CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 16 JULI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Het zij mij vergund eerst een overzicht te geven van de feiten die aan het onderhavige geding ten grondslag liggen. Op 25 juni 1979 besloot het Europees Parlement een intern vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en van een examen te houden ter voorziening in een vacature van administrateur (loopbaan A 7/6) bij het voorlichtingsbureau te Rome. Dit onderzoek kreeg het nummer A/66. Tegelijkertijd werden drie andere vergelijkende onderzoeken geafficheerd ter voorziening in overeenkomstige vacatures bij de voorlichtingsbureaus te Parijs, Brussel en Dublin. Mevrouw A. Guglielmi, sinds 1967 als ambtenaar van het Europees Parlement (categorie B) werkzaam bij het voorlichtingsbureau te Rome, nam deel aan vergelijkend onderzoek A/66, doch slaagde niet voor het eerste schriftelijke examen en werd daarom uitgesloten van verdere deelneming.
Nog voordat zij op de hoogte waren gesteld van het resultaat van dat eerste examen, wendden mevrouw Guglielmi en twee andere sollicitanten, die hadden deelgenomen aan onderzoeken voor de vacatures te Brussel en Parijs, zich bij brief van 26 maart 1980 tot de voorzitter van de gemeenschappelijke jury, om zich te beklagen over het onderwerp van het opstel dat zij hadden moeten maken („beschrijf in de vorm van een artikel voor een veelgelezen tijdschrift de voor-en nadelen van het lidmaatschap van uw land van de Gemeenschap”). Zij meenden dat dit onderwerp niet overeenkwam met de mededelingen in de aankondiging, zowel omdat een dergelijk opstel een uiteenzetting op universitair niveau verlangde, als omdat het niets te maken had met de eigenlijke werkzaamheden van het voorlichtingsbureau. De drie briefschrijfsters verzochten daarom bij de beoordeling van hun werk rekening te houden met deze opmerkingen. Bij brief van 8 april 1980 deelde de voorzitter van de jury de drie betrokkenen mee, dat hij hun geen inlichtingen over de werkzaamheden van de jury kon verstrekken, daar deze geheim waren.
Nadat de drie kandidaten hadden vernomen dat zij van verdere deelneming aan de examens waren uitgesloten, wendden zij zich (bij brief van 18 april 1980) opnieuw tot de voorzitter van de jury met een verzoek om „uitvoerige inlichtingen”. Op 14 mei antwoordde de voorzitter dat de jury niet verplicht was sollicitanten desgevraagd inlichtingen over het resultaat van het onderzoek te verstrekken. Daarop diende mevrouw Guglielmi op 1 juli 1980 een klacht in bij het Europees Parlement, waarin zij verzocht om nietigverklaring van het vergelijkend onderzoek. Toen zij geen antwoord kreeg, stelde zij op 3 december 1980 beroep in bij het Hof. Tot staving van haar verzoek om nietigverklaring van het vergelijkend onderzoek, stelt verzoekster schending van het beginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen, van het beginsel van gelijke behandeling alsmede misbruik van bevoegdheid. Verder vorderde zij veroordeling van verweerder tot betaling van schadevergoeding.
2.
Vooropgesteld zij, dat alleen het vergelijkend onderzoek voor de post van administrateur bij het voorlichtingsbureau te Rome in geding is. Dit blijkt uit de stukken en is door verzoeksters raadsman ter zitting bevestigd.
Met betrekking tot de schending van het gewettigd vertrouwen heeft verzoekster in hoofdzaak betoogd, dat het onderwerp dat de jury voor het eerste schriftelijk examen had gekozen, geen verband hield met de aan de functie verbonden werkzaamheden, zoals omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. De administratie, en via deze de jury, hadden er geen rekening mee gehouden dat de sollicitanten waren afgegaan op de inhoud van de aankondiging en daarom hadden verwacht dat voor het voornaamste schriftelijke examen een algemeen onderwerp zou worden opgegeven, dat verband hield met de aard van de werkzaamheden bij het voorlichtingsbureau te Rome.
Mijns inziens kan dit geheel van omstandigheden niet worden beschouwd als een geval van schending van het gewettigd vertrouwen. Zoals bekend is volgens de rechtspraak van het Hof het vertrouwen slechts relevant wanneer het berust op nauwkeurige toezeggingen van de administratie aan de betrokkenen. Ik verwijs te dezen naar het arrest van 5 juni 1973 (zaak 81/72, Commissie t. Raad, Jurispr. 1973, blz. 575), waarin het Hof schending van het beginsel inzake de bescherming van door de administratie bij de betrokkenen opgewekt vertrouwen heeft aangenomen, aangezien de Raad zich had verplicht, in het kader van zijn bevoegdheden ex artikel 65 van het Statuut een bepaalde methode te volgen voor de aanpassing van de salarissen aan de gewijzigde koopkracht, en vervolgens deze methode niet had toegepast. In het onderhavige geval is de administratie echter geen verplichtingen jegens de sollicitanten aangegaan. Zij heeft zich beperkt tot het afficheren van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage III bij het Statuut.
Maar laten wij afzien van de verkeerde formulering van het eerste middel en verzoeksters stelling van een andere kant benaderen. Wanneer de administratie bij een vergelijkend onderzoek zich, via een daartoe ingestelde jury, niet houdt aan de mededelingen in de aankondiging, handelt zij in strijd met de voor het vergelijkend onderzoek geldende bepalingen. Het Statuut bepaalt namelijk in artikel 29, lid 1, dat het tot aanstelling bevoegde gezag, teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, overgaat tot een vergelijkend onderzoek overeenkomstig de procedure die daarvoor is vastgesteld in bijlage III. Volgens artikel 28 kan slechts als ambtenaar worden aangesteld hij die, onder meer, „voldaan heeft bij een vergelijkend onderzoek ... overeenkomstig de bepalingen van bijlage III”; artikel 1, lid 2, sub b, van bijlage III bepaalt dat de aankondiging „de wijze van onderzoek” vermeldt. Het lijkt mij daarom duidelijk dat de jury, wanneer zij de in de aankondiging gedane medelingen niet in acht neemt, de bepalingen van het Statuut schendt, wat gevolgen heeft voor de gehele procedure.
Dit vooropgesteld, dienen wij na te gaan of de jury in casu inderdaad gehandeld heeft in strijd met de bepalingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, en met name met die betreffende het onderwerp van het schriftelijk examen.
Daarbij mag niet uit het oog worden verloren, dat de litigieuze procedure betrekking had op een post waaraan werkzaamheden op het gebied van de voorlichting en public relations waren verbonden, onder het gezag van een verantwoordelijke hiërarchische meerdere. In de aankondiging was onder punt I vermeld dat de werkzaamheden onder meer bestonden uit contacten met de pers en gespecialiseerde kringen, conferenties, redactionele werkzaamheden, enzovoort. Onder punt V, sub a, was het onderwerp van het eerste schriftelijke examen omschreven als volgt: „Uiteenzetting over een algemeen onderwerp dat rechtstreeks verband houdt met de aard van de werkzaamheden.” Wij zagen reeds dat de opgave luidde: „Beschrijf in de vorm van een artikel voor een veelgelezen tijdschrift de voor- en nadelen van het lidmaatschap van uw land van de Gemeenschap.”
Mij dunkt dat een dergelijk opstel zowel qua inhoud als qua moeilijkheidsgraad in overeenstemming was met de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. In de eerste plaats ligt het onderwerp in het vlak van algemene belangstelling voor de Gemeenschap en is de eis dat het de vorm moet hebben van een artikel voor een veelgelezen tijdschrift, in overeenstemming met de van de sollicitanten gevraagde kennis en met de aard van de aan de functie verbonden werkzaamheden. Ik wijs erop dat in de aankondiging sub III, bij de aan de sollicitanten gestelde eisen, naast talenkennis en kennis van de „voorlichtingsmedia en van de parlementaire stelsels in Italië” ook een „grondige kennis van de structuur en de werkzaamheden van de Europese Gemeenschap” werd verlangd. Het gekozen onderwerp was dus een passend middel om de geschiktheid van de sollicitanten te beoordelen, niet alleen met betrekking tot de in de aankondiging met de woorden „conferentie” en „redactionele werkzaamheden” omschreven bijzondere taken, doch met betrekking tot het opleidingsniveau dat voor de vervulling van alle aan de post verbonden taken noodzakelijk was. Wat vervolgens de moeilijkheidsgraad betreft, moet vooreerst worden opgemerkt dat een onderzoek van dit punt zou kunnen neerkomen op een toetsing van de wijze waarop de administratie haar discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend, een toetsing waartoe het Hof zoals bekend niet bevoegd is. Maar wanneer wij deze klip hebben omzeild, behoeft er mijns inziens geen twijfel over te bestaan dat de jury ook bij de waardering van het kennisniveau dat het onderwerp van het opstel van de sollicitanten verlangde, zich aan de aankondiging van het vergelijkend onderzoek heeft gehouden. Te bedenken valt immers dat het om een A-post ging, dat wil zeggen, volgens artikel 5, lid 1, tweede alinea, van het Statuut, om een post die overeenkomt „met hogere leidinggevende en scheppende functies en functies met een studiekarakter, voor welke functies kennis op universitair niveau of een gelijkwaardige beroepservaring vereist is.” Bovendien werd in de aankondiging, zoals reeds gezegd, van de sollicitanten onder meer een grondige kennis van de structuur van de Gemeenschap verlangd.
3.
Een ander middel is ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling, doordat kandidaten met een hogere rang, met name zij die werkzaam waren bij de diensten van de parlementscommissies, door het voor het schriftelijke examen gekozen onderwerp werden bevoordeeld. Uiteraard verbiedt het Statuut niet dat aan een vergelijkend onderzoek ambtenaren deelnemen die al een hogere rang hebben dan voor de vacante post is voorzien. Uitgaande van het beginsel van het dienstbelang, geeft het Statuut als criterium dat al diegenen mogen deelnemen die voldoen aan de voorwaarden die in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek zijn gesteld. Men kan derhalve niet zeggen dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat zich onder de kandidaten die tot vergelijkend onderzoek A/6 waren toegelaten, iemand bevond die bij de publikatie van de aankondiging de rang A/7 bezat en op het tijdstip van de examens de rang A/6.
Evenmin is feitelijk komen vast te staan dat het onderwerp van het opstel reeds was behandeld in de dienst waaruit de geschikt bevonden kandidaat afkomstig was, zodat men om die reden zou kunnen zeggen dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is. Uit geen enkel processtuk blijkt dat bedoelde kandidaat, die vóór het vergelijkend onderzoek werkzaam was bij het secretariaat van de Begrotingscommissie van het Parlement, in het kader van zijn functie aldaar een studie of een onderzoek heeft verricht over het voor het schriftelijk examen gekozen onderwerp. In repliek heeft verzoekster een bewijsaanbod dienaangaande gedaan (biz. 11), maar dit aanbod was in zo algemene zin geformuleerd, dat er niet op kon worden ingegaan. Het lijkt mij daarom niet juist om, zoals verzoekster doet, in's Hofs arrest van 13 februari 1979 (zaak 24/78, Jurispr. 1979, blz. 603) steun te zoeken voor de stelling dat de litigieuze procedure wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling ongeldig is. In dat geval ging het om een kandidaat die volgens het Hof door de keuze van het onderwerp van het schriftelijk examen op onbehoorlijke wijze was bevoordeeld, omdat hij daarbij gebruik had kunnen maken van de bijzondere ervaring die hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheid als gemeenschapsambtenaar had verworven. Zoals gezegd, staat in casu echter niet vast dat de geschikt bevonden kandidaat bij de Begrotingscommissie van het Parlement een studie over het onderwerp van het schriftelijk examen of althans over een soortgelijk onderwerp heeft verricht, en het enkele feit dat hij door zijn werkzaamheden een uitgebreide kennis van de gemeenschapsproblematiek had verworven, heeft stellig niet geleid tot een situatie die discriminerend kan worden geacht.
4.
Tenslotte betoogt mevrouw Guglielmi dat de procedure ongeldig is wegens misbruik van bevoegdheid, doordat de jury het onderwerp van het eerste schriftelijke examen zou hebben gekozen teneinde de enige kandidaat die een A-rang bezat en die uiteindelijk geschikt is bevonden, te bevoordelen.
Ook deze grief is ongegrond. Noch uit wat verzoekster naar voren heeft gebracht, noch uit de stukken blijkt van enig feit dat verzoeksters stelling zou kunnen bevestigen. In werkelijkheid komt deze neer op een herhaling, in andere vorm, van haar tweede stelling, namelijk dat het onderwerp van het schriftelijk examen, vergeleken met de mededelingen in de aankondiging, buitengewoon moeilijk was geweest: zo moeilijk, dat enkel iemand die reeds hoge kwalificaties bezat, ermee uit de voeten kon. Maar zoals ik reeds zei, ben ik het met deze stelling niet eens, en ik kan dit hier alleen maar herhalen.
5.
Ik concludeer mitsdien tot afwijzing van het beroep van mevrouw Guglielmi, bij verzoekschrift van 3 december 1980 ingesteld tegen het Europees Parlement. Overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering zal elk der partijen de eigen kosten hebben te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy