CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 18 MEI 1982
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. Het voorwerp van het beroepschrift
De Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg zijn verplichtingen krachtens artikel 119 van het EEG-Verdrag en de richtlijn nr. 75/117 van 10 februari 1975 betreffende „het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers”, heeft geschonden door niet binnen de termijn gesteld in artikel 8, lid 1, van die richtlijn de noodzakelijke maatregelen te treffen om de discriminatie op te heffen in de voorwaarden op het recht van een gezinshoofduitkering aan ambtenaren.
2. Verband met andere zaken
Deze procedure betreft de eerste zaak ex artikel 169 EEG-Verdrag betreffende het beginsel van gelijke beloning welke de Commissie aan het Hof heeft voorgelegd. De Commissie heeft nog een tweede zaak bij het Hof aanhangig gemaakt tegen het Verenigd Koninkrijk, waarin op dezelfde dag als voor de onderhavige zaak de mondelinge procedure plaatsvond. Een zaak tegen het Koninkrijk België, ingeschreven onder nummer 57/81, over een analoog probleem als in de zaak tegen Luxemburg, kon op verzoek van de Commissie van de rol worden geschrapt nadat de Belgische regering de noodzakelijke maatregelen had getroffen om aan haar verplichtingen te voldoen. Alle drie zaken vloeiden voort uit het verslag dat de Commissie ingevolge artikel 9 van de richtlijn „gelijke beloning” op 16 januari 1979 heeft uitgebracht over de toepassing van deze richtlijn.
3. De bijzonderheden van de Luxemburgse zaak
In het Groothertogdom Luxemburg wordt aan ambtenaren van de Centrale Overheid een zogenoemde gezinshoofdtoelage uitgekeerd ingevolge artikel 9 van de wet van 22 juni 1963 betreffende het salarisregime van dergelijke ambtenaren, welke ook van toepassing is, krachtens de wet van 28 juli 1954, op gemeenteambtenaren. Voor de tekst van de betreffende wetsbepaling moge ik verwijzen naar het rapport ter terechtzitting.
Deze gezinshoofdtoelage wordt uitgekeerd aan het gezinshoofd, welk begrip verder in het artikel wordt verduidelijkt. Hieruit blijkt dat ingeval van een huwelijkssituatie steeds de gehuwde mannelijke ambtenaar als gezinshoofd wordt beschouwd. De gehuwde vrouwelijke ambtenaar daarentegen wordt slechts bij uitzondering als zodanig betiteld, namelijk slechts in die gevallen wanneer haar echtgenoot als het ware niet voor gezinsinkomen kan zorgen. Dientengevolge heeft de gehuwde mannelijke ambtenaar steeds recht op de gezinshoofdtoelage en de gehuwde vrouwelijke ambtenaar slechts in uitzonderingsgevallen.
Een soortgelijke situatie bleek in het begin van onderhavige procedure ook te bestaan in enkele sectoren van het bedrijfsleven, zoals in het bank- en verzekeringswezen. Tijdens het verloop van de procedure werden de betreffende collectieve overeenkomsten echter aangepast. De vertegenwoordiger van de Commissie deelde tijdens de mondelinge zitting mee dat de bedoelde discriminaties in die sectoren van het bedrijfsleven volledig waren opgeheven. Daarentegen was het aangekondigde wetsontwerp betreffende de gezinshoofdtoelage aan ambtenaren nog steeds niet in werking getreden. De onderhavige zaak betreft dan ook alleen deze uitkering.
4. Oorzaken van de vertraging
Met betrekking tot deze zaak zij in de eerste plaats opgemerkt dat de Luxemburgse regering vanaf het begin van de procedure niet betwist heeft dat de betreffende bepaling discriminerend is voor gehuwde vrouwelijke ambtenaren en in strijd is met het beginsel van gelijke beloning. Zij heeft de Commissie dan ook steeds geantwoord de noodzakelijke maatregelen te zullen treffen om deze discriminatie op te heffen. Uit het dossier blijkt dat de vertraging van de aanpassing tweeërlei oorzaak heeft. Enerzijds kan deze slechts in de vorm van een wet plaatsvinden, waarvoor het advies van verschillende instellingen noodzakelijk is, waarmee een lange tijd gemoeid is. Anderzijds heeft de regering het eerste wetsontwerp teruggetrokken, aangezien de daarop betrekking hebbende amendementen en adviezen te hoge extra uitgaven met zich mee zouden brengen. De vertegenwoordiger van de Luxemburgse regering sprak over LFR 305000000 per jaar, hetgeen inderdaad een indrukwekkend bedrag is. De regering heeft daarop een nieuw wetsvoorstel uitgebracht dat, naar de Luxemburgse vertegenwoordiger meedeelde, LFR 74000000 per jaar extra kosten met zich zou brengen. Hij sprak de goede hoop uit dat dit wetsontwerp nog in het jaar 1982 van kracht zou worden.
5. Beoordeling van de zaak
De Luxemburgse regering heeft genoemde oorzaken voor de vertraging van het wetsontwerp niet aangevoerd als een rechtvaardiging maar slechts ter informatie meegedeeld.
Deze opstelling is in overeenstemming met Uw vaste rechtspraak dat een Lid-Staat zich niet kan beroepen ten exceptieve op nationaalrechtelijke bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen en termijnen die in het gemeenschapsrecht besloten liggen.
Wat de zaak ten gronde betreft, ben ik van mening dat de Commissie het beroep terecht heeft ingesteld. Ook kan ik haar argumentatie delen zoals weergegeven in het rapport ter terechtzitting. Allereerst zij vastgesteld dat het beginsel van artikel 119 EEG-Verdrag ook van toepassing is op overheidspersoneel zoals mijns inziens volgt uit Uw arrest-Defrenne II, Jurispr. 1976, blz. 476, waarin naast de tweeërlei doelstelling van artikel 119, namelijk een economisch en een sociaal doel, onder meer in rechtsoverweging 39 wordt gesteld: „dat immers artikel 119 dwingend recht is, zodat het verbod tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers niet slechts geldt voor overheidshandelingen, doch eveneens van toepassing is op alle overeenkomsten die een collectieve regeling van arbeid in loondienst inhouden, alsmede op contracten tussen particulieren”. Ook wordt, onder meer in het dictum onder punt 1, gesteld dat het beginsel van gelijke beloning toegepast dient te worden „in eenzelfde — particuliere of openbare — onderneming of dienst”. Vervolgens betreft de gezinshoofdtoelage een vorm van beloning in de zin van artikel 119, tweede lid, aangezien zij door de werkgever direct wordt uitbetaald aan de werknemer uit hoofde van de dienstbetrekking. Dit criterium werd recentelijk nog in Uw arrest-Garland, zaak 12/81 van 5. februari 1982, rechtsoverweging 5, gehanteerd. Voorts is er sprake van discriminatie naar geslacht, welke door strikt juridische analyse kan worden opgespoord. Dit aspect behoeft naar mijn mening dan ook geen verdere uitwerking.
Gelet op deze elementen zou ik de conclusie hier kunnen beëindigen.
Er is echter, naar mijn mening, een probleem in het verzoek van de Commissie, dat ik U niet wil onthouden.
De Commissie verzoekt het Hof namelijk vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg zijn verplichtingen krachtens artikel 119 EEG-Verdrag en de richtlijn nr. 75/117 heeft geschonden, door de betreffende discriminatie in de gezinshoofdtoelage niet op te heffen binnen de termijn van artikel 8 van die richtlijn.
Uit het dossier blijkt dat de kennisgeving van de richtlijn plaats heeft gevonden op 12 februari 1975. Ingevolge de termijn van artikel 8, lid 1, hadden de Lid-Staten één jaar voor de inwerkingtreding van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen, dat wil zeggen een termijn die afliep op 12 februari 1976.
De vraag die zich stelt is echter of Luxemburg inderdaad ingevolge de richtlijn, eerst op 12 februari 1976 de nodige maatregelen had moeten treffen om het beginsel van gelijke beloning te verzekeren of dat deze verplichting reeds krachtens artikel 119 EEG-Verdrag van kracht was.
Onder punt 2 van het dictum van het ar-rest-Defrenne II, zaak 43/75, Jurispr. 1976, blz. 482, wordt onder meer gesteld dat „de toepassing van artikel 119 ten volle (moest) worden verzekerd door de oorspronkelijke Lid-Staten vanaf 1 januari 1962, aanvangsdatum van de tweede etappe van de overgangsperiode en door de nieuwe Lid-Staten sedert de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag op 1 januari 1973 ...”. Punt 3 luidt onder meer dat de door de richtlijn „gelijke beloning” bepaalde termijn geen invloed heeft op de bij artikel 119 EEG-Verdrag en het Toetredingsverdrag vastgestelde tijdstippen. In onder meer rechtsoverweging 60 wordt in ditzelfde arrest de verhouding aangegeven tussen artikel 119 en de richtlijn, in die zin dat de richtlijn het doel heeft „via een samenstel van nationale maatregelen de juiste toepassing van artikel 119 te verzekeren, inzonderheid door afschaffing van zijdelingse discriminaties, zonder evenwel de werkzaamheid van dit artikel te kunnen verminderen of de werking ervan ratione temporis te kunnen wijzigen”.
Op grond van deze uitspraak ben ik van mening dat Luxemburg, eeh oorspronkelijke Lid-Staat, reeds vanaf 1 januari 1962 verplicht was het beginsel van „gelijke beloning” ingevolge artikel 119 volledig te verzekeren.
De bewoordingen van artikel 119, waar het spreekt over „verzekert” en „handhaaft”, staan, naar mijn oordeel, ook niet in de weg aan de interpretatie, dat de Lid-Staten binnen de genoemde termijn alle noodzakelijke maatregelen moesten treffen om de toepassing van het beginsel te verzekeren, ondanks het feit dat het artikel niet uitdrukkelijk spreekt van „afschaffen” of „het treffen van maatregelen”. Deze gedachte ligt mijns inziens ook besloten in het arrest-Defrenne II, waar het in rechtsoverweging 56 stelt dat vanaf 1 januari 1962 de toepassing van het beginsel „volledig en onherroepelijk moest zijn verzekerd” evenals onder punt 2 van het reeds aangehaalde dictum.
In dit verband wijs ik er op dat de gezinshoofdtoelage in de kwestieuze bepaling eerst ingevoerd is bij de wet van 1963, zoals blijkt uit het — zich in het dossier bevindende — wetsontwerp ter wijziging van die wettelijke bepaling.
Een laatste aspect ten aanzien van de termijn waarbinnen de nodige maatregelen hadden moeten worden getroffen, betreft eveneens het arrest-Defrenne II, waar het stelt dat bij wijze van uitzondering, wegens zwaarwegende redenen van rechtszekerheid als aangegeven in rechtsoverwegingen 74 en 75, in de regel geen beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 kan worden gedaan over tijdvakken voorafgaande aan de dag waarop het arrest werd uitgesproken, dat wil zeggen 8 april 1976.
Zoals U in rechtsoverweging 75 uitdrukkelijk vermeldde betrof het hier intussen uitsluitend het tijdstip vanaf hetwelk een beroep op de rechtstreekse werking kon worden gedaan. Deze vraag is echter in de onderhavige procedure niet aan de orde, zodat U over dit aspect thans geen nieuwe uitspraak behoeft te doen. Vermelding daarvan leek mij hoofdzakelijk uit overwegingen van rechtszekerheid van belang, waarbij het opvalt dat de datum waarvóór de richtlijn had moeten zijn uitgevoerd toevallig vrijwel samenvalt met de datum van waaraf U in het tweede Defrenne-arrest een rechtstreeks beroep op artikel 119 mogelijk achtte. De verhouding tussen artikel 119 en de richtlijn, zoals in het arrest-Defrenne II aangegeven, brengt, naar mijn oordeel, wel een ander gevolg voor het verzoek van de Commissie met zich mee. Deze stelt immers dat het Groothertogdom Luxemburg zijn verplichtingen heeft geschonden welke voortvloeien uit artikel 119 en de richtlijn „gelijke beloning”. Als reeds aangegeven wordt in het arrest-Defrenne II gesteld dat het doel van de richtlijn is de juiste toepassing van artikel 119 te verzekeren zonder dat het de werkzaamheid van dit artikel kan verminderen noch de werking ervan in de tijd kan wijzigen, zoals in Uw latere rechtspraak bevestigd, bij voorbeeld zaak 96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz. 927. Volgens rechtsoverweging 54 van het Defrenne II-arrest verduidelijkt de richtlijn in bepaalde opzichten de materiële draagwijdte van artikel 119 en worden daarin enkele regelingen voorgeschreven „hoofdzakelijk met het oog op een betere rechtsbescherming van werknemers ...”. Naar mijn mening staan echter niet dergelijke maatregelen in deze zaak ter discussie, maar betreft het hier het gestelde in artikel 3 van de richtlijn, dat luidt: „de Lid-Staten heffen de discriminaties tussen mannen en vrouwen op die voortvloeien uit wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en die in strijd zijn met het beginsel van gelijke beloning”. Deze bepaling heeft echter naast artikel 119 geen functie meer, gelet op de uitleg die U aan dit artikel heeft gegeven.
Derhalve meen ik dat het niet juist was om het Hof te verzoeken te verklaren dat het Groothertogdom Luxemburg zijn verplichtingen heeft geschonden krachtens artikel 119 alsmede de bepalingen van de richtlijn. Naar mijn oordeel zou U zich kunnen beperken tot het vaststellen van een schending van artikel 119 door het Groothertogdom Luxemburg.
Op grond van het bovenstaande stel ik volgende conclusie voor: dat het Groothertogdom Luxemburg zijn verplichtingen krachtens artikel 119 heeft geschonden door niet de noodzakelijke maatregelen te treffen om de in strijd mer artikel 119 ingevoerde discriminatie op te heffen in de voorwaarden op het recht van een gezinshoofduitkering aan ambtenaren. Voorts dient de Luxemburgse regering in de kosten van de procedure te worden verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy