CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 22 OKTOBER 1981
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
Het beroep van mevrouw Bakke stelt het nogal uitzonderlijke probleem aan de orde, welke criteria de Raad mag of moet toepassen bij de beslissing over de bevordering van een typiste (rangen C 5/C 4) van Noorse nationaliteit, naar de rangen van secretaresse-stenotypiste (rangen C 3/C 2). Hoewel dit concrete geval als zodanig vrij uitzonderlijk is, zal intussen blijken, dat het ook aspecten vertoont, die voor het bevorderingsbeleid in een aantal andere gevallen van belang kunnen zijn. Het concrete geschil spitst zich toe op de vraag, in welke taal en volgens welke snelheidscriteria de stenovaardigheid van appellante dient te worden beoordeeld.
2. Voornaamste feiten
De relevante feiten en de argumenten die partijen in de schriftelijke procedure naar voren hebben gebracht zijn op volledige en uitstekende wijze weergegeven in het rapport ter terechtzitting. Ik kan daarnaar dus in hoofdzaak verwijzen. Voor goed begrip van mijn betoog acht ik het intussen nuttig enkele belangrijke feiten in herinnering te roepen. Voorts zijn bij de mondelinge behandeling naar aanleiding van vragen van de rechterrapporteur en van mijzelf, nog enkele feiten naar voren gekomen, die vermelding verdienen.
Mevrouw Bakke werd in 1972, tijdens de toen lopende onderhandelingen over de toetreding van onder meer Noorwegen, in de Noorse sectie van de typecentrale van de Raad aangesteld als hulpfunctionaris (agent auxiliaire). Toen Noorwegen tenslotte niet toetrad werd zij als tijdelijk functionaris aangesteld in de Engelse sectie van de typecentrale. Op grond van een algemeen vergelijkend onderzoek voor de recrutering van Engelse typisten werd zij met ingang van 1 augustus 1973 als stagiaire aangesteld en op 1 februari 1974 in vaste dienst. Alle aanstellingen vonden plaats in de rang C 4.
Voor haar aanstelling als ambtenaar was een ontheffing nodig van artikel 28, letter a), van het Statuut. Deze ontheffing werd haar door de Raad verstrekt.
De geschiktheid vor bevordering tot secretaresse-stenotypiste kan blijkens mededeling 184/79 van 26 september 1979 aan het personeel voor wat de stenovaardigheid betreft onder meer worden aangetoond door het afleggen van een stenotest in een taal naar keuze of door overlegging van een diploma of getuigschrift. In beide gevallen moet een snelheid van 150 lettergrepen per minuut gedurende 3 minuten worden aangetoond. Appellante legde een dergelijk getuigschrift over met betrekking tot haar stenovaardigheid in de Noorse taal. Uit dit getuigschrift bleek tevens een stenosnelheid van 60 woorden per minuut in de Engelse taal (volgehouden gedurende ten minste 6 minuten blijkens de ter mondelinge zitting nader verstrekte gegevens).
Een van de hoofdvragen die in deze procedure een rol spelen is de vraag of een bewezen stenovaardigheid in de Noorse taal al dan niet voldoende is om aan de op het punt van stenovaardigheid gestelde eisen voor bevordering te voldoen. Een prealabele vraag is echter of de Raad op dit punt van stenovaardigheid absolute eisen mag stellen. Alvorens op deze en andere relevante vragen nader in te gaan vermeld ik evenwel nog enkele feitelijke preciseringen die tijdens de mondelinge behandeling zijn gegeven.
Om te beginnen blijkt verschil van mening te blijven bestaan over de vraag of het Noorse getuigschrift zich al dan niet in het dossier van betrokkene bevond gedurende de zittingen van 1978 en 1979 van de adviescommissie inzake bevorderingen. In de tweede plaats bestrijdt de Raad, in dupliek, maar vooral tijdens de mondelinge behandeling, dat appellante door het getuigschrift bewezen heeft, dat zij in de Engelse taal aan de snelheidsnormen (in stenografie) voor een tweede taal voldoet. Daarvoor zouden gedurende tenminste 3 minuten 66 woorden per minuut moeten worden opgenomen. De snelheid van 60 woorden per minuut die blijkens het Noorse getuigschrift gedurende meer dan 6 minuten zou zijn volgehouden, zou dus niet voldoende zijn om aan de voor een tweede taal gestelde normen te voldoen.
Belangrijker voor de beoordeling van dit geschil acht ik intussen drie andere preciseringen over de praktijk bij het Raadssecretariaat die tijdens de mondelinge behandeling zijn verstrekt.
In de eerste plaats zijn partijen het er over eens, dat aan een algemeen vergelijkend onderzoek voor typisten in de Engelse taal slechts bij uitzondering door kandidaten met een andere moedertaal wordt deelgenomen. De begincarrière van appellante vormde dus in zoverre een uitzondering op het algemene patroon voor recrutering. Door deze begincarrière werd haar ook overigens blijkens het dossier erkende grondige kennis van een van de talen der Gemeenschappen met voldoende kennis van een tweede gemeenschapstaai op het tijdstip van haar aanstelling bevestigd. Deze vaststelling is van belang in verband met de bepaling van artikel 28, sub f), van het Statuut.
In de tweede plaats werd tijdens de mondelinge behandeling ook door de Raad erkend dat een aanzienlijk deel (une partie considérable) van het stenowerk in een andere taal dan de moedertaal wordt verricht en dat met name in de directoraten-generaal de Franse en de Engelse taal bij het stenowerk overheersen. Deze vaststelling is van belang in verband met de lagere stenosnelheid, die in mededeling 114/79 van 29 mei 1979 voor een andere taal dan de moedertaal wordt vereist.
In de derde plaats werd door beide partijen bevestigd, dat ambtenaren die gewoonlijk in de Franse of de Engelse taal stenowerk verrichten, niettemin met het oog op bevordering in het algemeen worden beoordeeld op grond van hun stenosnelheid in hun moedertaal.
Op andere feiten, die voor Uw oordeel van belang kunnen zijn kom ik (voor zoverre nodig) nog terug in mijn betoog over de hoofdzaak.
3. De basis van het beroep
Nadat appellantes naam niet op de door de adviescommissie voor bevorderingen opgestelde lijst was opgenomen, heeft zij zich in een nota op 15 februari 1980 gericht tot het tot aanstelling bevoegde gezag met een verzoek tot herziening. Na een negatief antwoord op dit door de Raad als een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, Statuut beschouwde schrijven van appellante, heeft zij op 29 mei 1980, geregistreerd op 12 juni 1980, een klacht krachtens artikel 91, lid 2, van het Statuut ingediend. Op deze klacht heeft appellante geen antwoord ontvangen. Het daarop gevolgde beroep van appellante bij het Hof van 30 december 1980 moet op grond van de artikelen 90 en 91 van het Statuut ontvankelijk worden geacht. De ontvankelijkheid van het beroep wordt door de Raad ook niet bestreden.
4. Strekking, samenvatting en onderling verband van de aangevoerde middelen
Het beroep van appellante strekt tot:
a)
vernietiging van de nota van de Raad van 27 maart 1980, waarin het verzoek van appellante van 15 februari 1980 wordt afgewezen, alsmede van de stilzwijgende beslissing van de Raad tot afwijzing van haar klacht van 29 maart 1980;
b)
veroordeling van de Raad tot heropening van de bevorderingsprocedures van 1978 of althans van 1979, naar graad C 3 voor wat appellante betreft;
c)
veroordeling van de Raad in de kosten.
Voor een volledige weergave van de door appellante aangevoerde drie middelen verwijs ik wederom naar het uitstekende rapport ter terechtzitting. Voor goed begrip van mijn verdere betoog acht ik ook hier en korte samenvatting van de middelen voldoende. De algemene grondslag van het beroep wordt gezien in schending van het Ambtenarenstatuut, in het bijzonder zijn artikelen 5, lid 3 en 45, lid 1, in overschrijding van bevoegdheid en in schending van algemene rechtsbeginselen als in het beroepschrift vermeld. De aangevoerde middelen zijn de volgende.
Appellante bestrijdt in haar eerste middel, dat a) de Raad geen rekening zou mogen houden met haar stenovaardigheid in de Noorse taal en b) haar beoordeelt volgens de normen van haar tweede taal, het Engels, en dit dan volgens de normen die voor de eerste taal (of moedertaal) gelden. In feite valt dit eerste middel dus in twee onderdelen uiteen, die ik met a) en b) heb aangegeven.
Het subsidiaire tweede middel is in feite een nadere uitwerking van onderdeel a) van het eerste middel. Appellante bestrijdt in dit tweede middel, dat de Raad met stenovaardigheid in de moedertaal geen rekening zou mogen houden, wanneer deze moedertaal geen officiële taal of werktaal van de gemeenschapsinstellingen is. Dit tweede middel kan het beste in direkte samenhang met onderdeel a) van het eerste middel worden behandeld.
Het derde, nog meer subsidiaire middel bestrijdt, dat de Raad appellantes stenovaardigheid in de Engelse taal niet volgens de normen voor een tweede taal, maar volgens de normen voor de eerste taal (of moedertaal) beoordeelt. In feite is dit middel dus een nadere uitwerking van onderdeel b) van het eerste middel. Het kan dus het beste in samenhang daarmede worden onderzocht.
Voor de duidelijkheid voeg ik aan bovenstaande samenvatting van de middelen nog toe, dat ik in de samenvatting van het eerste en van het derde middel tussen haakjes achter de woorden „eerste taal” heb toegevoegd (of moedertaal). Deze gelijkstelling beantwoordt in de eerste plaats aan de strekking van genoemde middelen. Anderzijds wordt deze gelijkstelling kennelijk ook gehanteerd in 's Raads mededeling voor het personeel 114/79 van 29 mei 1979.
5. Beoordeling van de aangevoerde middelen
In mijn betoog over de hoofdzaak zal ik terwille van de logica eerst kort aandacht besteden aan een onderdeel van de argumentatie van appellante ten aanzien van haar tweede middel. Appellante trekt in twijfel of het wel aanvaardbaar is, dat de Raad voor de bevordering tot secretaresse-stenotypiste eisen stelt ten aanzien van de stenovaardigheid. In de praktijk zou stenowerk in de Deense en Nederlandse secties te verwaarlozen zijn. Ook in de Duitse en Italiaanse secties zou daaraan slechts een marginaal belang moeten worden toegekend. Met betrekking tot deze prealabele vraag zou ik — althans in deze procedure — de bevoegdheid van de Raad niet willen bestrijden uit overwegingen van dienstbelang stenovaardigheid als eis te stellen voor de bevordering tot secretaresse-stenotypiste. Op de vraag of deze eis — bijvoorbeeld op grond van het evenredigheidsbeginsel — als conditio sine qua non voor promotie ook redelijk is in gevallen waarin vast staat, dat de betrokken functie nooit stenowerk medebrengt, behoef ik hier niet in te gaan. Niet omstreden is immers, dat een dergelijk geval zich hier niet voordoet. Met name staat vast, dat van appellante wel degelijk gevraagt wordt naast haar overige en vermoedelijk meer belangrijke anderssoortige secretaressewerkzaamheden ook stenowerk in de Engelse en Franse taal te verrichten.
De drie middelen van appellante zou ik verder in onderlinge samenhang willen behandelen. Haar tweede middel vormt immers als eerder opgemerkt een nadere uitwerking van het eerste deel van haar eerste middel en het derde middel een nadere uitwerking van het tweede deel van dit eerste middel. Appellante bestrijdt als gezegd in de eerste plaats, dat de Raad geen rekening zou mogen houden met haar stenovaardigheid in de Noorse taal. Als subsidiair tweede middel bestrijdt zij, in dit verband, dat de Raad met stenovaardigheid in de moedertaal geen rekening zou mogen houden, wanneer deze moedertaal geen officiële taal of werktaal van de gemeenschapsinstellingen is. In haar derde middel, subsidiair ten aanzien van beide eerdere middelen, bestrijdt appellante, dat de Raad haar stenovaardigheid in de Engelse taal in haar geval zou dienen te beoordelen volgens de normen, gesteld voor een eerste taal en niet volgens de normen, gesteld voor een tweede taal. Hoewel dit middel in feite samenvalt met het tweede gedeelte van het eerste middel (in mijn samenvatting met b) aangegeven), zal ik dit onderdeel alleen bij het derde middel behandelen.
Bij mijn behandeling van de drie aangevoerde middelen zou ik voorop willen stellen dat de afweging van enerzijds het in artikel 5, derde lid van het Statuut neegelegde beginsel van gelijke kansen op bevordering voor het gehele personeel, dat tot eenzelfde categorie of groep behoort en anderzijds de dienstbelangen in een geval als het onderhavige bijzondere moeilijkheden oproept. Met name rijst hier de vraag, wie met wie of welke kwaliteiten met welke kwaliteiten vergeleken moeten worden om van gelijke kansen op bevordering te kunnen spreken. Het begrip „dienstbelang” zal hier uiteraard in het licht van het voor bevordering relevante artikel 45 van het Statuut moeten worden uitgelegd.
