CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 19 NOVEMBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het onderhavige geding vindt zijn oorsprong in de in Nederland gebruikelijke praktijk om aldaar in het vrije verkeer gebrachte Griekse en Algerijnse wijnen met elkaar te versnijden. Dergelijke versneden wijnen werden door de Nederlandse vennootschap Europe Vins als voor azijnbereiding bestemde wijn verkocht aan de Franse vennootschappen Albert Clément en Gérard Ces. Deze voerden ze in Frankrijk in onder dekking van douanedocumenten waarin zij waren omschreven als „communautaire goederen, van oorsprong uit Nederland”.
Deze importen werden door de Franse douane bestempeld als invoer van verboden produkten zonder aangifte, door middel van een valse verklaring van oorsprong, in de zin van artikel 426, lid 3, van de Franse Code des Douanes. Met deze valse verklaring hadden de betrokken ondernemingen willen ontsnappen aan het principiële verbod, in de Gemeenschap wijnen uit derde landen te mengen (artikel 26, lid 4, van 's Raads verordening nr. 816/70 van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt).
Blijkens het verwijzingsvonnis sluit de 11e Chambre correctionnelle van het Tribunal de grande instance te Parijs zich aan bij de analyse van de douane voor zover het tafelwijn betreft. Daar het echter in casu gaat om wijn bestemd voor azijnbereiding, gaf zij er de voorkeur aan haar uitspraak aan te houden en zich tot het Hof te wenden met de prejudiciële vraag of bedoeld artikel 26, lid 4, ook voor dergelijke wijn geldt.
I —
Vooraleer deze vraag te beantwoorden, is het nuttig in te gaan op bepaalde opmerkingen van de Franse regering en van de vennootschappen Clément en Ces. Ik zal er niet lang bij stilstaan, daar zij niet in het kader van de verwijzingsbeschikking passen en dus niet overeenkomen met de geest van de prejudiciële procedure. Volgens een oude vaste rechtspraak is deze gebaseerd op een „duidelijke scheiding van bevoegdheden tussen de nationale rechter en het Hof” en staat het niet aan het Hof „een onderzoek naar de feiten in te stellen, noch de beweegredenen van de oorspronkelijke rechter en het doel van zijn verzoek te toetsen” (arrest van 15 juli 1964, zaak 6/64, Costa t. ENEL, Jurispr. 1964, blz. 1207); de partijen in het hoofdgeding en de andere intervenienten „worden slechts uitgenodigd zich binnen het door de nationale rechter aangegeven juridische kader te doen horen” (arrest van 1 maart 1973, zaak 62/72, Bollmann, Jurispr. 1973, blz. 269, r.o. 4).
Zo heeft de Franse regering aangevoerd dat alleen het versnijden zelf — en niet de invoer in Frankrijk van de aldus verkregen wijn, waarom het in de onderhavige procedure enkel gaat — ongeoorloofd was naar Frans recht, waarnaar verordening nr. 1021/70 van de Commissie van 29 mei 1970, die het onderling versnijden van ingevoerde wijn voorlopig toestaat, verwijst. Het is echter duidelijk dat het Hof volstrekt onbevoegd is om een dergelijke geldigheidsvraag naar nationaal recht te beoordelen.
En al kan men zich in het algemeen slechts aansluiten bij de door de raadsman van de betrokken vennootschappen met klem verkondigde opvatting, dat de douane-instanties van alle Lid-Staten rechtens gelijk zijn, dit geldt niet voor zijn suggestie dat ingevolge artikel 36, lid 1, van 's Raads verordening van 18 maart 1969 betreffende communautair douanevervoer, in casu het land van verzending de oorsprong heeft te beoordelen. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt immers dat de vennootschap Clément voor het Tribunal te Parijs om dezelfde reden reeds een exceptie van onbevoegdheid heeft opgeworpen ten gunste van de Nederlandse gerechten. Het Tribunal heeft deze exceptie echter zeer duidelijk verworpen, en het staat zeker niet aan het Hof om daarop terug te komen: het Hof is geen appel- noch cassatierechter ten opzichte van de nationale rechterlijke instanties (arresten van 9 december 1965, zaak 44/65, Hessische Knappschaft, Jurispr. 1965, blz. 1148; en 15 juni 1972, zaak 5/72, Grassi, Jurispr. 1972, blz. 443, r.o. 4).
De importerende vennootschappen hebben ook aangevoerd dat de onderhavige versnijdingen niet onder de regeling van artikel 26, lid 4, van verordening nr. 816/70 vallen, daar zij in hoofdzaak vóór de inwerkingtreding van de verordening hadden plaatsgevonden. Uit het verwijzingsvonnis blijkt echter dat de menging van september 1970, dus na de inwerkingtreding van de verordening dateert. Volgens 's Hofs rechtspraak zijn de soevereine vaststellingen van de nationale rechter aangaande de feiten voor het Hof verbindend (arresten van 23 januari 1975, zaak 51/74, Hulst, Jurispr. 1975, blz. 79, r.o. 12; 22 maart 1978, zaak 104/77, Oehlschläger, Jurispr. 1978, blz. 791, r.o. 4, en 15 november 1979, zaak 36/79, Denkavit, Jurispr. 1979, blz. 3439, r.o. 12). Met dit argument kunnen wij ons dus niet langer ophouden.
II —
Nu deze prealabele vragen zijn afgedaan, kom ik tot de aan het Hof gestelde vraag zelf: zijn de bepalingen van artikel 26, lid 4, van 's Raads verordening nr. 816/70 van toepassing op voor azijnbereiding bestemde wijnen?
Artikel 26, lid 4, luidt als volgt:
„Het versnijden van ingevoerde wijn met wijn uit de Gemeenschap, alsmede het onderling versnijden van ingevoerde wijn op het grondgebied van de Gemeenschap, is verboden, behoudens afwijkingen waartoe de Raad op voorstel van de Commissie besluit, volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag.”
Behoudens louter formele wijzigingen en de toevoeging van twee alinea's inzake het bijzondere geval van het versnijden van wijn bestemd voor derde landen, verschilt deze tekst weinig van die van artikel 43, lid 4, van codificatieverordening nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt. 's Hofs beslissing in de onderhavige zaak zou, zoals de Franse regering terecht beklemtoont, door haar motivering als precedent kunnen gelden voor feiten die zich onder de huidige regeling hebben voorgedaan.
1.
Eveneens volgens de Franse regering is artikel 26, lid 4, volkomen duidelijk: de enkele lezing van dit artikel volstaat om zich ervan te overtuigen dat elke versnijding van wijn van oorsprong uit derde landen in beginsel verboden is, onverschillig of hij voor rechtstreekse consumptie dan wel voor industrieel gebruik bestemd is. Waar de gestelde vraag ondanks de algemene bewoordingen van de bepaling een dergelijk onderscheid suggereert, zou zij meer in artikel 26, lid 4, lezen dan erin staat en in feite de strekking ervan met terugwerkende kracht willen wijzigen.
Ofschoon genoemde bepaling niet uitdrukkelijk zegt dat het principiële versnijdingsverbod niet voor wijn met industriële bestemming geldt, zegt zij evenmin dat dat verbod er wel voor geldt. Bijgevolg doet artikel 26, lid 4, een uitleggingsprobleem rijzen, dat moet worden opgelost op grond van andere argumenten dan die welke aan de letter ervan kunnen worden ontleend.
Lijkt de analyse van artikel 26, lid 4, op zichzelf gezien mij dus niet beslissend, de algemene structuur van dit artikel is daarentegen wel moeilijk verenigbaar met de stelling van de Franse regering.
Artikel 26, lid 1, noemt de wijnen (tafelwijn en wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt) die, na onderlinge versnijding, opnieuw tafelwijn opleveren. Het heeft dus slechts betrekking op wijn die binnen de Gemeenschap gewonnen en voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemd is: enerzijds wordt tafelwijn, per definitie, rechtstreeks door de mens verbruikt; anderzijds is de kwalificatie tafelwijn, blijkens punt 10 van bijlage II bij verordening nr. 816/70, een communautaire kwalificatie, voorbehouden aan wijn die aan bepaalde voorwaarden voldoet en in de Lid-Staten is geproduceerd. Om dezelfde redenen hebben de leden 2 en 3 van artikel 26, bepalende aan welke voorwaarden de versnijding moet voldoen om tafelwijn op te leveren, juist hetzelfde toepassingsgebied als lid 1.
In dit verband kan worden aangenomen dat de communautaire wetgever, zo hij had gewild dat artikel 26, lid 4, in tegenstelling tot de voorgaande bepalingen van toepassing zou zijn op voor industrieel gebruik bestemde wijn, zulks uitdrukkelijk zou hebben vermeld.
2.
Ten bewijze van het uitzonderlijk ruime toepassingsgebied van lid 4 voert de Franse regering echter nog een ander argument aan, ontleend aan het doel van de regeling. Volgens haar wordt er geen onderscheid gemaakt volgens de bestemming van de wijn omdat de ware bestemming van de versneden wijn moeilijk te controleren is. De enige eenvoudig uitvoerbare controle zou die van het alcoholgehalte zijn. Deze controle zou echter niet kunnen voorkomen dat bijvoorbeeld een vat Franse tafelwijn naar de azijnfabriek wordt gezonden en dat in plaats daarvan een vat versneden wijn van oorsprong uit derde landen, dat volgens aangifte voor de azijnbereiding was bestemd, voor consumptie wordt geleverd. Daarom zouden verscheidene regeringen elk mogelijk bedrog aan de bron hebben willen uitschakelen door het principiële versnijdingsverbod uit te breiden tot alle wijnen uit derde landen, onverschillig voor welk gebruik zij bestemd zijn. Dat zou de betekenis zijn van de tekst van artikel 26, lid 4, van verordening nr. 816/70, die in de overeenkomstige bepaling van verordening nr. 337/79 is overgenomen.
Om verscheidene redenen kan dit betoog niet overtuigen. Eerst en vooral levert de Franse regering niet het eerste begin van bewijs van de bedoeling die zij aan bepaalde Lid-Staten toeschrijft.
In de tweede plaats is het Hof zich bewust geweest van het gevaar dat er fraude wordt gepleegd. Het heeft de Commissie en de vennootschap Clément gevraagd, welke garanties er zijn dat een versnijding, zoals die in casu, werkelijk overeenkomstig haar bestemming (azijnbereiding) is gebeurd, gesteld dat het daarbij om een wijn zou zijn gegaan die ook voor rechtstreekse consumptie geschikt was.
In haar antwoord beschreef de Commissie de communautaire regeling terzake, zoals die ten tijde van de feiten was neergelegd in haar verordening nr. 1022/70 van 29 mei 1970 houdende instelling, voor een overgangsperiode, van geleidecertificaten voor bepaalde wijnen. Volgens artikel 1 van die verordening kon voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde wijn slechts tot het handelsverkeer tussen de Lid-Staten worden toegelaten, wanneer hij vergezeld ging van een na verificatie door de Lid-Staat van oorsprong afgegeven geleidecertificaat, waarvan de kleur verschilde naargelang de wijn al dan niet van oorsprong was uit de Gemeenschap, en waarop in voorkomend geval werd gepreciseerd of hij door versnijding was verkregen. Krachtens artikel 9, lid 1, van die verordening werd wijn die niet van oorsprong was uit de Gemeenschap en niet voor rechtstreekse menselijke consumptie was toegelaten, onderworpen aan een douanecontrole of een administratieve controle die dezelfde waarborgen bood, teneinde erop toe te zien dat hij voor toegestane doeleinden werd gebruikt. Van hun kant hebben de importerende vennootschappen de voorzorgsmaatregelen van de Franse autoriteiten opgesomd; vermelding van de industriële bestemming op het Franse douanedocument; specificiteit van het geleidebiljet dat industriële wijn op het nationale grondgebied vergezelt; tarief van de bij grensoverschrijding verschuldigde BTW, dat verschilt naar gelang de wijn voor industrieel gebruik dan wel voor rechtstreekse consumptie is bestemd; laatste controle in de azijnfabriek zelf. Deze toelichtingen kunnen ons inziens de achterdochtigste geesten geruststellen.
Mitsdien kan, zonder dat een beroep op artikel 26, lid 4, behoeft te worden gedaan, de geldende regeling de — stellig gerechtvaardigde — zorgen van de Franse regering wegnemen.
Samenvattend: de argumenten ontleend aan de bewoordingen zelf van artikel 26, lid 4, of aan het doel van deze enkele bepaling, zoals de Franse regering dat zag, lijken ons niet gegrond.
3.
Anderzijds, naast de uitleggingsgegevens die uit de algemene structuur van artikel 26 in zijn geheel voortvloeien, zijn er nog te vinden in de communautaire versnijdingsregeling in haar geheel beschouwd.
Van belang bij deze uitlegging lijkt mij de 15e overweging van de considerans van verordening nr. 816/70 (28e overweging van de considerans van verordening nr. 337/79), die luidt als volgt: „gezien de gevolgen die het versnijden kan hebben, is het gewenst hiervoor regels vast te stellen, met name teneinde misbruik te voorkomen.”
Zoals deze woorden laten vermoeden, is de communautaire versnijdingsregeling streng. Doch althans voor wijn bereid in de Gemeenschap, de enige waarvoor een volledige regeling bestaat, stelt men vast dat die strengheid slechts geldt voor wijn die voor rechtstreekse consumptie bestemd is. In verband met tafelwijn en wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, geeft artikel 26, leden 1-3, zoals gezegd, nauwkeurige regels inzake de kwaliteit (lid 1) en de kleur (lid 3) van wijn die kan worden versneden, alsook inzake de zones waarin de bewerking moet geschieden (lid 2). Wat de in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen betreft (v.q.p.r.d.), kan wijn verkregen door versnijding ervan met een andere wijn dan een v.q.p.r.d. of met een v.q.p.r.d. die geen recht heeft op de naam van hetzelfde bepaalde gebied, in beginsel niet voor rechtstreekse menselijke consumptie worden geleverd: artikel 4 bis van verordening nr. 1972/78 van de Commissie van 16 augustus 1978 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de oenologische procédés.
Versnijding voor industrieel gebruik is daarentegen vrij. In de eerste plaats wordt dat niet genoemd in de leden 1-3 van artikel 26. In de tweede plaats bepaalt artikel 27, lid 3, van verordening nr. 816/70 uitdrukkelijk, dat „wijn die niet beantwoord aan de definities” van wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt en van tafelwijn, „en afkomstig is van de wijnstoksoorten” die in de Gemeenschap mogen worden geteeld, „slechts mag worden aangewend voor het eigen verbruik van de wijnbouwer, voor de vervaardiging van wijnazijn of voor distillatie.”
Om dat verschil in behandeling te begrijpen moet naar mijn gevoel worden verwezen naar de doelstellingen van het communautaire wijnbouwbeleid.
Het doel van de regeling is te verzekeren dat alle wijn, met inbegrip van die welke wegens zijn mindere kwaliteit bestemd is voor industrieel gebruik zoals azijnbereiding, voldoet aan eisen in verband met onder meer de volksgezondheid, de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid in het handelsverkeer. Maar ten aanzien van wijn bestemd voor rechtstreeks verbruik komt daarbij nog het streven naar een zo hoog mogelijke kwaliteit. Dit laatste verklaart de bijzondere strengheid van de regeling inzake het versnijden.
Wat daarentegen versneden wijn uit derde landen betreft, daarvoor maakt artikel 26, lid 4, dat de kern van de regeling terzake vormt, zoals gezegd geen uitdrukkelijk onderscheid volgens de bestemming ervan. Daar echter de versnijdingsregeling voor wijnen uit de Gemeenschap slechts betrekking heeft op wijnen voor rechtstreekse consumptie, zouden er wel bijzondere redenen aanwezig moeten zijn wilde het voor wijnen uit derde landen anders liggen.
Volgens mij bestaan deze bijzondere redenen echter slechts voor wijn bestemd voor rechtstreekse menselijke consumptie. Die welke in de Gemeenschap wordt bereid, valt onder een uniforme regeling die, zoals gezegd, tot uitdrukking komt in een gemeenschappelijke definitie van „tafelwijn”, zodat er geen bezwaar bestaat tegen het versnijden van aan deze definitie beantwoordende wijnen onderling of met wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt en die ook aan een gemeenschappelijke definitie beantwoordt. Daarentegen beantwoorden wijnen uit derde landen, zelfs wanneer zij in de staat van oorsprong aan een kwaliteitscontrole zijn onderworpen, op zichzelf niet aan gemeenschappelijke kwaliteitscriteria en zijn zij evenmin aan vergelijkbare controles onderworpen. De kwaliteitsgarantie voor elk van die wijnen riskeert dus haar geldigheid te verliezen wanneer zij worden vermengd.
Bij voor azijnbereiding bestemde wijnen daarentegen is een kwaliteitscontrole niet noodzakelijk, en mits zij natuurlijk voor het overige aan alle vereisten voor invoer in de Gemeenschap voldoen, heeft het principiële versnijdingsverbod geen reden van bestaan meer. Of zoals het adagium zegt: „Cessante ratione legis cessat lex ipsa.”
De door de Franse regering aangevoerde rechtvaardiging voor het verschil in behandeling, namelijk de noodzaak van een zo ruim mogelijke afzet van wijn uit de Gemeenschap op een markt die door overschotten wordt gekenmerkt, lijkt mij niet relevant. Weliswaar vormt de communautaire preferentie een grondbeginsel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar de verwezenlijking ervan mag mijns inziens slechts worden verzekerd door middel van het daartoe voorziene instrumentarium, en niet door een excessieve uitbreiding van de draagwijdte van een bepaling waarvan ik niet inzie hoe een protectionistisch gebruik ervan juridisch te rechtvaardigen is.
Samenvattend ben ik van oordeel dat de zoeven aangevoerde argumenten ontleend aan de grondslag van de communautaire versnijdingsregeling, tezamen met de elementen die, naar ik meen, zijn te vinden in de algemene structuur van artikel 26, beslissend zijn voor de uitlegging van de litigieuze bepaling.
Ik concludeer mitsdien dat het Hof in antwoord op de vraag van de 11e Chambre correctionnelle van het Tribunal de grande instance te Parijs verklare voor recht, dat de bepalingen van artikel 26, lid 4, van verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, niet van toepassing zijn op voor azijnbereiding bestemde wijnen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy