CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 15 JULI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in het onderhavige geding trad in 1974, na een vergelijkend onderzoek als tijdelijk functionaris met de rang A 7/2 in dienst bij de Controlecommissie. Bij besluit van 16 december 1976 werd hij met ingang van 1 oktober 1976 voor de duur van negen maanden aangesteld tot ambtenaar op proef in dezelfde rang. Bij besluit van 14 juni 1977 werd hij per 1 juli 1977 in vaste dienst benoemd in de rang A 7.
Bij Verdrag van 22 juli 1975 werd de Controlecommissie vervangen door de Rekenkamer. Deze heeft in 1978 vijf vacatures in de loopbaan A 7/A 6 bekendgemaakt. Krachtens artikel 29, lid 1, sub c, Ambtenarenstatuut moest daarin worden voorzien door overgang van ambtenaren van andere instellingen. Verzoeker solliciteerde naar een der posten en werd bij besluit van de Rekenkamer van 18 april 1978 met ingang van 1 mei 1978 naar deze instelling overgeplaatst en ingedeeld in rang A 7, salaristrap 3. Hij werd met ingang van 1 mei 1979 bevorderd naar de rang A 6, salaristrap 1, met salarisanciënniteit vanaf 1 juli 1977.
Destijds heeft de Rekenkamer haar personeelssterkte ook opgevoerd door de aanwerving van personeelsleden en ambtenaren die nog niet bij de Gemeenschappen in dienst waren. Zij werden vanaf 21 februari 1980 ingedeeld op basis van een — intussen blijkbaar tweemaal gewijzigd — besluit van de Rekenkamer met betrekking tot de criteria voor de indeling en de benoeming van het personeel. Volgens dit besluit behoeft een ambtenaar niet in de aanvangsrang van de basisloopbaan van een bepaalde categorie te worden ingedeeld, wanneer hij na het behalen van het voor die loopbaan vereiste diploma, een bepaald minimum aan beroepservaring heeft opgedaan, dat voor de rang A 6 bijvoorbeeld vier jaar bedraagt; heeft hij een nog langere beroepservaring, dan kan hij volgens een bij dit besluit gevoegde tabel in een hogere salaristrap worden ingedeeld.
Verzoeker meent nu dat dit in de praktijk ertoe heeft geleid, dat de aldus ingedeelde personeelsleden en ambtenaren zich in een aanzienlijk gunstiger positie bevinden dan ambtenaren die vanuit andere instellingen naar de Rekenkamer zijn overgegaan. Hij wendde zich daarom op 12 mei 1980 tot het tot aanstelling bevoegde gezag met een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut. Hierin wees hij op het feit dat nieuwe personeelsleden van de Rekenkamer met tien jaar minder beroepservaring dan hijzelf in rang A 6, salaristrap 1 of 2 werden ingedeeld, — dus in dezelfde rang en salaristrap (A 6/2) als hijzelf intussen had bereikt — en verzocht hij na te gaan of deze anomalie kon worden verholpen.
Aan dit verzoek werd geen gevolg gegeven. In een nota van 25 juli 1980 betwistte de voorzitter van de Rekenkamer onregelmatigheid van verzoekers indeling. Hij gaf toe dat de Rekenkamer voor de indeling van nieuw personeel eigen, op beroepservaring steunende criteria had opgesteld, maar stelde tevens dat zij inzake verzoekers bevordering aan artikel 46 van het Ambtenarenstatuut gebonden was, zodat zij van een reeds vaststaande indeling diende uit te gaan en terzake dus over geen enkele beleidsvrijheid beschikte.
Begin 1980 kreeg verzoeker bij inzage van zijn persoonsdossier kennis van een nota die het inzake Personeelszaken en algemeen beheer bevoegde lid van de Rekenkamer naar aanleiding van zijn verzoek had opgesteld en aan de voorzitter van de Rekenkamer had gezonden. In deze nota, waarvan verzoeker een afschrift heeft ontvangen — inmiddels is zij uit zijn persoonsdossier verwijderd — werd onder meer aangetoond dat de indelingsmaatstaven van de Rekenkamer de ambtenaren en personeelsleden die bij de Rekenkamer in dienst zijn getreden zonder tevoren bij de Gemeenschappen te hebben gewerkt, bevoordelen ten opzichte van de overeenkomstig artikel 46 van het Ambtenarenstatuut ingedeelde ambtenaren. Dit werd gedetailleerd beschreven voor de loopbaan A 5/A 4, en — op bladzijde 3 van de nota — voor rang A 6.
Daarop diende verzoeker op 15 september 1980 bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut. Daarin beroept hij zich op voormelde nota waaruit zou blijken dat hij, ondanks zijn leeftijd en zijn diensttijd, van alle ambtenaren en personeelsleden in de rang A 6, het laagst is ingedeeld en dat zelfs een dertigjarige ambtenaar op proef volgens salaristrap 4 van rang A 6 wordt bezoldigd. Deze praktijk om arbeidscontractanten bij hun aanstelling tot ambtenaar een hogere indeling te geven dan ambtenaren die overeenkomstig artikel 46 van het Ambtenarenstatuut werden bevorderd, levert volgens hem een schending op van artikel 5, lid 3, van het Ambtenarenstatuut; derhalve diende zijn indeling zodanig te worden gewijzigd dat zij vergelijkbaar was met die van collega's van dezelfde leeftijd en met dezelfde beroepservaring.
Ook verzoekers klacht bleef vruchteloos. Bij nota van 13 november 1980 wees de voorzitter van de Rekenkamer erop dat verzoeker in 1974 een bepaalde indeling had aanvaard zodat het onmogelijk was deze thans nog te wijzigen; zijn klacht moest op dit punt derhalve niet ontvankelijk worden geacht. Er kon ook geen sprake zijn van een schending van artikel 5, lid 3, Ambtenarenstatuut. Verzoeker zou voldoende gelegenheid hebben gehad om aan vergelijkende onderzoeken met betrekking tot ambten in de loopbaan A 5/A 4 en in de rang A 3 deel te nemen, De door verzoeker genoemde nota tenslotte zou slechts een voorlopig standpunt inhouden waaraan het tot aanstelling bevoegde gezag niet is gebonden.
Daarop stelde verzoeker op 14 januari 1981 beroep in bij het Hof van Justitie; hij concludeert dat het den Hove behage:
—
vast te stellen dat de door de Rekenkamer toegepaste indelingscriteria discriminerend zijn, in zoverre zij voor nieuw personeel een hogere indeling mogelijk maken dan voor het personeel dat tevoren reeds bij de Gemeenschappen in dienst was;
—
voor recht te verklaren dat de Rekenkamer verplicht is verzoeker, met terugwerkende kracht tot de instelling van zijn beroep, in te delen op een niveau dat ten minste vergelijkbaar is met dat van collega's met dezelfde leeftijd, universitaire opleiding en beroepservaring;
—
het besluit van 13 november 1980 nietig te verklaren;
—
de Rekenkamer te veroordelen tot vergoeding van de ten gevolge van haar dienstfout geleden schade, begroot op BFR 1080000 vermeerderd met rente ad 6 % vanaf de instelling van het beroep.
Overtuigd dat het beroep op verschillende gronden niet ontvankelijk is, heeft de Rekenkamer een verzoek als bedoeld in artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering ingediend, dat evenwel bij beschikking van 19 mei 1981 met de hoofdzaak werd gevoegd. De Rekenkamer stelt voorts dat het beroep in elk geval ongegrond moet worden verklaard.
Mijn standpunt in deze zaak is als volgt:
I —
De ontvankelijkheid
De Rekenkamer trekt de ontvankelijkheid van het beroep of bepaalde onderdelen ervan in meerdere opzichten in twijfel.
—
Het beroep is volgens haar in de eerste plaats tardief ingesteld. Het is verzoeker voornamelijk te doen om de wettigheid van zijn indeling: de besluiten daaromtrent zijn evenwel genomen bij zijn aanstelling door de Controlecommissie, bij zijn overgang naar de Rekenkamer en bij zijn bevordering naar de rang A 6. Tegen die besluiten had hij dus moeten opkomen en aangezien hij dit niet heeft gedaan, kan hij op de daarmee verbonden problemen thans niet meer terugkor. men.
—
De indeling door de Rekenkamer van de nieuw aangeworven personeelsleden en ambtenaren waaraan verzoeker refereert, vormt geen bezwarend besluit.
—
Daarbij komt dat het op zijn klacht genomen besluit waarvan verzoeker thans vernietiging vordert, kennelijk niet als een bezwarende, voor beroep vatbare handeling kan worden beschouwd maar slechts de bevestiging is van een eerder genomen besluit.
—
De Rekenkamer voert tenslotte nog aan dat het beroep geen geldig voorwerp heeft, daar verzoeker niet een hem bezwarende maatregel heeft aangeduid; het voorwerp van het beroep zou op zijn minst zeer vaag omschreven zijn.
Ik ben evenwel van mening dat al deze bezwaren uiteindelijk niet volstaan om tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep of van bepaalde onderdelen ervan te besluiten.
1.
Verzoeker'heeft immers niet gesteld dat de voorheen omtrent zijn indeling genomen besluiten foutief waren en dus dienen te worden gecorrigeerd, hetgeen thans uiteraard niet meer mogelijk is. Hij is veeleer van mening dat, nu de Rekenkamer in het voorjaar van 1980 bij een algemeen besluit de indelingscriteria voor het nieuwe personeel heeft vastgelegd en deze bij besluiten van individuele aard in de praktijk heeft gebracht, ook zijn indeling weer moet worden onderzocht en voor de toekomst aan de nieuwe maatstaven aangepast om ongelijke behandeling te voorkomen. Slechts daartoe strekte zijn verzoek van 12 mei 1980; aangezien hij daartoe op nieuwe feiten kon steunen, moet het besluit waarbij zijn verzoek werd afgewezen thans in rechte kunnen worden getoetst.
Daartegen kan mijns inziens moeilijk bezwaar worden gemaakt. Het is immers niet aanvaardbaar dat eenmaal genomen indelingsbesluiten per se voor altijd in stand moeten blijven, wanneer zij niet tijdig worden aangevochten. In beginsel is het veeleer aannemelijk, dat bij wijziging van wezenlijke omstandigheden op zijn minst voor de toekomst een aanpassing kan worden gevraagd, zoals trouwens in het arrest van 12 juli 1973 werd erkend (zaak 28/72, Tontodonati, Jurispr. 1973, blz. 779). Zo het tot aanstelling bevoegde gezag in een dergelijk geval het eerder genomen besluit handhaaft, dient zulks in feite te worden beschouwd als een nieuw voor beroep vatbaar besluit en niet enkel als de bevestiging van een eerder onder vigeur van een andere rechtstoestand genomen besluit. In het onderhavige geval kon verzoeker ongetwijfeld nieuwe feiten inroepen. Daarbij hoeft in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid nog niet te worden uitgemaakt of het tot aanstelling bevoegde gezag op grond daarvan inderdaad tot aanpassing van verzoekers indeling verplicht was; hiertoe volstaat het dat zijn stelling voorshands gegrond lijkt en dit is het geval. Verzoeker heeft, na de inwerkingtreding van het besluit van februari 1980, prompt op de nieuwe toestand gereageerd, ja zelfs binnen de termijn voor het indienen van een klacht, hoewel dit voor het indienen van een verzoek niet noodzakelijk lijkt. Zijn verzoek werd op 25 juli 1980, dus binnen de in artikel 90 gestelde termijn van vier maanden, afgewezen. Hiertegen heeft hij binnen de termijn van drie maanden, namelijk op 15 september 1980, een klacht ingediend. Toen deze klacht op 13 november 1980, vóór het verstrijken van de termijn van vier maanden, werd afgewezen, heeft hij zich binnen de termijn van drie maanden tot het Hof van Justitie gewend.
Onder deze omstandigheden kan zeker niet worden gesteld dat het proces tardief is aangespannen.
2.
De opmerking van de Rekenkamer dat de indelingsbesluiten voor het nieuwe personeel geen voor verzoeker bezwarende besluiten vormden, treft dus klaarblijkelijk geen doel. De wettigheid van die besluiten wordt door verzoeker immers niet betwist; hij erkent nu juist hun wettigheid en beroept zich daarop om te stellen dat in het belang van een gelijke behandeling ook zijn indeling moest worden aangepast.
3.
Waar de Rekenkamer met betrekking tot verzoekers vordering tot nietigverklaring van het op zijn klacht genomen besluit, stelt dat dit besluit slechts de bevestiging vormt van de afwijzing van zijn verzoek van mei 1980 en als zodanig niet voor beroep vatbaar is, kan zij in beginsel niet worden weersproken. Afgezien van de heersende rechtspraak (arrest van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677) kan in dit verband namelijk worden gewezen op het in de artikelen 90 en 91, Ambtenarenstatuut, vervatte stelsel, volgens hetwelk het geding betrekking moet hebben op een bezwarend besluit; als zodanig gelden slechts een uitdrukkelijk besluit of het achterwege blijven van een besluit, waartegen een klacht is ingediend, en dus niet het op die klacht genomen besluit. Verzoeker voert aan dat hij in zijn klacht van 15 september 1980 heeft verwezen naar de nota die een lid van de Rekenkamer intussen over deze kwestie had opgesteld en naar de inmiddels genomen, maar pas in mei 1980 bekendgemaakte indelingsbesluiten, hetgeen hij in zijn verzoek van 12 mei 1980 onmogelijk had kunnen doen. Dit argument overtuigt mij niet. Het tot aanstelling bevoegde gezag was immers in elk geval reeds bij de afwijzing van Williams' verzoek op de hoogte van deze feiten. Zij waren ten tijde van de afwijzing van zijn klacht dus niet nieuw.
De opmerking van de Rekenkamer vormt mijns inziens nochtans geen doorslaggevend argument om het beroep niet ontvankelijk te verklaren. Uit de globale inhoud alsook uit de andere onderdelen van het beroep kan immers zonder meer verzoekers eigenlijke grief, namelijk de weigering zijn indeling aan te passen, worden afgeleid. Het komt mij dan ook niet gepast voor het thans besproken onderdeel van het beroep eenvoudig niet ontvankelijk te verklaren; het dient veeleer in bovengenoemde zin te worden geacht te strekken tot nietigverklaring van de afwijzing van zijn verzoek van mei 1980.
4.
Op grond van het voorafgaande gaat het natuurlijk evenmin aan, de ontvankelijkheid van het beroep in twijfel te trekken wegens het ontbreken of de beweerdelijk te vage omschrijving van het onderwerp van geschil. In dit verband moeten de vereisten van artikel 38, paragraaf 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering mijns inziens in beginsel niet al te formalistisch worden opgevat. Het feit dat het verzoekschrift naar eerder verrichte handelingen verwijst, toont voldoende aan dat verzoeker de Rekenkamer verplicht wil zien om, nu zij de indelingscriteria voor nieuw personeel ruim heeft bemeten, de ambtenaren die zij van andere gemeenschapsinstellingen heeft overgenomen, in de toekomst op dezelfde wijze te behandelen.
II —
Ten gronde
Voor de gegrondheid van het beroep moet in de eerste plaats worden nagegaan of de door de Rekenkamer in het voorjaar van 1980 gevolgde indelingspraktijk als discriminerend kan worden aangemerkt en of daaruit noodzakelijk volgt dat verzoeker vanaf het instellen van zijn beroep recht had op een indeling die vergelijkbaar is met die van nieuwe ambtenaren en personeelsleden. Vervolgens moet worden onderzocht of aan verzoeker schadevergoeding wegens een dienstfout moet worden toegekend.
1.
