CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 11 NOVEMBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van een Belgische rechter is, evenals in zaak 269/80 (strafgeding tegen Robert Tymen), waarin ik zoeven conclusie heb genomen, gedaan in een strafgeding ter zake van een visserij-incident, waarvan de afloop afhangt van de vraag of de Lid-Staten op het relevante tijdstip nog bevoegd waren, in de onder hun jurisdictie vallende wateren maatregelen ter beperking van de visserij te treffen.
Op 7 mei 1980 werd het Nederlandse vissersvaartuig K. 67 „Christina” met een tonnenmaat van 67 BRT en een motorvermogen van 300 PK, dat de visserij bedreef op tong, schol en kabeljauw met een boomkor, waarvan de gemiddelde maaswijdte 79 mm bedroeg, binnen de Belgische kustwateren opgebracht en in de haven van Oostende aan de ketting gelegd. Na betaling van een borgtocht van BFR 300000 werd het schip weer vrijgegeven, terwijl de gevangen vis in het openbaar werd verkocht en de netten in beslag werden genomen.
De Nederlandse schipper van de vissersboot, de heer Daniël Bout, werd voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge gedaagd wegens schending van de Belgische visserijvoorschriften. Hem wordt verweten in de Belgische kustwateren met een vissersvaartuig van meer dan 50 brutoregisterton en een motorvermogen van 300 PK gevist en hierbij netten van dubbel garen gebreid met een minimum maaswijdte van minder dan 80 mm gebruikt te hebben, zulks in strijd met het koninklijk besluit van 23 april 1979 houdende maatregelen om de visstand en de schaaldieren- en weekdierenstand in de Belgische visserijzone te beschermen (Belgisch Staatsblad nr. 93 van 15 mei 1979, blz. 5791 e.V.), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 december 1979 houdende tijdelijke maatregelen om de visstand en de schaaldieren- en weekdierenstand in de Noordzee te beschermen (Belgisch Staatsblad van 29 februari 1980, blz. 2566 e.V.), en met de wet van 10 oktober 1978 houdende vaststelling van een Belgische visserijzone.
Daar de Derde kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge betwijfelde of het Koninkrijk België ten tijde van de feiten nog bevoegd was tot het treffen van de desbetreffende maatregelen, en omdat de verdachte zich erop beriep dat verordening nr. 2527/80 van de Raad van 30 september 1980, houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB L 258 van 1980, blz. 1) voor hem gunstiger bepalingen bevat dan de Belgische regeling, heeft de Derde kamer bij tussenvonnis van 19 januari 1981 de procedure geschorst en de zaak overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag naar het Hof van Justitie verwezen,
„teneinde al dan niet te horen verklaren voor recht:
1.
Dat de Lid-Staten, op het ogenblik der ter beoordeling van deze rechtbank voorgelegde feiten, nog de bevoegdheid hadden tot het treffen van maatregelen ter beperking van de visserij, zoals deze zijn neergelegd in het koninklijk besluit van 23 april 1979, houdende maatregelen om de visstand en de schaaldieren- en weekdierenstand in de Belgische visserijzone te beschermen (Belg. Staatsblad van 15. 5. 1979) en gerechtigd waren de nakoming daarvan in het gebied onder hun jurisdictie te verzekeren, gelet op de artikelen 30, 34, 38 tot 47 van het EEG-Verdrag van 25 maart 1957, artikel 102 van de Toetredingsakte en de EEG-verordeningen 100/76 en 101/76, houdende respectievelijk een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten en de totstandbrenging van een gemeenschappelijk struktuurbeleid in de visserijsector (PB L 20 van 1976).
2.
Dat aan de verordening nr. 2527/80 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden, of aan eventuele latere verordeningen die dezelfde materie regelen, terugwerkende kracht kan worden verleend.”
Mijn standpunt in deze is als volgt:
1.
In de eerste vraag is alleen het koninklijk besluit van 23 april 1979 ter voorkoming van de uitputting van de visen schaaldierenstand in de Belgische visserijzone expressis verbis vermeld. Toetst men deze maatregel, waarvan de verwijzende rechter uitdrukkelijk heeft gewaagd, aan de rechtstoestand, zoals vastgesteld in's Hofs arresten van 5 mei 1981 (Zaak 804/79, Commissie t. Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, nog niet gepubliceerd) en van 2 juni 1981 (zaak 124/80, strafzaak tegen firma Van Dam & Zonen, nog niet gepubliceerd), dan blijkt er — zoals ook de Belgische regering en de Commissie, die opmerkingen hebben ingediend, terecht beklemtonen — geen enkele aanleiding te bestaan om de verenigbaarheid daarvan met het gemeenschapsrecht te betwijfelen. Want de Commissie was tijdig geraadpleegd en had, zoals uit de „Mededeling inzake de goedkeuring door de Commissie van nationale maatregelen tot instandhouding van de visserijbestanden” (PB C 133 van 1980, blz. 2) blijkt, de maatregel uitdrukkelijk goedgekeurd.
Daarentegen is het enkel in de motivering van de verwijzingsbeschikking vermelde koninklijk besluit houdende tijdelijke maatregelen om de visstand en de schaaldieren- en weekdierenstand in de Noordzee te beschermen van 20 december 1979, zoals de Commissie opmerkt, haar nooit ter goedkeuring voorgelegd en kon het derhalve bij gebreke van raadpleging ook niet behoorlijk door haar worden onderzocht. Met dit koninklijk besluit werd echter in strijd met de verordening van 23 april 1979 met name de minimum maaswijdte van met dubbel garen gebreide netten van 75 tot 80 mm verhoogd.
Door het gebruik van netten met een maaswijdte van 79 mm kan verdachte zich dus alleen maar hebben schuldig gemaakt aán een overtreding van het koninklijk besluit van 20 december 1979. Daar dit besluit echter in strijd met de formele voorschriften van het gemeenschapsrecht werd uitgevaardigd, is een daarop steunende strafrechtelijke veroordeling, zoals ik in mijn conclusie in zaak 269/80 (strafzaak tegen Robert Tymen) heb uiteengezet, eveneens onverenigbaar met het gemeenschapsrecht.
2.
In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter, of de na de onderhavige feiten vastgestelde verordening nr. 2527/80 van de Raad of andere overeenkomstige voorschriften van het gemeenschapsrecht terugwerkende kracht hebben.
Bij de beantwoording van deze vraag dient erop te worden gewezen, dat de verordening van 30 september 1980 in artikel 22 zelf als datum van inwerkingtreding 1 oktober 1980 noemt en tegelijkertijd het einde van haar geldigheidsduur vastlegt. Volgens een ook door het Hof algemeen gehuldigd beginsel (vgl. zaak 1/73, Westzucker GmbH, Jurispr. 1973, blz. 723 en zaak 88/76, N.V. Suiker Export t. Commissie, Jurispr. 1977, blz. 709) zijn normatieve regelingen rechter, voor zover niets anders is bepaald, vanaf de datum van hun inwerkingtreding slechts voor de toekomst van toepassing. Zoals de Belgische regering alsmede de Commissie terecht beklemtonen, zijn er bovendien in de verordening geen aanknopingspunten te vinden die ervoor pleiten dat de Raad daaraan terugwerkende kracht tot vóór het tijdstip van de inwerkingtreding wilde toekennen. Een andere, ná 30 september 1980 vastgestelde communautaire maatregel tot instandhouding van de visserijbestanden, die terugwerkende kracht tot het tijdstip van het visserij-incident zou kun-nen hebben, bestaat kennelijk niet.
Ik concludeer mitsdien, dat u de gestelde vragen als volgt beantwoorde:
1.
Nationale maatregelen tot instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee, zoals de door het Koninkrijk België voor het jaar 1979 vastgestelde maatregelen tot beperking van de visvangst, zijn met het gemeenschapsrecht slechts verenigbaar, voor zover zij wegens het stilzitten van de Raad zijn genomen en de Commissie gelegenheid had, de maatregelen op passende wijze te onderzoeken, en voor zover de Commissie geen bezwaren, voorbehouden of voorwaarden tegen de inwerkingtreding daarvan heeft geformuleerd of die maatregelen uitdrukkelijk heeft goedgekeurd.
2.
Bij onderzoek van verordening nr. 2527/80 van de Raad van 30 september 1980, houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden, alsmede van latere communautaire maatregelen op dit gebied is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de conclusie wettigen, dat de Raad aan deze maatregelen terugwerkende kracht wilde toekennen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy