CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 2 DECEMBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft zich tot u gewend met vijf beroepschriften, waarin zij veroordeling van de Italiaanse Republiek vordert terzake dat zij niet, binnen de daartoe gestelde termijn, de bepalingen heeft vastgesteld die er hadden moeten komen, wilde zij zich gedragen naar de vijf richtlijnen, behorende tot het milieubeschermingsprogramma.
Bij beschikking van 30 september 1981 zijn de zaken voor de mondelinge behandeling en voor de uitspraak gevoegd.
Het gaat om op de artikelen 100 en 235 van het Verdrag gebaseerde richtlijnen ter verwijdering van giftige en niet afbreekbare stoffen (afgewerkte oliën, afvallen, respectievelijk polychloorbifenylen en polychloorterfenylen) c. q. ter bescherming van de kwaliteit van oppervlaktewater, bestemd voor de produktie van drinkwater in de Lid-Staten en van zwemwater. Zij strekken ertoe dat binnen de Gemeenschap de gezondheid en het milieu alom gelijkelijk beschermd zullen zijn en zijn er voorts op gericht bepaalde dispariteiten tussen de wettelijke regelingen der Lid-Staten die op het vlak van de mededinging ongelijke voorwaarden in het leven kunnen roepen, te doen verdwijnen.
Zoals gezegd, wordt de Lid-Staten in die richtlijnen een termijn van twee jaar voor de vaststelling van nationale uitvoeringsbepalingen gelaten. De Italiaanse regering heeft zich echter geheel van het maken van opmerkingen onthouden, toen de Commissie, na het verstrijken van bedoelde termijnen, overeenkomstig de voorschriften vijf met redenen omklede adviezen uitbracht, waarin werd geconstateerd dat de Italiaanse overheid niet het nodige had gedaan om zich naar voormelde richtlijnen te gedragen.
De Italiaanse regering heeft feitelijk noch rechtens betwist dat de door haar vast te stellen wetgevende, verordenende en bestuursrechtelijke bepalingen er hadden moeten komen; zij heeft er evenwel op gewezen dat zij in januari 1979 bij het Parlement een wetsontwerp heeft ingediend waarbij de regering tot vaststelling van wettelijke voorschriften ter uitvoering van een reeks communautaire richtlijnen zou worden gemachtigd, maar dat de legislatieve procedure door vervroegde kamerontbinding nog niet is voltooid.
Ofschoon dit aan de parlementaire gang van zaken ontleende argument blijk geeft van het vaste voornemen van de Italiaanse regering zo spoedig mogelijk tot uitvoering van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen over te gaan, moet het mijns inziens in de onderhavige gevallen afstuiten op het dwingende karakter dat u in uw uitspraken steeds weer aan richtlijnen hebt toegekend (arresten, op 26 februari 1976, 22 september 1976, 22 februari 1979 en 2 december 1980 onderscheidenlijk gewezen in de zaken nrs. 52/75, Commissie t. Italiaanse Republiek, Jurispr. 1976, blz. 277, 10/76, Commissie t. Italiaanse Republiek, Jurispr. 1976, blz. 1359, 163/78, Commissie t. Italiaanse Republiek, Jurispr. 1979, blz. 771 en 42/80, Commissie t. Italiaanse Republiek, Jurispr. 1980, blz. 3635).
Wij concluderen dat uw Hof de vorderingen van de Commissie zal toewijzen en verweerster in de kosten zal veroordelen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy