CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN18 FEBRUARI 1982
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
In het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen C 225 van 4 september 1980, werd op blz. 8 een aankondiging gedaan van een algemeen vergelijkend onderzoek COM/LA/315, bedoeld voor de vorming van een aanwervingsreserve van vertalers met als voornaamste talen Duits, Engels, Frans, Italiaans of Nederlands. Onder punt B.1. werd als voorwaarde met betrekking tot de leeftijdsgrens het volgende vermeld:„De sollicitanten moeten geboren zijn nà 15 oktober 1948. De maximumleeftijdsgrens geldt niet voor sollicitanten die op 15 oktober 1980 ten minste één jaar als ambtenaar of ander personeelslid bij de Europese Gemeenschappen werkzaam zijn.”
Mevrouw Alaimo, geboren in 1942 en sinds 1 december 1976 werkzaam bij het Europees Centrum voor ontwikkeling van de beroepsopleiding, stelde zich kandidaat voor dit vergelijkend onderzoek. Per brief van 7 november 1980 werd zij door de heer Yves Desbois, hoofd van de afdeling „Aanwerving” van de Commissie, echter op de hoogte gesteld van het feit dat de jury voor dat vergelijkend onderzoek haar aanvrage had geweigerd, vanwege haar leeftijd. In deze afwijzing ligt de weigering besloten om op appellante de uitzondering op de maximumleeftijdsgrens toe te passen voor personen werkzaam bij de Europese Gemeenschappen. Tegen deze afwijzing heeft mevrouw Alaimo beroep aangetekend. De ontvankelijkheid van dit beroep wordt door de Commissie niet betwist.
Het Europees Centrum voor ontwikkeling van de beroepsopleiding is door de Raad bij verordening nr. 337/75 van 10 februari 1975 (PB L 39 van 1975, blz. 1) opgericht op basis van artikel 235 van het EEG-Verdrag. Blijkens de aanhef van deze regeling heeft het centrum tot taak de Commissie bij te staan in de tenuitvoerlegging van artikel 118 van het Verdrag, zij het dat dit lichaam gescheiden is van de diensten van de Commissie. Verordening nr. 1859/76 van de Raad van 29 juni 1976 (PB L 215 van 1976, blz. 1) bevat de bepalingen welke op het personeel van het centrum van toepassing zijn.
2. De aangevoerde middelen
Bijlage III van het Statuut, getiteld „Procedure voor een vergelijkend onderzoek” vermeldt in artikel 1 onder meer:
„1.
De aankondiging van een vergelijkend onderzoek wordt door het tot aanstelling bevoegde gezag vastgesteld, na raadpleging van het Paritaire Comité.
De aankondiging vermeldt:
a)
...
...
b)
zonodig de leeftijdsgrens alsmede de toegestane verhoging daarvan voor de andere personeelsleden die tenminste één jaar in dienst zijn.”
Een toevoeging aan deze onderstreepte woordencombinatie als „van de Gemeenschap” of „van de instellingen” ontbreekt, Bij de aankondiging van vergelijkende onderzoeken gebruikt de Commissie echter steeds de toevoeging „bij de Europese Gemeenschappen”.
Appellante meent dat zij als personeelslid van het centrum valt onder de kwalificatie „personeelslid van de Europese Gemeenschappen”. Zij voert daartoe de volgende middelen aan:
1.
Het centrum is een communautairrechtelijk lichaam omdat het tot stand is gebracht bij een op artikel 235 van het Verdrag steunende verordening en het een communautaire taak, te weten een van de opdrachten in artikel 118 van het Verdrag aan de Commissie toevertrouwd, uitoefent.
2.
Blijkens de aanhef van de oprichtingsverordening (laatste overweging) is het centrum opgericht „in het kader van de Gemeenschappen”.
3.
Het personeel van het centrum voert een communautaire taak uit en is onderworpen aan bijzondere bepalingen, neergelegd in de verordeningen nr. 1859/76 en nr. 1237/80. Het eerste deel van dat derde middel is in feite eèn herhaling van het eerste middel.
Aan deze middelen voegt appellante nog drie andere toe „voor het geval de andere niet voldoende zijn” :
4.
Artikel 16 van de oprichtingsverordening bepaalt dat het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten op het centrum van toepassing is, terwijl artikel 55 van verordening nr. 1859/76 de artikelen 12 tot en met 16 van dat Protocol van toepassing verklaart op de personeelsleden van het centrum.
5.
Artikelen 55, alinea 1 en 56 van verordening nr. 1859/76 verklaren op de bezoldiging van het personeel van het centrum het communautaire belastingregime van toepassing.
6.
Blijkens artikel 44 van verordening nr. 1859/75 is het Hof van Justitie competent terzake van geschillen tussen het centrum en zijn personeelsleden.
Tenslotte worden door appellante nog twee andere overwegingen genoemd.
1.
De aanhef van verordening nr. 1237/80 tot wijziging van verordening nr. 1859/76 (PB L 127 van 1980, biz. 1) brengt tot uitdrukking dat het opportuun is een alignering tot stand te brengen tussen bepaalde regels van toepassing op personeelsleden van de Gemeenschappen en die van het centrum. Waarom, zo vraagt appellante zich af, zou dit plaatsvinden wanneer de personeelsleden van het centrum geen personeelsleden van de Gemeenschappen zijn?
2.
In een resolutie van 19 september 1980 heeft het Europees Parlement (PB C 265 van 1980, blz. 93) aangedrongen op een grotere arbeidsmobiliteit tussen het centrum en de instellingen van de Gemeenschappen.
De Commissie meent dat de kwalificatie „personeelslid van de Gemeenschappen” geen betrekking heeft op het personeel van het centrum. Zij leidt dit af uit de volgende overwegingen:
1.
Het centrum is geen „instelling” van de Gemeenschap, maar een afzonderlijk lichaam, tot stand gebracht op basis van artikel 235 van het Verdrag.
2.
Het centrum heeft een eigen rechtspersoonlijkheid (verordening nr. 337/75, artikel 1).
3.
De aanwerving van het personeel van het centrum is niet met dezelfde waarborgen omgeven als dat van de „instellingen”.
4.
In dupliek wordt verwezen naar artikel 29 (c) van het Statuut. Voor zover van belang luidt deze bepaling:
„1.
Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
a)
...
b)
...
c)
de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen.”
Meer algemeen kan uit de memories van de Commissie de opvatting worden afgeleid dat het personeel van krachtens artikel 235 van het Verdrag opgerichte lichamen een volstrekt afzonderlijke positie inneemt ten opzichte van het reguliere personeel van de Gemeenschappen.
3. De rechtsvragen
3.1.
In het onderhavige geschil zijn twee samenhangende rechtsvragen aan de orde. In de eerste plaats dient vastgesteld te worden wat in Bijlage III van het Statuut, artikel 1 (g) onder „andere personeelsleden” verstaan dient te worden, derhalve wat de persoonlijke werkingssfeer is van het Statuut. In de tweede plaats dient te worden uitgemaakt wat verstaan moet worden onder de door de Commissie in de aankondiging van de vergelijkende onderzoeken gebruikte uitdrukking „van de Europese Gemeenschappen”. De zes door appellante aangevoerde middelen zullen bij de behandeling van deze twee vragen aan de orde komen.
3.2.
Blijkens artikel 1 van het Statuut is deze regeling van toepassing op de „instellingen van de Gemeenschappen” en de krachtens expliciete bepaling in de laatste volzin van dat artikel daarmede gelijkgestelde lichamen als het Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer. Ook de andere bepalingen van het Statuut nemen telkens het woord „instellingen” als aanknopingspunt. De term „instellingen” wordt, voor zover hier van belang, verduidelijkt in artikel 4 van het EEG-Verdrag, de overeenkomst betreffende bepaalde instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben.
Artikel 1 van het Statuut hanteert een expliciete gelijkstellingsbepaling ten aanzien van het Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer. Daaruit kan worden afgeleid dat voor andere lichamen, niet zijnde instellingen van de Gemeenschap, evenzeer een zodanige gelijkstellingsbepaling is vereist. Zo ontbreekt in artikel 1 van het Statuut de Europese Investeringsbank, welke instelling zijn eigen personeelsreglement heeft. Bij deze andere lichamen valt voorts in het bijzonder te denken aan de op basis van artikel 235 van het Verdrag opgerichte lichamen, waartoe ook het centrum behoort. Gezien het aldus aangeduide systeem van het Statuut voor wat betreft de persoonlijke werkingssfeer, ligt het voor de hand om de woordencombinatie „andere personeelsleden” als bedoeld in artikel 1 (g) van Bijlage III van het Statuut eveneens in deze zin te interpreteren.
Ten aanzien van appellante's drie eerste middelen kan dan het volgende worden gesteld. Het eerste argument van appellante dat het centrum een communautairrechtelijk lichaam is en een communautaire taak uitvoert, zegt op zichzelf niets over de. persoonlijke werkingssfeer van het Statuut. Dit criterium gaat evenzeer op ten aanzien van de Europese Investeringsbank, welk lichaam zoals bovenvermeld, duidelijk niet onder het Statuut valt.
Een zelfde redenering kan worden toegepast op appellante's tweede middel dat het centrum is opgericht „in het kader van de Gemeenschappen”. Het derde middel, het aparte regime vari verordeningen nrs. 1839/76 en 1237/80 kan zelfs gebruikt worden als argument ter ondersteuning van het feit dat artikel 1 van het Statuut en artikel 1 (g) van. Bijlage III alleen betrekking hebben op de instellingen en daarmede expliciet gelijkgestelde lichamen.
3.3.
Reeds op grond van bovenstaande overwegingen kan mijns inziens gesteld worden dat artikel 1 (g) van Bijlage III van het Statuut alleen betrekking heeft op de in artikel 1 van het Statuut genoemde lichamen en dus niet op het centrum.
Een complicatie wordt echter veroorzaakt doordat de Commissie in de desbetreffende aankondiging van het vergelijkend onderzoek spreekt van „... bij de Europese Gemeenschappen”. Weliswaar blijkt uit haar memorie dat zij met deze aanduiding hetzelfde bedoelt als artikel 1 van het Statuut, maar er zijn goede gronden aan te voeren dat deze woordencombinatie in wijdere zin uitgelegd kan worden of zelfs moet worden.
In de eerste plaats wordt in artikel 16 van de oprichtingsverordening nr. 337/75 het Protocol betreffende voorrechten en immuniteiten op het centrum van toepassing verklaard. Aangezien de volledige titel „Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen” luidt, is daarmede een argument gegeven om het centrum tot dat laatstgenoemde begrip te rekenen. Dit argument wordt versterkt door de volgende overweging. De aanhef van het Protocol alsmede artikel 22 verklaren deze regeling ook van toepassing op de Europese Investeringsbank. Daaruit kan worden afgeleid dat aangezien artikel 4 van het EEG-Verdrag en de overeenkomst en het Verdrag met betrekking tot de fusie van de instellingen dit lichaam niet noemen, ook een afzonderlijke gelijkstellingsbepaling aanwezig dient te zijn om het Protocol op het centrum van toepassing te verklaren. Hoewel het Protocol in een dergelijke uitbreidingsmogelijkheid niet voorziet, heeft de Raad dit wel gedaan in genoemd artikel 16 van de op basis van artikel 235 van hec Verdrag gebaseerde oprichtingsverordening, er daarbij kennelijk van uitgaande dat ook het centrum valt onder de „Europese Gemeenschappen”. Wederom een andere versterking van dit argument kan worden afgeleid uit Uw arrest in de zaak 110/75 (Mills tegen Investeringsbank, Jurispr. 1976, blz. 955). De toepasselijkheid van het Protocol op de Investeringsbank werd door Uw Hof blijkens overweging 13 van dat arrest („daardoor”) als hoofdargument gebruikt om dat lichaam tot het begrip „Gemeenschap” als bedoeld in artikel 179 van het Verdrag te rekenen. Voorts wordt in verordening nr. 1859/76 expliciet het vijfde hoofdstuk van het Protocol (artikelen 12 tot en met 16) getiteld „ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen” op het centrum van toepassing verklaard.
In de tweede plaats is verordening nr. 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen van toepassing verklaard op het centrum. Ook in artikel 12 van deze verordening wordt de Europese Investeringsbank apart genoemd en ontbreekt een expliciete uitbreidingsmogelijkheid. Niettemin heeft de Raad door zich op artikel 235 van het Verdrag te beroepen, ook het centrum onder de werkingssfeer van deze verordening gebracht.
In de derde plaats verklaart artikel 44 van verordening nr. 1859/76 het Hof van Justitie bevoegd voor geschillen tussen het centrum en zijn personeelsleden. Krachtens artikel 179 van het Verdrag is het Hof „bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Statuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor hen toepasselijk is.” Uit de onderstreepte tekstgedeelten valt wederom af te leiden dat het centrum geacht wordt te vallen onder het begrip „Gemeenschap” in dit artikel.
4. Conclusie
Samenvattend meen ik derhalve dat het centrum valt onder het begrip „Gemeenschap” of „Europese Gemeenschappen”, zoals dit wordt gebruikt in artikel 179 van het Verdrag, het Protocol en de aangehaalde verordeningen. Het gebruik van deze woordencombinatie in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek kon bij appellante derhalve de indruk wekken dat ook zij kon vallen onder artikel 1 (g) van Bijlage III van het Statuut.
Deze handelwijze van de Commissie of enig ander door appellante aangevoerd middel of argument vormt echter geen reden aan de genoemde Statuutbepaling een andere persoonlijke werkingssfeer toe te kennen, dan die welke is afgeleid uit artikel 1 van het Statuut. Dienovereenkomstig kan artikel 1 (g) van Bijlage III van het Statuut niet geacht worden ook betrekking te hebben op personeelsleden van het centrum. Wel dient de Commissie naar mijn oordeel op grond van de door haar misleidende aankondiging bij appellante gewekte verwachtingen onder toepassing van de eerste volzin van artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering in alle kosten van de procedure te worden veroordeeld. De sterke argumenten, die er voor pleiten, de door de Commissie in haar aankondiging gebruikte bewoordingen op zich zelf beschouwd uit te leggen als door appellante is geschied, vormen een reden te meer om in die gewekte verwachtingen een bijzondere reden te zien als in genoemde bepaling bedoeld. De omstandigheid, dat een volledige analyse van de zaak toont, dat helaas tóch een wijziging van het Statuut nodig zou zijn om aan de door appellante aangevoerde en gedeeltelijk zeer sterke argumenten recht te doen wedervaren, doet aan deze conclusie over de kostenverdeling niet af. Naar mijn oordeel zou inderdaad slechts een wijziging van het Statuut het onder meer mogelijk maken, duidelijk vast de leggen, in hoeverre men het in artikel 1, lid 1, onder g) van Bijlage III van het Statuut voor „andere personeelsleden” vastgelegde voorkeursregime wil uitbreiden tot de „paracommunautaire instellingen” van uiteenlopende aard die sinds de vaststelling van het Statuut in zijn huidige tekst met verschillende rechtsgrondslagen in het leven zijn geroepen.
Ik concludeer derhalve :
1.
tot verwerping van het beroep;
2.
tot veroordeling van de Commissie in de kosten, met inbegrip van die van appellante.
Full & Egal Universal Law Academy