CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 28 JANUARI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de onderhavige ambtenarenzaak moet uitspraak worden gedaan over de rechtmatigheid van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/B/4/80 om Ruske, ambtenaar van de Commissie in de rang C 1, niet tot dit vergelijkend onderzoek toe te laten. Dit intern vergelijkend onderzoek „aan de hand van een examen” werd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen georganiseerd met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van adjunct-assistenten op het gebied „documentatie, bibliotheek”, wier loopbaan de rangen 5 en 4 van categorie Β omvat.
Blijkens de toelatingsvoorwaarden sub II. 1 moesten de sollicitanten aan andere vereisten voldoen, naargelang zij
A.
middelbaar onderwijs hadden genoten en een einddiploma hadden behaald,
B.
in het bezit waren van een diploma lager middelbaar onderwijs of
C.
aan geen van deze beide vereisten inzake onderwijs voldeden.
Deze drie categorieën hadden enkel de sub A.3, B.4 en C.3 gestelde voorwaarden gemeen, dat de sollicitanten op 30 juni 1980 in totaal vier jaar als ambtenaar of ander personeelslid bij de Gemeenschappen werkzaam moesten zijn. Sollicitanten die volledig middelbaar onderwijs hadden genoten, moesten volgens het gestelde sub A.2 in het bezit zijn van een diploma op het gebied van documentatie en/of bibliotheek. Sollicitanten die in het bezit waren van een diploma lager middelbaar onderwijs of geen middelbare school hadden bezocht, moesten volgens het sub B.2 en C.1 gestelde een bewijs of getuigschrift (Zeugnis oder sonstiger Befähigungsnachweis) op het gebied van documentatie en/of bibliotheek bezitten. Laatstgenoemden moesten bovendien op 30 juni 1980„een al dan niet bij de Gemeenschappen opgedane ervaring van minstens drie respectievelijk negen jaar bezitten in functies van categorie C (als hoofdbeamte of beambte) of in soortgelijke functies in verband met het onder I. Aard van de functie genoemde gebied” (sub B.3 en C.2).
Verzoekster, die sedert 1960 in dienst van de Commissie is, een diploma lager middelbaar onderwijs bezit en sinds 1971 als hoofdbeambte werkzaam is op het gebied documentatie en bibliotheek, solliciteerde op 18 september 1980 voor dit vergelijkend onderzoek. In haar sollicitatieformulier gaf zij een kort overzicht van de door haar tot dan toe uitgeoefende functies en wees zij er met name op dat zij sinds oktober 1977 verantwoordelijk was voor het beheer en de organisatie van de nieuwe bibliotheek van DG III.
Bij brief van 25 september 1980 deelde de heer Y. Desbois, hoofd van de afdeling Aanwerving en voorzitter van de jury, haar mee dat de jury haar na onderzoek van haar sollicitatie niet tot het examen had kunnen toelaten, daar zij niet voldeed aan de toelatingsvoorwaarden sub II. I.A. 1 enII.l.B.2.
Daarop zond verzoekster op 1 oktober 1980 een nota aan Desbois, waarin zij onder meer aanvoerde dat zowel haar vroegere, in haar persoonsdossier opgenomen beoordelingen als haar zevenjarige beroepservaring op het gebied documentatie en haar functie gedurende drie jaar als hoofd van de bibliotheek van DG III, moesten worden beschouwd als voldoende bewijs in de zin van de toelatingsvoorwaarde sub II.1.B.2. Bij deze nota voegde zij een brief van dezelfde datum van de heer C. Layton, directeur in DG III, waarin haar voortreffelijke kennis op documentatiegebied werd bevestigd.
Inmiddels had ook de heer A. Mulfinger, assistent van de directeur-generaal van DG III, in een vertrouwelijke nota van 29 september 1980 Desbois verzocht het besluit te herzien en in aanmerking te nemen dat verzoekster sedert ten minste tien jaar tot de volste tevredenheid van al haar superieuren de taken van documentalist en archivaris had vervuld. In deze brief werd uitdrukkelijk gezegd dat zij na de samensmelting van DG III en DG XI was benoemd tot bibliothecaresse van DG III en de werkzaamheden van een ambtenaar van categorie Β vervult.
In zijn antwoord van 2 oktober 1980 wees Desbois erop, dat in de opvatting van de betrokken dienst een speciale theoretische opleiding was vereist voor een functie in de categorie Β op het gebied documentatie of bibliotheek. Daarvan zouden ook de bevoegde paritaire commissie en het tot aanstelling bevoegde gezag zijn uitgegaan. Derhalve — aldus Desbois — had de jury de kandidatuur van Ruske terecht afgewezen, hoe groot haar verdiensten overigens ook mogen zijn. Hij voegde eraan toe dat hij er geen bezwaar tegen had indien zijn nota werd meegedeeld aan Ruske als antwoord op haar nota van 1 oktober 1980.
Ruske nam met dit antwoord geen genoegen en verzocht Desbois in een tweede nota van 14 oktober 1980, dat de jury haar bezwaar zou behandelen.
Op 29 oktober 1980 diende zij krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut een klacht in tegen de weigering om haar tot het betrokken vergelijkend onderzoek toe te laten. Toen deze klacht niet binnen de voorgeschreven termijn werd beantwoord, stelde zij op 2 april 1981 beroep in; zij concludeerde primair tot nietigverklaring van het besluit van de jury en tot een verklaring voor recht dat het vergelijkend onderzoek te haren behoeve moest worden heropend, subsidiair, tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit van de Commissie tot afwijzing van haar klacht, en ten slotte tot verwijzing van de Commissie in de kosten.
Ten aanzien van deze conclusies neem ik het volgende standpunt in:
Verzoekster voert in hoofdzaak aan dat het afwijzend besluit onvoldoende met redenen is omkleed, op onjuiste overwegingen berust, de inhoud van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek miskent en op misbruik van bevoegdheid berust. Subsidiair steh zij dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod, in zoverre ¡n de toelatingsvoorwaarden van het intern vergelijkend onderzoek hogere eisen werden gesteld dan in die van het tegelijkertijd georganiseerde extern vergelijkend onderzoek COM/B/185 (PB C 134 van 5. 6. 1980, blz. 7), dat eveneens was gericht op de vorming van een aanwervingsreserve van adjunct-assistenten in de loopbaan Β 5-B 4 op het gebied van documentatie en bibliotheek.
1.
Wat in de eerste plaats de grief inzake onvoldoende motivering betreft, voert verzoekster aan dat de voorgedrukte brief waarbij haar werd meegedeeld dat zij niet voldeed aan de sub II.1.A.1 en II.1.B.2 gestelde toelatingsvoorwaarden, niet beantwoordt aan de vereisten die volgens de rechtspraak van het Hof moeten worden gesteld aan een behoorlijke motivering. Gezien de niet zeer duidelijk geformuleerde voorwaarden en het relatief kleine aantal van 43 sollicitanten, had het besluit volgens haar uitvoeriger met redenen moeten zijn omkleed.
Volgens mij kan dit argument niet worden aanvaard, gelet met name op het doel van de motiveringsplicht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof, die ik hier niet gedetailleerd behoef weer te geven, moeten jurybesluiten op gepaste en toereikende wijze met redenen zijn omkleed, opdat in de eerste plaats de betrokkene, doch ook het Hof kunnen beoordelen of deze rechtmatig dan wel gebrekkig zijn. Derhalve heeft het Hof, onder meer in de door verzoekster tot staving van haar opvatting aangevoerde arresten in de gevoegde zaken Salerno e.a. (arrest van 30 november 1978, gevoegde zaken 4, 19 en 28/78, Jurispr. 1978, blz. 2403) en de zaak Sonne (arrest van 5 april 1979, zaak 112/78, Jurispr. 1979, blz. 1573), een motivering steeds als ontoereikend beschouwd, wanneer slechts in een voorgedrukte brief was meegedeeld dat aan een der in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden niet was voldaan, en deze voorwaarde niet duidelijk was. In al deze gevallen bleek uit de verwijzing naar de niet-vervulde voorwaarde evenwel niet duidelijk aan welk element daarvan niet was voldaan.
Anders dan in genoemde zaken, blijkt in casu echter ondubbelzinnig uit het afwijzend schrijven, waarbij een exemplaar van de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/B/4/80 was gevoegd, dat de jury, na te hebben vastgesteld dat de sub A gestelde voorwaarden — volledig middelbaar onderwijs — niet waren vervuld, van oordeel was dat de door verzoekster overgelegde bescheiden niet als een bewijs of getuigschrift op het gebied van documentatie en/of bibliotheek als bedoeld sub II.1.B.2 konden worden beschouwd.
Aangezien de sub II.1.B.2 gestelde voorwaarde identiek was aan die vermeld sub II.l.C.l, moest verzoekster bovendien inzien dat zij volgens de jury evenmin voldeed aan de vereisten sub C, ook al was zulks in de kennisgeving van de afwijzing niet uitdrukkelijk vermeld.
Uit verzoeksters nota aan Desbois van 1 oktober 1980 blijkt dat zij het afwijzend besluit van de jury ook in die zin heeft begrepen. Niet in de laatste plaats blijkt ook duidelijk uit de antwoordnota's van Desbois aan Mulfinger, waarvan verzoekster kennis kon nemen, dat de jury niet bereid was het na het besluit tot afwijzing overgelegde „attest” van Layton, noch de bevestiging van verzoeksters bekwaamheden door Mulfinger te laten gelden als bewijs of getuigschrift in de zin van de toelatingsvoorwaarden.
2.
Nu het betwiste besluit derhalve niet op formele gronden kan worden aangevochten, moet nog worden nagegaan of het niet met materieelrechtelijke gebreken is behept. In dit verband voert verzoekster in hoofdzaak aan dat uit de toelatingsvoorwaarden niet blijkt dat, gelijk verweerster achteraf beweerde, tot het vergelijkend onderzoek enkel sollicitanten konden worden toegelaten die het bewijs konden leveren van een theoretische opleiding op het gebied van documentatie en/of bibliotheek. De sub II.1.B.2 en II.l.C.l gestelde toelatingsvoorwaarden waren volgens verzoekster veeleer zo algemeen geformuleerd dat, zo aan de andere vereisten was voldaan, elke sollicitant had moeten worden toegelaten die het bewijs kon leveren van een gepaste bekwaamheid op dit gebied. Volgens haar hadden in ieder geval de beoordelingen van haar superieuren, waaruit blijkt dat zij geschikt is voor de betrokken functie, als een zodanig bewijs moeten gelden.
Daartegenover stelt verweerster dat de jury bij de vaststelling van de examenvoorwaarden over ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. Nadat in de praktijk zou zijn gebleken dat enkel kandidaten met ook een theoretische kennis op de betrokken gebieden de vereiste bekwaamheden bezitten, werd besloten voor toelating tot het vergelijkend onderzoek een theoretische opleiding — van welke aard ook — te vereisen. De opmerkzame lezer kon zulks zonder meer niet alleen opmaken uit de bewoordingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, doch ook en vooral uit de systematische schikking van de afzonderlijke toelatingsvoorwaarden.
Wat deze argumentatie betreft ben ik het in beginsel met de Commissie eens dat, gelijk het Hof heeft verklaard in het arrest van 16 oktober 1975 (zaak 90/74, Deboeck, Jurispr. 1975, blz. 1123), het tot aanstelling bevoegde gezag beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid om voor nieuw ingevoerde ambten de vereiste bekwaamheidscriteria te bepalen en derhalve aan de hand daarvan en in het belang van de dienst de voorwaarden van het onderzoek vast te stellen. In zoverre deze bevoegdheid niet is overschreden, staat het bijgevolg niet aan het Hof in de plaats van het tot aanstelling bevoegde gezag te treden.
Voorts moet ervan worden uitgegaan dat, gelijk het Hof heeft verklaard in het arrest van 2 oktober 1979 (zaak 178/78, Szemerey, Jurispr. 1979, blz. 2855), in beginsel niets belet dat voor bepaalde ambten of categorieën van ambten in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek strengere voorwaarden worden gesteld dan de in artikel 5 Ambtenarenstatuut voor de betrokken categorie bepaalde minimumvoorwaarden, om het even of het gaat om de vervulling van een vacature dan wel om de vorming van een reserve met het oog op de bezetting van posten die tot een bepaalde categorie behoren. Bijgevolg verzet in beginsel niets zich ertegen, dat voor een functie met een uitvoerend en leidinggevend karakter van categorie Β het bewijs van een theoretische opleiding wordt vereist.
Een zodanige voorwaarde moet echter door de sollicitanten duidelijk kunnen worden onderkend. Zulks volgt alleen al uit de overweging dat, gelijk het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, de eerste fase van de werkzaamheden van de jury een toetsing van de door de kandidaten overgelegde schriftelijke bewijsstukken aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek verlangde bekwaamheden. Deze toetsing moet geschieden aan de hand van objectieve gegevens, die aan elke sollicitant bekend zijn (vlg. de arresten van 14 juni 1972, zaak 44/71, Marcato, Jurispr. 1972, blz. 427; 15 maart 1973, zaak 37/72, Marcato, Jurispr. 1973, blz. 361; 4 december 1975, zaak 31/75, Costacurta, Jurispr. 1975, blz. 1563; en 28 februari 1980, zaak 89/79, Bonu, Jurispr. 1980, blz. 553).
Het Hof heeft in het arrest van 28 juni 1979 (zaak 255/78, Anselme, Jurispr. 1979, blz. 2323) dan ook strenge vereisten gesteld aan de in een aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden. Luidens dit arrest is namelijk de essentiële rol die de aankondiging van vergelijkend onderzoek volgens het Statuut moet spelen, „de belanghebbenden zo juist mogelijk te informeren over de aard van de vereiste kwalificaties voor de vervulling van het desbetreffende ambt, ten einde hen in staat te stellen te beoordelen of er voor hen aanleiding is te solliciteren”. Aan dit vereiste is voldaan wanneer de sollicitant deze voorwaarden bij zorgvuldige lezing van de aankondiging kon begrijpen.
Bijgevolg komt het in wezen aan op de uitlegging van de sub II.1.B.2 respectievilijk II.l.C.l gestelde voorwaarde — een bewijs of getuigschrift op het gebied van documentatie en/of bibliotheek. Derhalve moet worden nagegaan of een sollicitant bij aandachtige lezing van de betrokken aankondiging van vergelijkend onderzoek kon begrijpen dat daarmee het bewijs werd verlangd van een theoretische opleiding op de genoemde gebieden.
In dit verband kan ik mij niet aansluiten bij verweerster, die van oordeel is dat zulks alleen al uit de bewoordingen kon worden opgemaakt. De tekstuele afwijking van het gestelde sub II.1.A.2, waar sprake is van een diploma, betekent volgens de Commissie enkel dat voor de categorieën B en C geen volledige opleiding, doch slechts een attest van deelneming aan theoretisch onderricht wordt vereist. Maar zo deze uitlegging überhaupt al te verdedigen is, is zij hooguit houdbaar voor de term „bewijs” — waarvoor in de Franse versie „certificat” en in de Engelse „certificate” staat —, doch zeker niet voor de tweede mogelijkheid, die als een relativering van eerstgenoemde term moet worden begrepen. In de Franse versie is hier sprake van „attestation” en in de Engelse van „other acceptable statement of qualification” [in de Duitse versie wordt gesproken van een „Zeugnis oder sonstiger Befähigungsnachweis”]. Wanneer wij uitgaan van de Duitse en de Engelse versie van laatstgenoemde voorwaarde — waaruit, zo lijkt mij, nog het nauwkeurigst blijkt wat wordt bedoeld —, dan kan daaruit enkel worden afgeleid dat een bijzondere bekwaambeid op het gebied van documentatie of bibliotheek wordt verlangd. Naar de letter wordt aan deze voorwaarde echter voldaan door de door verzoekster overgelegde beoordelingsrapporten van haar superieuren.
Zelfs in de veronderstelling dat ook het bewijs moet worden geleverd van bijzondere theoretische kennis, is daarmee nog geenszins gezegd dat deze moet zijn verworven door het volgen van cursussen aan bijzondere onderwijsinstellingen, en niet evengoed het resultaat kan zijn van zelfstudie.
Anders dan verweerster betoogt, leidt een systematische uitlegging van de aankondiging van vergelijkend onderzoek tot dezelfde conclusie. Met name volgt uit de omstandigheid dat sub A, benevens de vereisten inzake algemeen onderwijs, een volledige bijzondere theoretische opleiding wordt verlangd, niet noodzakelijkerwijze dat zulks ook geldt voor de categorieën Β en C. De sub A gestelde voorwaarden onderscheiden zich immers in beginsel van de beide andere groepen, doordat naast volledig middelbaar onderwijs geen bijzondere beroepservaring wordt gevraagd. Het is dan ook begrijpelijk dat in dat geval een aanvullende bijzondere theoretische opleiding wordt vereist. De situatie zou anders zijn indien, gelijk sub Β en C, bovendien een passende beroepservaring werd verlangd. Hier zou het, vooral gezien de tekstuele verschillen, denkbaar zijn dat ook een passende verklaring van de huidige superieuren kan gelden als getuigschrift op het gebied van documentatie en/of bibliotheek.
Een zodanig attest, waarin informatie wordt verstrekt over de bijzondere bekwaamheden van de sollicitant, mag ook niet worden verward met het sub II.1.B.3 en II.1.C.2 vereiste bewijs van een specifieke beroepservaring. Voor dit laatste is immers voldoende dat de sollicitant aantoont dat hij gedurende de vereiste tijd werkzaam is geweest op het betrokken gebied; het zegt echter niets over zijn bekwaamheid.
Alleen al op grond van deze overwegingen kan de sub II.1.B.2 en II.1.C.1 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek vervatte voorwaarde, waarin van een bijzondere theoretische opleiding geen sprake is, niet worden uitgelegd op de door verweerster voorgestane wijze. Dit vindt ook bevestiging in de omstandigheid dat 39 afgewezen sollicitanten deze voorwaarde blijkbaar evenmin in die zin hebben begrepen. Werden de genoemde vereisten anders uitgelegd, dan zou daarin veel kunnen worden gelezen wat er niet uitdrukkelijk in staat, waardoor de jury over een nagenoeg onbeperkte beoordelingsvrijheid zou beschikken.
Vooral gelet op de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak, zou verzoeksters uitsluiting van het intern vergelijkend onderzoek aan de hand van een examen ten slotte evenmin in overeenstemming zijn te brengen met het doel van de aankondiging ervan, te weten de vorming van een aanwervingsreserve van gekwalificeerd personeel. Met wat Mulfinger als zijn mening te kennen heeft gegeven in zijn brief van 29 september 1980 ben ik het in zoverre eens, dat het absurd zou zijn verzoekster, die blijkens de overgelegde verklaringen gedurende verschillende jaren op de genoemde gebieden tot volle tevredenheid van haar superieuren de werkzaamheden van een ambtenaar van categorie Β heeft verricht, niet tot een vergelijkend onderzoek voor deze categorie toe te laten, terwijl, voor zover de overige voorwaarden zijn vervuld, de enkele overlegging van een willekeurig attest van deelneming aan theoretische cursussen daartoe wel het recht zou verlenen.
In dit verband moet er met name rekening mee worden gehouden dat het vergelijkend onderzoek aan de hand van een examen er luidens de aankondiging juist toe strekt de kennis van de kandidaat op het gebied documentatie/bibliotheek te beoordelen. Bijgevolg had verzoeksters theoretische kennis altijd nog in de loop van deze procedure kunnen worden getoetst.
Aangezien de voorwaarde sub II.1.B.2 van het intern vergelijkend onderzoek COM/B/4/80 dus redelijkerwijze geenszins in die zin kan worden uitgelegd, dat daardoor het bewijs van een theoretische opleiding op het gebied documentatie en/of bibliotheek werd vereist, heeft de jury, door verzoekster niet tot dit vergelijkend onderzoek toe te laten op grond dat zij niet aan deze voorwaarde voldeed, haar besluit doen steunen op andere criteria dan die welke in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek waren vastgesteld, en daarmee inbreuk gemaakt op artikel 5, eerste alinea, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk alle sollicitanten die aan de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek omschreven voorwaarden voldoen op de lijst van kandidaten moeten worden geplaatst.
Derhalve behoeft niet meer te worden ingegaan op de overige middelen.
3.
Benevens nietigverklaring van het afwijzend besluit van de jury, is het ter bescherming van verzoeksters belangen voldoende overeenkomstig haar conclusies te verklaren dat het vergelijkend onderzoek te haren behoeve moet worden heropend.
4.
Derhalve concludeer ik dat het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/B/4/80 om verzoekster niet tot het examen toe te laten nietig worde verklaard en dat verweerster ertoe worde verplicht, het vergelijkend onderzoek ten behoeve van verzoekster te heropenen. Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy