteling van de schade, ontstaan door het intrekken van de produktierestituties, berust bij de Raad, kan onder dit voorbehoud het bedrag van de door verzoekers gevorderde schade worden vastgesteld op het equivalent van restituties voor het gebruik van maïs voor de fabricage van zetmeel, welke zouden zijn betaald indien voor de onder punt 2 genoemde tijdvakken deze restituties zouden zijn toegekend. De concrete vaststelling van de bedragen per individuele onderneming zal uiteraard afhangen van de verificatie van de relevante bewijsstukken door de bevoegde instanties. Conform Uw arrest in de zaak 256/81 en het door verzoekers tijdens de mondelinge behandeling gevraagde, geeft dit naar mijn oordeel aanleiding tot een tussenarrest waarbij de bepaling van de bedragen aan partijen wordt overgelaten en, indien dit niet tot resultaten leidt, Uw Hof ter zake zal beslissen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Uw Hof zich kritisch uitgelaten over de nalatigheid van de gemeenschapsinstellingen reeds tot een zodanige verificatie over te gaan. Dit inachtnemend, is naar mijn oordeel een termijn van zes maanden op zijn plaats.
In de zaken 256/80 en 282/82 speelt voorts het probleem een rol dat verzoekers geen maïsgritz- c.q. breukrijstproducenten zijn, maar bierbrouwerijen die in hoedanigheid van cessienemer de schade vorderen die hun toeleveringsbedrijven hebben geleden en vervolgens aan hen hebben gecedeerd. Voor nadere gegevens terzake verwijs ik wederom naar het rapport ter terechtzitting.
Voorzover de feitelijke situatie van deze cessie niet geheel duidelijk is, in het bijzonder voor wat betreft de overdracht van de vorderingen van verzoekers in de zaken 267/80 en 5/81 aan Birra Peroni, zal deze kwestie opgelost kunnen worden in het kader van de verificatie van bewijsstukken door bevoegde instanties. Dit geldt ook voor het bezwaar dat de Commissie heeft opgeworpen dat de cessie, die heeft plaatsgevonden krachtens of naar aanleiding van een circulaire van de Italiaanse autoriteit, niet geheel in overeenstemming zou zijn met de in deze circulaire neergelegde regels. Aangezien door de gemeenschapsinstellingen niet is gesteld dat de onderhavige cessie een wederrechtelijk karakter zou bezitten, en deze dienovereenkomstig aan hen niet zou kunnen worden tegengeworpen, acht ik geen termen aanwezig tot een zodanig onderzoek als door Uw arrest in de zaak 250/78 (Jurispr. 1983, blz. 421) vereist, over te gaan.
De Raad en de Commissie hebben voorts betoogd dat de cessienemers hun recht op schadevergoeding alleen geldend kunnen maken indien zij aantonen daadwerkelijk hun afnemers voor het verlies van de restituties schadeloos te hebben gesteld. Ik acht deze stelling onhoudbaar in het licht van de door mij bepleite verdeling van de bewijslast. Zij is voorts in strijd met de aard van de restitutie zelf welke gekoppeld is aan het produkt en niet noodzakelijkerwijze aan de producent daarvan.
6. De renten en de omrekeningskoers
Over de vraag naar de gevorderde renten en de toe te passen omrekeningskoers kan ik kort zijn. Beide vragen zijn in Uw interlocutoire arrest in de zaak 256/81, respectievelijk overweging 14 en 17, beantwoord. Aldaar heeft U de rentevoet voor een identieke vordering vastgesteld op 6 %, te berekenen vanaf de datum van het arrest en, in navolging van Uw arrest in de gevoegde zaken 64/76 e. a. Jurispr. 1982, blz. 1733), de omrekeningskoers vastgesteld die geldt op de datum van het arrest waarin de verplichting tot schadevergoeding wordt vastgelegd.
7. Conclusie
Samenvattend, concludeer ik dat,
1.
De EEG veroordeeld dient te worden tot betaling aan verzoekers van de bedragen overeenkomende met de restituties bij de produktie van maïsgritz en breukrijst bestemd voor de brouwerij, welke verzoekers zouden hebben ontvangen indien, vanaf de in paragraaf 2 van deze conclusie aangegeven en onderling uiteenlopende tijdstippen dat hun beroep ontvankelijk is tot 19 oktober 1977, het gebruik van deze produkten recht had gegeven op dezelfde restituties als voor het gebruik van maïs voor de fabricage van zetmeel.
2.
Deze bedragen dienen eventueel verminderd te worden met de bedragen die zijn afgewenteld op latere fasen in de commercialisatie door verhoging van de prijzen. De bewijslast ter zake van deze afwenteling berust bij de Gemeenschap.
3.
De te betalen bedragen zullen worden vermeerderd met 6 % rente vanaf de datum van het arrest; deze datum zal ook in aanmerking worden genomen voor de omrekening van de bedragen in nationale valuta.
4.
Partijen dienen binnen zes maanden na het te wijzen arrest het in gemeen overleg vastgestelde bedrag van de schadevergoeding aan het Hof mede te delen.
5.
Bij gebreke aan overeenstemming zullen partijen binnen dezelfde termijn hun berekeningen aan het Hof doen toekomen.
6.
De beslissing omtrent de kosten dient te worden aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy