CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 29 OKTOBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Ook in de onderhavige zaak gaat het om het bekende quotastelsel voor staal van beschikking nr. 2794/80 van 31 oktober 1980 (PB L 291 van 1980, blz. 1).
Het is van toepassing op de firma Ferriera Padana, een betrekkelijk klein bedrijf dat ruwijzer koopt voor de produktie van betonstaal in de zin van categorie IV van artikel 2 van beschikking nr. 2794/80. Bij bericht van 1 november 1980 werd aan Ferriera Padana meegedeeld welk produktiequotum haar voor het vierde kwartaal van 1980 werd toegestaan. Op 10 november 1980 verzocht zij overeenkomstig artikel 4, sub 4, van beschikking nr. 2794/80 om een verhoging van het referentieproduktiecijfer gezien de inbedrijfstelling van nieuwe installaties. Dit werd bij beschikking van 18 december 1980 toegestaan.
Ferriera Padana had zich evenwel daarvoor reeds tot het Hof van Justitie gewend met het verzoek:
—
de beschikking van 1 november 1980 en de algemene beschikking nr. 2794/80, voor zover deze de grondslag vormt van eerstgenoemde beschikking, nietig te verklaren;
—
de zaak naar de Commissie terug te verwijzen opdat deze de nodige maatregelen zou nemen;
—
te verstaan dat de Commissie door middel van passende maatregelen voor een billijke vergoeding van de door verzoekster geleden schade moet zorgen.
Verzoekster handhaafde haar vordering ook na ontvangst van voornoemde beschikking van 18 december 1980, omdat zij principiële bezwaren heeft tegen de invoering van produktiequota voor betonstaal.
Mijn opmerkingen in dezen zal ik beginnen met de middelen van formele aard, om vervolgens in te gaan op de vraag of de Commissie verdragsbepalingen heeft geschonden.
I — Schending van wezenlijke vormvoorschriften
Artikel 58 EGKS-Verdrag bepaalt — zoals ik reeds heb gezegd in mijn conclusie in zaak 258/80 Rumi — dat vóór de vaststelling van een op dit voorschrift gebaseerde beschikking, het Raadgevend Comité moet worden geraadpleegd en dat de vaststelling van de quota dient te worden voorafgegaan door studies gemaakt in samenwerking met de ondernemingen en verenigingen van ondernemingen.
In de eerste plaats betwijfelt verzoekster of het eerste vereiste is vervuld, aangezien de considerans van beschikking nr. 2794/80 daarover zwijgt. Voorts is zij van mening dat er bij de studies niet is samengewerkt met de vereniging van betonstaalproducenten, maar alleen met de vereniging van producenten van ruwstaal. Daartoe verwijst zij naar de overwegingen in de considerans van de beschikking over de bezettingsgraad van de ondernemingen, die klaarblijkelijk niet opgaan voor betonstaal, waarvoor een dergelijke voorspelling wegens onvoorzienbare factoren onmogelijk is. Bovendien werden de studies in de zin van artikel 58, lid 2, eerst enkele dagen voor de officiële bekendmaking van de maatregelen aangevangen, zodat zij geen invloed meer konden hebben op de maatregel die in feite op dat ogenblik reeds perfect was.
In antwoord op dit middel heeft de Commissie in de eerste plaats beklemtoond dat het Raadgevend Comité op 16 oktober 1980 daadwerkelijk advies heeft uitgebracht. Dit is volgens haar beslissend, terwijl het feit dat daarvan geen melding werd gemaakt in de considerans bij de beschikking níet kan worden beschouwd als een schending van wezenlijke vormvoorschriften, en dus zeker geen grond tot nietigverklaring kan zijn.
Wat betreft overeenkomstig artikel 58, lid 2, te maken studies heeft de Commissie verklaard dat zij niet alleen permanent marktonderzoek in de zin van de artikelen 46 en 48 EGKS-Verdrag verricht, maar ook nog aanvullende ad-hoc studies met het oog op de quotaregeling heeft gemaakt. Daartoe werden niet alleen met de verenigingen van staalproducenten, maar ook met de vereniging van de zogenaamde „Bresciani” besprekingen gevoerd. Zij heeft zich dus kennelijk correct gedragen. In de eerste plaats kan immers niet worden betwijfeld dat de studies tijdig werden verricht, zoals ik in míjn conclusie in de zaak-Rumi reeds gedetailleerd heb uiteengezet. In de tweede plaats is het niet van belang dat verzoekster geen lid is van voornoemde vereniging. Zoals de Commissie heeft verzekerd heeft zij namelijk ook als afzonderlijke onderneming hoe dan ook de gelegenheid gehad de Commissie haar standpunt kenbaar te maken; daarvan heeft zij evenwel geen gebruik gemaakt.
Het staat dus vast dat er op grond van de door verzoekster aangevoerde argumenten geen sprake is van schending van wezenlijke vormvoorschriften bij de vaststelling van beschikking nr. 2794/80.
II — Schending van artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag
Wat betreft de beweerde schending van materieel recht, waarop ik thans zal ingaan, beroept verzoekster zich in de eerste plaats op artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag. Krachtens dit artikel is voor de vaststelling van produktiequota enerzijds vereist dat de vraag zo afneemt dat men kan spreken van een uitgesproken crisisperiode, en anderzijds, dat de maatregelen van artikel 57 EGKS-Verdrag niet voldoende zijn. Verzoekster is van mening dat voor betonstaal geen van beide voorwaarden zijn vervuld en dat het quotastelsel dan ook elke grondslag mist.
1.
Met betrekking tot het eerste punt wijst verzoekster met name op een mededeling van de Commissie van juli 1980 waarin sprake is van een daling van het aantal orders tengevolge van een afnemende vraag in de USA. Dit zou voor betonstaal in elk geval irrelevant zijn, daar de Amerikaanse markt in dit verband wegens de transportkosten niet van belang is. Voorts staat in het voorstel van de Commissie aan de Raad van 6 oktober 1980 de dalende bezettingsgraad bij de produktie van ruwstaal centraal. Daarmee kan een crisis bij betonstaal niet worden aangetoond, omdat ruwsFaal ook wordt verwerkt tot andere produkten, en een uitbreiding van de betonstaalproduktie, die door de quotaregeling onmogelijk is gemaakt, trouwens had kunnen bijdragen tot een inperking van de crisis op de ruwstaalmarkt. Daarenboven zegt de Commissie zelf dat ten aanzien van betonstaal de leveringsprogramma's in de eerste helft van 1980 steeds minder werden nageleefd, hetgeen op een produktiestijging ten gevolge van een toenemende vraag wijst. In dit beeld past ook, dat reeds in 1977 slechts 50 % van de betonstaalproducenten deelnamen aan leveringsprogramma's, terwijl in andere sectoren de deelnemingsgraad wel 90 % bedroeg.
Wellicht waren beide door verzoekster genoemde dokumenten van de Commissie over de moeilijkheden in de sector betonstaal niet duidelijk genoeg; men mag evenwel niet over het hoofd zien dat het dokument van juli 1980 niet alleen over de USA-markt, maar bijvoorbeeld ook over de Iraanse markt handelde, en dat daarin ook sprake was van grote veranderingen en de bijzonder moeilijke toestand in de bouw en een daaruit voortvloeiende produktiedaling. Bovendien zij erop gewezen dat in het voorstel van de Commissie aan de Raad zeker niet alleen gewag gemaakt werd van ruwstaal en de problemen daarmee, maak ook van het feit dat volgens de produktieprognoses voor de voornaamste verwerkende sectoren op een afnemend staalverbruik moest worden gerekend.
Beslissend is evenwel, dat in de loop van het geding volkomen duidelijk is geworden dat niet alleen voor de staalmarkt als geheel, maar juist ook voor de markt voor betonstaal, terecht werd gesproken van een crisisperiode, waarvan men overigens mag stellen dat zij niet in de laatste plaats haar oorsprong vindt in het feit dat reeds in 1977 slechts 50 % van de betonstaalproducenten aan de programma's tot produktiebeperking hebben deelgenomen, en dat sindsdien dus geen vooruitgang kon worden geboekt met de kwantitatieve beperking.
Wat de staalmarkt als geheel betreft, behoef ik de stellingen van partijen hier niet gedetailleerd te herhalen. Vooral de situatie op de markt voor betonstaal is met name wegens de toestand in de bouw reeds in de eerste maanden van 1980 verslechterd; sinds mei tekent zich een echte crisis af met een voortdurende teruggang van het aantal orders en daardoor een lage bezettingsgraad van de produktie-eenheden. Dit vindt bevestiging in het feit dat de produktie van categorie IV, zoals de Commissie heeft aangetoond, in het vierde kwartaal van 1980 bijna 12 % onder de voorziene quota bleef en dat verzoekster zelf, bij een jaarcapaciteit van 230400 ton, in de loop van de eerste tien maanden van 1980 slechts 81000 ton heeft geproduceerd.
Op de markt in betonstaal bestond dus wel degelijk een uitgesproken crisissituatie, die niet beperkt is gebleven tot enkele gebieden met monostructuur, zoals verzoekster meent. Ook enkele andere in dit verband voorgedragen argumenten van verzoekster nopen niet tot twijfels, of aan het vereiste van artikel 58, lid 1, is voldaan.
In het licht van het voorafgaande is het immers stellig onjuist te menen dat het geen zin heeft bij een crisis in de ruwstaalsector de vraag naar verwerkte produkten — zoals betonstaal — te beperken. Dit geldt ook voor verzoeksters op de prijssituatie gebaseerde opmerkingen, dat de prijsdaling bij betonstaal waarop de Commissie zich zozeer heeft gericht, met name kan worden verklaard uit de toenemende concurrentie tussen de producenten, en dat die daling, zo men de prijsval voor ruwstaal buiten beschouwing laat, in 1980 trouwens maar zeer gering was. Ook onjuist is haar standpunt dat bij dergelijke marktverschijnselen een minimumprijsregeling de juiste remedie is. Daarbij kan men tenslotte in het midden laten of, zoals de Commissie meent, de prijsdaling voor betonstaal toch niet groter is geweest dan door verzoekster werd berekend, aangezien de kosten voor betonstaal slechts voor 40 % worden bepaald door de kostprijs van de grondstof en men er vanuit kan gaan dat in een slechte conjunctuur de prijs van het eindprodukt die van de grondstof bepaalt. Het is immers hoe dan ook duidelijk dat voor de Commissie niet de ineenstorting van de prijzen centraal stond, maar, zoals voorzien in artikel 58, de mate waarin de vraag afnam. Wat verzoeksters stelling betreft, dat een minimumprijsregeling de juiste remedie is in een dergelijke situatie, moet de Commissie zeker daarin worden bijgevallen, dat prijsinterventies slechts doeltreffend zouden, zijn geweest, als het ook tot vrijwillige produktiebeperking was gekomen, en dat zij, aangezien dit laatste voor het vierde kwartaal van 1980 niet kon worden bereikt, prijsmaatregelen terecht als niet-toereikend mocht beschouwen.
2.
Verzoekster betwist dat aan het tweede vereiste van artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag is voldaan, omdat men volgens haar de ontstane marktproblemen ook de baas had kunnen worden met indirecte maatregelen zoals de beïnvloeding van het verbruik in samenwerking met de regeringen van de Lid-Staten, ingrepen op het gebied van de prijzen, of handelspolitieke maatregelen.
In dit verband stel ik in beginsel dat de Commissie bij een dergelijke keuze van economisch beleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, zoals blijkt uit rechtsoverweging 63 van het, in mijn conclusie in de zaak Rumi aangehaalde arrest van 18 maart 1980 over minimumprijzen voor betonstaal (gevoegde zaken 154, 205, 206, 226-228, 263 en 264/78, 39, 31, 83 en 85/79, Valsabbia, Jurispr. 1980, blz. 907, 1005). Na al hetgeen wij hebben vernomen kan evenwel niet de indruk ontstaan, dat de Commissie misbruik van bevoegdheid kon worden verweten toen zij bij het onderzoek van mogelijke indirecte maatregelen tot een negatief resultaat kwam.
Dit geldt in elk geval voor maatregelen om de vraag te stimuleren, zoals steun aan nationale woningbouwprogramma's waarover verzoekster heeft gesproken; op dit gebied is de Commissie immers volstrekt niet bevoegd.
Ten aanzien van eventuele prijsinterventies, waarvan reeds sprake was, moet worden toegegeven dat zich in 1980 nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan die de Commissie ertoe noopten, af te wijken van haar eind 1979 gedane verklaring, voor betonstaal hoogstens de invoering van minimumprijzen te overwegen. De oorzaak daarvan was het gebrek aan bereidheid van de ondernemingen om leveringsprogramma's te aanvaarden die, zoals gezegd, een voorwaarde zijn voor de werking van dergelijke maatregelen.
In dat verband kan ik in het bijzonder verwijzen naar het voorstel van de Commissie aan de Raad, waarin wordt gewaagd van een toenemende niet-naleving van de vrijwillige leveringsprogramma's en prijsvoorschriften, en wordt uiteengezet hoe de Commissie tot in het najaar van 1980 poogde, de discipline van de ondernemingen te verbeteren, doch daarbij — evenals bij haar pogingen om tot een vrijwillige produktiebeperking te komen — stuitte op de hardnekkige weerstand van de ondernemingen die nu eenmaal niets voelden voor dergelijke indirecte maatregelen.
Tenslotte moet met het oog op mogelijke handelspolitieke maatregelen enerzijds worden gesteld dat verzoekster niet duidelijk heeft gemaakt hoe alleen daarmee de crisis kon worden overwonnen. Anderzijds kan, wat het effect van werkelijk genomen maatregelen betreft, worden verwezen naar de bespreking in de conclusies in de zaak-Rumi. Met name wat betonstaal betreft behoeft daaraan hoogstens nog te worden toegevoegd dat, zoals verzoekster zelf heeft gezegd, te dezen in 1980 geen anti-dumpingprocedure moest worden ingeleid, nadat er in 1979 slechts één enkele was geweest. Dit maakt de concurrentiemogelijkheden van deze sector wel duidelijk en toont aan dat verder strekkende handelspolitieke maatregelen in dit verband niet onontbeerlijk leken.
III — Schending van artikel 58, lid 2
Een tweede materieelrechtelijk middel waarmee we ons thans moeten bezighouden heeft betrekking op artikel 58, lid 2, EGKS-Verdrag waarin sprake is van de vaststelling van „quota op een billijke grondslag”, op de grondslag van de beginselen omschreven in de artikelen 2, 3 en 4.
Verzoekster draagt de volgende grieven voor:
—
Bij de bepaling van de referentieproduktiecijfers, waarvoor werd uitgegaan van de werkelijke produktie, werd geen rekening ermee gehouden dat deze laatste in enkele ondernemingen werd beïnvloed door vrijwillige leveringsbeperkingen en de inachtneming van minimumprijzen. Daardoor werden zij benadeeld tegenover ondernemingen die onbeperkt hebben geleverd en waarvoor het quotastelsel geen tweevoudige beperking van de produktie betekende.
—
Voorts is laakbaar, dat de maand oktober 1980 in het quotastelsel werd meegeteld.
—
Tenslotte werd niet voldoende rekening gehouden met de in de artikelen 2, 3 en 4 omschreven beginselen, met name het vereiste in te staan voor de meest rationele verdeling van de produktie op een zo hoog mogelijk peil.
Hierover wil ik het volgende opmerken.
1.
Wat de minimumprijsregeling en de vrijwillige leveringsbeperkingen van de laatste jaren betreft, werd door de Commissie verzekerd dat de eerste helemaal niet gold voor verzoekster; bovendien heeft verzoekster — dit werd door de Commissie gedetailleerd aangetoond — juist tijdens de maanden, die als referentieperiode voor het vierde kwartaal van 1980 dienden, de leverantieprogramma's zelf niet nageleefd. Men kan zich dan ook afvragen of zij hoegenaamd belang heeft bij deze grief.
Het is bovendien niet alleen van belang dat voor een groot deel van de referentieperiode helemaal geen leveringsprogramma's bestonden en dat er ongetwijfeld erg moeilijke berekeningsproblemen zouden zijn gerezen, zo de Commissie verzoeksters stelling had gevolgd en gepoogd rekening te houden met de nietnaleving van de vrijwillige leveringsbeperkingen en van de minimumprijzen. Daar de invoering van bepaalde negatieve rechtsgevolgen in het kader van het quotastelsel als een soort retroactieve bestraffing had kunnen worden beschouwd, moest zij ook op aanzienlijke bezwaren uit een oogpunt van de rechtsstaat stuiten.
2.
Over het meetellen van de maand oktober 1980 voor het quotastelsel kan ik in beginsel verwijzen naar mijn uiteenzetting in de zaak Rumi.
Daarbij kon natuurlijk niet worden gedifferentieerd naar gelang van het gedrag van elke onderneming afzonderlijk, zoals verzoekster kennelijk had gewild. Zij wijst er namelijk op, dat zij haar produktie in oktober geenszins heeft verhoogd en dat het derhalve niet billijk is haar op te zadelen met de gevolgen van het gedrag van andere ondernemingen die in oktober 1980 hun produktie hadden uitgebreid.
Daarenboven werden de ondernemingen door het in aanmerking nemen van de maand oktober 1980 geen buitensporige offers opgelegd. Het is immers niet aannemelijk dat zij daardoor werden verhinderd orders uit te voeren waarvoor doorgaans elastische leveringstermijnen golden en bovendien leveringen uit voorraad mogelijk waren. Evenmin werden zij zo gehinderd — zoals juist blijkt uit verzoekers zaak — in de maanden november en december 1980 aangepast te produceren, waarbij niet uit het oog mag worden verloren, dat — de Commissie stelt dit terecht — de produktie tijdens de wintermaanden toch al werd beperkt.
3.
Het verwijt dat de in de artikelen 2, 3 en 4 omschreven beginselen werden miskend is tenslotte veel te algemeen gehouden en wordt niet nader toegelicht. Bovendien is het reeds lang vaste rechtspraak dat het vaak niet mogelijk is alle doelstellingen en beginselen van het Verdrag tegelijkertijd in acht te nemen, en dat het geraden kan zijn aan een of enkele ervan naar gelang van de economische situatie een zekere voorrang te verlenen.
IV — Misbruik van bevoegdheid en schending van het evenredigheidsbeginsel
Ik kom thans tot een groep deels zeer uiteenlopende grieven die verzoekster heeft samengevat onder het opschrift „Misbruik van bevoegdheid en schending van het evenredigheidsbeginsel”.
1.
Verzoekster stelt in de eerste plaats dat de genomen maatregelen ongeschikt waren om het ermee beoogde doel te bereiken; zoals na de eerste zeven weken is gebleken, bleef alles bij het oude en kwam het niet tot een compensatie voor de door de quotaregeling verhoogde produktiekosten.
In dat verband is enerzijds van belang — zie voor soortgelijke overwegingen het arrest van 7 februari 1973 in zaak 40/72, Schroeder, Jurispr. 1973, blz. 125 — dat in een zaak als de onderhavige beschouwingen achteraf niet beslissend kunnen zijn. Voor een beoordeling van de doeltreffendheid van de genomen maatregelen gaat het er veeleer om of zij op het tijdstip waarop zij werden genomen, niet kennelijk ongeschikt voorkwamen ter verwezenlijking van het gestelde doel. Daarvan kan hier evenwel geen sprake zijn. De Commissie heeft er anderzijds aan herinnerd dat er toch een invloed op de prijzen werd bereikt. Verscheidene ondernemingen, met inbegrip van de betonstaalproducenten uit de omgeving van Brescia, hebben immers in het vierde kwartaal van 1980 hun prijzen kunnen verhogen. Dat dit niveau niet kon worden gehandhaafd — begin 1981 waren er nieuwe prijsdalingen die in juni 1981 echter weer werden gevolgd door een stijging tot het niveau van september 1980 — toont overigens slechts aan, hoe ernstig de crisis was, die natuurlijk niet snel en blijvend kon worden overwonnen.
2.
De tweede grief luidt dat werd nagelaten passende maatregelen tegen importen te nemen, zodat handelaren zich in derde landen konden bevoorraden tegen prijzen die gunstiger waren dan die welke wegens de gestegen produktiekosten in de Gemeenschap golden.
Te dezen kan ik met het oog op de daadwerkelijk genomen maatregelen verwijzen naar het relaas in het voorstel van de Commissie aan de Raad, alsook naar de uiteenzetting in mijn conclusie in de zaak-Rumi. Bedenkt men bovendien, dat de invoer in feite is teruggelopen, dan is zonder meer duidelijk dat hier niet kan worden gesproken van een schending, laat staan een flagrante schending van een verdragsbepaling.
3.
Voorts heeft verzoekster in dit verband gesteld dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen geïntegreerde ondernemingen met een volledige produktiecyclus en ondernemingen, zoals verzoekster, die ruwstaal voor de verwerking kopen. Bovendien heeft de Commissie uit het oog verloren dat de ruwstaalproducenten die hun produktie hebben moeten beperken, er geen belang bij hadden dat gelijktijdig de vraag van de niet-geïntegreerde walserijen werd verminderd.
Daartegen moet op de eerste plaats worden ingebracht, dat ook de verwerkers van ruwstaal, zoals verzoekster, hun produktie moesten beperken, omdat ook op dit gebied een ernstige crisis bestond. Met de Commissie kan men zich voorts terecht afvragen, of verzoekster niet — wegens gebrek aan belang — niet-ontvankelijk is in haar grief, inzoverre zij wijst op de nadelen die de ruwstaalproducenten ondervinden doordat betonstaal onder het quotastelsel viel. Overigens moet gezegd worden — gesteld dat een alomvattende quotaregeling gerechtvaardigd was —, dat niet valt in te zien, hoe men ter zake een zinvol onderscheid had kunnen maken tussen geïntegreerde ondernemingen en verwerkers van ruwstaal. Daar verzoekster daarover geen opheldering gaf, zie ik geen reden om op deze grondslag te concluderen tot onwettigheid van het quotastelsel.
4.
Tenslotte kritiseert verzoekster nog het feit dat exporten naar derde landen niet van het quotastelsel werden uitgesloten, hetgeen zou hebben geleid tot een verzwakking van ondernemingen uit de Gemeenschap op deze fel omstreden markten. Daarenboven merkt zij aan, zij het voor het eerst in repliek, dat ook quota werden toegewezen aan ondernemingen die hun produktie hadden stopgezet. Dit heeft een handel in quota mogelijk gemaakt en producenten die dergelijke quota hadden verworven bevoordeeld.
Wat deze laatste grief betreft verwijs ik eenvoudigheidshalve naar mijn uiteenzetting in de zaak-Rumi waarin dergelijke overwegingen eveneens aan bod kwamen. Ten aanzien van de invloed van het quotastelsel op de export heeft de Commissie niet alleen op overtuigende wijze aangetoond dat geen sprake kan zijn van een echte belemmering omdat de produktiequota in het algemeen veel hoger waren dan het exportvolume. Zij heeft bovendien nog beklemtoond, alleszins bereid te zijn geweest tot een verhoging van de quota overeenkomstig de uitzonderingsregeling van artikel 14 van beschikking nr. 2794/80, indien zou zijn gebleken dat een producent bij de uitbreiding van zijn export naar derde landen hinder ondervond van het quotastelsel.
V — Ontbreken van een uitgesproken crisisperiode en abnormale toepassing van het solidariteitsbeginsel
In een laatste hoofdstuk moeten wij ons nu nog buigen over een eveneens zeer heterogene groep argumenten.
1.
Verzoekster is van mening dat er geen sprake kan zijn van een crisisperiode wanneer een deel van een sector moderner en produktiever is georganiseerd dan de rest, en dat de bezettingsgraad van bedrijfsinstallaties in elk geval geen aanwijzing voor een crisis is, wanneer vaststaat dat in de betrokken sector een onberaden expansie met behulp van overheidsmiddelen heeft plaatsgevonden. Bovendien is een crisisperiode in de zin van artikel 58 wezenlijk van voorbijgaande aard, terwijl de Commissie in de staalsector reeds vijf jaar lang allerlei middelen aanwendt om tot een oplossing van de gerezen moeilijkheden te komen.
Na al hetgeen in ander verband reeds over artikel 58 werd gezegd, lijkt ook met deze stelling niet te kunnen worden aangetoond, dat deze bepaling verkeerd werd toegepast.
Zo stond voor de Commissie bij de beoordeling van de toestand niet de vermindering van de opbrengst van de ondernemingen centraal, maar de teruggang van de vraag, die bij de meeste ondernemingen tot aanzienlijke produktiebeperkingen heeft geleid. In het licht van uitvoerige verklaringen van de Commissie over de marktsituatie en haar ontwikkeling kunnen mijns inziens verzoeksters zeer vage en ongemotiveerde toespelingen op de efficiëntie van modern producerende ondernemingen alsook op de met overheidsmiddelen gestimuleerde capaciteitsuitbreiding niet tot een andere conclusie leiden. Ditzelfde geldt niet in het minst voor de voorbijgaande aard van de crisis. Uit verzoeksters beweringen blijkt niet hoe een dergelijke stelling overtuigend kan worden bewezen. Bovendien ziet zij daarbij klaarblijkelijk over het hoofd dat eerst een jaar geleden een toevlucht werd genomen tot de ultima ratio van artikel 58, en dat de Commissie voordien haar best deed, de ontstane problemen in samenwerking met de ondernemingen in beginsel zonder overheidsoptreden op te lossen.
2.
Wanneer verzoekster verder van een „abnormale toepassing van het solidariteitsbeginsel” spreekt, zie ik niet in hoe dit tot de nietigverklaring van het quotastelsel kan leiden.
Op grond van de fundamentele doelstellingen en beginselen van het EGKS-Verdrag, waarin sprake is van de meest rationele verdeling van de produktie op een zo hoog mogelijk peil, een zo laag mogelijke prijsstelling, de vergroting en verbetering van de produktiemogelijkheden, de uitbreiding en modernisering van de produktie alsmede een verbetering van de kwaliteit, kan volgens verzoekster niet worden verdedigd, dat door middel van een regeling als de onderhavige grote en verouderde ondernemingen met een ongunstige kostenstructuur als het ware kunstmatig in leven worden gehouden, en dat daartoe moderne, vooral kleinere ondernemingen die de concurrentie alleszins aankunnen, offers dienen te brengen die hun concurrentievermogen schaden. Ook zou het discriminerend zijn, dat kleinere ondernemingen van haar formaat, die soepeler kunnen reageren en ook in moeilijke periodes efficiënt zijn, in het kader van een regeling ter overwinning van een crisis, ongeacht structurele verschillen, op dezelfde wijze zouden worden behandeld als grote producenten.
Inzake dit punt kan slechts worden beklemtoond dat de algemene doelstellingen en beginselen van het Verdrag niet onvoorwaardelijk een vrij krachtenspel en de aanvaarding van een buitensporige concurrentie verlangen, voor zover daardoor andere essentiële doelstellingen in het gedrang komen. Zoals uitdrukkelijk wordt gezegd in rechtsoverweging 80 van het arrest van 18 maart 1980 over de minimumprijzen voor betonstaal (Valsabbia) worden in welbepaalde gevallen afwijkingen gedoogd in de zin van het crisisartikel 58. Men kan ook bezwaarlijk staande houden dat de vastgestelde moeilijkheden alleen maar het gevolg zijn van de concurrentie tussen moderne bedrijven en dat het gemeenschapsinitiatief met name strekt tot bescherming van verouderde en niet-renderende bedrijven. Veeleer moet men ervan uitgaan dat het beslist gaat om de oplossing van de moeilijkheden in een gehele bedrijfstak. Zo verzoekster evenwel van mening is dat een normale toepassing van het solidariteitsbeginsel en een niet-discriminerende opzet van het quotastelsel ertoe hadden moeten leiden, dat kleine moderne ondernemingen met concurrentiekracht werden uitgesloten van de produktiebeperkingen, dan moet daarop worden geantwoord — nu zulks gezien de door haarzelf beschreven omvang van de produktie van de kleinere ondernemingen zeker een falen van elk gemeenschapsoptreden, en een bestendiging van de crisis zou hebben betekend — dat zij klaarblijkelijk uitgaat van een verkeerde opvatting van de in het Verdrag voorziene crisisinstrumenten, die het toch maar mogelijk hebben gemaakt dat rekening werd gehouden met herstructureringsmaatregelen zoals de inbedrijfstelling van nieuwe installaties bij verzoekster zelf.
VI — Op deze gronden, — en zonder dat er termen aanwezig zijn om de door verzoekster gevraagde instructie te gelasten — moet worden geconcludeerd dat haar verzoek tot nietigverklaring van de beschikking van 1 november 1980 en van beschikking nr. 2794/80, voor zover deze daaraan ten grondslag ligt, moet worden verworpen. Voorts is duidelijk dat ook het verzoek tot vaststelling dat de Commissie maatregelen dient te treffen ter gerechte vergoeding van een beweerdelijk ontstane schade ongegrond is, nog afgezien van het feit dat uit verzoeksters betoog niet duidelijk wordt waarin de door haar geleden rechtstreekse en bijzondere schade dan wel bestaat.
VII — Ik kan mitsdien slechts concluderen tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van verzoekster in de proceskosten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy