CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 15 OKTOBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De zaak waarin ik heden concludeer heeft wederom betrekking op het Duitse Branntweinmonopol (het Duitse alcoholmonopolie), en wel op de daarmee samenhangende, begin 1976 geldende invoerregeling. Een voorafgaande uiteenzetting van de details acht ik hier overbodig, daar deze uit een reeks eerdere zaken ongetwijfeld bekend zijn. Voor zover voor de beoordeling van het onderhavige geval noodzakelijk, zal ik er nog op terugkomen.
In januari 1976 verzocht verweerster in het hoofgeding om inklaring van Branntweinverschnitt uit België, bestaande uit 90 % ethylalcohol van agrarische herkomst en 10 % gedistilleerd uit wijn, om deze in haar eigen depot op te slaan. Daarbij legde het Hauptzollamt een heffing op van DM 80/hl ethylalcohol, de zogeheten Monopolausgleichspitze, die werd berekend door van het verschil tussen de normale verkoopprijs van monopoliealcohol (destijds DM 1833) en de basisprijs van gedistilleerd, de representatieve inkoopprijs van het monopolie (destijds DM 253), de belasting op gedistilleerd („Branntweinsteuer”, destijds DM 1500) af te trekken.
Het daartegen aangetekende bezwaar werd afgewezen. Daarentegen werd de importeur in het gelijk gesteld in zijn beroep bij het Finanzgericht Hamburg, dat oordeelde dat de heffing van een belasting ter hoogte van de Monopolausgleichspitze onverenigbaar was met artikel 95 EEG-Verdrag. Daartoe maakte het Finanzgericht een afzonderlijke vergelijkende berekening voor de bestanddelen ethylalcohol van agrarische herkomst en gedistilleerd uit wijn. Het eerste was namelijk, voor zover binnenslands vervaardigd, ingevolge paragraaf 58 Branntweinmonopolgesetz in de in januari 1976 geldende versie aan de leveringsplicht onderworpen en kon, indien het bestemd was voor de vervaardiging van sterke drank, alleen tegen de normale verkoopprijs van het monopolie worden gekocht. Daarentegen was gedistilleerd uit wijn — evenals andere uit bepaalde stoffen of door bepaalde distilleerderijen vervaardigde alcohol — niet aan de leveringsplicht onderworpen; het werd met de zogenaamde Branntweinaufschlag belast. Deze bestond vanaf een produktie van 60 hl in beginsel in het verschil tussen de verkoopprijs van gedistilleerd en de basisprijs van gedistilleerd; hiervan werd afgetrokken het gemiddelde bedrag van de administratiekosten die het monopolie bespaarde door de alcohol niet over te nemen, welk bedrag destijds bij beschikking was vastgesteld op DM 31.
Voor ethylalcohol van agrarische herkomst kon volgens het Finanzgericht enkel de in de verkoopprijs vervatte belasting op gedistilleerd ter hoogte van destijds DM 1500 als vergelijkbare binnenlandse belasting worden aangemerkt. Daarentegen, zo oordeelde het, dienden andere elementen van de koopprijs, met name het erin vervatte forfaitaire bedrag van DM 80 voor de administratiekosten van het monopolie, buiten beschouwing te blijven; de verkoopprijs van gedistilleerd moest immers als een — zij het bij administratief besluit vastgestelde — privaatrechtelijke vordering worden beschouwd, en kon derhalve niet als een met de verbruiksbelasting vergelijkbare fiscale vordering gelden. Bijgevolg werd volgens het Finanzgericht ingevoerde ethylalcohol van agrarische herkomst DM 80, het bedrag van de Monopolausgleichspitze, zwaarder belast.
Voor wat betreft gedistilleerd uit wijn, waarvoor bij binnenlandse produktie Branntweinaufschlag verschuldigd is, achtte het Finanzgericht doorslaggevend dat het volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie ontoelaatbaar is, op ingevoerde produkten een hogere forfaitaire belasting te heffen dan gelijksoortige binnenlandse produkten — al zij het slechts in bepaalde gevallen — op grond van een progressieve belasting moeten dragen. Op grond evenwel dat de Branntweinaufschlag voor wijndistillaat dat door zogenaamde Stoffbesitzer binnen een produktiehoeveelheid van 4 hl ethylalcohol werd vervaardigd, destijds slechts DM 1301/hl bedroeg, was volgens het Finanzgericht ook dit bestanddeel bij invoer in ieder geval DM 80 zwaarder belast dan het gelijksoortige binnenlandse produkt.
Het Hauptzollamt stelde tegen de uitspraak van het Finanzgericht beroep tot cassatie in bij het Bundesfinanzhof. Volgens het Hauptzollamt is het voor de belastingvergelijking niet van belang dat de afgifte van alcohol door het monopolie door middel van privaatrechtelijke rechtshandelingen , geschiedt. Het acht het veeleer van belang dat het alcoholmonopolie van overheidswege, door de belastingdienst, wordt beheerst en dat het met de normale verkoopprijs, een door de minister van Financiën vastgestelde grootheid, inkomsten voor de schatkist in de vorm van belasting op gedistilleerd alsmede inkomsten voor de financiering van het monopolie behaalt. Laatstgenoemde zouden alleen op generaliserende wijze kunnen worden bepaald aan de hand van de basisprijs als representatieve overnemingsprijs van het monopolie. Daar echter — aldus het Hauptzollamt — voor de Monopolausgleichspitze eveneens de berekeningsformule — normale verkoopprijs min basisprijs van gedistilleerd min belasting op gedistilleerd — geldt, kan voor wat betreft het bestanddeel ethylalcohol van agrarische herkomst geen sprake zijn van schending van artikel 95 EEG-Verdrag. Met betrekking tot het bestanddeel gedistilleerd uit wijn geeft het Hauptzollamt toe dat op het overeenkomstige binnenlandse produkt, indien met kijkt naar het laagste voor binnenlandse distilleerderijen geldende tarief, een Aufschlagspitze van niet DM 80 maar slechts DM 16,05 rust, hetgeen een overeenkomstige correctie van de voor het ingevoerde produkt vastgestelde belasting vereist. Laatstgenoemd bedrag van de Monopolausgleichspitze acht het Hauptzollamt echter zeker niet discriminerend; immers van een nog lager belastingtarief kan niet worden uitgegaan, daar gedistilleerd uit wijn afkomstig van zogenaamde Abfindungsbrennereien, Stoffbesitzer en Obstgemeinschaftsbrennereien niet op de markt is en met betrekking tot het ingevoerde produkt niet kan worden aangenomen dat het door vergelijkbare buitenlandse Kleinbrenner of Kleinbrennereigemeinschaften is vervaardigd.
Krachtens artikel 177 EEG-Verdrag heeft het Bundesfinanzhof bij beschikking van 2 december 1980 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Moet een belasting, voortvloeiende uit de door de administratie van het alcoholmonopolie vastgestelde verkoopprijs voor de bij de vervaardiging van gedistilleerd gebruikte monopoliealcohol, worden aangemerkt als een belasting welke op gelijksoortige nationale produkten wordt geheven in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag?
Moet een dergelijke belasting alleen dan als een belasting in bovengenoemde zin worden aangemerkt, indien het gaat om dat deel van de verkoopprijs dat de monopolieadministratie wettelijk als belasting op gedistilleerd aan de staatskas moet afdragen, of moet als een dergelijke belasting ook dat deel van de verkoopprijs worden beschouwd dat door de monopolieadministratie tot dekking van haar kosten worden ingehouden?”
Ik zou hierover het volgende willen opmerken.
1.
Blijkens de formulering van de gestelde vraag en de motivering van de verwijzingsbeschikking onderzoekt kennelijk ook het Bundesfinanzhof beide bestanddelen van de ingevoerde Branntweinverschnitt (ethylalcohol van agrarische herkomst en gedistilleerd uit wijn) afzonderlijk en acht het alleen uitlegging noodzakelijk van de vraag of voor wat betreft ethylalcohol van agrarische herkomst, die in de Bondsrepubliek destijds enkel via het monopolie kon worden betrokken, van een aan de Monopolausgleichspitze tenminste gelijkwaardige belasting van overheidswege kon worden gesproken. Met betrekking tot het bestanddeel gedistilleerd uit wijn, waarvoor de bijzondere belasting in de vorm van de Branntweinaufschlag geldt op grond dat het binnenslands niet aan de leveringsplicht is onderworpen, ziet het Bundesfinanzhof daarentegen geen bijzondere problemen. Op dit punt zou de rechtspraak reeds de nodige helderheid verschaffen en derhalve geen prejudiciële vraag noodzakelijk zijn.
2.
Het eerste deel van de gestelde vraag — of een belasting, voortvloeiende uit de door het alcoholmonopolie vastgestelde verkoopprijs, moet worden aangemerkt als een belasting die op een binnenlands produkt rust — roept geen bijzondere moeilijkheden op omdat hierin nog niet wordt onderscheiden al naar gelang van de afzonderlijke elementen van de verkoopprijs.
Daarbij hoeft ook niet afzonderlijk op de belangrijkste argumenten van partijen in het hoofdgeding te worden ingegaan. Het is bij voorbeeld niet van belang dat het monopolie ingevolge de wet gehouden is, beginselen van goed koopmansgebruik in acht te nemen, dat het monopolie privaatrechtelijke koopovereenkomsten met zijn afnemers sluit en dat de vorderingen tot betaling van de koopprijs bij de burgerlijke rechter aanhangig moeten worden gemaakt. Het is evenmin van belang dat het alcoholmonopolie — blijkens de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht — een fiscaal monopolie is en derhalve een bijzondere vorm van belastingheffing; evenmin is beslissend dat de monopolieadministratie een fiscale autoriteit van de Bondsrepubliek is en dat rechtszaken waarbij zij betrokken is, voor de belastingrechter worden gebracht, noch dat de verkoop- en overnemingsprijzen van het monopolie van overheidswege worden vastgesteld, dat de vorderingen tot betaling van de koopprijs bij faillissement als belastingen worden behandeld en geïnd en dat ontduiking van het monopolie als belastingfraude wordt bestraft. ,
Van belang is alleen dat de koopprijs ook de belasting op gedistilleerd omvat; alle betrokkenen zijn het erover eens dat het hier stellig een voor artikel 95 EEG-Verdrag relevante belasting betreft. De omstandigheid dat bij het betrekken van binnenlandse monopoliealcohol een koopprijs moet worden betaald, vormt derhalve geen grondslag voor de stelling dat deze prestatie geenszins een belasting is in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag, noch voor een ontkennend antwoord op de vraag of ook een belasting, voortvloeiende uit de door het monopolie vastgestelde verkoopprijs, als een belasting in de zin van genoemde bepaling moet worden aangemerkt.
3.
Het tweede deel van de gestelde vraag daarentegen — dat kennelijk ook het eigenlijke probleem van de zaak betreft — levert aanzienlijk meer problemen op. Hier gaat het om de vraag, of behalve de belasting op gedistilleerd ook dat deel van de door het monopolie vastgestelde verkoopprijs als belasting moet worden beschouwd, dat tot dekking van de kosten van het monopolie dient. Het gaat hier om het hiervoor reeds genoemde bedrag van DM 80, dat ook wel als „Preisspitze” wordt aangeduid.
a)
In beginsel kan daartoe worden vastgesteld dat niet op grond van de bestemming van dit onderdeel van de prijs — dekking van de administratiekosten van het monopolie — kan worden ontkend dat het een belasting vormt. Daarbij behoeft niet te worden ingegaan op de stelling van verweerster in het hoofdgeding, dat dit deel van de verkoopprijs in werkelijkheid niets anders is dan een commercieel berekend prijselement, zoals men dat ook bij particuliere leveranciers aantreft. Veeleer zij gewezen op het arrest van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181), waarvan de belangrijkste overwegingen niet op grond van het betoog in de onderhavige zaak in twijfel hoeven te worden getrokken. Reeds in die zaak ging het om de betaling van Branntweinaufschlag, waarvan de „Spitze” moest bijdragen tot dekking van de administratiekosten van het monopolie. Het Hof heeft daartoe vastgesteld dat het niet in strijd is met artikel 95, indien op binnenlandse produkten belastingen worden geheven die ten dele bestemd zijn ter financiering van een monopolie, en op gelijksoortige ingevoerde produkten een overeenkomstige belasting wordt gelegd die evenwel in de staatsmiddelen vloeit.
Daaruit kan inderdaad slechts worden afgeleid, dat de in de verkoopprijs van het monopolie vervatte „Spitze” het karakter van een belasting niet reeds kan worden ontzegd op grond dat dit onderdeel van de prijs bestemd is tot dekking van de administratiekosten van het monopolie.
b)
Intussen moet worden betwijfeld of het gerechtvaardigd is, de gehele„Preisspitze” als belasting in de zin van artikel 95 te beschouwen en het dienovereenkomstig toelaatbaar te achten dat ook ingevoerde alcohol met de volle Monopolausgleichspitze wordt belast.
Deze twijfel wordt stellig niet weggenomen door erop te wijzen dat de berekeningsformules overeenstemmen; hieruit blijkt dat zowel voor de Preisspitze als voor de Monopolausgleichspitze een bepaalde verhouding tussen door de overheid vastgestelde grootheden beslissend is.
Veeleer zij nogmaals gewezen op het arrest in zaak 45/75, waarin is beklemtoond dat voor artikel 95 alleen belastingen in aanmerking komen die door de overheid zijn ingevoerd en vastgesteld, en volgens hetwelk artikel 95 belet dat lasten van andere, bij voorbeeld economische aard, zoals die voor binnenlandse produkten gelden, door fiscale belasting van ingevoerde produkten worden gecompenseerd.
Voorts zijn de volgende overwegingen van belang:
—
De Preisspitze wordt verkregen door van de verkoopprijs van het monopolie niet alleen de belasting maar ook de inkoopprijs af te trekken. Dit laatste is in verband met artikel 95 beslist noodzakelijk, daar de waarde van het goed, die een tegenprestatie vormt voor de verkoopprijs, natuurlijk niet als een belasting kan worden aangemerkt. Maar zoals
gezegd vormt de volgens de berekeningsformule af te trekken basisprijs van gedistilleerd slechts een forfaitaire grootheid. Immers het monopolie koopt — om redenen van landbouwbeleid — in tegen velerlei prijzen, afhankelijk van de omvang van de distilleerderijen en de voor het gedistilleerd gebruikte grondstoffen, zodat destijds overnemingsprijzen golden van DM 27,39, DM 176,38, DM 231,12, DM 257,48 en DM 629,32. Indien men de waarde van het goed op juiste wijze wil doen uitkomen, en derhalve van de daadwerkelijk betaalde gemiddelde overnemingsprijzen van het monopolie wil uitgaan, dan moet voor het jaar 1975/76 — zoals de Commissie heeft aangetoond — worden uitgegaan van een gemiddelde overnemingsprijs van DM 257,10 en bijgevolg de Preisspitze worden verminderd met het verschil tussen deze daadwerkelijk betaalde overnemingsprijs en de basisprijs van gedistilleerd, tenzij men het — in navolging van overwegingen in verschillende arresten, zoals het arrest van 30 oktober 1980 in zaak 26/80, Schneider-Import GmbH & Co. KG, Jurispr. 1980, blz. 3469 — als een onvermijdelijke en derhalve toelaatbare forfaitaire berekeningswijze beschouwt, de basisprijs als gemiddelde representatieve inkoopprijs aan te merken.
—
De Commissie heeft er voorts op gewezen dat de administratiekosten van het monopolie ook kosten voor vervoer, opslag en eventueel zuivering of denaturering van de alcohol omvatten. Om vast te stellen of de administratiekosten van het monopolie een belasting vormen, moeten deze kosten bij genoemde berekening buiten beschouwing worden gelaten; het gaat hier immers om factoren die verband houden met echte economische prestaties van het monopolie en die derhalve terecht alleen ten laste worden gebracht van degenen aan wie die prestaties ten goede komen, dat wil zeggen de kopers van monopoliealcohol.
—
Daar de verkoopprijzen van het monopolie verschillen al naar gelang van de beoogde aanwending, zou ten slotte nog de vraag kunnen worden opgeworpen of niet ook dat deel van de administratiekosten van het monopolie buiten beschouwing moet blijven dat dient tot compensatie van de verliezen „door het monopolie geleden doordat bepaalde voor ander gebruik bestemde alcoholsoorten beneden de kostprijs worden verkocht” (r.o. 2 van het arrest-47/75).
Dit alles moet inderdaad tot de conclusie leiden dat in geen geval het gehele bedrag van de Preisspitze kan worden beschouwd als een belasting die voor een vergelijking van belastingen krachtens artikel 95 in aanmerking komt. Voorts ligt het mijns inziens voor de hand dat met betrekking tot het in aanmerking komende restant niet van een naar hoogte bepaalde belasting kan worden gesproken, zodat de gehele Preisspitze buiten beschouwing moet worden gelaten. Immers de omvang van de volgens bovenstaande overwegingen af te trekken bedragen is aan schommelingen onderhevig, en in ieder geval kan steeds aan het einde van een boekjaar, maar niet — zoals voor artikel 95 noodzakelijk lijkt — op ieder willekeurig tijdstip van invoer, precies worden aangegeven welk deel van de administratiekosten een echte belasting is en wat daarvan vanuit de verschillende bovenstaande gezichtspunten moet worden afgetrokken.
4.
Alvorens een definitieve conclusie te trekken zou ik echter willen ingaan op enkele overwegingen van de verwijzingsbeschikking die ook de Commissie op hun plaats acht. Ik doel hier op de vraag of het niet gerechtvaardigd is van de Preisspitze, dus van de administratiekosten van het monopolie, eenvoudig het bedrag af te trekken dat ook bij de belasting van binnenlandse niet-leveringsplichtige alcohol buiten beschouwing blijft voor de berekening van de zogenaamde Branntweinaufschlag. Dit zou betekenen dat — nu bij de Branntweinaufschlag door het monopolie bespaarde administratiekosten ter hoogte van DM 31 worden afgetrokken — de Monopolausgleichspitze in ieder geval tot een bedrag van DM 80 min DM 31, dat wil zeggen DM 49, toelaatbaar zou zijn geweest.
De Commissie heeft daartoe op het systeem en de structuur van het Duitse Branntweinmonopol gewezen. Indien daarin wordt onderscheiden tussen leveringsplichtige en niet-leveringsplichtige alcohol, ligt het voor de hand dat ingevoerde alcohol moet worden gelijkgesteld met die binnenlandse produkten die evenmin via het monopolie worden verhandeld. Bovendien, aldus de Commissie, worden aldus het best verstoringen van de mededinging voorkomen die anders — zoals zij aan de hand van enkele voorbeelden heeft aangetoond —. zouden kunnen ontstaan. Ter rechtvaardiging van dit resultaat heeft zij enkele overwegingen aangevoerd, waarop ik hierna nog in details zal ingaan.
a)
Het komt mij in de eerste plaats voor dat het niet aangaat, de Monopolausgleichspitze principieel en algemeen gerechtvaardigd te achten voor het bedrag dat men verkrijgt na aftrek van de door het monopolie bespaarde administratiekosten, zoals die bij de Branntweinaufschlag algemeen zijn vastgesteld.
Terecht betwijfelt verweerster of bedoeld „gegrepen” bedrag volstaat om de bespaarde administratiekosten daadwerkelijk te omvatten, om maar niet te spreken van elementen als de afwijking van de werkelijke gemiddelde overnemingsprijs, verliezen bij de verkoop van in prijs verlaagde alcohol en de kosten voor vervoer, opslag en zuivering. Er zij op gewezen dat de Preisspitze ook de aan de schatkist af de dragen winst van het monopolie omvat en dat daarbij, zoals in de jaren 1973 en 1975, aanzienlijke bedragen (32 miljoen DM respectievelijk 60 miljoen DM) betrokken zijn geweest.
Verwijzing naar de structuur en het systeem van het alcoholmonopolie en naar anders te vrezen verstoringen van de mededinging vormt in elk geval onvoldoende grond, ingevoerde alcohol voor de belastingheffing eenvoudig gelijk te stellen met niet-leveringsplichtige binnenlandse alcohol. Tijdens de behandeling van de zaak is terecht beklemtoond dat artikel 95 — dat betrekking heeft op verstoringen van de mededinging — een discriminatie van binnenlandse produkten niet uitsluit.
b)
Het door de Commissie juist geachte resultaat zou derhalve alleen aanvaardbaar zijn op voorwaarde dat — en daarmee kom ik toe aan de door de Commissie aangevoerde aanvullende overwegingen — het ingevoerde produkt gelijkwaardig kan worden geacht aan niet-leveringsplichtige binnenlandse alcohol. De lastige vraag in hoeverre de administratiekosten van het monopolie niet als belasting kunnen worden aangemerkt, behoeft dan ook niet verder te worden onderzocht; er dient veeleer van te worden uitgegaan dat de gunstiger belastingsregeling die — wegens aftrek van de administratiekosten — voor niet-leveringsplichtige binnenlandse alcohol geldt, ook toepassing dient te vinden op ingevoerde alcohol.
Er zij in dit verband aan herinnerd dat het begrip „gelijksoortig” op grond van het arrest van 26 februari 1980 (zaak 168/78, Commissie t. Frankrijk, Jurispr. 1980, biz. 347) soepel en ruim moet worden uitgelegd. Voor de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag is het volgens genoemd arrest voldoende dat tussen de betrokken produkten een gedeeltelijke, indirecte of potentiële concurrentieverhouding bestaat, en dat een dergelijke verhouding bij een of meer economische toepassingen kan worden vastgesteld. Dienovereenkomstig heeft het Hof in genoemd arrest vastgesteld dat er onder de gedistilleerde dranken een onbepaald aantal dranken voorkomen die als gelijksoortig in de zin van artikel 95, eerste alinea, kunnen worden beschouwd, en dat, waar alle gedistilleerde dranken gemeenschappelijke kenmerken vertonen, kan worden aangenomen dat zij althans gedeeltelijk of potentieel met elkaar concurreren, zodat in ieder geval artikel 95, tweede alinea, van toepassing is (r.o. 12 van het arrest, Jurispr. 1980, blz. 362). Na hetgeen de Commissie in casu heeft betoogd — te weten dat bij zuivere alcohol de gebruikte grondstoffen (wijn, graan, vruchten, aardappels) slechts met zeer veel moeite kunnen worden vastgesteld en dat de grondstoffen van geen belang zijn bij aanwending van alcohol voor de vervaardiging van sterke dranken als waar het in het hoofdgeding om gaat — kan derhalve moeilijk worden betwijfeld dat ingevoerde ethylalcohol van agrarische herkomst gelijksoortig is aan binnenlandse niet-leveringsplichtige, uit wijn en vruchten gewonnen alcohol.
Het schijnt derhalve inderdaad gerechtvaardigd het ingevoerde produkt in beginsel aan een even hoge belasting te onderwerpen, dat wil zeggen niet aan de Monopolausgleichspitze van DM 80 maar aan een belasting ter hoogte van de Branntweinaufschlagspitze (DM 49). Daarbij ligt voor het overige geen probleem besloten in de omstandigheid — ik denk thans aan de in het arrest-47/75 gebruikte formulering „tot een door de overheid vastgesteld bedrag” — dat de Aufschlagspitze als zodanig niet is vastgelegd doch uit een berekening aan de hand van door de overheid vastgestelde grootheden voortvloeit.
c)
Bijgevolg rest alleen nog de vraag — en dit niet in de laatste plaats gezien het door het Hauptzollamt voor het Bundesfinanzhof gevoerde betoog — of aan bovenstaande conclusies voorbehouden en aanvullingen moeten worden verbonden op grond dat de Branntweinaufschlag geen uniforme belasting is maar een belasting die — door toeslagen en verminderingen in de vorm van percentages van de basisprijs — verschilt al naar gelang de omvang van de distilleerderijen en de gebruikte grondstoffen. Zoals gezegd had dit tot gevolg dat destijds voor de Aufschlag tarieven hebben gegolden van DM 1149,20 tot DM 159954, die in uitzonderingsgevallen nog hoger konden zijn.
Waarschijnlijk kan die vraag ontkennend worden beantwoord; verweerster heeft immers ter terechtzitting verklaard dat het haar onbekend is waar de ingevoerde alcohol is vervaardigd, zodat zij niet kan aantonen dat het een produkt betreft dat zou moeten worden gelijkgesteld aan één bepaald, door een begunstigde „Klein-brenner” vervaardigd binnenlands produkt. Dit dient echter niet definitief in de prejudiciële procedure te worden beslist, maar in voorkomend geval door de nationale rechter.
Volledigheidshalve echter zou' met het oog op bovengenoemd differentieel tarief van de Branntweinaufschlag nog een aanvullende opmerking in de prejudiciële beslissing kunnen worden opgenomen. Daarbij kan worden verwezen naar overwegingen in het arrest-45/75, inhoudende dat het onverenigbaar is met artikel 95 indien ingevoerde produkten volgens andere berekeningsmethoden en bepalingen worden belast dan binnenlandse — in het ene geval een uniform bedrag en in het andere een progressieve belasting —, en dat voor inbreuk op artikel 95 voldoende is dat het ingevoerde produkt slechts in een gering aantal gevallen hoger wordt belast. Ook ware te herinneren aan het arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787). Daarin werd beklemtoond dat artikel 95 niet toestaat, onderscheid te maken op grond van de aan eventuele bijzondere regelingen ten grondslag liggende sociale of andere overwegingen of op grond van de betekenis van deze regelingen ten opzichte van het gewone belastingstelsel; dat veeleer, wanneer is voldaan aan de criteria van artikel 95, eerste en tweede alinea, bijzondere begunstigingen van een nationale belastingregeling ook moeten worden toegepast op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten.
5.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door het Bundesfinanzhof gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
a)
In de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag kan als een belasting die op een gelijksoortig nationaal produkt wordt geheven ook worden aangemerkt een belasting, voortvloeiende uit de door de administratie van het alcoholmonopolie vastgestelde verkoopprijs van de bij de vervaardiging van dat produkt gebruikte monopoliealcohol. Een dergelijke belasting kan echter alleen als belasting in bovengenoemde zin worden beschouwd, voor zover het gaat om dat deel van de verkoopprijs dat het monopolie als belasting op gedistilleerd moet afdragen; het gedeelte van de verkoopprijs dat door het monopolie tot dekking van zijn kosten wordt ingehouden, kan niet als relevante belasting gelden op grond dat het gedeeltelijk als „economische belasting” moet worden beschouwd en het bedrag van het voor een vergelijking van belastingen in aanmerking komende resterende gedeelte niet nauwkeurig is bepaald.
b)
Op uit andere Lid-Staten ingevoerde alcohol mocht evenwel volgens de begin 1976 in de Bondsrepubliek Duitsland geldende regeling een belasting ter hoogte van de voor niet-leveringsplichtig gedistilleerd geldende Aufschlag worden geheven, indien het ging om gelijksoortige produkten in de zin van het arrest van 26 februari 1980 (zaak 168/78, Jurispr. 1980, blz. 347). Daarbij moesten evenwel begunstigingen voor binnenlandse alcohol ook worden toegepast op ingevoerde alcohol die zich in dezelfde situatie bevond.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy