CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 28 JANUARI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak heeft betrekking op een verzoek van het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 37, 92 en volgende en 95 EEG-Verdrag, alsmede van de met laatstgenoemd artikel strokende bepaling van de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Griekenland van 1961.
De feiten liggen als volgt.
I —
De firma Pabst & Richarz KG, importeur van wijndistillaat (Branntwein aus Wein), is in een rechtsstrijd verwikkeld met het bondsministerie van Financiën.
1.
Het geding vindt zijn ontstaansgrond in de overgangsmaatregelen, door de bevoegde autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland getroffen na de arresten van het Hof van februari 1976, volgens welke de invoerverboden ( 2 ) en de invoerheffingen ( 3 ) ten gunste van nationale monopolies, alsmede het gedeelte van de belasting op ingevoerd gedistilleerd genaamd „Monopolausgleichspitze” (het gedeelte van het compenserend monopölierecht — Monopolausgleich — dat de accijns te boven gaat) (arrest van 17 februari 1976, zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181) in strijd waren met het Verdrag.
De Duitse instanties trokken de consequenties uit die arresten en schaften de bescherming bij invoer van gedistilleerd (Branntwein) uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap onmiddellijk af. Dat gedistilleerd kon toen tegen lagere prijzen in de handel worden gebracht dan de door het monopolie verhandelde alcohol. Om haar concurrentiepositie te handhaven zag de monopolieadministratie zich gedwongen haar verkoopprijzen met DM 150/hl ethylalcohol te verlagen. Maar daar het monopolie gebonden was aan vóór bedoelde wijziging vastgestelde wettelijke aankoopprijzen, was een tekort onvermijdelijk. Dit kon slechts worden gedekt met middelen uit de schatkist. Bij wijziging van het Monopolgesetz van 2 mei 1976 werd derhalve de belasting op gedistilleerd (Branntweinsteuer) met ingang van 18 maart 1976 met DM 150/hl ethylalcohol verhoogd tot DM 1650/hl ethylalcohol.
Om iedere discriminatie te vermijden werd voorts besloten dat het — in beginsel hogere — bedrag van de belasting op binnenlandse alcohol die niet aan het monopolie behoefde te worden geleverd (Branntweinaufschlag) en van de belasting op ingevoerde alcohol (Monopolausgleich), onmiddellijk zou worden gelijkgetrokken met het bedrag van de Branntweinsteuer. Daardoor, aldus de Finanzausschuß van de Bundestag in zijn rapport betreffende de wijziging van de wet inzake het alcoholmonopolie (Deutscher Bundestag, doc. 7/4897, biz. 4), verdween ipso facto het gedeelte van die belastingen dat de Branntweinsteuer te boven ging, te weten de Monopolausgleichspitze en de Branntweinaufschlagspitze.
Door de plotselinge verhoging van de belasting op de verschillende categorieën alcohol waren de autoriteiten genoodzaakt, bijzondere maatregelen te treffen voor gedistilleerd dat in entrepots was opgeslagen. Dit gedistilleerd was immers aangekocht tegen de vroegere — hogere — prijs, ongeacht tot welke categorie het behoorde (monopoliealcohol, binnenlandse alcohol die niet aan het monopolie behoefde te worden geleverd en ingevoerde alcohol). Voorts was het overeenkomstig de bestaande handelspraktijken verhandeld in overeenkomsten op lange termijn, die niet de belastingverhoging omvatten. Deze kaatste kon derhalve, anders dan bij verbruiksbelastingen gebruikelijk is, niet op de kopers worden afgewenteld.
Het is tevens van belang dat ingevoerd gedistilleerd dat was opgeslagen in Branntweineigenlager reeds door de Monopolausgleichspitze was getroffen op het moment waarop deze werd afgeschaft.
2.
Onder deze omstandigheden voerde het Bondsministerie van Financiën bij besluiten van 23 maart, 15 april en 1 juli 1976 een stelsel van verminderingen (Entlastungen) in voor gedistilleerd dat zich op de referentiedatum (22 februari) onder uitstel van belasting (unter Steueraufschub) in Branntweineigenlager en Zollager bevond, met uitzondering van gedistilleerd dat die entrepots vóór 17 maart 1976 had verlaten. De in het hoofdgeding relevante regeling is ingesteld bij besluit van 15 april 1976 (onbetwiste opmerking van Pabst, biz. 4).
Voor een goed begrip van die regeling moet onderscheid worden gemaakt tussen twee verschillende ontheffingen en tussen in Zollager en in Eigenlager opgeslagen gedistilleerd.
Een eerste vermindering, van DM 70/hl ethylalcohol, werd toegekend voor de zogenoemde referentiehoeveelheid (Referenzmenge). Die referentiehoeveelheid bedroeg 1/6 van de hoeveelheid gedistilleerd die in het verkoopseizoen 1974/1975 een Branntweineigenlager had verlaten, en voor de Zollager 1/6 van de hoeveelheid gedistilleerd die in 1975 was uitgeslagen, met uitzondering van voor export bestemd gedistilleerd. Als berekeningsgrondslag werd de omzet over een tijdvak van twee maanden aangehouden. Deze stemde volgens schattingen overeen met de voorraad in de entrepots op het moment van de belastingverhoging, voor welke voorraad die verhoging — op grond van reeds gesloten overeenkomsten — niet meer op de kopers kon worden afgewenteld. De vermindering van DM 70 had ten doel, de belastingverhoging ingaande op 18 maart 1976 te compenseren. Het is duidelijk dat genoemd bedrag de belastingverhoging van DM 150/hl ethylalcohol slechts ten dele compenseert.
Een tweede vermindering, van DM 80/hl ethylalcohol, werd toegekend voor voorraden die zich op 22 februari 1976 in Branntweineigenlager bevonden. Zij gold niet voor in Zollager opgeslagen gedistilleerd. Evenwel werd zij toegekend voor de totale voorraad, dus niet alleen voor de referentiehoeveelheid. Deze vermindering van DM 80 was van forfaitaire aard, daar, aldus de verwijzende rechter, de „Spitzen” die daadwerkelijk waren toegepast op tussen oktober 1975 en 22 februari 1976 opgeslagen gedistilleerd, hadden gevarieerd van DM 16,05 tot DM 99,54/hl ethylalcohol. Volgens de verwijzende rechter beantwoordde deze aanvullende vermindering aan de noodzaak, de bij de opslag van het gedistilleerd geheven „Spitzen” terug te betalen. Aangezien voor deze voorraden bij het verlaten van de entrepots vanaf 18 maart 1976 bovendien de inmiddels verhoogde belasting op gedistilleerd moest worden betaald, was die terugbetaling noodzakelijk om te voorkomen dat zij aan een hogere last dan de belastingverhoging werden onderworpen.
Bovenstaande twee verminderingen kunnen schematisch worden weergegeven als volgt:
Branntweineigenlager
Zollager
Referentiehoeveelheid
150
70
Voor belastingvermindering in aanmerking komende voorraad die de referentiehoeveelheid te boven ging
80
0
Beide verminderingen werden ondanks hun verschillen volgens dezelfde regels uitgevoerd, voor het gemak vond compensatie plaats met de belastingen verschuldigd voor de maanden na april 1976.
3.
De fima Pabst & Richarz KG bezit een wijndistilleerderij. Zij beschikt over een Branntweineigenlager — in het hoofdgeding niet aan de orde — alsmede over een zogenaamd Tanklager, dat oder douanetoezicht staat. Op de referentiedatum was in dit Tanklager 13278 hl Rohbrand (een produkt dat het laatste voorstadium van brandewijn vormt) opgeslagen. Deze was afkomstig uit Lid-Staten van de EEG (Frankrijk en Italië) alsmede Griekenland. Bij de opslag had de firma de Monopolausgleichspitze ten bedrage van — aldus de verwijzingsbeschikking — DM 80/hl ethylalcohol betaald. Deze belasting werd haar gerestitueerd.
Haar beroept strekt tot verkrijging van een tweede vermindering van hetzelfde bedrag. Ik wil erop wijzen dat de vermindering van DM 70/hl ethylalcohol voor gedistilleerd dat in Branntweineigenlager was opgeslagen en die werd toegekend voor de referentiehoeveelheid, hier derhalve niet aan de orde is.
Volgens Pabst hebben de belastingverminderingen voor in Branntweineigenlager opgeslagen gedistilleerd ten bedrage van DM 150 voor de referentiehoeveelheid en van DM 80 voor de overige hoeveelheid, een discriminatie tussen ingevoerde alcohol en monopoliealcohol ten nadele van de eerste teweeggebracht. Deze discriminatie is als volgt ontstaan:
—
voor ingevoerd gedistilleerd, waarvoor de Monopolausgleichspitze was betaald op het moment van de opslag, heeft de vermindering alleen die belasting ongedaan gemaakt. Dit betekent dat, althans voor de voorraden die de referentiehoeveelheden te boven gingen, de belastingverhoging van DM 150 volledig effect heeft gehad, daar de ondernemingen voor dat gedistilleerd DM 1650/hl ethylalcohol hebben betaald;
—
voor de monopoliealcohol daarentegen heeft de vermindering van DM 80 voor de voorraden die de referentiehoeveelheid overtroffen, geleid tot een vermindering van de belasting op gedistilleerd: deze bedroeg uiteindelijk DM 1650-DM 80, dat wil zeggen DM 1570/hl ethylalcohol. Dit lagere bedrag is een gevolg van de omstandigheid dat bedoelde vermindering niet kon dienen tot teruggave van de bij opslag betaalde belasting, daar — aldus Pabst — voor monopoliealcohol geen equivalent van de Monopolausgleichspitze betaat.
Deze discriminatie is haars inziens onverenigbaar met de rechten die particulieren aan het gemeenschapsrecht ontlenen.
Ook het Finanzgericht Hamburg is van oordeel dat de betrokken maatregel in strijd is met de communautaire rechtsorde. Om dit oordeel te bevestigen, heeft het het Hof drie vragen voorgelegd, hoofdzakelijk om vast te stellen in het licht van welke gemeenschapsrechtelijke bepaling de onderhavige maatregel moet worden beoordeeld en, zo de uitlegging van die bepaling door het Hof de opvatting zou staven dat de betrokken nationale maatregel daarmee in strijd is, of particulieren op de grondslag van die bepaling rechten kunnen geldend maken die de nationale rechter gehouden is te beschermen.
II —
Met de eerste vraag wenst het Finanzgericht te vernemen of „een overheidsmaatregel, waarbij in samenhang met een verhoging van de belastingen op gedistilleerd en steun aan bepaalde binnenlandse producenten van gedistilleerd, voor het ten tijde van genoemde maatregel voorradige maar nog niet belaste gedistilleerd een in het kader van de belastingaanslag toe te kennen ontheffing wordt vastgesteld”, moet worden aangemerkt als een fiscale maatregel in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland of als een maatregel in de zin van artikel 37 EEG-Verdrag inzake nationale monopolies van commerciële aard, dan wel als een steunmaatregel in de zin van de artikelen 92 e. v. EEG-Verdrag.
Deze vraag betreft derhalve in de eerste plaats de keuze tussen de communautaire bepalingen inzake overheidssteun en de artikelen 37 en 95, welke laatste blijkens het arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787, r. o. 13) beide op hetzelfde beginsel berusten, te weten „de afschaffing van iedere discriminatie in het handelsverkeer tussen Lid-Staten”. Ik zou hier echter ook de betrekkingen tussen de artikelen 37 en 95 willen onderzoeken, daar in casu weliswaar geen van beide partijen zich heeft uitgesproken voor de bepalingen inzake steunmaatregelen, maar zij het niet eens zijn over de keuze tussen artikel 95 en artikel 37.
1.
Volgens de verwijzingsbeschikking is in het licht van het Duitse recht de vraag van belang of de betrokken vermindering een fiscale dan wel een steunmaatregel vormt. Met name gezien de strekking van de regeling vormt zij volgens het Finanzgericht naar Duits recht een fiscale billijkheidsmaatregel. Volgens een interlocutoire beslissing van het Bundesfinanzhof van 1 april 1980 (VII, R. 17/78) evenwel zou de regeling veeleer als een steunmaatregel moeten worden beschouwd.
Maar de verwijzende rechter is ook van mening dat voor de beantwoording van de gestelde vragen alleen de kwalificatie van die maatregel in het licht van het gemeenschapsrecht bepalend is. Hiermee kan ik het alleen maar eens zijn. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt zou, zelfs indien de litigieuze vermindering naar national recht werd aangemerkt als een steunverlening, zulks voor het gemeenschapsrecht geen dwingende kwalificatie zijn.
Zoals het Finanzgericht zelf beklemtoont, vereist de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in alle Lid-Staten dat dit op uniforme wijze wordt uitgelegd. Indien immers de gemeenschapsrechtelijke beoordeling van een maatregel van een Lid-Staat werd bepaald door de kwalificatie naar nationaal recht van die staat, zou die maatregel in deze staat bijvoorbeeld kunnen worden beschouwd als een steunmaatregel, en een gelijke maatregel in een andere Lid-Staat als de restitutie van een belasting.
Hetzelfde geldt in casu voor de kwalificatie van de betrokken vermindering als steunmaatregel door het Bundesfinanzhof, alsmede voor de passage uit het rapport van de Finanzausschuß van de Bundestag, volgens welke de vermindering moet worden gezien als een compensatie van de eerdere belasting in de vorm van de Branntweinaufschlagspitze of de Monopolaufschlagspitze.
2.
Gemeenschapsrechtelijk bezien heeft geen van beide partijen betoogd dat de betrokken vermindering moest worden aangemerkt als een steunmaatregel in de zin van artikel 92 EEG-Verdrag.
Volgens de Oberfinanzdirektion te Hannover gaat het hier om een maatregel in het kader van de wettelijke regeling van het monopolie, die derhalve onder artikel 37 EEG-Verdrag valt. Volgens Pabst & Richarz en de Commissie daarentegen is hier sprake van een fiscale maatregel in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag.
Ik sluit mij aan bij de laatste opvatting.
Volgens bovengenoemd arrest-Hansen alsmede het arrest van 27 februari 1980 (zaak 168/78, Commissie t. Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 347) moet artikel 95 immers „ruim worden uitgelegd, zodat alle fiscale regelingen die inbreuk kunnen maken op de gelijkheid van behandeling van nationale of geïmporteerde produkten eronder vallen” (arrest 168/78, r. o. 5, blz. 359). Deze bepaling moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat ieder fiscaal beleid van protectionistische aard ongeacht de vorm ervan in strijd is met het gemeenschapsrecht.
In casu heeft de litigieuze vermindering duidelijk geleid tot discriminatie, verboden bij artikel 95 EEG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland.
De prijs die voor monopoliealcohol werd betaald bij de opslag, bevatte stellig een element overeenkomende met de Monopolausgleichspitze; dit element, genaamd Preisspitze, bedroeg op het moment van de onderhavige feiten eveneens DM 80/hl ethylalcohol, en men kon de vraag opwerpen of het niet ook van fiscale aard was. Maar in antwoord op deze vraag, gesteld door het Bundesfinanzhof, heeft het Hof recentelijk verklaard dat „bij de vergelijking van de belastingen in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag (...) enkel de in de monopolieverkoopprijs opgenomen belasting op gedistilleerd [met uitsluiting derhalve van de Preisspitze] in aanmerking (kan) worden genomen” (arrest van 25 november 1981, zaak 4/81, Andresen, r. o. 18).
Er is dan ook wel degelijk sprake van discriminatie tussen monopoliealcohol en ingevoerde alcohol, nu de aard van de op deze laatste toegepaste Monopolausgleichspitze niet wordt betwist.
3.
Bijgevolg behoeft, gelet op de rechtspraak van het Hof inzake de betrekkingen tussen artikel 95 EEG-Verdrag en de artikelen 92 tot en met 94 daarvan, niet meer te worden vastgesteld of de onderhavige maatregel tevens kan worden aangemerkt als steunmaatregel.
In het arrest van 21 mei 1980 (zaak 73/79, Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 1533) heeft het Hof verklaard dat „een maatregel getroffen door middel van een discriminatoire belasting en die tevens als een onderdeel van een steunmaatregel in de zin van artikel 92 is te beschouwen, tegelijkertijd onder de bepalingen van artikel 95 , eerste alinea, en onder die betreffende de steunmaatregelen van de staten valt” (r. o. 9). In dat geval echter mag de in de artikelen 92 en 93 voorziene procedure „nooit... leiden tot een resultaat dat strijdig zou zijn met de specifieke bepalingen in het Verdrag ... betreffende binnenlandse belastingen” (r. o. 11).
De voorrang van artikel 95 boven de artikelen 92 en 93 is door het Hof bevestigd in het arrest van 27 mei 1981 (gevoegde zaken 142 en 143/80, Essevi en Salengo, Jurispr. 1981, blz. 1413) met de verklaring dat „volgens het stelsel van het Verdrag een steunmaatregel niet kan worden ingesteld, of goedgekeurd, in de vorm van fiscale discriminaties vanwege een Lid-Staat tegen produkten van oorsprong uit andere Lid-Staten” (r.o. 28). Indien derhalve vaststaat dat een nationale maatregel discriminerend is in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag, kan degene die deze maatregel heeft getroffen niet aanvoeren dat zij tevens kan worden beschouwd als een eventueel krachtens artikel 92, lid 2 of lid 3, met de gemeenschappelijke markt verenigbare steunmaatregel.
4.
Het respectieve toepassingsgebied van de artikelen 37 en 95 is onder meer afgebakend in het arrest van 13 maart 1979 (zaak 86/78, Peureux, Jurispr. 1979, blz. 897), waarin het Hof overwoog dat „ de voorschriften van artikel 37 ... slechts activiteiten (betreffen) die wezenlijk met de specifieke functie van het betrokken monopolie samenhangen, maar ... niet van toepassing (zijn) op nationale bepalingen die met de uitoefening van deze specifieke functie geen verband houden” (r.o. 35).
De toekenning van een forfaitair bedrag aan de bezitter van verschillende categorieën gedistilleerd (monopoliealcohol, niet-leveringsplichtige binnenlandse alcohol, ingevoerde alcohol), als teruggave van voorheen op bepaalde alcohol geheven belasting, kan mijns inziens zeker niet worden beschouwd als een „factor die het vervullen van de specifieke functie van het monopolie beïnvloedt”, om de bewoordingen van rechtsoverweging 36 van laatstgenoemd arrest te gebruiken.
Een maatregel als door het Finanzgericht omschreven kan derhalve slechts worden beschouwd in het licht van artikel 95 EEG-Verdrag voor uit gemeenschapslanden ingevoerd gedistilleerd, en aan de hand van artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Griekenland voor gedistilleerd van oorsprong uit Griekenland.
III —
Met de tweede vraag wenst het Finanzgericht in hoofdzaak te vernemen of zijn opvatting juist is dat die bepalingen rechtstreekse werking hebben, ongeacht de kwalificatie en zelfs de wettigheid van de litigieuze maatregel naar nationaal recht. Deze vraag wordt ook gesteld met betrekking tot artikel 37 EEG-Verdrag.
1.
In de eerste plaats zou het onverenigbaar zijn met de autonomie van het gemeenschapsrecht, indien de rechtstreekse werking van een tot de communautaire rechtsorde behorende bepaling afhing van nationaalrechtelijke overwegingen.
Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat de justitiabelen van de Gemeenschap aan artikel 95 EEG-Verdrag rechten ontlenen die de nationale rechter heeft te handhaven (arresten van 16 juni 1966, zaak 57/65, Lütticke, Jurispr. 1966, blz. 345, en van 22 maart 1977, zaak 74/76, Iannelli, Jurispr. 1977, blz. 557); sedert het verstrijken van de overgangsperiode geldt hetzelfde voor artikel 37, lid 1 (voornoemd arrest van 17 februari 1976, zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181, r.o. 22-24).
2.
Bijgevolg behoeft alleen bij de rechtstreekse werking van artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Griekenland te worden stilgestaan.
Ik zou er om te beginnen aan willen herinneren dat het Hof in het arrest van 30 april 1974 (zaak 191/73, Haegeman, Jurispr. 1974, blz. 449) reeds heeft geoordeeld dat de bepalingen van deze overeenkomst „een integrerend bestanddeel der communautaire rechtsorde vormen”, en dat het zich derhalve bevoegd heeft geacht „bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen” over de uitlegging daarvan (r.o. 5 en 6).
De erkenning van de rechtstreekse werking van een bepaling in een door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomst is mijns inziens afhankelijk van twee voorwaarden. Volgens de eerste moet de betrokken bepaling een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting inhouden „die uitvoerbaar is en rechtsgevolgen sorteert zonder enige nadere handeling van gemeenschapsinstellingen of Lid-Staten” (voornoemd arrest-Lütticke van 16 juni 1966).
De tweede is ontleend aan de „ratio” van de erkenning van de rechtstreekse werking van dergelijke bepalingen. De reden waarom het mogelijk is geweest, de justitiabelen van de Gemeenschap op de grondslag van als bepalingen van intern gemeenschapsrecht te kwalificeren voorschriften rechten toe te kennen die hun in rechte moeten worden gewaarborgd, is dat „de Gemeenschap in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt ten bate waarvan de staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts deze Lid-Staten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn” (arrest van 5 februari 1963, zaak 26/62, Van Gend & Loos, Jurispr. 1963, blz. 5). De rechtsorde ontstaan uit door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten kan onder bepaalde voorwaarden dezelfde gevolgen hebben.
3.
Het komt mij voor dat in casu aan beide voorwaarden is voldaan.
De bewoordingen van artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland zijn nagenoeg gelijk aan die van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag:
„Geen der Overeenkomstsluitende Partijen heft op produkten van de andere Overeenkomstsluitende Partij direct of indirect hogere binnenlandse belastingen, van welke aard ook, dan die welke, direct of indirect, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.”
Hieruit volgt dat de redenen waarom het Hof de rechtstreekse werking van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag heeft erkend, mutatis mutandis gelden voor de Overeenkomst met Griekenland. Evenals de overeenkomstige bepaling uit het EEG-Verdrag, legt artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst degenen tot wie zij is gericht een duidelijke en absolute verplichting op, die van geen enkele voorwaarde afhankelijk is gesteld en uitvoerbaar is en rechtsgevolgen ressorteert zonder enige nadere handeling. Deze verplichting was „derhalve volledig ... en ... juridisch perfect ... en [kon] alzo rechtstreeks op de rechtsbetrekkingen tussen de [Overeenkomstsluitende Partijen] en hun justitiabelen ... inwerken” (arrest-Lütticke, reeds geciteerd.
4.
Naar haar geest en haar structuur beantwoordt de Associatieovereenkomst ook aan de tweede voorwaarde.
In de eerste plaats blijkt uit haar doelstellingen als neergelegd in de preambule, dat zij veel meer was dan de klassieke vrijhandelsassociatie met andere derde landen. De Overeenkomstsluitende Partijen waren immers vastbesloten „een steeds hechtere band tot stand de brengen tussen de in de Europese Economische Gemeenschap verenigde volkeren en het Griekse volk”, met het vooruitzicht op een latere toetreding van Griekenland tot de Gemeenschap.
Deze doelstellingen vinden hun weerslag in de naar het voorbeeld van het EEG-Verdrag vastgestelde structuur en inhoud van de Overeenkomst. Behalve in de douane-unie, de overneming door Griekenland van het gemeenschappelijk douanetarief en de afschaffing van de kwantitatieve handelsbeperkingen, voorzag de Associatieovereenkomst met Griekenland in harmonisatie van het landbouwbeleid, het vrije verkeer van werknemers en een versoepeling van de voorschriften inzake vestiging en dienstverrichting, de mededinging, belastingaangelegenheden, de aanpassing der wetgevingen alsmede de coördinatie van het economisch beleid.
De Overeenkomst voorzag in de instelling van een Associatieraad, bevoegd tot het nemen van bindende besluiten voor de verwezenlijking van de in de Overeenkomst vermelde doelstellingen en in de in de Overeenkomst bedoelde gevallen (artikel 65). De oplossing van geschillen was geregeld in de vorm van voorlegging aan de Associatieraad dan wel aan de rechter, waaronder eventueel het Hof (artikel 67). Zij bevatte geen bepalingen inzake opzegging.
Tenslotte volgt uit haar bewoordingen dat artikel 53, lid 1, de Lid-Staten van de Gemeenschap, deze laatste en Griekenland wederzijdse verplichtingen oplegde.
Uit het bovenstaande volgt mijns inziens dat de associatie tussen de Gemeenschap en Griekenland voldoende hecht was om te kunnen worden beschouwd als een rechtsorde waarvan niet alleen de Overeenkomstsluitende partijen maar ook hun onderdanen deel uitmaakten.
IV —
Gezien het antwoord op de eerste vraag zal ik slechts subsidiair ingaan op de vraag of het gemeenschapsrecht een importeur op grond van het algemene gelijkheidsbeginsel aanspraak geeft op dezelfde steun voor ingevoerd gedistilleerd als voor binnenlands geproduceerd of verhandeld gedistilleerd wordt toegekend.
Deze vraag moet volgens mij ontkennend worden beantwoord.
Volgens het arrest van 22 maart 1977 (zaak 78/76, Steinike δε Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595) kunnen particulieren de verenigbaarheid van een steunmaatregel met het gemeenschapsrecht voor de nationale rechter slechts betwisten „wanneer de ... bepalingen van artikel 92 zijn uitgewerkt in handelingen van algemene strekking als bedoeld in artikel 94, of, in bepaalde casusposities, in besluiten als bedoeld in artikel 93, lid 2” (r.o. 10).
Buiten dat geval blijkt uit de door de artikelen 93 en 94 aan de Commissie en de Raad toegekende rol bij de beoordeling van nationale steunmaatregelen in het licht van het Verdrag (arrest-Steinike & Weinlig, reeds geciteerd, r.o. 6-9), dat de betrokken particulieren voor de nationale rechter niet de toekenning van een aan hun concurrenten verleende steun kunnen vorderen.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Finanzgericht te beantwoorden als volgt:
1.
Artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag en artikel 53, lid 1, eerste alinea, van de Overeenkomst houdende totstandbrenging van een Associatie tussen de EEG en Griekenland, ondertekend te Athene op 9 juli 1961, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale maatregel waarbij een in het kader van de belastingaanslag toe te kennen vermindering wordt vastgesteld, aan de hand van bovengenoemde bepalingen moet worden beoordeeld, indien die maatregel verband houdt met een verhoging van de belastingen op gedistilleerd en steunverlening aan bepaalde binnenlandse producenten van gedistilleerd voor ten tijde van genoemde maatregel voorradig maar nog niet belast gedistilleerd.
2.
Die bepalingen moeten aldus worden uitgelegd dat de importeur op grond daarvan kan vorderen dat voor ingevoerd gedistilleerd uit andere Lid-Staten dezelfde vermindering van accijns wordt verleend als voor binnenlands gedistilleerd op grond van algemene richtlijnen.
3.
Een importeur kan op grond van artikel 92 EEG-Verdrag niet vorderen dat voor ingevoerde produkten uit andere Lid-Staten dezelfde steun wordt verleend als voor bepaalde concurrerende nationale produkten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) 3 februari 1976, zaak 59/75, Manghera, Jurispr. 1976, biz. 91.
( 3 ) 17 februari 1976, zaak 91/75, Miritz, Jurispr. 1976, blz. 217.
Full & Egal Universal Law Academy