CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 18 MAART 1982
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
Op 31 januari 1973 heeft de Commissie verordening nr. 349/73 (PB L 40 van 1973, blz. 1) vastgesteld. Deze verordening betrof de afzet tegen verlaagde prijs van interventieboter in de vorm van boterconcentraat, bestemd voor onmiddellijk verbruik. Hoofddoel van de verordening was opruiming van de botervoorraden, ontstaan als gevolg van de interventies op de botermarkt krachtens artikel 6 van verordening nr. 804/68 van de Raad, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB L 148 van 1968, blz. 13). In de commissieverordening werd de mogelijkheid van verkoop van boter in geconcentreerde vorm tegen verlaagde prijs voorzien op verzoek van een „Lid-Staat die zich in staat acht deze verkoop tot een goed einde te brengen”. Blijkens de voorafgaande passage van de considerans van de verordening betekent dit laatste: onder vermijding van onttrekking van het boterconcentraat aan de voorziene bestemming van direkte consumptie en onder vermijding van verstoringen op de botermarkt.
Artikel 6 van de commissieverordening nr. 349/73 luidt als volgt:
1.
Iedere bezitter van de boter of van het boterconcentraat moet over elke levering een boekhouding voeren, waaruit de namen en de adressen van de kopers van de boter en de daarmede overeenkomende hoeveelheden duidelijk blijken.
2.
Ingeval van latere wederverkoop van de boter komen de verplichtingen met betrekking tot de verwerking, de verpakking en de eindbestemming van de boter voor in de verkoopovereenkomst.
Deze overeenkomst moet schriftelijk worden opgesteld en preciseren dat de koper op de hoogte is van de door de betrokken Lid-Staat bepaalde sancties, waaraan hij zich blootstelt, indien hij de bovenbedoelde verplichtingen niet nakomt.
3.
Voor de kleinhandel wordt echter slechts de inschrijving van de gekochte hoeveelheden vereist.
Bij beschikking van 22 december 1972 had de Commissie op grond van een eerdere verordening (nr. 2561/72, PB L 274 van 1972, blz. 12), die door eerdergenoemde verordening nr. 349/73 werd vervangen, de Duitse Bondsrepubliek gemachtigd 6000 ton boterconcentraat tegen verlaagde prijs af te zetten. Bij beschikking van 8 februari 1973 werd deze hoeveelheid teruggebracht tot 4000 ton.
De „Einfuhr- und Vorratsstelle für Fette” — later opgevolgd door de BALM — had zich, volgens de samenvatting in het rapport ter terechtzitting, als interventiebureau met de afzet van het boterconcentraat belast en daartoe op 23 februari 1973 richtlijnen uitgevaardigd. In deze richtlijnen schreef zij ook haar kopers voor, boterconcentraat slechts op grond van een schriftelijk contract te verkopen. Dat schriftelijk contract zou een boeteclausule moeten bevatten voor het geval van niet-nakoming van de aanvaarde verplichtingen ten aanzien van de bestemming van het boterconcentraat. Voorts moest de koper zich door middel van een kettingbeding verplichten er voor zorg te dragen, dat zijn verplichtingen aan opvolgende verkopers werden doorgegeven. Voor een volledige weergave van genoemde richtlijnen verwijs ik naar de tijdens de procedure overgelegde tekst daarvan.
Op de in het rapport ter terechtzitting aangegeven wijze heeft — in de zaak 66/81 — de heer Pommerehnke, toen eigenaar van de firma „Albrecht, Schütze & Co.” bij verschillende handelaren 71740 kg goedkoop boterconcentraat gekocht. Voor twaalf van de in totaal zeventien aankopen hadden vertegenwoordigers van deze firma akten ondertekend, getiteld „Verkoopcontract en verklaring van verplichtingen”. Elk van deze akten gaf de gekochte hoeveelheid aan, maar niet de prijzen. In twee andere gevallen gaf de akte niet de gekochte hoeveelheid aan en in de resterende drie gevallen was geen enkele schriftelijke verklaring afgegeven. In de schriftelijke verklaringen verbond de firma zich tot aanvaarding van de door het interventiebureau vastgestelde richtlijnen. Voorts verplichte zij zich bij inbreuk op die richtlijnen het verschil tussen de interventieprijs en de door de Commissie vastgestelde verlaagde verkoopprijs te betalen. Het aldus gekochte boterconcentraat werd evenwel door de firma doorverkocht aan een derde, zonder schriftelijke vastlegging van de daaraan verbonden verplichtingen en door deze derde in zijn onderneming gebruikt, dus voor een ander doel dan waarvoor het boterconcentraat was bestemd.
Zoals in het rapport ter terechtzitting is uiteengezet, heeft in de zaak 99/81 de onderneming Franzen alleen bij haar eerste betaling de eerderbedoelde schriftelijke akte getekend, waarin hoeveelheid en prijs niet waren opgegeven, maar wel werd vermeld, dat de aangegane verplichtingen ook zouden gelden voor alle volgende, telefonisch doorgegeven, bestellingen. Van het aldus verkregen boterconcentraat werd 3900 kg zonder schriftelijk contract doorverkocht, terwijl van de koper ook achteraf geen schriftelijke aanvaarding van de betrokken verplichtingen werd gevraagd. Ook in dit geval werd de boter door de uiteindelijke koper gebruikt voor een ander doel dan direkte consumptie.
Verzoeksters in het hoofdgeding hebben revisie van een eerdere veroordeling tot boetebetaling gevraagd omdat zij niet gehouden zouden zijn deze boete te betalen, nu zij met hun leveranciers geen schriftelijk verkoopcontract hadden gesloten. Het Bundesgerichtshof kwam daarop tot de conclusie, dat de oplossing van de twee geschillen afhing van de vraag of de belofte een contractuele boete te betalen op de voorgeschreven wijze op schrift was gesteld. Voor de beantwoording van deze vraag acht het Bundesgerichtshof een uitlegging nodig van het eerder geciteerde lid 2 van artikel 6 van verordening nr. 349/73. Na eerst zijn eigen oordeel over deze uitlegging te hebben gegeven, stelt het Bundesgerichtshof aan Uw Hof de volgende vragen:
„1.
Betreft artikel 6, tweede lid, van verordening nr. 349/73/EEG van de Commissie van 31 januari 1973 (PB L 40 van 13. 2. 1973, blz. 1) uitsluitend de wederverkoop van boter in oorspronkelijke staat of ook van boterconcentraat?
2.
Indien deze bepaling ook boterconcentraat betreft:
a)
welke eisen moeten op grond van het gemeenschapsrecht worden gesteld aan de naleving van de eis van een schriftelijk stuk? Is daartoe in het bijzonder een schriftelijke verklaring van de koper, niet daarentegen een schriftelijke verklaring van de verkoper, voldoende of moeten deze eisen worden beoordeeld op grond van het recht van de Lid-Staten?
b)
is het, indien op grond van het gemeenschapsrecht een slechts door de koper ondertekende bestelling voldoende zou zijn, voldoende dat slechts de eerste bestelling schriftelijk geschiedt en de verdere koopcontracten onder verwijzing naar die eerste bestelling mondeling worden afgesloten?
c)
is, wanneer, beoordeeld naar gemeenschapsrecht, de schriftelijke vorm niet in acht is genomen, het koopcontract met inbegrip van een daarin vervat boetebeding volgens gemeenschapsrecht van de rechtsgevolgen overgelaten aan het recht van de Lid-Staten?”
Op deze vragen zal ik thans achtereenvolgens ingaan.
2. De eerste vraag
Wat de eerste vraag betreft, is het gemakkelijk vast te stellen, dat het daarin aan de orde gestelde interpretatieprobleem uitsluitend ontstaan is doordat het tweede lid van artikel 6 van verordening nr. 349/73, anders dan het eerste lid van dat artikel, uitsluitend spreekt over boter en niet mede over boterconcentraat. De hierin tot uiting komende redactionele slordigheid moet des te meer betreurd worden, omdat de in dit artikellid vermelde verplichtingen de indruk zouden kunnen versterken, dat dit artikellid alleen betrekking heeft op boter in de oorspronkelijke staat en niet mede op boterconcentraat. De vermelde verplichtingen met betrekking tot verwerking hebben immers naar hun aard en gelet op de voorafgaande bepalingen van de verordening kennelijk betrekking op de in die voorafgaande bepalingen vervatte verplichtingen met betrekking tot de verwerking van koelhuisboter tot boterconcentraat. In iets mindere mate geldt hetzelfde voor de in artikel 7 van de verordening vervatte verplichtingen op het punt van de verpakking. Naar hun aard hebben ook deze verplichtingen met name betekenis voor de verwerkers van koelhuisboter tot boterconcentraat en niet voor wederverkopers van boterconcentraat. Voor deze wederverkopers lijken met name de verplichtingen op het punt van het waarborgen van de bestemming voor direkte consumptie van het boterconcentraat van belang. Het ware stellig wenselijk geweest, dat de Commissie een en ander door een zorgvuldiger redactie van het onderhavige artikellid tot uitdrukking had gebracht.
Uit de titel, de considerans en het geheel van bepalingen van de verordening is het niettemin naar mijn oordeel zo duidelijk, dat de waarborgen voor een juiste bestemming van het boterconcentraat uiteindelijk het hoofddoel ook van genoemd artikel 6 vormen, dat het door de Commissie voorgestelde antwoord op de eerste vraag toch dient te worden gevolgd. Ik sluit mij bij de uitvoerige argumentatie van de Commissie op blz. 8 tot en met 12 van haar schriftelijke opmerkingen dan ook op dit punt volledig aan en stel in gelijke zin als de Commissie voor op de eerste vraag als volgt te antwoorden:
„Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 349/73 (EEG) van de Commissie van31 januari 1973 betreft ook de wederverkoop van boterconcentraat.”
3. De tweede vraag
De beantwoording van de drie onderdelen van de tweede gestelde vraag levert aanzienlijk grotere moeilijkheden op. De moeilijkheden ontstaan hier niet alleen uit de ook in dit opzicht weinig nauwkeurige redactie van de onderhavige verordeningsbepaling. De adembenemende intellectuele hoogstanden die de Commissie tijdens de mondelinge behandeling heeft nodig gehad om te betogen, dat de bepaling om haar duidelijke doel te bereiken met het begrip „wederverkoopovereenkomst” iets geheel anders moet hebben bedoeld dan hetgeen de meeste juristen daaronder plegen te verstaan, onderstreepten deze onnauwkeurigheid van de redactie. De verwijzingsrechter maakt anderzijds in de motivering van zijn verwijzingsbeschikking duidelijk, dat een aldus vastgelegde verplichting om een verkoopovereenkomst met boetebeding schriftelijk af te sluiten bij toepassing van Duits burgerlijk recht slechts kan betekenen, dat voor de geldigheid van de overeenkomst vereist is, dat beide contractpartijen de overeenkomst ondertekend hebben. Bijzondere moeilijkheden van interpretatie worden naar mijn oordeel tenslotte veroorzaakt doordat enige twijfel gerechtvaardigd is of Uw uitgebreide rechtspraak over de taakverdeling tussen de gemeenschapsinstellingen en de nationale autoriteiten bij de uitvoering van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek hier wel zonder meer van toepassing kan zijn. Anders dan in de meeste gevallen, die in Uw eerdere rechtspraak aan de orde kwamen, gaat het immers in casu niet om een gemeenschappelijke marktordening, die in alle Lid-Staten moet worden uitgevoerd. Integendeel gaat het om een actie tot afzet van boter tegen verlaagde prijs voor direkte consumptie, welke in de bewoordingen van de considerans van de verordening kan worden „toegepast op verzoek van de Lid-Staat, die zich in staat acht deze tot een goed einde te brengen”. Hoewel dit blijkens de voorafgaande passage onder meer inhoudt, dat de betrokken Lid-Staat zich in staat moet achten te voorkomen, dat de betrokken goedkope boter wordt onttrokken aan genoemde bestemming, zou uit de geciteerde passage van de considerans en het daarmede corresponderende eerste artikel van de verordening kunnen worden afgeleid, dat de nationale uitvoeringsmaatregelen in dit geval uitsluitend door nationaal recht worden beheerst. Nadat de Commissie een onder vermelding van voorgenomen nationale uitvoeringsmaatregelen gemotiveerd verzoek zou hebben ontvangen, zou zij bij een dergelijke beschouwingswijze de in artikel 1 van de verordening bedoelde machtiging verlenen, zodra zij in deze voorgenomen uitvoeringsmaatregelen een voldoende waarborg tegen een verkeerde bestemming van de goedkope boter zou zien. Intussen blijkt uit artikel 6, lid 2, van de verordening en de daarop betrekking hebbende passage van de considerans, dat de Commissie het toch noodzakelijk achtte zelf „een controlestelsel in te voeren om er voor te zorgen dat de boter niet aan haar bestemming wordt onttrokken”. De betrokken passage uit de considerans zou anders dan de eerder geciteerde passage juist tot de conclusie kunnen leiden, dat de litigieuze materie uitsluitend door het gemeenschapsrecht zelf wordt beheerst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft één van de verzoeksters in de hoofdgedingen ter ondersteuning van een conclusie in laatstgenoemde zin nog gewezen op Uw arresten in de zaken 24/76 (Colzani t. Rüwa, Jurispr. 1976, blz. 1831) en 25/76 (Segoura t. Bonakdarian, Jurispr. 1976, blz. 1851). Deze zaken betroffen de uitleg van artikel 17 van het EEG-Executieverdrag betreffende de zogenaamde forumclausule. Genoemde bepaling stelt als vormvoorwaarde, dat het betrokken beding wordt neergelegd in een schriftelijke overeenkomst of vastgesteld wordt bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst. Daar het betrokken beding volgens 's Hofs overwegingen in de geciteerde arresten tot doel heeft zowel de algemene als de bijzondere bevoegdheidsregels van het Verdrag uit te sluiten, is de rechter in een dergelijk geval ingevolge deze arresten verplicht allereerst te onderzoeken of er inderdaad een overeenkomst is die hem bevoegd verklaart.
De in het Executieverdrag gestelde vormvereisten hebben dan tot doel te waarborgen dat deze wilsovereenstemming vaststaat en moeten in dat licht worden uitgelegd. Wegens de aldus door het Hof gelegde band tussen de uitleg van genoemde vormvereisten en de specifieke functie van artikel 17 in het Executieverdrag kan naar mijn oordeel intussen uit deze arresten voor de onderhavige zaken hoogstens worden afgeleid, dat artikel 6 van de onderwerpelijke verordening eveneens in het licht van plaats en doel van dit artikel in het gehele systeem van de verordening moet worden uitgelegd. Niet daarentegen, dat ook in het onderhavige geval beide partijen bij de verkoop het verkoopcontract moeten hebben ondertekend.
Belangrijker voor de onderhavige zaken acht ik de verwijzing door een der verzoeksters in de hoofdgedingen naar Uw arrest in de zaak 1251/79 (Jurispr. 1981, blz. 205). Deze zaak betrof de sluiting van langlopende opslagcontracten voor wijn in het kader van maatregelen om de invloed van overschotten op deze markt te elimineren. Artikel 3 van verordening nr. 816/70 (PB L 99 van 1970, blz. 1), voorziet de sluiting van schriftelijke contracten tussen particulieren en interventiebureaus. Afsluiting van deze contracten en koppeling van steun daaraan was alleen mogelijk in de periode van 16 december tot 15 februari van het betrokken wijnoogstjaar. Door Italië waren echter ook na laatstgenoemde datum contracten afgesloten. Italië betoogde dat de overeenkomsten wel vóór die datum waren afgesloten, maar pas later schriftelijk waren vastgelegd. Het Hof stelde zich toen op het standpunt dat het vormvereiste inhield dat pas op het moment dat daaraan was voldaan, de overeenkomst bestond. De wellicht reeds eerder bereikte wilsovereenstemming werd in dat opzicht niet bepalend geacht. Het vormvereiste werd echter ook in dit geval uitgelegd op basis van het systeem en de doelstelling van de desbetreffende rechtsvoorschriften van de Gemeenschap, waarbij eventuele anders luidende bepalingen van nationaal overeenkomstenrecht zonder meer opzij werden gezet.
Naar mijn oordeel volgt derhalve uit alle drie geciteerde arresten, dat ook voor de uitlegging van artikel 6, tweede lid, van verordening nr. 349/73 behalve op de tekst van deze bepaling in eerste instantie moet worden gelet op systeem en doelstelling van de verordening in haar geheel. De eerder vermelde complicatie, dat het in casu niet gaat om een algemeen bindende, maar om een op verzoek van de betrokken Lid-Staat toegepaste regeling moet daarbij naar mijn oordeel echter mede in de beschouwingen worden betrokken.
De Commissie begint haar schriftelijke opmerkingen over de tweede vraag met de vaststelling, dat artikel 6, lid 2, tweede alinea, duidelijk geen gedetailleerde regeling over de dwingende vormvereisten bevat. Uit zin en doel van de bepaling zou moeten worden afgeleid, dat het hierbij gaat om een minimumvoorwaarde, inhoudende dat de betrokken verplichtingen, met inbegrip van de sancties bij niet-naleving van de verplichtingen in het eerste door een wederverkoper gesloten koopcontract schriftelijk moeten worden vastgelegd en door die wederverkoper moeten worden ondertekend. Juist omdat uitsluitend afzonderlijke Lid-Staten gemachtigd werden, de betrokken boterverkoopactie uit te voeren en voor de juiste uitvoering verantwoordelijk waren, kon het gemeenschapsrecht aan de betrokken Lid-Staten ook een grotere speelruimte laten voor de nadere uitwerking van de administratieve procedure met inbegrip van de controleregeling. De nauwkeurige vastlegging van de vormvereisten en van de regeling van de rechtsgevolgen werd derhalve aan de gemachtigde Lid-Staten overgelaten.
Verzoeksters in de hoofdgedingen verschilden in de procedure voor het Hof van mening over de vraag of in casu nationaal of gemeenschapsrecht moest worden toegepast. Beide verzoeksters sloten uit, dat nationaal en gemeenschapsrecht gelijktijdig van toepassing zouden zijn, zoals door de Commissie verdedigd. Voorts waren beide verzoeksters van oordeel, dat een koopcontract in elk geval door beide partijen dient te worden ondertekend. Een niet door beide partijen ondertekend koopcontract zou ongeldig zijn. Ik verwijs hiervoor met name naar de mondelinge behandeling. De BALM verdedigde in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen het standpunt, dat gelet op zin en doel van de regeling aan de schriftelijke vorm geen te hoge eisen dienden te worden gesteld en dat een schriftelijke verklaring alleen van de koper en alleen bij diens eerste bestelling voldoende moet worden geacht, mits bij de verdere — eventueel mondelinge — koopcontracten daarnaar wordt verwezen.
De Commissie heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bij laatstgenoemd standpunt van de BALM aangesloten. Het is vooral tijdens die mondelinge behandeling, dat haar vertegenwoordiger de eerder vermeldde halsbrekende intellectuele kunststukken heeft volbracht met het doel duidelijk te maken, dat artikel 6, lid 2, van de onderhavige verordening met het woord verkoopovereenkomst niet bedoelt wat de meeste juristen onder dit begrip plegen te verstaan en dat het voor de Commissie slechts aankwam op het vastleggen van het vereiste, dat de koper schriftelijk te kennen gaf op de hoogte te zijn van de door hem onderschreven verplichtingen en de daarop gestelde sancties. De nadere uitwerking van de te scheppen waarborgen tegen een verkeerde bestemming van de tegen verlaagde prijs verkochte boter zou aan de Lid-Staten zijn overgelaten.
Op drie gronden ben ik, zij het met enige aarzeling, uiteindelijk inderdaad van oordeel, dat de Commissie in hoofdzaak in haar interpretatie kan worden gevolgd, zij het met een iets andere uitwerking voor de beantwoording van de gestelde vragen.
In de eerste plaats is het algemeen bekend en de vertegenwoordiger van de BALM, heeft daarop tijdens de mondelinge behandeling ook gezinspeeld, dat schijnbaar privaatrechtelijke begrippen in het economisch publiekrecht, het belastingrecht en het strafrecht veelal een betekenis hebben, die afwijkt van de betekenis van die begrippen in het burgerlijk recht. De bedoeling van een dergelijke afwijkende begripsvorming moet dan echter mijns inziens wel uit systeem en doelstelling van de betrokken publiekrechtelijke voorschriften duidelijk blijken. In het onderhavige geval kan die doelstelling worden afgeleid uit het systeem van de verordening in haar geheel. Voor de uitlegging van artikel 6, tweede lid, komt het dan aan op het door de koper schriftelijk vastleggen, dat hij op de hoogte was van de door de nationale autoriteiten langs administratiefrechtelijke, strafrechtelijke of privaatrechtelijke weg vastgelegde verplichtingen als in dit artikellid bedoeld.
In de tweede plaats volgt reeds uit Uw, in mijn conclusie van 21 januari van dit jaar in de zaak Fromme geciteerde rechtspraak, dat de Lid-Staten bevoegd, zo niet krachtens artikel 5 van het EEG-Verdrag verplicht zijn, voor zover de competente gemeenschapswetgever niet duidelijk anders heeft bepaald, de algemene en bijzondere maatregelen te treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek te verzekeren.
Voor zover hier van belang stelde Uw Hof in zijn eerdere rechtspraak terzake slechts de grens, dat deze nationale, uitvoeringsmaatregelen de draagwijdte van de gemeenschapsverordening niet mogen aantasten, wijzigen of uitbreiden. Artikel 6, tweede lid, tweede alinea, van de onderhavige verordening laat, blijkens zijn bewoordingen, met name de aard van de bij niet-nakoming van de in dit artikellid bedoelde verplichtingen toepasselijke sancties, duidelijk ter nadere regeling over aan de bevoegde nationale autoriteiten. Als eerder opgemerkt kan die nadere regeling in beginsel langs administratiefrechtelijke, langs strafrechtelijke of langs privaatrechtelijke weg geschieden. De nadere waarborgen voor het bereiken van de juiste bestemming van de goedkope boter zijn in casu uitvoerig en nauwkeurig geregeld in de tijdens de procedure op verzoek van het Hof overgelegde richtlijnen van de BALM van 13 februari 1973. Of deze richtlijnen inderdaad een sluitend systeem van verplichtingen waarborgen is een vraag, die primair naar nationaal recht moet worden beantwoord, met dien verstande dat de richtlijnen niet zo mogen worden uitgelegd, dat hierdoor de weergegeven draagwijdte van de onderhavige verordeningsbepaling zou worden aangetast.
In de derde plaats mag op grond van de algemene toezichthoudende taak van de Commissie en op grond van de passage in de considerans van de onderwerpelijke verordening, inhoudende, dat de verkoopactie „wordt toegepast op verzoek van de Lid-Staat, die zich in staat acht deze tot een goed einde te brengen”, worden verondersteld, dat de Commissie genoemde richtlijnen van de BALM inderdaad beschouwt als de betrokken Lid-Staat in staat stellend de onderwerpelijke actie in overeenstemming met genoemd artikel 6 tot een goed einde te brengen.
Op grond van deze overwegingen stel ik voor de tweede vraag als volgt te beantwoorden:
a)
Op grond van artikel 6, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 349/73 van de Commissie is met betrekking tot het vereiste van een schriftelijke vorm voldoende, dat de betrokken koper schriftelijk verklaart op de hoogte te zijn van de door de betrokken Lid-Staat bepaalde sancties, waaraan hij zich blootstelt, indien hij de in dit voorschrift bedoelde verplichtingen niet nakomt. Daar de niet noodzakelijk contractuele rechtsgrondslag en de aard en hoogte van de sancties door de betrokken Lid-Staat moeten worden bepaald, is die Lid-Staat ook verplicht de verdere aan de verkooptransacties voor een goede uitvoering van genoemde bepaling van gemeenschapsrecht en met name voor de binding van de betrokken kopers te stellen eisen vast te stellen. Deze verdere eisen moeten dus beoordeeld worden overeenkomstig het betrokken nationale recht, met dien verstande dat dit nationale recht niet zo mag worden uitgelegd, dat hierdoor de weergegeven draagwijdte van de onderhavige verordeningsbepaling zou worden aangetast.
b)
Op grond van het gemeenschapsrecht is een schriftelijke vorm van een eerste bestelling slechts dan voldoende, indien op grond van de nationale uitvoeringsvoorschriften en de modaliteiten die daarbij voor achtereenvolgende bestellingen zijn vastgesteld, gewaarborgd is, dat de nationaal vastgestelde sancties ook bij het niet nakomen van de onderhavige verplichtingen bij die volgende bestellingen kunnen worden toegepast.
c)
Voor de beantwoording van onderdeel c) van de tweede vraag wordt verwezen naar het antwoord op onderdelen a) en b) van deze vraag.
Full & Egal Universal Law Academy