CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 18 FEBRUARI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van het Bundesfinanzhof betreft exportrestituties voor „parel-gort”.
De feiten:
Begin 1966 — op 4 maart en op 9 en 13 april — werden door de Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung (hierna: BALM) aan Ludwig Wünsche & Co. te Hamburg officieel restituties toegekend voor de uitvoer van parelgort naar derde landen. Dit was mogelijk op grond van de destijds geldende communautaire regeling inzake de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (artikel 20, lid 2, van verordening nr. 19 van de Raad; artikel 5, lid 1, van verordening nr. 141/64 van de Raad van 21 oktober 1964; verordening nr. 164/64 van de Commissie van 29 oktober 1964; verordening nr. 11/66 van de Commissie van 3 februari 1966).
In het stadium waarin de geleidelijke totstandbrenging van de markten zich toen bevond, stond de beslissing over de opportuniteit van de uitkering van restituties en de vaststelling van de restitutiebedragen ter discretie van de Lid-Staten, die de desbetreffende bedragen vervolgens vergoed kregen op basis van wat de laagste gemiddelde restitutie pleegt te worden genoemd.
De restitutie kon worden toegekend in de vorm van een contante betaling voor naar derde landen uitgevoerde graanprodukten, dan wel — voor uit derde landen ingevoerde produkten die waren bestemd om na bewerking weer naar een derde land te worden uitgevoerd (veredelingsverkeer) — in de vorm van invoer van een gelijke hoeveelheid onbewerkte gerst als voor de vervaardiging van het bewerkte produkt was gebruikt, met vrijstelling van heffing. In casu werd deze laatste vorm van restitutie in natura toegepast: voor 100 kg parelgort (bewerkt produkt) kreeg Wünsche het recht 220 kg onbewerkte gerst (basisprodukt) met vrijstelling van heffing in te voeren.
In de Bondsrepubliek Duitsland was aan deze regeling uitvoering gegeven bij Verordnung van 24 november 1964 (§ 6).
De hoogte van de restitutie hing af van de kwaliteit van het bewerkte produkt: een bewerker kwam slechts in aanmerking voor het maximum, indien het bewerkte produkt geheel beantwoordde aan de geldende criteria — bij de vaststelling waarvan overigens werd uitgegaan van de minst efficiënte nationale veredelingsindustrieën — omdat anders bij de omrekening naar het basisprodukt een voor de bewerker te gunstige coëfficiënt zou worden toegepast.
Op grond van analyserapporten van de officiële instanties was de BALM van mening dat het door Wünsche in feite uitgevoerde produkt geen parelgort was. Zij herriep dan ook in twee gevallen de aan Wünsche verleende vergunning, in dier voege dat uiteindelijk een minder gunstige bewerkingscoëfficiënt werd toegepast, namelijk 160 kg onbewerkte gerst voor 100 kg bewerkt produkt.
Wünsche vocht de desbetreffende besluiten aan met een beroep op rapporten van haar eigen beëdigde deskundigen. De zaak is uiteindelijk voor de hoogste Duitse rechter gekomen, die het Hof in wezen verzoekt om een omschrijving van de strekking van de in verordening nr. 11/66 van de Commissie gebezigde uitdrukking „geparelde gerst (of parelgort) indien het asgehalte, gerekend naar het gewicht van de droge stof hoger is dan 1 %”; met name wil hij weten of er bij een asgehalte van minder dan 1 % noodzakelijkerwijze sprake is van parelgort. Voor het geval dit niet zo is, vraagt de Duitse rechter bovendien of reeds aan dit begrip „parelgort” wordt beantwoord, indien wordt vastgesteld dat bij meer dan 50 % van de korrels het pericarp bijna volledig is verwijderd en de beide uiteinden zijn rondgeslepen in de zin van de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur, en zo ja, of dit percentage betrekking moet hebben op het gewicht dan wel op het aantal korrels.
In het kader van een procedure ex artikel 177 heeft het Hof niet tot taak, zelf de litigieuze waar in te delen of te verklaren dat, zoals Wünsche stelt, de litigieuze partijen inderdaad bestonden uit „parelgort” in de zin van post 11.02 Β III a (thans 11.02 C III) van het gemeenschappelijk douanetarief. Wel moet het Hof de nationale rechter alle nodige aanwijzingen geven, aan de hand waarvan deze het concrete geval kan beslissen.
I—
Aan punt 10.03 van de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur ontleen ik de volgende nadere gegevens :
„gerst, waarvan de korrel dikker is dan die van tarwe wordt vooral gebruikt voor het vervaardigen van mout; gerst wordt ook verwerkt tot gort of tot parelgort, welke dienen voor het bereiden van brij of van andere spijzen en gerechten.
Een kenmerk van de meeste gerstsoorten is dat de kroonkafjes vergroeid zijn met de zaadkorrel (bedekte of opgesloten gerst) en niet door dorsen of door wannen zijn te verwijderen. Die gerstsoorten zijn strogeel van kleur en de korrels zijn aan beide einden puntig. Zij worden slechts onder post 10.03 ingedeeld, indien de kroonkafjes nog aan de zaadkorrels vastzitten. Zijn die kroonkafjes afgeslepen, een bewerking, welke geschiedt in pelmolens en waarbij vaak een deel van [het pericarp] mede wordt afgeslepen, dan heeft men te doen met gort (of gepelde gerst) welke onder post 11.02 wordt ingedeeld.”
Partijen in het hoofdgeding zijn het erover eens, dat het asgehalte van de getrokken monsters lager was dan één gewichtsprocent van de droge stof.
Volgens de BALM is na officieel deskundigenonderzoek echter gebleken dat de geanalyseerde gerstmonsters niet homogeen waren: naast korrels die zonder meer als „gepareld” konden worden aangemerkt, waren er andere die minder waren bewerkt of die soms zelfs nog hun kroonkafjes hadden en dus hooguit als gepeld of geslepen konden worden aangemerkt.
In de versie van juli 1976 van voornoemde toelichtingen staat echter bij post 11.02, „gries en griesmeel; grutten, gort en parelgort...” :
"Deze post omvat de verschillende produkten die verkregen worden bij het grutten of malen of bij andere bewerkingen van granen — met uitzondering van meel en van resten... —, voor zover die produkten niet verder zijn bereid. De tot post 11.02 behorende produkten zijn:
...
3)
Gepelde granen, dat wil zeggen granen waarvan een deel van [het pericarp] is afgeslepen en, waar het gaat om bedekte gerst... die waarvan de kafjes zijn afgeslepen, kafjes welke bij die soort van gerst stevig aan de zaadkorrel vastzitten, ook nog na het dorsen en het wannen; bij bedoelde produkten is het meellichaam doorgaans zichtbaar.
4)
parelgort (van gerst) en andere geparelde granen, zijn de granen, waarvan [het pericarp] vrijwel geheel is weggenomen en welke bovendien zijn rondgeslepen.
Een Duitse richtlijn van 15 april 1966 (Banz nr. 73 van 19 april 1966) bepaalt met betrekking tot de onderscheidende kenmerken van parelgort;
„Als parelgort wordt slechts aangemerkt het produkt met eens asgehalte van niet meer dan één gewichtsprocent, gerekend naar de droge stof (zonder talk), dat zo is gepeld en rondom is rond- en gladgeslepen, dat de korrels geen diepe groeven of scherpe randen vertonen en geen kiemen of kafresten bevatten en de aleuroncellen zover zijn verwijderd, dat de zetmeelcellen voor meer dan de helft over het gehele oppervlak van de korrel zichtbaar zijn. Het produkt moet uit uniforme korrels bestaan; bij ten minste 70 % van alle korrels mag het verschil in breedte (afstand tussen de zijkanten) ten hoogste 0,5 mm bedragen, bij alle korrels ten hoogste 1 mm (vaststelling door zeefanalyse met zeven met ronde gaten of door meting van 200 korrels)...”
Wünsche heeft gelijk wanneer zij stelt dat het asgehalte een aanwijzing vormt voor de mate van bewerking van het produkt, aangezien de minerale bestanddelen en de ruwe cellulose waaruit de as ontstaat, zich grotendeels in het omhulsel (kroonkafjes, pericarp) en in de kiem bevinden. Het asgehalte van hele gerstkorrels bedraagt ongeveer 2,6-2,8 gewichtsprocent van de droge stof.
Men moet dus rekening houden met het asgehalte, doch als criterium volstaat het stellig niet.
Dit criterium is aanvankelijk in het gemeenschapsrecht ingevoerd voor meel (artikel 4 van verordening nr. 91/62 van de Commissie van 25 juli 1962).
Het is overgenomen in verordening nr. 5/63 van de Raad van 28 januari 1963, die de berekeningsmethode vaststelt voor het variabele element van de heffing die bij de invoer van zemelen wordt toegepast om fraude te voorkomen.
Bij parelgort, meel en vlokken wordt dit criterium in aanmerking genomen om de maximum restitutie die bij uitvoer van deze produkten wordt toegekend en die wordt berekend op basis van het variabele element van de heffing, te beperken (verordening nr. 11/66 van de Commissie van 3 februari 1966).
Maar het criterium, „asgehalte” dat aldus via verordening nr. 11/66 — die ten tijde van de feiten nog van kracht was — mede van toepassing werd op gerstkorrels, kon niet in de plaats treden van het in de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur genoemde andere criterium dat de Lid-Staten in acht moesten nemen bij het onderscheiden van parelgort en eenvoudig gepelde gerst.
Eigenlijk volgt dit criterium, dat men „visueel” zou kunnen noemen omdat het betrekking heeft op het uiterlijk van de korrel, al bijna dwingend uit de benaming van de litigieuze produkten. De Duitse tekst is in dit opzicht nauwkeuriger dan de Franse.
Waar de Franse tekst spreekt over korrels die zijn „décortiqués”„pelés”, „mondés”, of „perlés”, heeft de Duitse tekst het over „entspelzt”, „geschält”, „geschliffen” of „periförmig geschliffen”. Tegen het gebruik van het op de vorm en de afmetingen van de korrels gebaseerde criterium voert Wünsche twee argumenten aan:
1)
Ten eerste stelt zij, dat de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur van latere datum zijn dan de onderhavige feiten.
Het Hof heeft echter herhaaldelijk beslist (arrest van 15 december 1971, zaak 21/71, Brodersen, Jurispr. 1971, blz 1069 en arrest van 8 april 1976, zaak 106/75, Merkur, Jurispr. 1976, blz. 531), dat, wanneer landbouwverordeningen de produkten waarop zij betrekking hebben, niet of onvoldoende definiëren, te rade mag worden gegaan bij de definities van het gemeenschappelijk douanetarief, de uitleggingsmethodes die op douanegebied worden gevolgd en de door het Hof in zijn jurisprudentie gegeven preciseringen, ook al zijn deze pas na de litigieuze uitvoer gegeven.
Met name wanneer er geen communautaire toelichtingen bij de posten van het gemeenschappelijk douanetarief bestaan, moeten de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur als een waardevol hulpmiddel Voor de uitlegging worden beschouwd. Aan de omstandigheid dat er destijds slechts een Engelse en een Franse versie van deze Toelichtingen bestonden, kunnen de betrokken kringen geen op hun onbekendheid met de toelichtingen berustend „gewettigd vertrouwen” ontlenen (arrest van 8 december 1970, zaak 14/70, Bakels, Jurispr. 1970, blz. 1001, arrest van 14 juli 1971, zaak 12/71, Henck, Jurispr. 1971, blz. 744 en, nog onlangs, arrest van 16 juli 1981, zaak 159/80, Wünsche, Jurispr. 1981, blz. 2161).
2)
In de tweede plaats betoogt Wünsche, dat deze Toelichtingen zijn opgesteld door niet-deskundigen en dat het daarin opgenomen aanvullende visuele criterium in tegenspraak is met het criterium betreffende het asgehalte of daarmee samenvalt.
Door de verwijdering van de kafjes wordt volgens haar normaliter reeds verzekerd dat het asgehalte de grens van één procent niet overschrijdt. Er bestaat geen enkel belang bij een verdere behandeling van het produkt, want met het pericarp wordt ook een deel van het meellichaam weggenomen, waardoor de voedingswaarde van het produkt vermindert.
Granen kunnen volgens haar reeds als gepareld worden aangemerkt indien het pericarp vrijwel geheel is weggenomen, terwijl voor de kwalificatie „gepeld” de granen geheel van hun omhulsel moeten zijn ontdaan. Sinds de wijziging van januari 1978 worden gepelde granen in de IDR-nomenclatuur namelijk omschreven als „granen die zijn —... bewerkt om [het pericarp]... geheel of gedeeltelijk te verwijderen...” Daar de granen in elk geval gepeld zijn, zouden zij dus automatisch gepareld moeten zijn.
Mijns inziens kan de omstandigheid dat de begrippen gepelde en geparelde granen elkaar gedeeltelijk overlappen, worden verklaard doordat bij gerst geen onderscheid wordt gemaakt tussen het verwijderen van kroonkafjes en het pellen: bij gerst vormen de kroonkafjes op sommige punten een geheel met het pericarp; wanneer het pellen niet erg intensief geschiedt, worden enkel nagenoeg alle kroonkafjes verwijderd, terwijl bij een intensief pelproces eveneens een deel van het pericarp wordt verwijderd.
Met betrekking tot de voedingswaarde van het produkt heeft het Hof in het arrest van 16 juli 1981 (Wünsche, r.o. 21) overwogen, dat „de voedingsfysiologische functie van een waar slechts één der factoren is waarop bij de indeling van een produkt in een bepaalde post van het gemeenschappelijk douanetarief moet worden gelet.”
Het lijkt mij nuttig, rekening te houden met de vorm en de afmetingen van de korrel bij bedekte, puntige of langwerpige granen, zoals gerst, haver of rijst, die moeten worden gepeld om van hun vezelachtige omhulsels te worden ontdaan. Haver moet bovendien worden ontpunt. Er is dus een verschil tussen gerst die van haar omhulsel is ontdaan, doch enkel maar is gepeld, en gepelde gerst die bovendien is gepareld.
Een asgehalte van minder dan één procent duidt er dus weliswaar op, dat een deel van het pericarp is verwijderd, maar het bewijst niet in alle gevallen dat het pericarp vrijwel volledig is verwijderd, noch dat de granen aan de uiteinden zijn rondgeslepen. In de door mij geciteerde toelichtingen wordt deze eis echter duidelijk gesteld.
De Commissie en de BALM menen dan ook terecht, dat de hoogte van het asgehalte van het betrokken produkt weliswaar verband houdt met de meer of minder volledige verwijdering van het pericarp en de meer of minder sterke afronding van de gerstkorrels aan de uiteinden, doch dat men er bij een asgehalte van minder dan 1 % niet van uit mag gaan dat men dus te maken heeft met parelgort in de zin van de communautaire regeling.
3)
Tenslotte moet in geval van twijfel bij de uitlegging van een tariefpost rekening worden gehouden met de functie van het douanetarief, zowel in verband met de behoeften van de marktordening als zuiver douanerechtelijk gezien (arrest van 14 juli 1971, Henck, Jurispr. 1971, blz. 743, r.o. 9).
Men moet niet vergeten dat de andere, door bewerking van gerstkorrels ontstane produkten (met name kiemen) bij uitvoer recht konden geven op restitutie en dus nog alleszins bruikbaar waren.
In een tijd waarin de regeling van de restituties bij uitvoer naar derde landen nog grotendeels bij de Lid-Staten berustte, diende de restitutie het verschil tussen de prijs van het basisprodukt in de exporterende Lid-Staat en die op de wereldmarkt te compenseren. Het was dan ook gewettigd dat de Lid-Staten strenge eisen stelden voor de toekenning van restituties.
De Gemeenschap heeft deze eisen overgenomen toen restituties communautair werden geregeld en het „visuele” criterium formeel werd gehandhaafd.
Verordening nr. 821/68 van de Commissie van 28 juni 1968 betreffende de voor de toekenning van de restitutie bij uitvoer geldende definitie van gepelde granen en geparelde granen, bevat de volgende overweging:
„De restitutie bij uitvoer (moet) rekening houden... met de kwaliteit van het verwerkte graanprodukt waarvoor deze restitutie geldt) ten einde te vermijden dat overheidsgelden bijdragen tot de uitvoer van produkten van mindere kwaliteit;...”
Bovendien moest worden vermeden dat de mededinging tussen fabrikanten uit de Lid-Staten op de wereldmarkt zou worden vervalst: landbòuwprodukten uit derde landen, die door industrieën uit Lid-Staten waren verwerkt, mochten niet worden bevoordeeld boven gelijke produkten afkomstig uit de Gemeenschap.
Ook verordening nr. 11/66 van de Commissie beoogt duidelijk het maximum bedrag van de bij uitvoer van parelgort toe te kennen, op basis van het variabele element van de heffing berekende restitutie te beperken:
„... de hoeveelheid grondstof die voor de vervaardiging van bepaalde produkten in feite wordt gebruikt, kan aanmerkelijk verschillen naargelang van het uiteindelijke gebruik van ieder produkt;... voorts kunnen restituties voor de verschillende produkten die door eenzelfde verwerkingsproces tot stand gekomen zijn, worden gecumuleerd..,; de toepassing van een maximum... [restitutie]... zou uitvoer naar derde landen met (lees: tegen) lagere prijzen dan de wereldmarktprijs mogelijk kunnen maken...”
II —
Subsidiair vraagt het Bundesfinanzhof welk percentage korrels in een bepaalde partij aan het mengsel het karakter van parelgort geeft.
De BALM meent dat men te maken heeft met parelgort wanneer nagenoeg alle korrels uit een gegeven partij aan het „visuele” criterium voldoen en dat, zo een percentage van meer dan 50 % voldoende zou zijn, dit percentage betrek-, king moet hebben op het gewicht en niet op het aantal korrels.
Het is praktisch uitgesloten dat nagenoeg alle korrels in een bepaalde partij de vereiste kenmerken bezitten. Anderzijds kunnen manipulaties niet worden uitgesloten waarbij parelgort wordt vermengd met enkel gepelde gerst met het oogmerk net aan de eisen voor toekenning van de maximumrestitutie te voldoen.
Een analogische toepassing van algemene bepaling 3 b voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief is hier aanvaardbaar; volgens deze bepaling worden mengsels van goederen die „vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten... ingedeeld naar de post... waaraan de mengsels... hun wezenlijk karakter onlenen...” Het volstaat dus dat de geparelde granen overwegen, dat wil zeggen dat zij meer dan 50 % van de betrokken partij uitmaken.
Dit percentage kan echter niet het aantal korrels betreffen, want dan zou het eenvoudig zijn om meer dan 50 % geparelde gerstekorrels te krijgen door gedeelten van korrels, die aan de vereiste voorwaarden voldoen, te mengen met korrels die er niet aan voldoen. Meer dan 50 gewichtsprocent van de droge stof van het produkt moet dus aan deze voorwaarden voldoen.
Concluderend stel ik daarom voor, in antwoord op de vragen voor recht te verklaren:
In de periode maart/april 1966 moest voor de toekenning vooraf van de in de verordeningen nrs, 19/62 en 141/64 van de Raad voorziene restituties voor parelgort, meer dan 50 gewichtsprocent van de droge stof van de partijen bestaan uit korrels die voldeden aan de voorwaarden gesteld in de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur betreffende post 11.02 van het gemeenschappelijk douanetarief.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy