CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 9 FEBRUARI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De onderhavige zaak, waarin wederom een uitspraak wordt gevraagd over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, vindt haar oorsprong in een door de Belgische overheid aangespannen strafgeding tegen de Belgische hotel- en restauranthouder Joseph Blesgen. Deze werd op 21 december 1977 door de Correctionele rechtbank te Verviers veroordeeld wegens overtreding van de artikelen 1, 2 en 14 van de Belgische wet van 29 augustus 1919„op het regiem van den alcohol” — de zogenaamde wet-Vandervelde — omdat hij in zijn tapperij bij herhaling dranken voorhanden had en verkocht waarvan het alcoholpercentage hoger was dan 22 graden bij een temperatuur van 15o C.
Dit vonnis werd door de correctionele kamer van het Hof van beroep te Luik bevestigd, waarna de beklaagde zich tot het Belgische Hof van Cassatie wendde. In zijn verzoekschrift stelde hij dat de artikelen 1 en 2 van bedoelde wet, hoewel zij zonder onderscheid van toepassing zijn op binnenlandse en ingevoerde produkten en niet tot doel hebben de nationale produktie te beschermen, maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen van sterke drank in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag vormen, omdat zij een beperking van het verbruik van deze dranken tot gevolg hebben. Deze maatregelen zouden ook niet gerechtvaardigd zijn om een der in artikel 36 EEG-Verdrag genoemde redenen, met name niet uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, omdat niet kan worden gesteld dat zij daartoe in de ganse Gemeenschap daadwerkelijk nodig zijn.
Het Belgische Hof van Cassatie, dat zich diende uit te spreken over de vraag of de artikelen 1 en 2 van de Belgische wet verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, heeft bij arrest van 18 maart 1981 de procedure geschorst en het Hof van Justitie gevraagd om krachtens artikel 177 EEG-Verdrag bij wijze van prejudiciële, beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen :
„1.
Moet het begrip ‚maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen’ bedoeld in artikel 30 EEG-Verdrag, aldus worden uitgelegd, dat onder het in bedoeld artikel voorziene verbod ook vallen:
a)
wettelijke maatregelen waarbij verbruik, verkoop en aanbieding, zelfs ten kosteloze titel, van sterke dranken (dit wil zeggen dranken waarvan het alcoholgehalte gemeten bij een temperatuur van 15o C meer dan 22o bedraagt) wordt verboden in alle voor het publiek toegankelijke plaatsen, namelijk in drankslijterijen, hotels, spijshuizen, vermaakplaatsen, magazijnen, kramen, schepen, treinen, trams, statiën, werkhuizen of werkplaatsen, alsmede op de openbare weg, ook wanneer dit verbod zonder onderscheid van toepassing is op nationale en op ingevoerde produkten en niet strekt tot bescherming van de nationale produktie?
b)
wettelijke maatregelen waarbij het slijters van ter plaatse te verbruiken dranken wordt verboden enige hoeveelheid sterke drank (in de eerder aangegeven zin) voorhanden te hebben in de lokalen waarin de verbruikers worden toegelaten, noch in de overige gedeelten der inrichting of zelfs in de belendende woning, ook wanneer dit verbod zonder onderscheid van toepassing is op nationale en op ingevoerde produkten en niet strekt tot bescherming van de nationale produktie?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
2.
Moet het begrip ‚maatregelen gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen’ bedoeld in artikel 36 EEG-Verdrag, aldus worden uitgelegd, dat maatregelen als beschreven in de eerste vraag, sub a eņ b, kunnen of moeten worden geacht te zijn gerechtvaardigd op de eerder in het dictum van het onderhavige arrest genoemde gronden?”
Mijn standpunt in deze is als volgt:
1 — De eerste vraag
1.
Onder a) vraagt de verwijzende rechter, volgens welke uitleggingscriteria moet worden uitgemaakt of een verbodsbepaling als vervat in artikel 1 van de wet-Vandervelde — artikel 3 van deze wet bepaalt alleen dat als sterke dranken worden beschouwd alle dranken waarvan het alcoholgehalte hoger is dan 22 graden bij een temperatuur van 15o C — onder de kwantitatieve invoerbeperkingen of de maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag valt. Het antwoord op vraag b) moet het Hof van Cassatie in staat stellen te beslissen of de regeling in artikel 2 van de Belgische wet al dan niet verenigbaar is met artikel 30 EEG-Verdrag.
Geen van beide bepalingen van de Belgische wet „op het regiem van den alcohol” (hierna kortweg „de wet” genoemd), houdt als zodanig voor het Koninkrijk België een algemeen verbod in op de verkoop en het voorhanden hebben van dranken waarvan het alcoholgehalte hoger is dan 22o; zij verbieden slechts het tappen en het voorhanden hebben van deze produkten op de aldaar omschreven plaatsen. Het gaat hier dus niet om een regeling betreffende het in de handel brengen van deze sterke dranken maar alleen om een beperking van het verbruik onder de genoemde voorwaarden. Het voorraadverbod in artikel 2 van de wet heeft klaarblijkelijk slechts tot doel, de bevoegde overheid in staat te stellen doeltreffend toezicht te houden op het tapverbod. Daarom kunnen beide bepalingen hier samen worden behandeld. Met andere woorden, als het tapverbod een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag blijkt te zijn, dan geldt dit evenzeer voor het voorraadverbod in artikel 2 van de Belgische wet, en omgekeerd.
2.
Met betrekking tot de vraag of de betwiste regeling moet worden beschouwd als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, kan allereerst worden verwezen naar een vaste jurisprudentie van liet Hof van Justitie (van de meest recente arresten noem ik hier het arrest van 7 april 1981, zaak 132/80, United Foods t. België, Jurispr. 1981, blz. 995; arrest van 17 juni 1981, zaak 113/80, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1981, blz. 1625; arrest van 17 december 1981, zaak 272/80, strafgeding tegen de Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Produkten BV, nog niet gepubliceerd). Daarin wordt overwogen dat bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling voor de produktie en de verhandeling van een bepaald produkt, het aan de Lid-Staten staat om, ieder op zijn eigen grondgebied, voor al hetgeen de produktie, de verhandeling en de consumptie daarvan raakt, een regeling te treffen. Hierover moet worden opgemerkt dat, zoals de verwijzende rechter en de bij het geding betrokken partijen stellen, de beperkingen in voormelde wet van 1919 zowel de bescherming van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de bevolking, als de bestrijding van het alcoholisme in het algemeen beogen, met name gezien de criminogene werking daarvan, die thans wegens het wegverkeer nog sterker is, en gelet op de zware sociale, zedelijke en materiële belasting ervan voor gezin en familie. Daar de Gemeenschap terzake geen passende maatregelen kon nemen en dit ook niet heeft gedaan, moet dan ook als algemene regel worden aanvaard dat de verschillende Lid-Staten bevoegd zijn gebleven om een regeling te treffen voor het tappen en in voorraad hebben van sterke drank, en dat die regelingen daarom van Staat tot Staat kunnen verschillen.
Zoals het Hof van Justitie in talrijke arresten heeft beklemtoond, mogen deze bepalingen echter niet het intracommunautaire handelsverkeer belemmeren, zodat ze als maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag zijn te beschouwen. Beslissend is dus of de bedoelde regeling als een belemmering van het handelsverkeer in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd.
Zowel beklaagde in het hoofdgeding als de Britse regering, de Franse regering en de Commissie beantwoorden deze vraag bevestigend en verwijzen daartoe naar 's Hofs formulering in de zaak Dassonville (arrest van 11 juli 1974 in zaak 8/74, Procureur des Konings t. Benoît en Gustave Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837), luidend als volgt: „... dat iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen is te beschouwen.” Deze meermalen gebezigde ruime formulering werd later zelfs uitgebreid tot „elke nationale regeling” van die aard, zoals bijvoorbeeld in het arrest van het Hof in de zaak Vriend (arrest van 26 februari 1980, zaak 94/79, Strafgeding tegen Pieter Vriend, Jurispr. 1980, blz. 327). Genoemde partijen stellen in hun schriftelijke opmerkingen dat het niet uitgesloten is dat de bedoelde regeling de afzet belemmert van uit andere Lid-Staten in België ingevoerd gedistilleerd.
Alleen over de rechtvaardiging van de volgens deze opvatting aanwezige maatregel van gelijke werking, lopen de meningen uiteen. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof in de zaken Cassis de Dijon, Gilli en Kelderman (arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rewe-Zentral AG, Jurispr. 1979, blz. 649, r.o. 8 op blz. 662; arrest van 26 juni 1980, zaak 788/79, strafgeding tegen Herbert Gilli en Paul Andres, Jurispr. 1980, blz. 2071; arrest van 19 februari 1981, zaak 130/80, strafgeding tegen Fabriek voor Hoogwaardige Voedingsprodukten Kelderman BV, Jurispr. 1981, blz. 527), is men het erover eens dat zulke maatregelen gerechtvaardigd kunnen zijn „voor zover dringende behoeften, onder meer verband houdend met de doeltreffendheid der fiscale controles, de bescherming van de volksgezondheid, de eerlijkheid der handelstransacties en de bescherming van consumenten, ze noodzakelijk maken.” Volgens de Franse en uiteindelijk ook de Belgische regering dient de bedoelde regeling in de eerste plaats ter bestrijding van het alcoholisme en is zij dus dringend noodzakelijk om redenen van volksgezondheid.
Daarentegen wijzen beklaagde in het hoofdgeding en ook de Britse regering deze rechtvaardigingsgrond principieel af. Afgezien van de vraag of deze regeling thans nog hetzelfde doel beoogt als bij haar uitvaardiging, zou men er in elk geval van moeten uitgaan dat zij niet het minst ingrijpende middel is om dit doel te bereiken, zoals uit de vergunningssystemen in de andere Lid-Staten blijkt. Deze maatregel zou dus in werkelijkheid moeten worden beschouwd als een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten. Tenslotte verwijst de Commissie nog naar de rechtspraak van het Hof van Justitie waarin wordt gesteld dat de Lid-Staten moeten aantonen dat de bedoelde maatregelen de bescherming van de volksgezondheid beogen en merkt zij op dat het Koninkrijk België dit bewijs niet heeft geleverd.
Volgens alle partijen moet deze regeling, wil men de rechtvaardiging ervoor in artikel 36 EEG-Verdrag gaan zoeken, uiteindelijk steunen op een van de aldaar genoemde gronden.
3.
In alle voorgestelde oplossingen wordt, onder verwijzing naar de „Dassonville-formule”, de Belgische wet min of meer behandeld als een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, en wordt het onderzoek naar de rechtvaardigingsgronden centraal gesteld. Daarentegen betwijfel ik ten zeerste of bedoelde verbruiksregeling die zonder onderscheid van toepassing is op binnenlandse en ingevoerde sterke drank eigenlijk wel onder artikel 30 EEG-Verdrag valt. Volgens de bewoordingen van deze bepaling zijn namelijk slechts „kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking ..., onverminderd de volgende bepalingen, tussen Lid-Staten verboden.” Daaruit volgt reeds dat deze bepaling slechts van toepassing is wanneer nationale maatregelen het grensoverschrijdend handelsverkeer ongunstig beïnvloeden, hetzij door de invoer van produkten uit andere Lid-Staten te belemmeren of onmogelijk te maken, hetzij door het in de handel brengen van ingevoerde produkten te bemoeilijken. Als specifieke uitdrukking van een algemeen discriminatieverbod moet artikel 30 dus, evenals de andere fundamentele vrijheden van het Verdrag, ervoor zorgen dat ingevoerde produkten bij het in de handel brengen „de jure” noch „de facto” slechter worden behandeld dan soortgelijke binnenlandse produkten. Dit leidt tot de conclusie dat artikel 30 alleen van toepassing kan zijn op nationale maatregelen die specifiek geëigend zijn de handelsstromen tussen de Staten ongunstig te beïnvloeden, of die, in de woorden van artikel 36, een middel tot willekeurige discriminatie of tot verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.
Uit de talrijke arresten die het Hof terzake heeft gewezen, blijkt dat het hierbij uiteindelijk van geen belang is of de maatregelen waaruit de discriminatie voortvloeit al dan niet zonder onderscheid van toepassing zijn op binnenlandse en op ingevoerde produkten. Tussen maatregelen die wel en maatregelen die geen onderscheid maken, bestaat slechts verschil in zoverre eerstgenoemde, als zij ertoe leiden dat ingevoerde produkten bij de verhandeling worden achtergesteld, wegens de verschillende behandeling steeds een rechtvaardiging nodig hebben, terwijl dit niet zo is voor de zonder onderscheid toepasselijke maatregelen die de ingevoerde produkten ook de facto niet achterstellen bij de binnenlandse produkten.
Tot op heden ging het Hof van Justitie pas dan onderzoeken of een maatregel gerechtvaardigd was uit hoofde van een der in artikel 36 opgesomde gronden, als op zijn minst vaststond dat die maatregel, ook al was hij formeel zonder onderscheid van toepassing, in feite toch tot een verschillende behandeling van ingevoerde en binnenlandse produkten leidde. Men moet toegeven dat het doel — bescherming tegen discriminaties in het vrije verkeer van goederen — daarbij niet altijd even sterk tot uitdrukking is gekomen. Aanvankelijk stond de verhindering van discriminaties op de voorgrond, zoals bijvoorbeeld in het Sekt-Weinbrand-arrest (arrest van 20 februari 1975, zaak 12/74, Commissie t. Bondsrepubliek Duitsland, Jurispr. 1975, blz. 181), terwijl in een reeks latere arresten, beginnend met de zaak Cassis de Dijon, en ook in de arresten Gilli en Kelderman, dit oogmerk niet meer zo duidelijk tot uiting komt. In deze zaken, waar het ging om een zonder onderscheid toepasselijke handelsregeling, heeft het Hof erkend dat doelstellingen van algemeen belang — vooral doeltreffende fiscale controles, de bescherming van de volksgezondheid, de eerlijkheid der handelstransacties en de bescherming van consumenten — bij de belangenafweging voorrang kunnen hebben op de eisen van het vrije verkeer van goederen. Overigens ging het Hof er ook in deze zaken van uit dat bedoelde nationale maatregelen de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel konden belemmeren, omdat zij — dit moet impliciet worden aangevuld — de afzet van buitenlandse goederen verhinderden.
In de zaak Gilli was het duidelijk dat de verhandeling van om het even welke soort appelazijn in Italië onmogelijk werd gemaakt door het verbod om produkten met niet door azijnzure gisting van wijn verkregen azijnzuur in de handel te brengen. In de zaak-Kelderman stelde het Hof van Justitie vast dat „wanneer ook voor ingevoerde produkten de eis van een bepaald gehalte aan droge stof wordt gesteld, ... de verhandeling in de betrokken Lid-Staten van brood uit andere Lid-Staten [kan] worden verhinderd.” Het discriminerend karakter van bepalingen over het minimum alcoholpercentage van alcoholische dranken werd door het Hof van Justitie vooral beklemtoond in de zaak Cassis de Dijon waarin het Hof stelt dat „in de praktijk ... door zulke voorschriften voornamelijk aan gedistilleerd met een hoog alcoholpercentage een voordeel [wordt] verzekerd [doordat] produkten uit andere Lid-Staten die niet aan de gestelde eisen voldoen, ... van de nationale markt verre [worden] gehouden.”
Een andere reeks arresten betrof nationale prijsregelingen. Het ging hier niet om buitenlandse produkten die als zodanig bepaalde voorgeschreven kenmerken misten, en daardoor van de nationale markt werden geweerd, maar om produkten waarvoor een nationale prijsregeling bestond. Zowel in de zaak INNO als in de zaken Van Tiggele en Danis (arrest van 16 november 1977, zaak 13/77, GBINNOBM, Jurispr. 1977, blz. 2115; arrest van 24 januari 1978, zaak 82/77, Openbaar Ministerie van het Koninkrijk der Nederlanden t. J.P. van Tiggele, Jurispr. 1978, blz. 25; arrest van 6 november 1979, gevoegde zaken 16-20/79, Openbaar Ministerie t. J. Danis e. a., Jurispr. 1979, blz. 3327) heeft het Hof van Justitie ter beantwoording van de vraag of een dergelijke prijsregeling moet worden beschouwd als een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, de omschrijving daarvan uit het arrest-Dassonville overgenomen. Maar vervolgens heeft het Hof in die drie arresten duidelijk gesteld dat een zonder onderscheid voor binnenlandse en ingevoerde produkten geldende nationale prijsregeling „op zichzelf geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking [vormt].” Volgens de drie arresten kan zo een prijsregeling echter een dergelijke werking wel krijgen als zij zo werd vastgesteld dat zij de afzet van ingevoerde produkten hetzij onmogelijk, hetzij moeilijker maakt dan die van soortgelijke binnenlandse produkten. Uit deze arresten blijkt mijns inziens zeer duidelijk dat het Hof van Justitie een zonder onderscheid toepasselijke nationale regeling pas dan als een maatregel van gelijke werking beschouwt, wanneer ingevoerde produkten bij de verhandeling slechter worden behandeld dan soortgelijke binnenlandse produkten.
Het Hof van Justitie kreeg tenslotte in de zaak-Groenveld (arrest van 8 november 1979, zaak 15/79, P. B. Groenveld, Jurispr. 1979, blz. 3409) de gelegenheid om het begrip maatregelen van gelijke werking nog nader te omschrijven. In deze zaak lag een nationale maatregel ter beoordeling, waarin slechts aan een bepaalde groep producenten, namelijk vleeswarenfabrikanten, werd verboden paardevlees voorhanden te hebben, te bewerken en te verwerken, zonder dat onderscheid werd gemaakt tussen voor de uitvoer en voor de binnenlandse markt bestemde produkten. Het Hof van Justitie overwoog dat het in artikel 34 EEG-Verdrag „gaat ... om nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een Lid-Staat leiden, waardoor aan de nationale produktie of de binnenlandse markt van de betrokken Lid-Staat ten koste van de produktie of de handel van andere Lid-Staten een bijzonder voordeel wordt verzekerd.” Met dit bijkomend criterium van „specifieke beperkingen van het goederenverkeer” heeft het Hof van Justitie duidelijk uitgedrukt dat de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag niet van toepassing zijn op zonder onderscheid toepasselijke nationale maatregelen die op zichzelf niets met de uitvoer te maken hebben en hoogstens nevengevolgen voor de intracommunautaire handel kunnen hebben.
In dezelfde lijn wordt in het reeds geciteerde arrest-United Foods gesteld dat artikel 30 ondermeer strekt tot afschaffing van die belemmeringen welke „specifiek betrekking hebben op ingevoerde produkten”.
Onder uitdrukkelijke verwijzing naar de formule uit het arrest-Groenveld, heeft het Hof van Justitie in de zaak Oebel (arrest van 14 juli 1981, zaak 155/80, Serigius Oebel, Jurispr. 1981, blz. 1993) uitgemaakt dat de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag niet in de weg staan aan een nationaal verbod van nachtarbeid in brood- en banketbakkerijen, daar dit valt binnen het sociaaleconomisch beleid en volgens objectieve criteria wordt toegepast op alle tot een bepaalde sector behorende en op het nationale grondgebied gevestigde ondernemingen, terwijl er in geen enkel opzicht naar de nationaliteit der ondernemers wordt gedifferentieerd en er tussen de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van de betrokken Lid-Staat niet wordt onderscheiden.
Mijns inziens komt het door het Hof onlangs ingevoerde criterium „specifieke beperkingen van het goederenverkeer” met name overeen met de opvatting van de Commissie in haar richtlijn nr. 70/50/EEG van 22 december 1969 (PB L 13 van 1970, blz. 29) over maatregelen van gelijke werking. Krachtens artikel 3, eerste alinea, van deze richtlijn namelijk moeten maatregelen betreffende het in de handel brengen van produkten die zonder onderscheid op binnenlandse en ingevoerde produkten van toepassing zijn onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag vallen wanneer hun „invloed op het vrije goederenverkeer meer beperkend is dan hetgeen in het kader van een handelsregeling is beoogd.” Volgens de tweede alinea van artikel 3 van deze richtlijn zal dit vooral het geval zijn „wanneer de beperkende invloed op het vrije goederenverkeer in geen verhouding staat tot het nagestreefde doel” of „wanneer hetzelfde doel door een ander middel kan worden bereikt dat het handelsverkeer minder belemmert.” Ook hieruit blijkt duidelijk dat artikel 30 EEG-Verdrag slechts van toepassing kan zijn op nationale maatregelen die de handelsstromen tussen Lid-Staten kunnen belemmeren doordat ingevoerde produkten bij het in de handel brengen slechter worden behandeld dan binnenlandse produkten.
Tegen deze achtergrond moet hier in de eerste plaats worden vastgesteld dat de betwiste Belgische regeling ongetwijfeld binnen het kader van de sociale politiek en de volksgezondheid valt. Zij heeft ten doel het tappen van dranken met een hoog alcoholgehalte in de aldaar vermelde plaatsen te verhinderen en zij heeft als zodanig geen ongustige invloed op het in de handel brengen van deze alcoholica op het Belgisch grondgebied. De verbruiksregeling beïnvloedt dus ook het internationaal handelsverkeer zelf niet ongunstig. Zij verbiedt slechts het tappen en in voorraad hebben in de in de Belgische wet genoemde plaatsen van dranken met een hoog alcoholgehalte, hetwelk wordt bepaald aan de hand van objectieve criteria die zowel voor binnenlandse als voor ingevoerde produkten gelden.
4.
Blijft dus nog slechts te onderzoeken of de verbruiksregeling — hoewel zonder onderscheid van toepassing — een specifieke beperking van de invoerstromen tot doel of tot gevolg heeft, doordat ingevoerde produkten in feite slechter worden behandeld dan binnenlandse produkten. Van een dergelijke protectionistische werking kan hoogstens sprake zijn indien, zoals beklaagde in het hoofdgeding en de Britse regering menen, het tapverbod zo werd vastgesteld, dat daardoor in de eerste plaats en voornamelijk buitenlandse produkten zouden worden getroffen.
Wij hebben echter vernomen dat de Belgische wet van 1919 ondermeer ook tot een achteruitgang van de Belgische produktie van gedistilleerd heeft geleid. De door de Commissie overgelegde statistiek over de invoer en het verbruik van gedistilleerd in de Lid-Staten van de Gemeenschap toont echter aan dat de binnenlandse produktie ondanks die teruggang een belangrijk aandeel heeft in de totale omzet in België van dranken met een hoog alcoholgehalte. Zo bedroeg het totale verbruik in 1978 bijvoorbeeld 234000 hl zuivere alcohol. De invoer beliep daarentegen slechts 146000 hl, waarvan 140000 hl afkomstig uit de Lid-Staten. In 1979 werden 222000 hl zuivere alcohol verbruikt. De invoer bedroeg 152000 hl, waarvan 146000 afkomstig uit de Lid-Staten. In 1980 tenslotte was het verbruik 234000 hl zuivere alcohol. De invoer liep op tot 174000 hl, waarvan 170000 hl afkomstig uit de landen van de Gemeenschap.
Deze getallen wijzen in de eerste plaats op het bestaan van een belangrijke binnenlandse produktie van gedistilleerd, die door de verbruiksregeling op gelijke wijze wordt behandeld als de ingevoerde produkten. Anderzijds toont de statistiek een niet te miskennen stijging van de invoer aan, terwijl het verbruik van dranken met een hoog alcoholgehalte nagenoeg constant blijft. Uit deze feiten blijkt dan ook duidelijk dat de bedoelde verbruiksregeling — in zoverre zij al enige invloed heeft op de invoerstromen — niet leidt tot een benadeling van buitenlandse produkten bij het in de handel brengen.
Het argument dat het tapvcrbod voor gedistilleerd met een alcoholgehalte van meer dan 22o de Belgische bierindustrie bevoordeelt gaat evenmin op. Slechts maatregelen die ingevoerde produkten benadelen ten opzichte van soortgelijke of concurrerende binnenlandse produkten en die zodoende aan deze laatste een concurrentievoordeel bezorgen kunnen blijkens de geest en het doel van artikel 30 als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen worden beschouwd. In navolging van mijn conclusie van 2 juli 1980 heeft het Hof van Justitie dit ook bevestigd in zijn arrest over de reclame voor alcoholhoudende dranken (arrest van 10 juli 1980, zaak 152/78, Commissie t. Franse Republiek, Jurispr. 1980, blz. 2299). Ten aanzien van de gelijksoortigheid en de concurrentieverhouding van de toen in het geding zijnde produkten, heeft het Hof uitdrukkelijk verwezen naar zijn arrest van 27 februari 1980 inzake de belastingregeling voor gedistilleerd (arrest van 27 februari 1980, zaak 168/78, Commissie t. Franse Republiek, Jurispr. 1980, blz. 347). Uit dit arrest valt echter af te leiden dat gedistilleerde dranken binnen de ruimere categorie van alcoholhoudende dranken een identificeerbare groep vormen met bepaalde gemeenschappelijke kenmerken, zoals de winning door distillane, het betrekkelijk hoog gehalte aan voor menselijke consumptie geschikte alcohol, enz. Hieruit volgt omgekeerd dat bier — dat door gewone gisting wordt verkregen en een relatief laag alcoholgehalte heeft — en gedistilleerd niet als gelijksoortige dranken kunnen worden beschouwd en ten aanzien van het verbruik niet in een concurrentieverhouding staan. Derhalve kan ook niet worden aangenomen dat het tapverbod voor gedistilleerd de afzet van ingevoerd gedistilleerd bemoeilijkt ten voordele van binnenlands bier.
De Belgische regering merkt terecht op dat alcoholhoudende dranken die door gewone gisting zijn verkregen, — dus ook wijn, een typisch niet-Belgisch produkt — mogen worden getapt, hetgeen pleit tegen het protectionistisch karakter van de regeling. Gaat men toch daarvan uit, dan zouden dus ook buitenlandse produkten van deze regeling kunnen profiteren.
België is het enige land in de Gemeenschap waar een dergelijk tapverbod bestaat. Alle andere landen treden tegen het alcoholverbruik op door middel van verschillende licentie- of vergunningssystemen voor horecabedrijven. Ten onrechte werd beweerd dat genoemde verbruiksregeling ook daarom moet worden beschouwd als een maatrege! van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Immers in het arrest-Van Dam (arrest van 3 juli 1979, gevoegde zaken 185-204/78, strafgeding tegen de firma J. van Dam & Zonen, Jurispr. 1979, blz. 2345) én ook in het arrest-Oebel, heeft het Hof van Justitie overwogen dat de toepassing van een nationale wettelijke regeling niet in strijd met het nondiscriminatiebeginsel kan worden geacht op de enkele grond dat de andere Lid-Staten minder strenge bepalingen toepassen.
Gelet op de vermelde rechtspraak kom ik mitsdien tot de conclusie dat de bedoelde, zonder onderscheid toepasselijke regeling op zichzelf de invoer van gedistilleerd met een hoog alcoholgehalte niet op specifieke wijze kan beperken. Met name worden ingevoerde produkten bij het in de handel brengen niet gediscrimineerd ten opzicht van gelijksoortige binnenlandse produkten. Derhalve kan die regeling niet worden gekwalificeerd als een verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag.
II — Of de maatregel gerechtvaardigd is uit hoofde van de in artikel 36 EEG-Verdrag genoemde of in 's Hofs rechtspraak ontwikkelde gronden, behoeft dus niet nader te worden onderzocht.
Mocht het Hof mijn standpunt niet delen, dan wil ik subsidiair opmerken dat een ingevolge de rechtspraak te verrichten belangenafweging tussen het doel van het vrije verkeer van goederen en de met de nationale regeling nagestreefde doeleinden inzake volksgezondheid en sociale politiek, ertoe leidt dat deze maatregel als gerechtvaardigd moet worden beschouwd. In haar antwoord van 27 januari 1978 op de schriftelijke vraag van de heer Cousté betreffende verkoop van sterke dranken in België (PB C 56 van 1978, blz. 8) heeft de Commissie zich, in tegenstelling tot haar huidige standpunt, in die zin uitgesproken.
III — Mitsdien concludeer ik dat het Hof de gestelde vragen beantwoorde als volgt:
Artikel 30 EEG-Verdrag staat niet in de weg aan een regeling, zoals vervat in artikel 1, lid 1, en de artikelen 2 en 3 van de Belgische wet van 29 augustus 1919„op het region van den alcohol”, laatstelijk gewijzigd op 2 april 1965.
( 1 ) VfriaalJ uil liet Duits.
Full & Egal Universal Law Academy