CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 5 MEI 1983
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. Inleiding
De vandaag door mij te behandelen zaken 36/81, 37/81 en 218/81, werden bij beschikking van 29 oktober 1981 gevoegd. De zaken vertonen, ondanks verschillen in voorwerp en middelen inderdaad een samenhang, die boven de persoon van de verzoeker uitgaat en met name ook de achtergrond van alle drie geschillen betreft. Die achtergrond wordt gevormd door de invloed die meningsverschillen over de inhoud van de te ontwikkelen gemeenschappelijke vervoerpolitiek volgens verzoeker zouden hebben gehad op zijn loopbaan. Enerzijds zouden die meningsverschillen hebben geleid tot een (in vergelijking met de vorige rapporten) sterk vertraagde en bovendien uiteindelijk minder gunstige beoordeling in het in de zaken 36/81 en 218/81 door hem bestreden beoordelingsrapport. Anderzijds zou het meningsverschil hebben geleid tot omzetting van de „gespecialiseerde dienst voor sociale harmonisatie”, waarvan hij het hoofd was, in een „sector van werkzaamheden van een afdeling”, welke afdeling naast de door hem te leiden sector „arbeidsvoorwaarden” ook alle andere onderdelen van het marktbeleid van het binnenlandse vervoerbeleid omvatte. Deze omzetting wordt aangevochten in de gelijktijdig met zaak 36/81 aanhangig gemaakte zaak 37/81. Voor de structurele aspecten van het binnenlandse vervoerbeleid, alsmede voor marktanalyse en statistieken bleef een tweede afdeling van de betrokken directie bevoegd. Blijkens het als bijlage 4 bij de memorie van verdediging in de zaak 37/81 gevoegde reorganisatiebesluit was de gespecialiseerde dienst van verzoeker allerminst het enige slachtoffer van de doorgevoerde reorganisaties, hetgeen mij voor de beoordeling van het verzoekschrift niet geheel zonder belang lijkt. De andere slachtoffers van de reorganisatie hebben, voor zover mij bekend, geen beroep daartegen aangetekend. De geringe omvang van de toch vele zeer belangrijke taken omvattende nieuwe afdeling waarvan verzoeker thans deel uitmaakt weerspiegelt mede de stagnatie in de door het Verdrag voorgeschreven totstandkoming van een gemeenschappelijk vervoerbeleid. Een dergelijke stagnatie leidt onvermijdelijk ook tot frustraties op het personele vlak: als men de bijlagen 7 en 8 van de memorie van verdediging in de zaak 37/81 bestudeert, raakt men bepaald onder de indruk van de mate, waarin het totstandkomen van een gemeenschappelijk vervoerbeleid kennelijk is mislukt.
De direkte aanleiding tot de omzetting van een rechtstreeks onder de bevoegde directeur ressorterende „gespecialiseerde dienst” in een „sector van werkzaamheden” van een alle aspecten van de marktpolitiek bestrijkende afdeling lag blijkens de stukken in het streven naar rationalisatie van de diensten van de Commissie op grond van achtereenvolgens de adviezen van de externe Commissie-Spierenburg en de interne Commissie-Ortoli. Op zich zelf acht ik denkbaar, dat de wens tot integratie van het beleid inzake sociale harmonisatie in een alle aspecten van het marktbeleid omvattende beleid bij de beslissing van de Commissie terzake van de omzetting mede een rol heeft gespeeld. Het dossier geeft daarover geen uitsluitsel. In elk geval zal de omzetting zelf bijna onvermijdelijk een sterkere integratie van het beleid inzake sociale harmonisatie of arbeidsvoorwaarden in de ruime, in de geciteerde bijlage aangegeven zin, in een meeromvatbaar marktbeleid ten gevolge hebben. Anders gezegd wordt de sociale harmonisatie in plaats van een betrekkelijk zelfstandig beleidsonderdeel in de nieuwe organisatie bijna onvermijdelijk één van de onderdelen van een gemeenschappelijk vervoerbeleid, als in de artikelen 74 en 75 van het EEG-Verdrag beoogd. De aangevochten organisatorische en personeelspolitieke gevolgen van een aldus gewijzigd beleid vloeien naar mijn opvatting echter in elk geval onvermijdelijk voort uit de beleidsvrijheid die de Commissie zowel ten aanzien van de rationele organisatie van haar diensten als ten aanzien van de vaststelling van haar beleid toekomt. Op de vraag of de Commissie bij de uitwerking van haar beleid ter zake wellicht inbreuken op het ambtenarenrecht heeft gemaakt zal ik nog terugkomen. Ten principale zal verzoeker echter naar mijn oordeel reeds op de aangegeven gronden niet kunnen slagen in het ongedaan maken van de betrokken reorganisatie.
Zowel uit het gelijktijdig indienen van de verzoeken in de zaken 36/81 en 37/81 als uit de nadere uitwerking van de verzoeken in de zaken 36/81 en 218/81 bijkt, dat de geschetste achtergrond naar de mening van verzoeker ook in laatstgenoemde twee zaken een rol heeft gespeeld. Verzoeker was het namelijk met de opvattingen van zijn meerderen over de plaats en betekenis van de sociale harmonisatie in het gemeenschappelijk vervoerbeleid volstrekt oneens en heeft zijn andere opvattingen blijkens het dossier ook met grote hardnekkigheid tegenover zijn meerderen verdedigd. Het rapport, dat een geheel buiten de problematiek staande hoge ambtenaar van de Commissie daarover op verzoek van het bevoegde Commissielid O'Kennedy heeft uitgebracht geeft van de daaruit ontstane wrijvingen tussen verzoeker en zijn meerderen een duidelijk beeld. Verzoeker komt daarin naar voren als „un homme profondément honnête, pénétré de l'importance politique et de la valeur humaine de ce qui était devenu son mandat personnel” (bijlage 11 van de memorie van verdediging van de Commissie in de zaak 37/81, biz. 9). Het rapport onderstreept echter gelijktijdig de bezwaren die de langdurige specialisatie van verzoeker op een beperkt terrein vermoedelijk heeft medegebracht voor zijn vermogen rekening te houden met andere beleidsaspecten van het gemeenschappelijk vervoerbeleid. Het door verzoeker aangevochten en met grote vertraging tot stand gekomen uiteindelijke beoordelingsrapport brengt naast een weinig nadruk krijgend en reeds in de aanvankelijke tekst van 1976 vervat soortgelijk oordeel vooral tot uitdrukking, dat hij na zijn benoeming in 1974 tot hoofd van een gespecialiseerde dienst het vermogen miste een zelfstandige eenheid met verschillende medewerkers te leiden. Een uitstekende medewerker behoeft inderdaad nog geen uitstekend leider van een afzonderlijke organisatorische eenheid te zijn en reeds dit ervaringsfeit kan voor de minder gunstige beoordeling van verzoeker in het aangevochten beoordelingsrapport naar mijn oordeel een voldoende verklaring opleveren, die in geen enkel opzicht als een ontkenning van zijn grote vakbekwaamheid en dus als een belediging behoeft te worden beschouwd, zoals verzoeker meent.
In de voorafgaande beoordelingsperiode was verzoeker immers nog geen hoofd van een gespecialiseerde dienst en werd hij dus uitsluitend op zijn vakbekwaamheid als „gekwalificeerd ambtenaar, belast met werkzaamheden van scheppende aard” beoordeeld. Voor zover een weinig flexibele opstelling van verzoeker tegenover zijn meerderen en onvermogen tot integratie van zijn eigen taak in het algemene beleid van de directie mede een (blijkens het beoordelingsrapport bescheiden) rol heeft gespeeld bij de beoordeling, zal men mijns inziens overigens het recht van de beoordelaar met deze gebreken van zijn vaste en goed verdedigde beleidsopvattingen rekening te houden niet kunnen ontkennen.
Ook deze kanttekeningen nemen echter niet weg, dat de — bij de beoordelingsprocedure relatief belangrijke — rechtswaarborgen voor objectiviteit en zorgvuldigheid in acht moeten worden genomen, die in het Statuut en in Uw rechtspraak zijn vastgesteld. Ik zal derhalve thans de verzoekschriften toetsen aan deze rechtswaarborgen.
2. De aangevochten beoordelingsprocedure (zaken 36 en 218/81)
Voor het feitelijke verloop van de aangevochten beoordelingsprocedure verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting. Daaruit blijkt, dat de in zaak 36/81 aangevochten vertraging in de totstandkoming van het uiteindelijke beoordelingsrapport voor 17 maanden te wijten is aan de duur van de beroepsprocedure voor het paritaire beoordelingscomité. Het gevolg geven aan het advies van dit comité tot nadere motivering van het in vergelijking met het verleden ongunstiger uitgevallen oordeel van de beoordelaars in eerste en tweede instantie blijkt daarentegen twee jaar en drie maanden in beslag te hebben genomen. De afsluiting van de procedure op 30 juli 1980 vond bovendien eerst plaats na indiening van een eerste klacht van verzoeker op grond van artikel 90 van het Statuut op 17 juli van dat jaar.
In de zaak 36/81 vraagt verzoeker vernietiging van de aldus vertraagd uitgevoerde beoordelingsprocedure wegens strijd met artikel 43 van het Statuut, dit onder toekenning van schadevergoeding. In de zaak 218/81 vraagt hij vernietiging van het beoordelingsrapport zelf. Dit tweede beroep is gebaseerd op de volgende middelen:
—
het nalaten van de Commissie om de klacht tegen het uiteindelijke beoordelingsrapport voor consultatie (wederom) voor te leggen aan het paritaire beóordelingscomité overeenkomstig het gestelde in de beoordelingshandleiding;
—
een onjuiste taakopvatting van de beoordelaar in beroep;
—
misbruik van bevoegdheid, door de beoordeling te gebruiken voor de latere opheffing van de gespecialiseerde dienst, die in zaak 37/81 centraal staat.
Ten aanzien van het verzoek in de zaak 36/81 meen ik te kunnen volstaan met de vaststelling, dat een vertraagde procedure als zodanig geen rechtshandeling vormt, waarvan vernietiging kan worden gevraagd. Dit beroep zal reeds op die grond moeten worden afgewezen, hoezeer ook kritiek op de opgetreden vertraging gerechtvaardigd is. Schadevergoeding wegens de beweerdelijk daardoor gemiste promotiekansen zal in deze zaak voorts niet kunnen worden toegekend, omdat verzoeker tegen de afwijzing van zijn kandidatuur voor de betrokken A 3-posten nooit beroep heeft ingesteld en niet gebleken is, dat hij wegens het ontbreken van een beoordelingsrapport werd afgewezen.
Het eerste middel, dat verzoeker aanvoert in de zaak 218/81 (het niet consulteren van het paritaire beoordelingscomité over de klacht) acht ik op zichzelf het sterkste van al zijn in de drie zaken aangevoerde middelen. Weliswaar is een vergelijkbaar middel in rechtsoverweging 13 van het arrest in de zaak Geeraerds (zaak 782/79, Jurispr. 1980, blz. 3663) verworpen, maar die verwerping werd mede gebaseerd op een zeer bijzondere situatie, die de afwijking van de betrokken regel kon rechtvaardigen.
De op blz. 9 van de repliek geciteerde passage uit de beoordelingsgids bepaalt uitdrukkelijk, dat het paritaire beoordelingscomité geraadpleegd wordt over bezwaarschriften tegen een beoordeling in beroep, ingediend op grond van artikel 90 van het Statuut. Weliswaar betreft het hier evenals in de zaak Geeraerds (rechtsoverweging 13) een „niet door het Statuut voorgeschreven uitvoeringsregeling maar een door de Commissie vrijwillig vastgestelde interne maatregel, waaraan geen dwingend rechtskarakter kan worden toegekend”. Met de advocaat-generaal Sir Gordon Slynn (conclusie van 3 maart 1983 in de zaak 282/81) ben ik echter van oordeel, dat de Commissie zich aan een dergelijke zichzelf opgelegde en ook gepubliceerde procedureregel gebonden moet achten ( 1 ). Mijn collega Sir Gordon Slynn beriep zich daartoe ook op rechtsoverweging 17 in de zaak Giuffrida (105/75, Jurispr. 1976, blz. 1409), waarin een zelfde oordeel tot uiting kwam. Ik voeg daaraan toe, dat een dergelijke procedureregel in feite ook de enige werkelijke waarborg voor een objectieve beoordeling door alle beoordelaars naar gelijke maatstaven vormt, hetgeen in een grote administratie als die van de Commissie van groot belang moet worden geacht. Ook het argument van de Commissie, dat het paritaire comité zich in casu reeds eerder over de beoordeling had uitgesproken acht ik zwak. Het comité had toen immers in zijn advies alleen kunnen constateren, dat de relatief ongunstige beoordeling niet voldoende door de gegeven toelichtingen werd gemotiveerd. Nu inmiddels een dergelijke motivering op grond van het genoemde advies wel was gegeven, was een objectieve toetsing door het paritaire comité van die motivering zelf stellig geenszins zinloos geweest.
Met de advocaten-generaal Sir Gordon Slynn (op blz. 11 van de gestencilde tekst van zijn geciteerde conclusie) en Mevrouw Rozès (in de zaak Arning, 125/80, Jurispr. 1981, blz. 2560 met verdere verwijzingen) ben ik intussen van mening, dat een dergelijk vormverzuim niet automatisch tot vernietiging van het beoordelingsrapport kan leiden. Verzoeker zou daartoe hebben moeten aantonen, dat zonder het verzuim het uiteindelijke besluit van de Commissie over zijn klacht anders zou hebben geluid (zie daarover naast de reeds genoemde conclusies ook de conclusies van de advocaat-generaal Warner in de zaken Deboeck (90/75, Jurispr. 1975, blz. 1140-1141) en Roubaix (zaak 25/77, Jurispr. 1978, blz. 1096), alsmede rechtsoverweging 24 van het arrest in de zaken Gratreau (156/79 en 51/80, Jurispr. 1980, blz. 3955). Een dergelijk bewijs heeft verzoeker naar mijn oordeel niet geleverd, ook niet in zijn twee nog niet besproken middelen. In de eerste plaats zou de beoordelaar volgens die middelen in beroep zijn taak onjuist hebben opgevat. Hij had naar het oordeel van verzoeker een verzoenende taak en had het advies van de eerste beoordelaar over de wijze van gevolg geven aan het advies van het paritaire beoordelingscomité dus niet zonder meer mogen opvolgen. Deze opvatting van de taak van de beoordelaar in beroep lijkt mij niet houdbaar. Stellig heeft de beoordelaar in beroep tot taak met de nodige zorgvuldigheid tot een zelfstandig oordeel te komen. Na zelfstandige overweging van het advies van het beoordelingscomité belet echter niets hem om tot het oordeel te komen, dat hij daaraan conform het advies van de eerste beoordelaar gevolg kan geven.
Het bewijs, dat van misbruik van bevoegdheid gesproken zou kunnen worden en dat het relatief ongunstige oordeel in beroep zou zijn ingegeven door de wens de in zaak 37/81 aangevochten reorganisatie te rechtvaardigen acht ik evenmin geleverd. De stellingen van verzoeker op dit punt zijn veeleer reeds daarom ongeloofwaardig, omdat de beoordeling van verzoeker als „normaal” en niet langer als „meer dan normaal” reeds op 15 november 1976 was gegeven, toen de rationalisatieoperatie van de Commissie nog op geen enkele wijze in voorbereiding was. De in 1980 op die beoordeling gegeven nadere toelichting kan zonder meer als een gevolg geven aan het advies van het paritaire beoordelingscomité worden beschouwd. Op grond van mijn inleidende opmerkingen over de achtergrond van de drie beroepen ben ik ook niet van oordeel, dat deze nadere toelichting de schijn op het punt van geloofwaardigheid tegen zich heeft, laat staan dat verzoeker zou hebben aangetoond, dat het paritaire comité, indien opnieuw geraadpleegd over zijn bezwaarschrift, die motivering zou hebben verworpen. Alleen de mogelijkheid, dat dit wel het geval zou zijn geweest kan uiteraard niet worden uitgesloten, maar met de geciteerde andere advocaten-generaal ben ik van oordeel, dat een dergelijke mogelijkheid niet voldoende is om tot vernietiging van het beoordelingsrapport te concluderen. Wel moet ik onderstrepen, dat zeer te betreuren valt, dat de Commissie de door haar zelf in het leven geroepen procedurele waarborg voor objectiviteit in casu niet in acht heeft genomen, maar de beperkte toetsingsmogelijkheden van Uw Hof laten niet toe, Uwerzijds dit verzuim te herstellen.
3. Het aangevochten overplaat-sings- en reorganisatiebesluit (zaak 37/81)
In de zaak 37/81 vraagt verzoeker vernietiging van het hem op 30 januari en 9 februari 1981 medegedeelde besluit tot zijn overplaatsing als sectorhoofd naar een onder gelijktijdige opheffing van zijn gespecialiseerde dienst ingestelde „sector van werkzaamheden van een afdeling”. Deze afdeling was als eerder opgemerkt behalve met de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden in ruime zin (waarvan hij de leiding behield) ook belast met alle andere aspecten van de bij het binnenlands vervoer te ontwikkelen marktpolitiek. Voorts vraagt verzoeker schadevergoeding voor de door deze overplaatsing geleden schade.
Alvorens op de in dit verzoekschrift aangevoerde middelen in te gaan acht ik het nuttig de prealabele vraag te beantwoorden of in casu inderdaad sprake kan zijn van een handeling welke voor verzoeker nadelig kan zijn, respectievelijk waardoor hij zich bezwaard kan achten, zoals respectievelijk door artikel 25, lid 2, en artikel 90, lid 2, van het Statuut voor de ontvankelijkheid van een beroep wordt vereist. Op grond van Uw arresten in de zaken Kley (35/72, Jurispr. 1973, blz. 688, rechtsoverweging 4), Kühner (33 en 75/79, Jurispr. 1980, blz 1694, rechtsoverwegingen 12 en 13), Kindermann (60/80, Jurispr. 1981, blz. 1340, rechtsoverweging 8, alsmede de Uw eerdere rechtspraak uitvoerig besprekende bijbehorende conclusie van de advocaat-generaal Reischl, blz. 1346-1349) en impliciet ook in de zaak Arning (125/80, Jurispr. 1981, blz. 2553) zal deze vraag naar mijn oordeel bevestigend dienen te worden beantwoord. Met name de geciteerde rechtsoverwegingen in de met de onderhavige zaak goed vergelijkbare zaak Kühner laten naar mijn mening geen andere conclusie toe. Als rechtswaarborg is de mogelijkheid van beroep op Uw Hof uiteraard in het bijzonder van belang bij vermeend misbruik van de reorganisatiebevoegdheid van de Commissie en bij verwaarlozing van de vereiste zorgvuldigheid ten aanzien van de belangen van het door een reorganisatie getroffen personeel.
Over de in de zaak 37/81 aangevoerde middelen kan ik kort zijn.
Het eerste middel (besluit door een onbevoegde autoriteit) mist blijkens het dossier feitelijke grondslag, daar zowel het reorganisatiebesluit als het daaruit voortvloeiende overplaatsingsbesluit wel degelijk op 8 oktober 1980 door de Commissie zelf zijn genomen. Het aangevochten besluit van de directeur-generaal van personeel en administratie van 30 januari 1981 vormde daarvan slechts een uitvoeringsmaatregel, waartoe bij eerder besluit van de Commissie machtiging was verleend.
Het tweede, op artikel 25, lid 2, van het Statuut gebaseerde, middel (vertraagde informatie van betrokkene en onvoldoende motivering van het besluit) heeft formeel gesproken in zoverre wel een feitelijke grondslag, dat de officiële mededeling aan betrokkene inderdaad pas drie maanden na de datum van zijn overplaatsing (1 november 1980) werd gedaan. In werkelijkheid werd verzoeker evenals zijn collega's echter reeds op een informatievergadering op 15 oktober 1980 met schriftelijke bevestiging op 30 oktober 1980 uitvoerig geïnformeerd, zodat het tweede middel uiteindelijk ook voldoende feitelijke grondslag mist. Ten aanzien van de verweten onvoldoende motivering volgt uit de feitelijke gegevens in het dossier met name, dat ook hier geldt, hetgeen Uw Hof overwoog in de eerder geciteerde zaken Kühner (overweging 15), Kley (overweging 16) en Arning (overweging 13), namelijk dat niet slechts rekening moet worden gehouden met het individuele besluit, maar „ook met de omstandigheden waaronder het is genomen en ter kennis van betrokkene is gebracht”. Uit het gehele verloop van de reorganisatie blijkt dat verzoeker, evenals verzoekers in genoemde eerdere zaken voortdurend, evenals zijn andere daardoor getroffen collega's, is voorgelicht over de op handen zijnde veelomvattende reorganisatie, al zou een meer persoonlijke benadering van verzoeker personeelspolitiek gesproken stellig wenselijk zijn geweest.
Het derde middel van verzoeker in deze zaak houdt in, dat verzoeker in het licht van het arrest in de zaak Almini (19/70, Jurispr. 1971, blz. 623), gelegenheid had behoren te krijgen tijdig zijn oordeel over de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met het dienstbelang te geven. Voor de gronden waarop dit middel mijns inziens verworpen dient te worden verwijs ik naar rechtsoverweging 17 van het eerder geciteerde arrest in de zaak Arning. Ik voeg daaraan voor het onderhavige geval slechts toe, dat uit de in de verschillende beroepszaken door verzoeker en Commissie verstrekte gegevens blijkt, dat het oordeel van verzoeker over de voorgenomen maatregel stellig voldoende bekend was.
Het vierde middel houdt schending van de materiële en morele belangen alsmede van de promotiekansen van verzoeker bij zijn overplaatsing in. Op grond van hetgeen Uw Hof in rechtsoverwegingen 20 en 21 van de vergelijkbare zaak Kühner stelde zal ook dit middel moeten worden afgewezen. Zijn nieuwe tewerkstelling als „hoofd van een sector van werkzaamheden van een afdeling” stemt evenals in de zaak Kühner „zeer nauwkeurig overeen met een van de omschrijvingen van werkzaamheden van de standaardfunctie hoofdadministrateur”. De feitelijke bestrijding daarvan tijdens de mondelinge behandeling van de zaak is door de Commissie naar mijn oordeel voldoende weerlegd. Ik voeg daaraan toe, dat anders dan de andere te onderscheiden werkzaamheden van de betrokken afdeling zijn sector van werkzaamheden zelfs in de algemene taakomschrijving van de afdeling afzonderlijk is vermeld en dat hij blijkens het eerder geciteerde rapport van de heer Verheyden ook overigens een eerder geprivilegieerde positie ten opzichte van zijn collega's in de afdeling heeft gekregen. Tenslotte herhaal ik mijn inleidende conclusie, dat de Commissie uit overwegingen van dienstbelang volstrekt gerechtigd moest worden geacht tot de betrokken reorganisatiemaatregelen als zodanig. Door de zorg, waarmede de gevolgen van die maatregel voor betrokkene zijn geregeld, is niet slechts zijn rang volledig gerespecteerd, maar ook overigens met zijn persoonlijke belangen op redelijke wijze rekening gehouden.
Tenslotte dient ook het laatste middel van misbruik van bevoegdheid naar mijn oordeel te worden verworpen. Behalve naar mijn inleidende opmerkingen verwijs ik ook op dit punt naar de arresten in de zaken Kühner en Arning. De reorganisatie was uitvloeisel van het externe rapport-Spierenburg en het interne rap-port-Ortoli en kon door overwegingen als in mijn inleidende opmerkingen vermeld stellig voldoende worden gerechtvaardigd. Een oordeel van het Hof over de opportuniteit van de onderhavige reorganisatie en de daaruit voor verzoeker voortvloeiende gevolgen komt het Hof overigens niet toe, zoals ook in de zojuist geciteerde arresten tot uiting is gebracht. De gang van zaken zoals deze uit de door verzoeker en door de Commissie overgelegde gegevens naar voren komt wettigt echter zelfs geen twijfel ten aanzien van de conclusie, dat bij de aangevochten beslissing uitsluitend overwegingen van dienstbelang een rol hebben gespeeld, die geen enkel verband hielden met de persoon van verzoeker.
Het verzoek om schadevergoeding dient op dezelfde gronden te worden afgewezen.
4. Samenvatting en conclusie
Samenvattend ben ik van oordeel, dat met name ten aanzien van de gevolgde beoordelingsprocedure aan de Commissie inderdaad ernstige verwijten kunnen worden gemaakt. Deze verwijten betreffen enerzijds de bij de beoordeling opgetreden vertraging, die voor het grootste deel aan de Commissie dient te worden toegerekend. Anderzijds betreffen zij het niet in acht nemen van de door de Commissie zelf afgekondigde procedurele waarborgen voor objectieve beoordeling van een klacht over een uiteindelijke beoordeling. De geconstateerde gebreken kunnen echter op grond van Uw eerdere rechtspraak en op grond van overwegingen daarbuiten niet tot vernietiging van de betrokken besluiten, noch tot toekenning van de gevraagde schadevergoeding leiden. Ik concludeer derhalve tot verwerping van alle ingediende verzoeken en tot veroordeling van elk der partijen in de eigen kosten, zulks overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) In gelijke zin thans rechtsoverweging 18 van het arrest van 21 april 1983 in deze zaak 282/81, Ragusa.
Full & Egal Universal Law Academy