Het fundamentele belang van het gelijkheidsbeginsel voor de carrière van ambtenaren wordt onder meer door het Hof uitgesproken in de arresten 15/63, 97/63, 55-76/71, 86, 87 en 95/71. Zo sprak het Hof in de zaak 97/63 reeds uit, dat de betrokken instelling „hoewel haar een uitgebreide beoordelingsbevoegdheid toekomt, niettemin overeenkomstig artikel 45, paragraaf 1, eerste lid van het Statuut tot een vergelijkend onderzoek moet overgaan op een voor alle betrokkenen gelijke voet en gelet op vergelijkbare ambtsberichten en inlichtingen.” Blijkens het vervolg van de rechtsoverwegingen van genoemd arrest behoort de administratie daarbij haar waardering in het bijzonder te doen steunen op „de persoonsdossiers der kandidaten, welke met name de beoordelingen van de hiërarchische meerderen dienen te bevatten.” Deze laatste eis is ook voor de onderhavige zaak van bijzonder'belang. Het oordeel van de hiërarchische meerderen der betrokkene is blijkens het dossier immers bij uitstek positief, juist ook op het punt van haar stenowerkzaamheden in de Engelse en Franse taal.
De belangrijkste tegenwerping van de Raad ten aanzien van de mogelijkheid om met de stenovaardigheid van appellante in de Noorse taal rekening te houden is van formeel-juridische aard. Naar de mening van de Raad zou een dergelijk beoordelingscriterium in strijd zijn met artikel 28 van het Statuut, dat uitsluitend met betrekking tot de aanstelling een ontheffing mogelijk maakt van het vereiste van onderdaanschap van een der Lid-Staten. Van de eis van artikel 28 f), dat betrokkene blijk moet geven van een grondige kennis van een van de talen der Gemeenschappen en van een voldoende kennis van een andere taal der Gemeenschappen kan daarentegen geen ontheffing worden verleend.
Ik acht het aldus vrijwel letterlijk aan het mondeling verweer van de vertegenwoordiger van de Raad ontleende betoog op zich zelf juist. Daarentegen zou ik in alle duidelijkheid willen stellen, dat ik dit betoog voor de oplossing van het onderhavige geschil niet relevant acht. Artikel 28 heeft immers blijkens zijn duidelijke bewoordingen uitsluitend betrekking op de eisen, waaraan voor een mogelijkheid tot aanstelling moet worden voldaan. Het is in casu niet omstreden, dat appellante aan deze eisen op het moment van haar aanstelling voldeed door blijk te geven van grondige kennis van de Engelse taal en van een voldoende kennis van de Franse taal. Voor de eisen die voor bevordering kunnen worden gesteld is niet artikel 28, maar artikel 45 van het Statuut beslissend.
Wij zijn dan weer terug bij de algemene vraag naar de afweging van het dienstbelang enerzijds en de eis van de gelijke kansen op bevordering van in dit opzicht vergelijkbare ambtenaren anderzijds.
Wat het dienstbelang betreft, heeft een concretisering voor gevallen als het onderhavige plaats gevonden in de mededeling van 26 september 1979 nr. 184/79 F aan het personeel. De Franse versie van deze mededeling is als bijlage 9 bij het beroepschrift gevoegd. Met betrekking tot deze mededeling zou ik om te beginnen willen opmerken, dat haar tekst geenszins uitsluit, dat de daarin vereiste stenosnelheid in de Noorse taal wordt bewezen. Als reeds opgemerkt spreekt de eerdere mededeling van de Raad nr, 114/79 in dit verband zelfs uitdrukkelijk van stenovaardigheid in de moedertaal. Voorts heb ik reeds opgemerkt, dat een dergelijk uitsluiten van stenovaardigheid in de Noorse taal als voor de bevordering relevant criterium ook niet impliciet uit artikel 28 van het Statuut kan worden afgeleid. Ik voeg daar thans aan toe, dat het toespitsen van de eis van stenovaardigheid op de eis, dat deze in een gemeenschapstaai moet zijn gebleken ook geen duidelijke grondslag vindt in artikel 45 van het Statuut.
Voor de beoordeling van het geschil moet dus met name worden nagegaan of wellicht andere overwegingen van dienstbelang een stenovaardigheidsbewijs in de Noorse taal kunnen uitsluiten, zonder dat aldus afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van gelijke kansen op bevordering van alle in een concreet geval vergelijkbare ambtenaren, die de vereiste minimum diensttijd in hun rang hebben.
Artikel 45 stelt, dat hiertoe de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling moeten worden vergeleken. Dat de beoordelingsrapporten over mevrouw Bakke in dit opzicht geen obstakel vormen is onomstreden. Zij is kennelijk een zeer goede secretaresse („une secrétaire particulièrement douée, dont les connaissances et les aptitudes sont remarquables”). Haar grondige kennis van de Engelse en de Franse taal, met inbegrip van haar vermogen om in deze talen ook stenowerkzaamheden en ander schriftelijk werk te verrichten worden eveneens door het overgelegde beoordelingsrapport bevestigd. Zelfs al zou artikel 28, letter f) ook bij bevordering van toepassing zijn, zou dus geen ontheffing van die eis behoeven te worden verleend. Bovendien blijkt appellante ook nog in de Deense, de Duitse en de Italiaanse taal te kunnen werken. Als secretaresse-stenotypiste blijkt zij dus volgens het overgelegde beoordelingsrapport over zeer goede en ten aanzien van haar mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvermogen zelfs over uitzonderlijke (outstanding) kwaliteiten te beschikken. Dit positieve oordeel wordt door de Raad ook niet bestreden.
De problematiek spitst zich aldus toe op de interpretatie van het begrip „verdiensten” in artikel 45. Relevante Hofuitspraken over dit begrip heb ik bij een uitputtend onderzoek van de rechtspraak met betrekking tot dit begrip niet kunnen vinden. Uit mijn eerder gemaakte opmerkingen volgt reeds, dat ik de bevoegdheid van de Raad om ook dit begrip in het dienstbelang van deze instelling nader te concretiseren niet zou willen bestrijden. De uitoefening van deze bevoegdheid zal echter naar mijn oordeel wel aan de eis moeten voldoen, dat de Raad bij zijn door mij erkende beleidsvrijheid terzake redelijkerwijze tot het oordeel kon komen, dat de voor het vergelijken van de verdiensten te hanteren maatstaven door het dienstbelang worden gevorderd. Er zal dan met name een functionele relatie moeten bestaan tussen de gestelde eisen en de te verrichten werkzaamheden.
Daar ik die vraag voor mijn eigen argumentatie niet nodig heb, vermeld ik slechts pro memorie de in de procedure niet uitdrukkelijk behandelde vraag, of artikel 45 wel toelaat aan andere dienstbelangen dan in de beoordelingsrapporten vermelde en in casu positief beoordeelde kwaliteiten een volstrekt beslissende betekenis toe te kennen, zoals de Raad hier deed. Juist in het kader van een dergelijke vraagstelling zou het door appellante vermelde evenredigheidsbeginsel van belang kunnen zijn.
Als eerder opgemerkt heeft de Raad zelf bij de mondelinge behandeling toegegeven, dat stenowerkzaamheden in het algemeen voor een aanzienlijk deel en buiten de typecentrale zelfs overwegend in de Franse en de Engelse taal worden gevergd. Bij de afweging van het dienstbelang en het beginsel van gelijke kansen op promotie zal dus ook rekening moeten worden gehouden met de omstandigheid, dat dit stenowerk in de Franse en Engelse taal veelvuldig wordt verricht door stenotypisten, die Frans of Engels niet als moedertaal hebben. Men kan hier aan Deense, Duitse, Italiaanse, Nederlandse en thans ook aan Griekse stenotypisten denken.
Uitgaande van het beginsel, dat de gestelde eisen een redelijk functioneel verband met de te verrichten werkzaamheden moeten vertonen, komt het mij nu voor, dat de Raad redelijkerwijze aan appellante naast de in mededeling 114/79 vervatte snelheidscriteria voor de moedertaal geen eis mag toevoegen, dat die moedertaal een gemeenschapstaal moet zijn. De moedertaal vertoont immers niet alleen voor appellante, maar ook voor andere ambtenaren die een andere moedertaal hebben dan Engels of Frans, geen direkte functionele band met de in de meeste gevallen te verrichten werkzaamheden. Het is dus een soort academisch criterium, waaruit slechts indirekt de waarschijnlijkheid van voldoende stenosnelheid in een tweede taal die wèl functioneel is, kan worden afgeleid. Bij een dergelijk academisch karakter van de bewezen stenosnelheid zie ik geen aanvaardbare motieven om bewezen stenosnelheid in de Noorse taal niet in aanmerking te nemen. Juist omdat een dergelijke eis een academisch of theoretisch karakter heeft en in de meeste gevallen niet direkt voor het werk van belang is, eist het beginsel van gelijke kansen, dat onderdanen van derde landen, die de aanstellingsdrempel hebben overschreden gelijk behandeld worden als onderdanen van Lid-Staten die noch Frans, noch Engels als hun moedertaal hebben. Zeker geldt dit voor een geval als het onderhavige, waar betrokkene niet in de typecentrale, maar in een der directoraten-generaal werkzaam is. Als eerder opgemerkt, spelen Frans en Engels daar ook volgens de Raad zelf een overheersende rol.
Voor alle functionarissen die in de praktijk in een andere taal dan hun moedertaal werken kan het overigens functioneel zijn, hun prestaties tenminste subsidiair te beoordelen op grond van die andere taal dan hun moedertaal. Voor zover mij bekend is dit ook de normale praktijk bij het bevorderingsbeleid t.a.v. A- en B-ambtenaren. Aan een niet even perfecte beheersing van die tweede taal als bij ambtenaren die deze tweede taal als moedertaal hebben wordt dan geen beslissende betekenis toegekend. Het valt niet in te zien, waarom dit op gronden van dienstbelang niet ook voor de bevordering tot secretaresse-stenotypiste zou kunnen gelden.
Ik zou nog verder willen gaan en uitdrukkelijk willen stellen, dat de Raad in redelijkheid niet kan weigeren zijn oordeel omtrent de stenovaardigheid als secretaresse-stenotypiste subsidiair te baseren op de stenovaardigheid in de feitelijke werktaal, indien die een andere taal is dan de moedertaal van betrokkene.
Een behoorlijke beheersing van die tweede taal kan dan uiteraard wel worden verlangd. De mededeling 114/79 van de Raad bevat daarvoor criteria, waarop ook appellante zich subsidiair en wel in het tweede deel van haar eerste middel, alsmede uitvoeriger in haar derde middel beroept.
Het is inderdaad een ervaringsfeit, dat een niet in de praktijk onderhouden stenovaardigheid terugloopt. Onder bepaalde omstandigheden zullen dus ook Deense, Duitse, Griekse, Italiaanse en Nederlandse stenotypisten met een dergelijk subsidiair beoordelingscriterium t.a.v. de stenovaardigheid als in mededeling 114/79 vervat en door de Raad tijdens de procedure niet weersproken, ten zeerste gebaat kunnen zijn. Het lijkt dan in strijd met het gelijkheidsbeginsel om aan een functionaris met een andere moedertaal dan een gemeenschapstaai de toepassing van dit subsidiaire criterium van mededeling 114/79 te weigeren. Zowel de tekst van mededeling 114/79 als algemene overwegingen in verband met de doelstellingen van artikelen 5 en 45 van het Statuut brengen immers mede, dat voor toepassing van het beginsel van gelijke behandeling al die gevallen gelijk beoordeeld moeten worden, waarvoor de beoordeling plaatsvindt in een andere taal dan de moedertaal.
Na deze meer algemene beschouwingen kom ik terug op het concrete geval.
Uit het eerder opgemerkte moge blijken, dat ik zowel het eerste als het subsidiaire tweede middel van appellante gegrond acht. De weigering van de Raad om met een getuigschrift voor stenovaardigheid in de Noorse taal rekening te houden vindt met name geen steun in het daartoe door de Raad primair ingeroepen artikel 28 van het Statuut. Reeds wegens het gewicht, dat de Raad kennelijk aan dit argument toekent verdient de vordering van appellante te worden toegewezen. De weigering om met stenovaardigheid in de Noorse taal rekening te houden vindt ook geen steun in enig ander voorschrift van het Statuut, noch in de rechtspraak van het Hof. De weigering om met de stenovaardigheid in de Noorse taal rekening te houden, contrasteert voorts met het feit, dat met stenovaardigheid in gemeenschapstalen die in de praktijk van de taakvervulling evenmin benut worden, door de Raad wèl wordt rekening gehouden. Dit verschil in behandeling op grond van overwegingen van nationaliteit lijkt mij in strijd met het beginsel van gelijke kansen op bevordering, nadat appellante voor haar aanstelling in vaste dienst reeds jaren geleden een ontheffing heeft verkregen van de in artikel 28, onder a) gestelde eis t.a.v. het onderdaanschap van een der Lid-Staten, terwijl zij toen geacht werd te voldoen aan de in artikel 28, onder f), gestelde eis. Overtuigende redenen van dienstbelang of overtuigende algemene rechtsbeginselen, die een dergelijke inbreuk op het beginsel van gelijke bevorderingskansen in casu zouden kunnen rechtvaardigen, zijn niet aangevoerd.
Het derde door appellante subsidiair aangevoerde middel lijkt op grond van mijn eerdere betoog eveneens gegrond. De weigering van de Raad om appellante subsidiair te beoordelen op grond van de normen die voor een tweede taal worden gesteld lijkt eveneens in strijd met het beginsel van gelijke kansen. Zeker wanneer die tweede taal een gebruikelijke werktaal is, eist het gelijkheidsbeginsel dat bij toepassing van deze subsidiaire norm tenminste alle ambtenaren die die werktaal niet als moedertaal hebben, volgens de normen van die tweede taal worden beoordeeld. Om appellante voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel bij dit subsidiaire criterium gelijk te stellen met ambtenaren die Engels als moedertaal hebben, lijkt bovendien in strijd met de tekst van mededeling 114/79 van de Raad. Aan die mededeling wordt dan immers voor betrokkene een additionele eis toegevoegd, die met het gelijkheidsbeginsel onverenigbaar is.
Mijn betoog tot dusverre betekent uiteraard niet, dat het Hof aan de Raad een bepaalde oplossing voor problemen als de onderhavige zou moeten of zelfs maar zou kunnen opleggen. De beleidsvrijheid van de Raad dient ook in zoverre te worden gerespecteerd. Ik verwijs hiervoor naar een opmerking van gelijke strekking in de conclusie van advocaat-generaal Mayras in de zaak 24/79 (Oberthür, Jurispr. 1980, blz. 1761). Waarop het aankomt is veeleer, dat de door de Raad ter verdediging aangevoerde argumenten bij zorgvuldige toetsing niet houdbaar blijken, terwijl de voornaamste argumenten van appellante juist blijken.
De vraag of het Noorse getuigschrift zich nu wel of niet in de dossiers bevond lijkt mij per saldo voor Uw oordeel hoogstens van zeer secundair belang. Voor de zitting van 1978 lijkt zij mij zonder belang, omdat het onderhavige getuigschriftcriterium pas in 1979 is ingevoerd. Voor de zitting van 1979 lijkt zij mij van secundair belang, omdat de eisen van appellante in dit geval reeds op andere gronden dienen te worden toegewezen. Eveneens van secundair belang lijkt mij de vraag, welke typesnelheid in de Engelse taal appellante nu uiteindelijk bewezen heeft. Uw oordeel over dit feitelijke geschilpunt wordt niet gevraagd en aangenomen zal mogen worden dat de Raad na vernietiging van zijn eerdere beslissingen voor deze feitelijke vraag een redelijke oplossing zal vinden, waarbij ingeval van voortdurende twijfel ook het positieve oordeel over de taalbeheersing in het beoordelingsrapport een rol zou kunnen spelen.
6. Conclusie
Ik concludeer derhalve als volgt.
1.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
2.
De nota van de aad van 27 maart 1980 tot verwerping van het verzoek van appellante van 15 februari 1980 en de impliciete beslissing van de Raad tot afwijzing van haar bezwaarschrift van 29 mei 1980, geregistreerd op 12 juni 1980 op de administratie van het Algemene Secretariaat van de Raad dienen derhalve te worden vernietigd.
3.
De Raad dient veroordeeld te worden de procedure van bevordering naar de graad C 3 — de functie van secretaressestenotypiste — voor de zitting 1979 te heropenen.
4.
De Raad dient te worden veroordeeld in de kosten van de procedure, met inbegrip van de voor appellante aan dit beroep verbonden kosten.
Full & Egal Universal Law Academy