Verzoeker heeft tot staving van zijn standpunt gedetailleerd aangegeven hoe zijn huidige indeling tot stand is gekomen. Reeds bij het begin van zijn loopbaan werd hem een hoge indeling onthouden, daar zijn vroegere werkgeefster, de Controlecommissie, het besluit van de Commissie van 6 juni 1973 betreffende de salarisanciënniteit niet toepaste. Bovendien is de Controlecommissie in zijn geval afgestapt van haar tot dan toe gevolgde praktijk om ambtenaren bij hun aanstelling in vaste dienst te bevorderen naar rang A 6, omdat in 1977 werd besloten om, in afwachting van de oprichting van de Rekenkamer, geen bevorderingen meer te doen plaatsvinden. Verzoeker betoogt dat men er dus van uit dient te gaan dat hij reeds in de jaren 1974 tot 1978 te laag en niet in verhouding tot zijn functie bij de Controlecommissie was ingedeeld.
Anderzijds zou het nieuwe personeel van de Rekenkamer kennelijk steeds al een gunstige indeling hebben genoten. Dit blijkt overduidelijk uit het in februari 1980 genomen besluit betreffende de indelingscriteria. De nieuwe personeelsleden genoten daardoor een voorkeursbehandeling, en dit is zo gebleven na hun aanstelling in vaste dienst, die trouwens op grond van erg bedenkelijke vergelijkende onderzoeken plaatsvond. Dit alles heeft er volgens verzoeker toe geleid dat er binnen zijn rang (A6) indelingen in hogere salaristrappen zijn vast te stellen, maar daarenboven zijn nieuwe personeelsleden met vergelijkbare dienstervaring en titels in een hogere rang benoemd.
a)
Allereerst dienen uit dit betoog de elementen te worden gelicht, die volgens mij in deze procedure niet kunnen worden behandeld.
aa)
Dit geldt stellig voor de uiteenzetting over de ontwikkeling van verzoekers loophaan bij de vroegere Controlecommissie. Thans kan immers niet meer worden nagegaan of indertijd alles regelmatig is verlopen, aangezien de desbetreffende handelingen en het latere optreden van de Controlecommissie niet binnen de gestelde termijn werden betwist. Wij dienen er dus van uit te gaan dat deze maatregelen wettig zijn. De Rekenkamer kan er dan ook niet toe worden verplicht, rekening te houden met vermeende nalatigheden van de Controlecommissie ten aanzien van verzoekers loopbaan. Verzoeker had het verlangen daartoe overigens ten laatste bij zijn overgang naar de Rekenkamer kenbaar moeten maken.
bb)
Hetzelfde kan worden gezegd over verzoekers bedekte en openlijke kritiek op de door de Rekenkamer georganiseerde vergelijkende onderzoeken, waardoor arbeidscontractanten relatief gemakkelijk gunstige posten als ambtenaar konden innemen. Afgezien van het feit dat niet wel valt in te zien, wat verzoeker met deze uiteenzetting tracht te bereiken, dient zij reeds daarom buiten beschouwing te worden gelaten omdat de bekritiseerde vergelijkende onderzoeken destijds niet tijdig werden aangevochten, zodat ze thans als rechtmatig moeten worden beschouwd.
cc)
Tenslotte kan niet worden toegelaten dat verzoeker via dit geding een hogere indeling tracht te bekomen door zijn indeling te vergelijken met die van in een hogere rang ingedeelde ambtenaren en personeelsleden en daaruit te concluderen dat hij gezien zijn diploma's en beroepservaring in rang A 5/A 4 of zelfs A 3 behoort te worden ingedeeld.
Om te voorzien in de door verzoeker genoemde vacante posten werd een reeks vergelijkende onderzoeken georganiseerd; aan sommige daarvan heeft verzoeker deelgenomen. Hij heeft dus evenals andere belangstellenden de gelegenheid gehad een post in een hogere rang te verwerven, en aangezien er geen klachten werden ingediend of beroep werd ingesteld, dient men ervan uit te gaan dat deze vergelijkende onderzoeken regelmatig zijn verlopen. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat zijn belang om buiten de in het Statuut bepaalde procedure om met een beroep op het beginsel van gelijke behandeling in een hogere rang te worden aangesteld, bescherming verdient.
b)
De enige relevante vraag is dus of verzoeker, gelet op het door de Rekenkamer genomen besluit betreffende de indelingscriteria en de praktische toepassing daarvan, aanspraak kan maken op een daaraan beantwoordende indeling binnen de rang A 6.
Daartoe beroept hij zich op het beginsel neergelegd in artikel 5, lid 3, Ambtenarenstatuut, dat luidt als volgt:
„Voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, gelden onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan.”
Hieruit vloeit volgens hem de verplichting voort om alle ambtenaren niet alleen bij hun aanstelling maar ook bij de voortgang van hun loopbaan volgens dezelfde maatstaven te behandelen, om te voorkomen wat bij de Rekenkamer is gebeurd, namelijk dat de gunstiger indeling van nieuwe ambtenaren en personeelsleden de loopbaan van de uit andere instellingen van de Gemeenschappen overgenomen ambtenaren blokkeert. Hij wijst er met name op dat hij een diploma in de economische wetenschappen heeft met specialisatie in financiën en boekhouding, en dat hij bij zijn indiensttreding in 1974 reeds een beroepservaring had van 12 jaar. Hij beschikt in het kader van loopbaan A7/A6 dus over een betere opleiding en een grotere ervaring in boekhouding dan andere, gunstiger ingedeelde ambtenaren en hij heeft qua opleiding een hogere kwalificatie dan 53 van de 65 met controleopdrachten belaste ambtenaren.
Hiertegen voert de Rekenkamer in de eerste plaats aan dat zij bij verzoekers indeling aan artikel 46 Ambtenarenstatuut was gebonden; verzoekers positie is derhalve niet vergelijkbaar met die van ambtenaren en personeelsleden die op grond van een door de Rekenkamer georganiseerd vergelijkend onderzoek in dienst zijn getreden: op hen alleen was het besluit van februari 1980 van toepassing. In de schriftelijke procedure merkt de Rekenkamer verder alleen nog op, dat verzoeker ten onrechte stelt over een betere opleiding en een grotere beroepservaring te beschikken dan de nieuw aangestelde ambtenaren in rang A 6.
Wat dit kernpunt van het geding betreft moet men erkennen dat het in artikel 5, lid 3, Ambtenarenstatuut neergelegde beginsel van gelijke behandeling in het ambtenarenrecht van zeer groot belang is. Doorgaans volgt de naleving van dit beginsel automatisch uit de concrete toepassing van de statutaire bepalingen over de ontwikkeling van de loopbaan, onder meer — wanneer de loopbanen bij de aanvang uniform waren — artikel 46 dat de bevorderingen regelt. Dit kan evenwel anders zijn bij de oprichting van een nieuwe instelling die deels van andere instellingen van de Gemeenschap personeel overneemt waarvan de loopbaan op een concrete praktijk berust en deels nieuw personeel aanwerft en indeelt volgens eigen maatstaven, die verschillen van die bij andere instellingen. Zo in een dergelijk geval blijkt dat, gezien de toepassing van ruimere indelingsmaatstaven op nieuw aangeworven personeel, het doel van artikel 5, lid 3, niet wordt bereikt door strak vast te houden aan de statutaire voorschriften over het verloop van de carrière, dienen bepalingen als die van artikel 46 mijns inziens te wijken voor het essentiële beginsel van gelijke behandeling. Daaraan moet dan rechtstreeks door passende wijzigingsmaatregelen recht worden gedaan. Nu de Rekenkamer nieuwe ambtenaren en personeelsleden volgens haar eigen maatstaven heeft ingedeeld, kan zij zich ten aanzien van ambtenaren wier loopbaan onder minder gunstige voorwaarden is begonnen niet beroepen op starre bepalingen van het Statuut, die volgens haar niet toelaten beide situaties met elkaar te vergelijken. Bij het beginsel van gelijke behandeling gaat het om de functies en niet om het al of niet bestaan van een vergelijkend onderzoek bij de Rekenkamer. Deze is op grond van dit beginsel dan ook verplicht, de indeling te wijzigen met inachtneming van de criteria die zij zelf heeft ingevoerd.
Anderzijds brengt de toepassing van de in het besluit van februari 1980 neergelegde criteria voor verzoeker een hogere indeling in de rang A 6 mee. Als ik mij niet vergis, is volgens dit besluit de beroepservaring doorslaggevend, en wel die welke is opgedaan na het behalen van het diploma dat vereist is om bij de Rekenkamer in dienst te treden en aldaar bepaalde functies uit te oefenen. Verzoekers huidige indeling in rang A 6 is daarentegen hoogstens te verklaren als men enkel rekening houdt met de ervaring die hij tijdens zijn rond zesjarige diensttijd bij de Gemeenschappen heeft opgedaan. Neemt men evenwel zijn beroepservaring vóór zijn indiensttreding in aanmerking — verzoeker spreekt in dit verband van twaalf jaar — dan zou men hem in een hogere salaristrap moeten indelen, temeer daar niet valt aan te nemen of werd beweerd dat die beroepservaring niet meetelt voor het indelingsbesluit van de Rekenkamer. Voornoemde nota, waarin het bevoegde lid van de Rekenkamer het door verzoeker opgeworpen probleem van de ongelijke behandeling bespreekt, bevestigt deze indruk. Daaruit blijkt immers duidelijk dat de nieuwe ambtenaren en personeelsleden doorgaans gunstiger werden ingedeeld dan ingevolge artikel 46, Ambtenarenstatuut voor de van andere instellingen overgenomen ambtenaren mogelijk was. Hieruit vloeit met name voort dat verzoekers indeling in rang A 6 opvallend afwijkt van die van andere ambtenaren in kennelijk gelijke functies, die destijds bovendien slechts op proef waren aangesteld. Ik wijs er slechts op dat een tien jaar jongere ambtenaar op proef nadien dezelfde indeling kreeg als verzoeker en dat een andere, eveneens tien jaar jongere, ambtenaar op proef twee salaristrappen hoger werd ingedeeld, hetgeen stellig geen verklaring vindt in een grotere beroepservaring — van betere universitaire diploma's was geen sprake. Daarenboven herinner ik eraan dat de vertegenwoordiger van de Rekenkamer tijdens de mondelinge behandeling zonder omslag heeft toegegeven, dat verzoeker, bij toepassing van het besluit van februari 1980 twee salaristrappen hoger zou zijn ingedeeld en zich dus thans in rang A 6 salaristrap 5 zou bevinden.
Nu de zaken zo staan en de Rekenkamer het in de nota van juni 1980 geopperde idee om via een voortijdige bevordering tot een compensatie te komen, niet heeft overgenomen, moet men mijns inziens wel de juistheid erkennen van verzoekers stelling, dat het verschil in indeling moet worden rechtgetrokken door de indelingsmaatstaven uit het besluit van februari 1980 op hem toe te passen. Het behoort uiteraard niet tot onze taak exact te bepalen welke indeling aan verzoeker toekomt; dat moet de Rekenkamer doen, die daartoe verzoekers beroepservaring en zonodig zijn diploma's nauwkeurig moet beoordelen. Wij mogen ons beperken tot de vaststelling — verzoekers hier behandelde vordering reikt overigens niet verder — dat verzoeker in het voorjaar van 1980 terecht de aanpassing van zijn indeling heeft gevraagd, en dat de weigering van de Rekenkamer hem in te delen in een salaristrap die vergelijkbaar is met die van het nieuwe personeel, niet in stand kan blijven.
2.
Vervojgens komen we tot de behandeling van verzoekers vordering tot vergoeding van de ten gevolge van de discriminerende indeling, — die hij als een dienstfout beschouwt — geleden schade.
Deze vordering gaat kennelijk verder dan die welke hiervoor werd behandeld. Tot staving van het door hem gevorderde bedrag van BFR 1080000 wijst hij er in zijn verzoekschrift op dat hij reeds vanaf zijn indiensttreding bij de Rekenkamer een te laag salaris heeft genoten. Indien hij toen, zoals zijn collega's op vergelijkbare posten, was aangesteld in de loopbaan A 4/A 5, dan had hij drie jaar lang omstreeks BFR 30000 per maand meer ontvangen, hetgeen resulteert in het gevorderde bedrag. In repliek heeft hij dezelfde berekening gemaakt met het oog op een noodzakelijke indeling in rang A 6, salaristrap 8, en te dezen gesteld dat hij op zijn minst hierin had moeten worden ingedeeld, aangezien de Rekenkamer de nieuw aangeworven personeelsleden reeds vóór het besluit van februari 1980 zeer gunstig indeelde.
Op dit punt kunnen we verzoeker evenwel moeilijk volgen, daar niet valt in te zien hoe een aanpassing van zijn indeling voor de periode vóór de indiening van zijn verzoek van februari 1980 de facto kan worden gerechtvaardigd.
Rekent men terug vanaf het ogenblik waarop het beroep is ingesteld, dan komt men ţot een periode van drie jaar, waarvoor verzoeker als het ware nabetaling van te weinig betaald salaris vordert, omdat hij ervan uitgaat dat een hogere indeling hem reeds toekwam vanaf het begin van 1978, dus nog vóór zijn overgang naar de Rekenkamer die, zoals bekend, in mei 1978 heeft plaatsgevonden. Dan komt terecht de vraag op, waarom de Rekenkamer compensatie moet bieden voor een beweerdelijk te lage indeling, waarvoor zij destijds in geen geval verantwoordelijk was.
Neemt men het tijdstip waarop verzoeker naar de Rekenkamer overging als uitgangspunt, dan houdt zijn vordering in werkelijkheid in dat er op dat ogenblik een foutieve indeling heeft plaatsgevonden. Er werd echter geen enkel element aangevoerd dat zou kunnen wijzen op onregelmatigheden bij de overgang. Bovendien moet worden gezegd, dat verzoeker destijds zijn indeling niet heeft betwist, zodat hij thans niet meer door middel van een vordering tot schadevergoeding een soortgelijk resultaat mag nastreven.
Wat tenslotte de vraag betreft, of de nieuwe indelingspraktijk ertoe noopte, verzoekers indeling met terugwerkende kracht aan te passen, kunnen wij slechts vaststellen dat hiervoor geen overtuigende argumenten werden aangevoerd en met name dat men de Rekenkamer wegens dit nalaten zeker geen dienstfout kan aanwrijven.
In dit verband moet overigens nog worden opgemerkt dat men er niet van kan uitgaan dat verzoeker op grond van de verplichting tot gelijke behandeling noodzakelijkerwijze in rang A 5 moet worden ingedeeld. Dit heb ik reeds trachten aan te tonen in het eerste gedeelte van mijn onderzoek naar de gegrondheid van het beroep. Daarnaast werd echter ook de noodzaak van een indeling in rang A 6, salaristrap 8 niet aangetoond. Men kan dus slechts vaststellen dat deze kwestie niet ten processe kan worden beslecht, maar door de Rekenkamer moet worden opgelost na afweging van alle relevante gegevens.
Ik ben derhalve van mening dat de aansprakelijkheidsvordering wegens dienstfout niet gegrond kan worden verklaard. Voor zover kan worden gesteld dat verzoeker bij de indeling werd gediscrimineerd, zal dit op passende wijze worden rechtgetrokken door de aanpassing van zijn indeling waartoe de Rekenkamer mijns inziens moet overgaan. De vordering tot schadevergoeding kan hoogstens in zoverre worden toegewezen dat die aanpassing niet eerst vanaf de instelling van het beroep, maar vanaf het tijdstip van indiening van zijn verzoek moet plaatsvinden en dat de daarmee gepaard gaande nabetaling van salaris tevens rentebetaling vanaf hetzelfde tijdstip impliceert.
III —
Ik concludeer mitsdien tot toewijzing van verzoekers vordering, in die zin dat de Rekenkamer verplicht is verzoekers indeling met ingang van mei 1980 aan te passen met inachtneming van de criteria neergelegd in het besluit van februari 1980 en gehouden is tot nabetaling van de uit deze correctie voortvloeiende bedragen vermeerderd met rente ad 6 % vanaf dezelfde datum. Aangezien de Rekenkamer op wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld dient zij ook in de proceskosten te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy