CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 29 OKTOBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het geding waarin ik thans mijn standpunt heb te bepalen, betreft de door de Commissie bij beschikking nr. 2794/80 (PB L 291 van 31. 10. 1980, blz. 1 e.v.) getroffen regeling inzake de staalquota, die ons in grote trekken reeds bekend is uit de zaken 275/80 en 24/81 — firma Krupp Stahl AG t. Commissie (conclusie van 25 juni 1981) —.
Op verzoekster, een ruw staal en lichte profielen producerende onderneming, werd de regeling toegepast in dier voege dat er op 1 november 1980 te haren aanzien door de Commissie een individuele beschikking werd vastgesteld, waarbij haar voor het vierde kwartaal van 1980 mededeling werd gedaan van de referentieproduktiecijfers en de produktiequota voor ruw staal en produkten vallende onder categorie IV van artikel 2 van beschikking nr. 2794/80.
Ten aanzien van verzoekster werd ook toepassing gegeven aan artikel 13 van beschikking nr. 2794/80:
„De Commissie verifieert de juistheid van de door de ondernemingen verstrekte opgaven en inlichtingen. De ondernemingen zijn verplicht deze verificaties toe te staan, zonder dat daartoe een individuele beschikking noodzakelijk is ...”
Zij werd hiervan verwittigd in de nota van de Commissie de dato 3 november 1980, volgens welke de verificaties zouden geschieden door het personeel van een beheersmaatschappij, dat zich zou doen vergezellen door ingenieurs. Verzoekster weigerde aanvankelijk deze controles toe te staan, waartoe zij zich beriep op artikel 1, lid 4, van beschikking nr. 2794/80:
„De Commissie beheert het quotastelsel. Zij kan zich door onafhankelijke instellingen of deskundigen doen bijstaan. Het zakengeheim van de ondernemingen dient te zijn gewaarborgd”.
Verzoekster zag die geheimhouding evenwel in gevaar gebracht, nu ook personeelsleden van een concurrerende onderneming aan de controle zouden deelnemen. Haars inziens zou er in zoverre slechts gebruik mogen worden gemaakt van de diensten van inspecteurs der Commissie of van onafhankelijke experts. Blijkbaar wordt verzoeksters bedrijf evenwel sinds december 1980 toch gecontroleerd, zonder dat de Commissie haar methode — inschakeling van technische deskundigen, afkomstig uit andere ondernemingen — heeft gewijzigd. Bijzondere moeilijkheden hebben zich daarbij, naar zij tijdens de mondelinge behandeling verzekerde, niet voorgedaan.
De door de Commissie gecreëerde quotaregeling en haar toepassing in meer dan een opzicht aanvechtbaar achtend, wendde verzoekster zich op 24 november 1980 tot het Hof van Justitie, vorderende dat de haar gedane mededeling van 1 november 1980, na vaststelling van niet-toepasselijkheid van beschikking nr. 2794/80, zou worden nietigverklaard.
Ik meen te dien aanzien als volgt mijn standpunt te moeten bepalen:
I — Ontvankelijkheidsvragen
De ontvankelijkheid van het beroep als zodanig werd niet in twijfel getrokken, en wel, naar ik in voormelde zaken Krupp heb aangetoond, volkomen terecht.
De Commissie acht echter twee tegen de algemene beschikking — en in ieder geval niet tegen de bestreden handeling als zodanig — gerichte grieven niet-ontvankelijk. Daar is allereerst de grief dat de Commissie zich, ter verificatie van de juistheid van verzoeksters opgaven en inlichtingen, ook bediende van deskundigen die bij concurrerende ondernemingen in dienst zijn. In de tweede plaats beroept zij zich op artikel 7, lid 2, van beschikking nr. 2794/80, volgens hetwelk de ondernemingen, wat de aan het quotastelsel onderworpen produkten betreft, voor de leveringen in de gemeenschappelijke markt per categorie produkten niet het percentage mogen overschrijden dat de leveringen in de Gemeenschap uitmaken van het totaal van de leveringen in de loop van de twaalf maanden, vallende in de periode van juli 1977 tot en met juni 1980, waarin het totaal van de produktie van de vier categorieën walserijprodukten het hoogst is geweest. De Commissie heeft te dien aanzien betoogd dat het EGKS-Verdrag het recht van ondernemingen om tegen algemene beschikkingen op te komen, bindt aan stringente voorwaarden — namelijk aan de levering van het sluitend bewijs dat er jegens verzoeker misbruik van bevoegdheid is gepleegd —, zodat bij aanvechting van een individuele beschikking, afgezien van grieven welke, zoals de motiveringsklacht, de algemene beschikking in haar geheel betreffen, een algemene beschikking slechts in rechte mag worden getoetst, wanneer de bestreden individuele beschikking blijkbaar een bijzonder geval oplevert, waarin de gewraakte bepaling van de algemene beschikking tot toepassing komt, met andere woorden wanneer de gewraakte bepaling aan de individuele beschikking ten grondslag ligt. Daarvan zou evenwel noch wat artikel 7, lid 2, betreft, noch wat betreft de door de Commissie toegepaste verificatiemodaliteiten, sprake zijn.
Ik zou mij bij deze opvatting willen aansluiten.
1.
Zij is, wat de door verzoekster gewraakte controlemodaliteiten betreft, kennelijk de juiste. In feite is het niet begonnen om de niet-toepasselijkverklaring van bepaalde voorschriften van de algemene beschikking nr. 2794/80. Verzoekster heeft niet alleen niet de onrechtmatigheid gesteld van het aangehaalde artikel 13, volgens hetwelk de Commissie de juistheid van opgaven en inlichtingen verifieert; zij heeft ook geen bedenkingen ingebracht tegen artikel 1, lid 4, der beschikking, waarin van de bijstand van onafhankelijke instellingen of deskundigen en van het zakengeheim der ondernemingen sprake is. Veeleer is haars inziens aan laatstgenoemde bepaling een onjuiste toepassing gegeven, in die zin dat de Commissie zich niet van onafhankelijke experts bediend heeft.
Echter kunnen, blijkens het arrest, op 16 december 1963 gewezen in de zaak 18/62 — Emilia Barge, voorheen weduwe van Vittorio Leone t. Hoge Autoriteit (Jurispr. 1963, blz. 557) — grieven die alleen de wijze van toepassing van een beschikking betreffen, niet in behandeling worden genomen. Het is voorts duidelijk dat het in de individuele beschikking, id est in de mededeling van verzoeksters produktiequota, niet om genoemde bepalingen of om de door de Commissie verrichte verificaties gaat. Hetgeen de doorslag moet geven: verzoekster kan genoemde bepalingen niet tot inzet van het geding maken door alleen maar te stellen dat de controles ten opzichte van de produktiequota een „instrumenteel” karakter droegen en in het kader van de regeling als van bijkomende aard zijn te beschouwen. Onrechtmatigverklaring van de controlemodaliteiten zou geenszins betekenen dat de litigieuze beschikking, houdende mededeling van verzoeksters produktiequota, moet worden gewijzigd.
Het is al evenzeer onjuist dat, bij afwijzing van verzoeksters standpunt, rechterlijke toetsing uitgesloten moet worden geacht omdat in artikel 13 van beschikking nr. 2794/80 de mogelijkheid van verificatie zonder voorafgaande individuele beschikkingen is voorzien, en wel, naar wij tijdens de mondelinge behandeling vernamen, om dringende, met het aantal verificatieverrichtingen samenhangende, redenen van administratief-technische aard: weigeren ondernemingen de controles toe te laten, dan kunnen er volgens artikel 13 van beschikking nr. 2794/80 geldboeten worden opgelegd, welker aanvechting betrokkene de gelegenheid biedt alle met de controles samenhangende vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen.
2.
Ten aanzien van de mogelijkheid om de in artikel 7, lid 2, van beschikking nr. 2794/80 besloten liggende regeling inzake de leveringen in een procedure als de onderhavige te doen toetsen, kan ik verwijzen naar mijn conclusie in de Krupp-zaken. Reeds in die zaken heb ik betoogd dat men in een exceptie, gericht tegen een bijzondere bepaling van een algemene beschikking, slechts kan worden ontvangen, wanneer de rechtstreeks bestreden handeling mag worden geacht een bijzonder geval op te leveren, waarin de gewraakte beslissing tot toepassing komt, alsook dat die casuspositie zich niet voordoet, als het gaat om de verhouding tussen de vastlegging der produktiequota en het algemene, in artikel 7, lid 2, besloten liggende voorschrift, volgens hetwelk er tussen de leveringen binnen en buiten de Gemeenschap een bepaalde verhouding moet worden in acht genomen.
Noch verzoekster opmerking dat leveringsquota en produktiequota zijn te beschouwen als twee aspecten van een ondeelbare globale regeling, noch ook het reeds aangehaalde, in de zaak 18/62 gewezen arrest van 16 december 1963, leiden mij tot een ander resultaat.
In de eerste plaats is van belang, dat genoemd arrest de ontvankelijkheid van de exceptie van onrechtmatigheid van een algemene beschikking in beginsel afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de aangevochten individuele beschikking op de algemene beschikking berust, id est is te beschouwen als een bijzonder geval waarin de algemene beschikking tot toepassing komt. Voor zover betrokkenen voorts (het ging destijds om algemene beschikkingen inzake schrootverevening) in grieven, tegen andere bepalingen van de algemene beschikking gericht, ontvankelijk zijn bevonden omdat de goede werking van de schrootvereveningsinstelling kon worden belemmerd, dient men niet te vergeten, dat het daarbij ging om uitzonderingen op de prijscompensatie en de bijdrageplicht, terwijl aan de onrechtmatigverklaring van die uitzonderingen voor het ten aanzien van (destijds) verzoekster vastgestelde vereveningsbedrag gevolgen verbonden waren geweest. Een dergelijke casuspositie doet zich thans evenwel stellig niet voor, ook al kan niet worden geloochend dat de beperking der leveringen binnen de gemeenschappelijke markt (artikel 7, lid 2) onlosmakelijk met de regeling der produktiequota samenhangt.
3.
Ik ben derhalve van mening dat deze beide grieven bij ons verder onderzoek buiten beschouwing kunnen worden gelaten.
II — De zaak ten principale
1. Aan beschikking nr. 2794/80 zou ten onrechte terugwerkende kracht zijn toegekend
In de eerste plaats komt verzoekster ertegen op dat volgens beschikking nr. 2794/80, die volgens haar artikel 15 op de dag van plaatsing in het Publikatieblad, id est op 31 oktober 1980, in werking is getreden, de produktie en verkopen vanaf 1 oktober 1980 in aanmerking zouden worden genomen. Aldus terugwerkend, zou de beschikking in strijd komen met een voor alle rechtsdomeinen geldend algemeen rechtsbeginsel, dat bijvoorbeeld in artikel 12 van de Italiaanse Codice Civile tot uitdrukking komt. De regeling zou zich echter ook niet verdragen met de eisen welke in verband met de bescherming van het opgewekte vertrouwen mogen worden gesteld. Weliswaar had de Commissie reeds op 11 oktober 1980 haar voornemen produktiequota in te voeren, kenbaar gemaakt. Zij had echter niet uit de doeken gedaan dat de regeling ook de leveringen zou betreffen. Bovendien zou de desbetreffende tekst in de loop van de maand oktober herhaaldelijk zijn gewijzigd, en wel omdat men het, naar in de pers te lezen viel, in de Raad, met name ook wat het tijdvak van toepassing der regeling betreft, niet eens kon worden. In het bedrijfsleven mocht men het er derhalve voor houden dat de Commissie het project liet varen en andere oplossingen, zoals vrijwillige produktiebeperkingen, en in ieder geval ook een later aanvangstijdstip, overwoog. Zou thans worden goedgevonden dat ook de maand oktober onder de regeling werd gebracht, dan zou daarmede aan ondernemingen die in oktober produceerden en moesten leveren, ontegenzeggelijk nadeel worden berokkend. Zulke transacties konden namelijk nog niet profiteren van de als gevolg van de quotaregeling te verwachten hogere prijzen; anderzijds leidde het in aanmerking nemen van de produktie gedurende de maand oktober tot geringere produktiequota, waardoor de prijsverhogingen voor de resterende produktie van 1980 slechts in beperkte mate compensatie boden.
Naar aanleiding van dit betoog zij er allereerst op gewezen, dat volgens 's Hofs rechtspraak de terugwerkende kracht in het gemeenschapsrecht niet zonder meer uitgesloten is te achten. Ik herinner slechts aan twee arresten waarin het om de monetaire compensatie ging, namelijk aan het arrest, op 7 juli 1976 gewezen in de zaak 7/76 (firma IRCA, Industria Roma Carni e Affini SpA t. Amministrazione delle Finanze dello Stato, Jurispr. 1976, blz. 1213, en het arrest, op 25 februari 1979 gewezen in zaak 98/78, firma A. Racke t. Hauptzollamt Mainz, Jurispr. 1979, blz. 69), waarin de toepassing van monetaire compenserende bedragen op transacties en handelingen vóór publikatie der desbetreffende verordeningen werd gebillijkt, omdat zij, de ermede nagestreefde doeleinden in aanmerking genomen, in de systematiek van de monetaire compensatie onvermijdelijk was, wilde men de regeling in volle omvang effectief doen zijn. Wel diende men het gewettigd vertrouwen van betrokkenen recht te doen wedervaren, hetgeen wil zeggen dat een regeling als bedoeld te verwachten moet zijn geweest.
In casu heeft de Commissie te verstaan gegeven dat de regeling veel minder doeltreffend zou zijn geweest, indien men de maand.oktober 1980 buiten beschouwing zou hebben gelaten, aangezien de ondernemingen, bij een gemiddelde bezettingsgraad van 50 %, hun produktie in de maand oktober zouden hebben kunnen verdubbelen. Ook valt niet te ontkennen dat de ondernemingen van het op handen zijn van de quotaregeling tijdig waren verwittigd, en wel eerst door een mededeling van de Commissie de dato 11 oktober 1980 (PB C 264, blz. 2) volgens welke het quotastelsel ook voor de maand oktober zou gelden, en vervolgens door de op 11 oktober 1980 gepubliceerde beschikking nr. 2613/80 (PB L 268, blz. 25), volgens welke de ondernemingen verplicht zouden worden gesteld de nodige gegevens betreffende hun produktie in de maand oktober te verstrekken. Ook waren deze vingerwijzingen niet door latere feiten achterhaald. Voorts kon verzoekster niet weerleggen dat het, zoals de Commissie verzekerde, bij latere discussies om andere punten van de regeling ging en dat het geen ogenblik waarschijnlijk was geweest dat de maand oktober 1980 niet onder de regeling zou komen te vallen.
Ook valt er iets te zeggen voor het standpunt dat er te dezen nimmer van echte terugwerkende kracht sprake is geweest en dat de onderhavige casuspositie veel overeenkomst vertoont met de zaak 44/65 (Hessische Knappschaft t. Singer et Fils, arrest van 9 december 1965, Jurispr. 1965, blz. 1148). Volgens dat arrest mag een regeling de rechtsgevolgen van vroegere gebeurtenissen vastleggen en kunnen, met ingang van haar inwerkingtreding, ook vroegere gebeurtenissen rechten en verplichtingen in het leven roepen. Ook van de quotaregeling, die drie maanden heeft gegolden, en van haar publikatie — eind oktober 1980 — kan worden gezegd dat er ten dele aan vroegere feiten werd gerefereerd en dat de beoordeling van de rechtmatigheid van latere gedragingen ermede in verband gebracht werd. Juist voormelde aankondiging der Commissie maakte het evenwel onwaarschijnlijk dat de quota reeds door de oktober-produktie waren overschreden, zodat er, toen de regeling in werking trad, niet meer kon worden bijgestuurd, waardoor sancties wegens vroegere handelingen niet meer konden worden vermeden; veeleer mocht het ervoor worden gehouden dat de ondernemingen hun produktie in de maanden november en december 1980 nog konden aanpassen — en daarmede bedoelde sancties vermijden.
Wanneer men voorts bedenkt dat verzoekster haar produktie pas op 15 december 1980 heeft gestaakt, dan bestaat er mijns inziens geen aanleiding de quotaregeling voor het vierde kwartaal van 1980 niet-toepasselijk te verklaren omdat het verbod er terugwerkende kracht aan toe te kennen, zou zijn geschonden.
2. De schending van artikel 58 van het EGKS-Verdrag
Volgens artikel 58 van het EGKS-Verdrag wordt vóór invoering van een stelsel van produktiequota, het Raadgevend Comité gehoord en worden „billijke” quota vastgesteld op grondslag van studies, door de Commissie in samenwerking met de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen gemaakt. Verzoekster geeft, wat dit laatste punt betreft, toe dat er in oktober 1980 drie vergaderingen van vertegenwoordigers der Commissie en Italiaanse verenigingen van staalproducenten hebben plaatsgevonden. Zij meent evenwel dat er in zoverre van echte consultaties op coöperatieve basis, als in artikel 58 van het EGKS-Verdrag voorzien, geen sprake is geweest. Enkele dagen na de eerste vergadering, die op 4 oktober 1980 werd gehouden, werd de zaak reeds aan de Raad voorgelegd. De ondernemersverenigingen zijn dus niet in de gelegenheid geweest tegenvoorstellen in te dienen; integendeel, wat de berekening der produktiequota betreft heeft de Commissie eenvoudig haar wil opgelegd. In ieder geval zou niet kunnen worden ontkend dat er op geen enkele suggestie van Italiaanse zijde, bijvoorbeeld betreffende parallelle maatregelen tegen importen, te verrichten controles, overheidsingrijpen in de concurrentieverhoudingen, inaanmerkingneming der produktiecapaciteit bij de vaststelling der produktiequota, is ingegaan. Voorts is verzoekster van mening dat zij zelf, gezien de omvang van haar bedrijf, bij het onderzoek had morten worden betrokken; dat dit niet is gebeurd, zou eveneens als een ernstige fout zijn te beschouwen, die de regeling ongeldig maakt.
Ook in zoverre heeft verzoekster mijns inziens het gelijk niet aan haar zijde.
Om te beginnen heeft de Commissie er terecht op gewezen dat zij, waar artikel 58 slechts consultatie en geen inspraak der ondernemingen voorziet, niet verplicht is een advies in aanmerking te nemen. Het is voorts wel duidelijk dat de ondernemingen, ook nadat de Raad erin gekend was, nog tot op de dag waarop de beschikking afkwam (31 oktober 1980) over voldoende tijd en gelegenheid hebben beschikt hun standpunt voor te dragen, hetgeen temeer geldt nu de Commissie er in haar voorstel aan de Raad meermalen (namelijk op de bladzijden 10, 12, 13 en 14) uitdrukkelijk op heeft gewezen dat het in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoek nog niet was afgesloten. Ook kan niet worden staande gehouden dat er met de opmerkingen der ondernemingen betreffende de toepassingsmodaliteit der quotaregeling door de Commissie nimmer rekening werd gehouden; juist wat het voorziene kortingspercentage betreft vergelijke men slechts de aanvankelijk aan de Raad aangeboden tekst met de tekst der beschikking.
En wat met name de hearing van verzoekster betreft, zij er allereerst op gewezen dat de vertegenwoordiger van de onderneming aan de vergadering van 17 oktober 1980 heeft deelgenomen en bij die gelegenheid zijn standpunt heeft kunnen uiteenzetten. Anderzijds kon de Commissie, vanwege de te betrachten spoed, niet aan ten naaste bij 350 ondernemingen vragen wat zij ervan vonden. Zij heeft de organisaties gehoord en een aantal ondernemingen desgewenst de mogelijkheid geboden hun standpunt te bepleiten; meer mocht niet van haar worden verlangd.
Dat er bij de vaststelling van beschikking nr. 2794/80 wezenlijke procedurevoorschriften zijn geschonden, kan dan ook niet worden volgehouden.
3. Onvoldoende bescherming tegen importen
In een andere grief heeft verzoekster erop gewezen dat, volgens artikel 58, in verband met de invoering van een stelsel van produktiequota met zoveel woorden wordt gewaagd van de mogelijkheid om „voor zover nodig... de maatregelen, bedoeld in artikel 74” te treffen. Een der voorwaarden, waarvan artikel 74 het nemen van maatregelen jegens derde landen onder meer afhankelijk stelt, is dat een van de in artikel 81 genoemde produkten, op het territoir van een of meer Lid-Staten wordt ingevoerd in verhoudingsgewijs toegenomen hoeveelheden en onder voorwaarden welke ernstig nadeel berokkenen of dreigen te berokkenen aan de produktie van overeenkomstige of rechtstreeks concurrerende artikelen in het gemeenschappelijke marktgebied. Hoewel die voorwaarde vervuld was — er kon inderdaad een toeneming van de importen van walserijprodukten en -halffabrikaten worden geconstateerd, immers de produktie in derde landen ging met geringere kosten gepaard dan wel er werden, bijvoorbeeld in Spanje, aan de producenten subsidies toegekend — heeft de Commissie geen doeltreffende maatregelen, zoals de vaststelling van invoercontingenten of minimumprijzen, genomen. Dit zou een schending inhouden van artikel 58, waaraan vanwege de uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 74, de eis van een parallelle regeling voor de importen kan worden afgelezen. Om dezelfde reden zou er ook mogen worden gesproken van een schending van het evenredigheidsbeginsel, immers de maatregelen, getroffen ten behoeve van ondernemingen in de Gemeenschap, waren zo onvolkomen dat het ermede nagestreefde doel — het optrekken van de prijzen op de gemeenschappelijke markt door geringer aanbod —, niet kon worden verwezenlijkt, hoewel de ondernemingen er wel offers voor hadden te brengen.
Met de Commissie vraag ik mij echter af, of de onrechtmatigheid van een concrete maatregel werkelijk uit het ontbreken van een andere maatregel kan worden afgeleid en of men zich niet beter had kunnen bedienen van een vordering, tot veroordeling van de wederpartij tot het nemen van een dergelijke maatregel strekkende. Deze vraag behoeft evenwel thans geen beantwoording, omdat mijns inziens in casu met andere overwegingen kan worden volstaan.
Om te beginnen behoeft een stelsel van produktiequota, blijkens de in artikel 58 gebezigde woorden „voor zover nodig”, niet per se vergezeld te gaan van maatregelen als in artikel 74 bedoeld. De gekozen formulering wijst er veeleer op dat het te dezen moet komen tot een „beoordeling van de toestand, die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden” in de zin van artikel 33 van het EGKS-Verdrag. Dit vraagt om een moeilijke beleidsbeslissing, waarbij men niet slechts de doelstelling van artikel 3 f) van het Verdrag — bevordering van de ontwikkeling van het internationale ruilverkeer — en de door de Gemeenschap aangegane GATT-verplichtingen recht moet doen wedervaren, doch zich ook rekenschap heeft te geven van de gevolgen welke voor de communautaire exporten in het algemeen, maar vooral voor de staalimporten, verbonden kunnen zijn aan maatregelen als bedoeld in artikel 74, die — in het kader van het quotastelsel — wellicht tot een verdere inkrimping der produktiequota zouden hebben geleid. In de arresten, op 18 maart 1980 gewezen in de gevoegde zaken 154, 205, 206, 226-228, 263 en 264/78, 39, 31, 83 en 85/79 — SpA Ferriera Valsabbia e.a./Commissie — Jurispr. 1980, blz. 907), waarin het om de minimumprijzen van betonstaal ging, heeft het Hof daarover geen twijfel laten bestaan. In de 110e rechtsoverweging (Jurispr. 1980, blz. 1015 e.v.) lezen wij:
„Voorts kan erop worden gewezen dat de Commissie zich bij haar onderhandelingen met de derde landen voor niet geringe moeilijkheden geplaatst ziet, aangezien de EGKS meer staal uitvoert dan invoert. De Commissie moet derhalve trachten de invoer in de Gemeenschap te beperken, maar tegelijkertijd de mogelijkheid van verdere communautaire exporten verzekeren. Zou zij tegenover derde landen zonder voorafgaande onderhandeling restrictieve beschikkingen hebben genomen, dan diende zij met voor het gemeenschappelijk belang nadelige vergeldingsmaatregelen dier landen te rekenen”.
Wil er in zulk een situatie tot rechterlijke toetsing worden overgegaan, dan moet blijkens artikel 33, eerste alinea, aan de administratie misbruik van bevoegdheid of klaarblijkelijke miskenning van verdragsvoorschriften zijn verweten. Het is evenwel aan gerechtvaardigde twijfel onderhevig of dit in casu, met verwijzing naar concrete gegevens, wel is gebeurd. Voor zover verzoekster grieven aan artikel 74 zijn ontleend, kunnen zij dus verder onbesproken blijven.
Afgezien daarvan mag ook worden gezegd dat de Gemeenschap, toen het quotastelsel werd ingevoerd, tegenover derde landen niet heeft stilgezeten. Ik herinner aan de door de Commissie genoemde maatregelen, genomen ten einde te verzekeren dat de ingevoerde produkten niet beneden een bepaald prijsniveau worden verkocht, maatregelen die dumpingprocedures en heffingen bij invoer mogelijk maken. Ik herinner voorts aan een aantal beschikkingen en aanbevelingen ter controle van de importen, krachtens welke de importeurs belangrijke gegevens uit handen hebben te geven en de Lid-Staten tot controles en tot het verstrekken van inlichtingen aan de Commissie verplicht zijn. Voorts wijs ik op het verbod de prijzen aan de importprijzen aan te passen en met name ook op de met een aantal landen gemaakte afspraken betreffende importquota en importprijzen die — en daar gaat het in casu maar om — tot einde 1980 van kracht waren.
Blijkbaar hebben die maatregelen, naar de Commissie ons verzekerde, ook bevredigend gewerkt, zodat het achterwege laten van verdergaande maatregelen bezwaarlijk als misbruik van bevoegdheid of als klaarblijkelijke miskenning van verdragsbepalingen kan worden aangemerkt. Ik verwijs in dit verband naar de gedetailleerde gegevens, dofor de Commissie verstrekt met betrekking tot de reeds in 1980 en begin 1981 ingetreden vermindering van met name de Spaanse importen, en naar de door haar overgelegde tabellen, waaraan de ontwikkeling van de prijzen in de Gemeenschap in het vierde kwartaal van 1980 kan worden afgelezen.
4. Schending van het discriminatieverbod en verdere grieven
Ik ben thans toegekomen aan een laatste groep grieven, waarvan verzoekster zich, als ik mij niet vergis, voor het eerst bij repliek bediend heeft. Eigenlijk zouden zij dus, als tardief voorgedragen, buiten beschouwing kunnen blijven; ik wil er nochtans een enkel woord aan wijden.
a)
Verzoekster heeft — kennelijk met het oog op het discriminatieverbod — betoogd dat de instellingen der Gemeenschap het van staatswege subsidiëren van staalondernemingen in verschillende vorm, en in strijd met het verbod van artikel 4 b van het EGKS-Verdrag, hebben getolereerd. Zo zouden grotere bedrijven langs kunstmatige weg hun bestaan hebben kunnen rekken, terwijl daardoor voorts oneerlijke concurrentie in de hand zou zijn gewerkt. In ieder geval zou de Commissie er bij vaststelling van de quotaregeling geen rekening mee hebben gehouden dat aldus begunstigde ondernemingen aan de kostenproblemen die zich bij produktiebeperking voordoen, beter het hoofd kunnen bieden dan ondernemingen die eigener beweging veel geld hebben gestoken in de investeringen, nodig om hun bedrijf te herstructureren en te moderniseren. Voorts zou de Commissie in een aantal landen de bouw van nieuwe installaties hebben toegelaten en niet in aanmerking hebben genomen dat de Italiaanse ondernemingen zich soms ook voor hoge kosten geplaatst zien, hetgeen vooral geldt voor hetgeen zij bij omschakeling op elektro-ovens aan energie hebben uit te geven.
Voor zover dit betoog niet als vaag en ongedetailleerd mag worden aangemerkt, zij er allereerst op gewezen dat de rechtmatigheid van krachtens artikel 58 van het EGKS-Verdrag genomen maatregelen niet in twijfel kan worden getrokken op grond dat maatregelen van andere aard, die niet rechtstreeks met de quotaregeling in verband staan, achterwege zijn gelaten. Zoals bekend, getroosten de instellingen van de Gemeenschap zich bovendien veel moeite om vat te krijgen op de problematiek welke de subsidiëring van de staalindustrie doet rijzen; men zie 's Raads beschikking nr. 257/80.
Voor zover verzoekster zich er evenwel over beklaagt dat men bij de vaststelling der quota enerzijds staatssubsidies en anderzijds de bijzondere kostenstructuur van de Italiaanse industrie buiten beschouwing heeft gelaten, zij er niet slechts op gewezen dat zulk een delicate, complexe problematiek in het bestek van de op korte termijn te creëren quotaregeling wel nauwelijks aan de orde kon komen; verzoekster heeft bovendien geenszins duidelijk gemaakt hoe dit, zonder discriminatie, redelijkerwijze mogelijk zou zijn geweest.
b)
Verzoekster heeft tenslotte nog betoogd dat de Commissie de communautaire produktiecapaciteiten onjuist heeft beoordeeld, hetgeen zou blijken uit de omstandigheid dat de produktiequota van een aantal ondernemingen op grond van de artikelen 4 en 14 van beschikking nr. 2794/80 moesten worden herzien. Ook zouden er quota zijn vastgesteld voor ondernemingen die hun produktie hadden gestaakt, hetgeen hun de gelegenheid bood ze voor goed geld van de hand te doen.
Evenwel gaven, wat de quotaregeling betreft, niet de produktiecapaciteit en de beoordeling dier capaciteit de doorslag, doch de daadwerkelijke produktie in een referentietijdvak, en wel terecht: de werkelijke produktie is een objectief gegeven; had men met produktiemogelijkheden moeten werken, dan zouden er, naar de Commissie heeft aangetoond, tal van problemen zijn gerezen. Dat de referentieproduktiecijfers op grond waarvan de produktiequota werden vastgesteld, in een aantal gevallen moesten worden aangepast, wettigt evenwel stellig niet de conclusie dat de maatregel der Commissie aanvankelijk een slag in de lucht is geweest. De mogelijkheid tot aanpassing was voor en na voorzien en de aanpassingscriteria waren in principe bij de vaststelling der regeling bekend. Ook werd niet aangetoond dat zich onaanvaardbare situaties hebben voorgedaan dan wel dat het effect van de quotaregeling vrijwel tot nul werd gereduceerd. Wel liep de produktie, althans gemeten aan de produkticmogelijkheden, in belangrijke mate terug.
Tenslotte heeft de Commissie, wat betreft de toewijzing der quota aan ondernemingen die hun produktie hadden gestaakt, tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zulke toewijzingen zich aanvankelijk inderdaad hebben voorgedaan, en wel zulks als gevolg van het feit dat men, om de regeling ten spoedigste te kunnen toepassen, moest werken met de geautomatiseerde gegevens betreffende alle ondernemingen die de EGKS-heffing hadden betaald. Deze fout betrof evenwel een heel gering percentage van de totale produktie en kon bovendien al gauw worden gecorrigeerd. Evenmin als het feit dat zulke ondernemingen hun quota hebben verkocht, hetgeen evenwel (wat voor het systeem de doorslag geeft) in de totale quota geen wijziging bracht, heeft dit op de regeling in haar geheel een vervalsend effect gehad, hetgeen aanleiding had moeten geven het aan verzoekster toegewezen quotum nietig te verklaren.
III —
Ik geef u derhalve in overweging de vordering ongegrond te verklaren en verzoekster in de proceskosten te verwijzen; termen om, in voege als door verzoekster verzocht, de overlegging van bepaalde stukken te gelasten, acht ik niet aanwezig.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy