CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 13 JANUARI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Luxemburgse Administration des Ponts et Chaussées kondigde in maart 1979 een aanbesteding aan voor de aanleg van de autoweg naar Arlon. Aan deze openbare aanbestedingsprocedure in de zin van richtlijn nr. 71/305 van de Raad nam onder meer deel de in België gevestigde firma Transporoute et Travaux, die kennelijk de laagste offerte indiende. Bij beschikking van 7 juni 1979 van de minister van Openbare Werken werd de aanbesteding evenwel niet aan haar gegund, maar aan een door een Luxemburgse aannemer vertegenwoordigde groep van ondernemingen, op grond dat het de economisch voordeligste aanbieding was.
Tegen deze beschikking stelde de firma Transporoute in oktober 1979 beroep in bij de Luxemburgse Conseil d'État. Zij voerde in hoofdzaak aan dat de bestreden beschikking in strijd was met artikel 33, lid 3, van het groothertogelijk besluit van 6 november 1974 (houdende: 1. invoering van een algemeen bestek voor overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken en leveringen voor rekening van de staat; 2. vaststelling van de gunningen en de werkwijze van de commissie voor inschrijvingen) hetwelk bepaalt dat in beginsel de economisch voordeligste aanbieding moet worden aanvaard.
De administratie beriep zich voor haar verweer eveneens op artikel 33 van voornoemd groothertogelijk besluit, volgens hetwelk een aanbesteding slechts kan worden gegund aan de aannemer die voldoet aan de vereisten van artikel 1 van dat besluit. Het vierde lid daarvan bepaalt dat niet in het Groothertogdom gevestigde, buitenlandse ondernemingen „sous réserve de dispositions divergentes inscrites dans les conventions internationales et notamment dans les dispositions à venir en application du Traité de Rome” vóór de gunning van de opdracht moeten voldoen aan de voorwaarden die krachtens artikel 1, lid 1, ook voor nationale aannemers gelden. Lid 1 stelt evenwel als voorwaarde — die verzoekster niet vervult daar zij een desbetreffend verzoek nooit heeft ingediend — dat werken slechts kunnen worden gegund aan aannemers die in het bezit zijn van een geldige vestigingsvergunning van de Luxemburgse regering.
Daartegen beriep verzoekster zich op artikel 24 van voornoemde richtlijn nr. 71/305 van de Raad „betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken”. Dit artikel luidt:
"Iedere aannemer die aan een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken wenst deel te nemen, kan worden verzocht aan te tonen, dat hij is ingeschreven in het beroepsregister volgens de eisen van de wetgeving van het land van de Gemeenschap waar hij gevestigd is: voor België het „Handelsregister — Registre du commerce”.
Zij is van mening dat de Luxemburgse overheid de door de Belgische administratie afgegeven inschrijvingsbewijzen die zij heeft overgelegd, als gelijkwaardig in de zin van artikel 1, lid 4, van het reeds aangehaalde groothertogelijk besluit had moeten beschouwen en dat zij haar dienvolgens geen andere voorwaarden had mogen stellen.
Anderzijds merkte verweerder op dat de betrokken aanbieding in feite niet kon worden beschouwd als de economisch voordeligste. Veeleer werd zij terecht niet in aanmerking genomen, omdat verscheidene prijzen abnormaal laag en zo weinig aangepast waren aan de omvang van de werken dat zij als ontoereikend in de zin van artikel 32 van het groothertogelijk besluit van 6 november 1974 dienden te worden beschouwd, omdat een onberispelijke uitvoering van de werken zo niet kon worden verwacht. Verzoekster betwist dit en voert aan dat de Luxemburgse overheid te dezen artikel 29, lid 5, van richtlijn nr. 71/305 van de Raad heeft geschonden, omdat zij verzoekster niet heeft verzocht — hetgeen bij abnormaal lage aanbiedingen noodzakelijk is — de voor het onderzoek naar de samenstelling van de aanbieding vereiste motiveringen te verstrekken, en haar niet heeft laten weten welke motiveringen onaanvaardbaar werden geacht.
De Luxemburgse Conseil d'État heeft bij arrest van 11 maart 1981 de procedure geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de navolgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
„1.
Is het de aanbestedende dienst ingevolgde de bepalingen van de richtlijnen nrs. 71/304/EEG en 71/305/EEG van 26 juli 1971 en in het bijzonder artikel 24 van de richtlijn nr. 71/305 verboden, de gunning van een overheidsopdracht aan een in een andere Lid-Staat gevestigde inschrijver afhankelijk te stellen van de voorwaarde, dat die inschrijver niet alleen regelmatig is ingeschreven in het beroepsregister van het land waarin hij is gevestigd, maar tevens in het bezit is van een vestigingsvergunning van de regering van de Lid-Staat waar de gunning plaatsvindt?
2.
Is de aanbestedende dienst ingevolge de bepalingen van artikel 29, lid 5, van richtlijn nr. 71/305/EEG gehouden, de inschrijver wiens offertes zijns inziens in verhouding tot het uit te voeren werk duidelijk abnormaal laag zijn, te verzoeken die prijzen te staven alvorens de samenstelling ervan te onderzoeken en te besluiten tot gunning van de opdracht, dan wel laten bedoelde bepalingen in dat geval de beoordeling van het nut van het verzoek om die gegevens over aan de aanbestedende dienst?”
Mijn standpunt in deze is als volgt:
1.
Vooraf moet erop worden gewezen dat de vestigingsvergunning naar Luxemburgs recht, die in het hoofdgeding centraal staat en op de voet van een in 1964 gewijzigde wet van 2 juni 1982 wordt afgegeven, in het geval van niet in Luxemburg gevestigde aannemers slechts afhangt van een onderzoek naar de „betrouwbaarheid” (artikel 6 jo. artikel 20 van voornoemde wet). Daarvoor is onder meer vereist een uittreksel uit het strafregister en een attest dat geen faillissementsprocedure is ingeleid. Het bewijs van vakbekwaamheid behoeft daarentegen door niet in Luxemburg gevestigde personen en ondernemingen kennelijk niet te worden geleverd.
2.
Over de eerste vraag die vooral betrekking heeft op richtlijn nr. 71/304 van de Raad van 26 juli 1971„betreffende de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten op het gebied van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken en van de gunning van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken door bemiddeling van agentschappen of filialen” (PB L 185 van 1971, blz. 1), alsmede op de reeds aangehaalde richtlijn nr. 71/305, en artikel 24 daarvan, wil ik het volgende opmerken.
a)
In de eerste plaats doet zich de vraag of uit richtlijn nr. 71/305, met name uit titel IV over de gemeenschappelijke regels inzake de deelneming en het eerste hoofdstuk daarvan (criteria voor de kwalitatieve selectie), kan worden geconcludeerd, dat de opsomming die zij geeft van te eisen en over te leggen documenten en bewijzen limitatief is, in die zin dat nationale autoriteiten geen andere bewijzen en documenten mogen vragen, ook niet wanneer zij in een niet discriminerende regeling zijn opgenomen.
Terecht werd in dit verband in het algemeen erop gewezen dat deze richtlijn is bedoeld om door middel van coördinatie van de nationale procedures te zorgen voor de opheffing van beperkingen en voor het vrij verrichten van diensten in het kader van de gunning van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken. Niet alleen met de geest, maar ook met de zeer gedetailleerde voorschriften van die richtlijn lijkt het derhalve onverenigbaar te zijn dat nationale autoriteiten de toelating tot een aanbestedingsprocedure afhankelijk stellen van bijkomende en wellicht afwijkende voorwaarden.
Zo legt artikel 23 van de richtlijn gedetailleerd de voorwaarden vast waaronder aannemers van deelneming kunnen worden uitgesloten. Dit artikel bepaalt ook zeer concreet wat in dit verband als voldoende bewijs moet gelden. Ingevolge artikel 24 kunnen aannemers die aan een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken wensen deel te nemen, worden verzocht aan te tonen dat zij zijn ingeschreven in het beroepsregister volgens de eisen van de wetgeving van het land van de Gemeenschap waar zij zijn gevestigd. Artikel 25 regelt hoe de financiële en economische draagkracht van de aan deelneming geïnteresseerde aannemers kan worden aangetoond. Artikel 26 bevat soortgelijke bepalingen voor het aantonen van de technische bekwaamheid. Tenslotte wordt in artikel 28 bepaald hoe de Lid-Staten waar officiële lijsten van erkende aannemers bestaan, deze lijsten aan de bepalingen van de richtlijn moeten aanpassen, welke gevolgen een door de bevoegde autoriteit bevestigde inschrijving op een dergelijke lijst heeft, en welke bewijzen kunnen worden verlangd voor de inschrijving van aannemers van andere Lid-Staten op dergelijke lijsten.
Voor de stelling dat de Lid-Staten voor deelneming aan aanbestedingsprocedures geen bijkomende voorwaarden kunnen opleggen, pleit reeds de tekst van de aanhef van artikel 20, welke luidt:
„De gunning vindt plaats op basis van de criteria die in hoofdstuk 2 van deze titel worden vermeld, nadat de geschiktheid van de aannemers die niet uit hoofde van artikel 23 zijn uitgesloten, door de aanbestedende dienste is nagegaan overeenkomstig de in de artikelen 25 tot en met 28 vermelde criteria betreffende de economische, financiële en technische capaciteit.”
Dat artikel 23 een limitatieve opsomming geeft van de uitsluitingsgronden blijkt, afgezien van de tekst van artikel 20, ook uit het feit dat anders de alinea's 2 tot en met 4 van artikel 23 zinloos zouden zijn. Hier wordt uiteengezet wat als voldoende bewijs moet gelden, en het is met name van belang dat het zonder uitzondering gaat om getuigschriften en documenten van de staat van vestiging van een deelnemer, en niet om papieren die men zich zou moeten verschaffen in de staat die tot aanbesteding overgaat. Tekenend schijnt voorts dat slechts in artikel 25 — inzake het bewijs van de financiële en economische draagkracht, die van geen belang is voor de vestigingsvergunning naar Luxemburgs recht — wordt bepaald dat de aanbestedende dienst dient aan te geven welke andere, niet onder a tot c genoemde, referenties worden verlangd, terwijl artikel 26, waarin de verschillende mogelijkheden voor het aantonen van de technische bekwaamheid zijn neergelegd, tenslotte enkel bepaalt dat de aanbestedende diensten in de aankondiging of in de uitnodiging tot inschrijving moeten aangeven welke referenties zij eisen. Even veelzeggend is dat de aanbestedende diensten krachtens artikel 27 met betrekking tot eventuele verzoeken getuigschriften aan te vullen of nader toe te lichten, uitdrukkelijk op de in de artikelen 23 tot en met 26 gestelde grenzen worden gewezen, en dat ook in artikel 28, lid 4, wordt voorgeschreven dat voor de inschrijving van aannemers van andere Lid-Staten op een officiële lijst geen andere bewijzen en verklaringen mogen worden verlangd dan die welke in de artikelen 23 tot en met 26 zijn vermeld.
De Luxemburgse regering voert daartegen aan dat richtlijn nr. 71/305 in de eerste plaats strekt tot harmonisatie van de materiële voorschriften, terwijl vraagstukken inzake de procedure — zoals blijkt uit de considerans en artikel 2 — door de Lid-Staten kunnen worden geregeld. De Luxemburgse vestigingsvergunning is te zien als een vormvereiste uit laatstgenoemde categorie. Anderzijds beroept zij zich op het reeds genoemde artikel 28 van richtlijn nr. 71/305 en gaat zij dieper in op het standpunt dat de vestigingsvergunning, die ook voor andere aanbestedingsprocedures geldt, niets anders is dan de inschrijving op een lijst in de zin van artikel 28, die in Luxemburg nu eenmaal de bijzonderheid heeft dat zij in de vorm van dosssiers wordt bijgehouden en elke maand wordt gepubliceerd.
In de eerste plaats mag evenwel niet over het hoofd worden gezien dat overeenkomstig artikel 2 van richtlijn nr. 71/305, waarbij de Luxemburgse regering steun heeft gezocht, de nationale procedures geenszins onaangetast blijven, maar dat dit artikel bepaalt dat de aanbestedende diensten voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken hun aan deze richtlijn aangepaste nationale procedures toepassen. Bovendien moet de vestigingsvergunning, hoe men ze ook kwalificeert, onmiskenbaar worden gerekend tot de documenten en bewijsstukken die in de artikelen 23 e.V. van de richtlijn een gedetailleerde regeling vinden, en dan ook niet meer als een aangelegenheid van de Lid-Staten kunnen worden beschouwd.
Anderzijds kan omtrent artikel 28 en de daar besproken officiële nationale lijsten worden betwijfeld, of dit artikel inderdaad zo kan worden begrepen dat de Lid-Staten de deelneming aan een aanbestedingsprocedure afhankelijk kunnen stellen van de inschrijving op een dergelijke lijst, dus of zij die inschrijving dwingend kunnen voorschrijven. Mijns inziens zijn er goede gronden — ik denk slechts aan de formulering in lid 2 „aannemers kunnen” — om genoemd voorschrift enkel te zien als een mogelijkheid die wordt geboden, dus als een bepaling die ten doel heeft voor geïnteresseerde aannemers de bewijslast in de zin van de richtlijn te verlichten. Zo een inschrijving kan echter zeker niet worden geëist wanneer een inschrijving op een overeenkomstige lijst reeds in het land van vestiging van de betrokken aannemers plaatsvond; anders zouden de leden 2 en 3 van artikel 28, die handelen over de rechtsgevolgen van bewijzen van inschrijvingen op officiële lijsten van andere Lid-Staten, geen zin hebben. Bovendien kan men ook moeilijk volhouden dat de vestigingsvergunning een soortgelijke voorziening is als waarvan in artikel 28 sprake is. Dat is niet alleen zo wegens louter uiterlijke kenmerken — een reeks naast elkaar bestaande vestigingsvergunningen kan nauwelijks als een „lijst” worden bestempeld — of omdat het vereiste van een vestigingsvergunning voor alle aannemers geldt, dus niet alleen voor hen die willen deelnemen aan een aanbestedingsprocedure, of gezien het feit dat Luxemburg kennelijk nooit de in artikel 28, lid 5, voorgeschreven mededeling aan de andere Lid-Staten heeft gedaan. Van belang is slechts, dat voor het verlenen van een vestigingsvergunning aan buitenlandse aannemers alleen de „betrouwbaarheid” wordt onderzocht. De vakbekwaamheid daarentegen wordt niet gecontroleerd, zodat hier evenals bij de financiële en economische draagkracht van een aannemer, de deelneming aan een aanbestedingsprocedure slechts mogelijk is met bijzondere referenties en de vestigingsvergunning alleen dus niet volstaat.
b)
Een tweede overweging in het kader van de eerste vraag heeft betrekking op artikel 59 EEG-Verdrag, dat volgens de rechtspraak (arrest van 3 december 1974, zaak 33/74, Van Binsbergen, Jurispr. 1974, blz. 1299) sinds het einde van de overgangsperiode rechtstreekse werking heeft en de opheffing vereist van beperkingen van het vrij verrichten van diensten. Zij heeft voorts betrekking op de reeds genoemde richtlijn nr. 71/304 waarvan de artikelen 1 en 3 eveneens de verplichting inhouden, dergelijke beperkingen op te heffen. De Commissie was te dezen van mening dat de naar Luxemburgs recht vereiste vestigingsvergunning voor in het buitenland gevestigde ondernemingen alleszins als zo een beperking kon worden beschouwd, zodat zij ook op grond van evengenoemde bepalingen ongeoorloofd is.
Daar valt inderdaad weinig tegen in te brengen. Daarbij is het niet van belang dat artikel 1 van voornoemd groothertogelijk besluit geen onderscheid maakt naar nationaliteit, dus geen discriminerende behandeling in de zin van artikel 3, sub a, van richtlijn nr. 71/304 inhoudt. Want artikel 3, dat de verplichtingen van de Lid-Staten verduidelijkt, strekt niet alleen tot opheffing van de beperkingen die volgen uit een ongelijke behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen, doch heeft, sub c, ook betrekking op beperkingen „welke voortvloeien uit bepalingen of praktijken, die hoewel van toepassing zonder onderscheid naar nationaliteit, niettemin uitsluitend of in hoofdzaak de beroepswerkzaamheid van de onderdanen van de andere Lid-Staten belemmeren...”. Het lijdt wel geen twijfel dat de onderhavige vestigingsvergunning vooral voor de niet in Luxemburg gevestigde aannemers een belemmering vormt. Zij moeten ook bij een eenmalige deelneming aan een aanbestedingsprocedure voor een dergelijk document zorgen en zich daarvoor aan een administratieve procedure ad hoc bij een buitenlandse instantie onderwerpen, terwijl in Luxemburg gevestigde aannemers hun volledige normale economische activiteit op een dergelijke vergunning uitoefenen en de beperking van de geldigheidsduur tot 2 jaar voor hen dus niet hetzelfde betekent als voor buitenlandse aannemers.
Overigens geloof ik ook niet dat de tegenwerping van de Luxemburgse regering, dat slechts lichte, niet bepaald hinderlijke formaliteiten moeten worden vervuld, kan worden aanvaard. Ook wanneer men namelijk niet van mening is dat de opheffing van beperkingen van het vrij verrichten van diensten ongeacht de ernst ervan moet plaatsvinden, kan men toch moeilijk stellen dat de met het verkrijgen van een vestigingsvergunning gepaard gaande lasten volkomen onbetekenend zijn en buitenlandse aannemers geenszins kunnen afhouden van deelneming aan een aanbestedingsprocedure.
c)
Tenslotte kan nog worden gewezen op het reeds aangehaalde artikel 28 van richtlijn nr. 71/305 betreffende de door de Lid-Staten opgestelde officiële lijsten van aannemers die mogen deelnemen aan de overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken. Luidens lid 2 van dat artikel kunnen de op een dergelijke lijst ingeschreven aannemers bij elke aanbesteding een door de bevoegde autoriteit verlangd bewijs van inschrijving bij de aanbestedende dienst overleggen. De eerste alinea van lid 3 bepaalt dat de door de bevoegde autoriteiten bevestigde inschrijving op een dergelijke lijst jegens de aanbestedende diensten van de andere Lid-Staten in de zin van de artikelen 23 a tot en met d en g, 24, 25 b en c, 26 b en d, een vermoeden vormt van geschiktheid voor de werken die met de classificatie van de aannemers op de lijst overeenkomen. Krachtens lid 3, tweede alinea mogen de gegevens welke uit de inschrijving op de officiële lijst kunnen worden afgeleid, niet in twijfel worden getrokken. Bovendien bepaalt de derde alinea van lid 3 dat de voorafgaande bepalingen door de aanbestedende diensten van de andere Lid-Staten alleen worden toegepast op aannemers die gevestigd zijn in het land waar de officiële lijst bestaat.
Ten processe werd aangevoerd dat zulke lijsten behalve in Italië ook in België bestaan. Daarbij geldt voor de inschrijving een wet van 14 juli 1976 die aan de bepalingen van de richtlijn werd aangepast en volgens welke juist de in de richtlijn gestelde criteria, met name de op de betrouwbaarheid betrekking hebbende criteria van artikel 23 moeten worden vervuld. Ook werd betoogd dat verzoekster in het hoofdgeding op zulk een lijst was ingeschreven en dat zij bij de aanbestedende Luxemburgse dienst een bewijs daarvan in de zin van artikel 28, lid 2, heeft overgelegd.
Wanneer dat inderdaad zo is — hetgeen de rechter in het hoofdgeding moet onderzoeken — dan is het in het Luxemburgse recht algemeen gestelde, dus niet op bijzondere gronden rustende vereiste van een vestigingsvergunning waarvan de afgifte slechts afhangt van een controle van de betrouwbaarheid van de aanvrager, daarmee stellig niet verenigbaar. Dit zou in strijd zijn met artikel 28, lid 3, dat stelt dat het bewijs van inschrijving op een officiële lijst het vermoeden vormt dat is voldaan aan de vereisten van artikel 23, sub a tot en met d, en g. Bovendien stemt dit niet overeen met artikel 28, lid 3, tweede alinea, luidens hetwelk de gegevens welke uit de inschrijving op de officiële lijst kunnen worden afgeleid, niet in twijfel mogen worden getrokken, en alleen met betrekking tot de betaling van de bijdragen aan de sociale verzekering aanvullende verklaringen kunnen worden verlangd.
Verzoeksters inschrijving op een officiële Belgische lijst en de overlegging van een bewijs daarvan in de zin van richtlijn nr. 71/305 volstaat dus voor de deelneming aan een aanbestedingsprocedure; het gaat derhalve niet aan, voor de onder het bewijsstuk vallende punten nog andere bewijzen, zoals de Luxemburgse vestigingsvergunning te verlangen.
3.
De tweede vraag van de Luxemburgse Conseil d'État heeft betrekking op artikel 29, lid 5, van richtlijn nr. 71/305 dat luidt als volgt:
„Ingeval voor een bepaalde opdracht inschrijvingen worden gedaan die in verhouding tot het uit te voeren werk duidelijk abnormaal laag zijn, onderzoekt de aanbestedende dienst de samenstelling daarvan, alvorens te besluiten tot gunning van de opdracht. Hij houdt rekening met het resultaat van dit onderzoek.
Met het oog daarop verzoekt hij de inschrijver de nodige motiveringen te verstrekken, en laat hij hem eventueel weten, welke er onaanvaardbaar worden geacht.
...”
Gevraagd wordt nu, of dit voor de aanbestedende dienst de verplichting inhoudt, een deelnemer die een duidelijk abnormaal lage inschrijving deed om een verklaring te verzoeken alvorens de samenstelling van de inschrijving te onderzoeken en tot gunning te besluiten, dan wel of hier de vrijheid bestaat om van de toepassing van genoemde regeling af te zien wanneer het inwinnen van inlichtingen niet zinvol voorkomt. De vraag vloeit voort uit het feit dat verweerder in het hoofdgeding zich bij de beoordeling van verzoeksters inschrijving heeft beroepen op artikel 32 van het groothertogelijk besluit van 6 november 1974, waarmee de aangehaalde bepaling van de richtlijn in het Luxemburgse recht diende te worden opgenomen. Volgens die tekst wordt een inschrijving niet in aanmerking genomen wanneer de daarin genoemde prijs zozeer in wanverhouding staat tot de omvang van de aanbestede werken „qu'il ne permet pas de s'attendre raisonnablement à une exécution impeccable”. Daarnaast is slechts bepaald dat wanneer de inschrijving „verdacht” lijkt of door een deelnemer wordt bestreden, de inschrijver wordt verzocht: „à présenter sans retard les détails de son analyse des prix d'unité suivant les éléments de calcul du prix de revient enumérés à l'article 12 squs 1 à 7 suivant schéma à lui communiqué par le commettant.” Daar deze bepalingen duidelijk geen exacte weergave zijn van artikel 29 van richtlijn nr. 71/305, wil de verwijzende rechter, die klaarblijkelijk — en terecht — ervan uitgaat dat de bepaling van de richtlijn rechtstreeks toepasselijk is en voorrang op het nationale recht heeft, vernemen wat in dit verband rechtstreeks uit de richtlijn volgt.
Reeds uit de tekst van genoemd voorschrift, met name uit het gebruik van de aantonende wijs, blijkt mijns inziens duidelijk dat de aanbestedende dienst verplicht is, voordat hij zijn besluit neemt, de afzonderlijke elementen van een inschrijving te onderzoeken, van de inschrijver een gepaste verklaring te vragen en het resultaat daarvan in aanmerking te nemen, en gedetailleerd aan te duiden welke motiveringen niet aanvaardbaar worden geacht. Ook de Belgische Raad van State heeft blijkbaar in die zin geoordeeld terzake van een soortgelijk voorschrift van Belgisch recht ter uitvoering van de richtlijn (artikel 25 van het Belgische Koninklijk Besluit van 22 april 1977). Ik zie daarentegen niet in hoe — bijvoorbeeld met een beroep op de geest van de richtlijn — een onderscheid kan worden gerechtvaardigd tussen „normale” en ongebruikelijke situaties waarin niet om een verklaring behoeft te worden verzocht omdat de prijzen van de inschrijving slechts een fractie van de normale inkoopprijzen vormen, en dan ook geenszins realistisch zijn. In dit verband mag in de eerste plaats niet uit het oog worden verloren dat een op het eerste gezicht ongebruikelijk voorkomende toestand anders kan overkomen wanneer alle vaak alleen maar aan de inschrijver bekende feitelijke omstandigheden van een offerte aan het licht worden gebracht. Anderzijds moet in elk geval ervan worden uitgegaan dat een bepaling die een zorgvuldigheidsplicht voorschrijft, en procedurewaarborgen ter bescherming van de inschrijver moet bieden, strikt moet worden uitgelegd. In het belang van de rechtszekerheid zijn ondubbelzinnige criteria vereist; daarom kan moeilijk worden aangenomen dat daaraan bij uitzondering niet behoeft te worden voldaan met een beroep op vage begrippen als „normale situatie” of „onrealistisch”, hetgeen niets anders zou betekenen dan dat een duidelijke plicht wordt omgevormd tot een discretionaire bevoegdheid.
4.
Mitsdien concludeer ik dat het Hof de prejudiciële vragen van de Luxemburgse Conseil d'État beantwoorde als volgt:
a)
De bepalingen van de richtlijnen nrs. 71/304 en 71/305 sluiten uit, dat een aanbestedende dienst de gunning van een overheidsopdracht aan een in een andere Lid-Staat gevestigde inschrijver doet afhangen van de voorwaarde dat hij in het bezit is van een vestigingsvergunning van de regering van de staat waar de gunning plaatsvindt.
b)
Een dergelijke vestigingsvergunning kan met name niet worden verlangd, wanneer de inschrijver in zijn land van vestiging op een officiële lijst in de zin van artikel 28 van richtlijn nr. 71/305 is ingeschreven en daarvan overeenkomstig artikel 28, lid 2, van de richtlijn een bewijs overlegt, dat doet vermoeden dat de voorwaarden voor de afgifte van een vestigingsvergunning zijn vervuld.
c)
Artikel 29, lid 5, van richtlijn nr. 71/305 legt de aanbestedende dienst de verplichting op om alvorens de samenstelling van de inschrijving te onderzoeken en tot gunning van de opdracht te besluiten, de inschrijver wiens inschrijving in de ogen van de aanbestedende dienst in verhouding tot de uit te voeren werken duidelijk abnormaal laag is, te verzoeken zijn prijzen te motiveren.
( 1 ) Vertaald uit het Duits
Full & Egal Universal Law Academy