CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 5 JULI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het vereiste van artikel 45, lid 2, Ambtenarenstatuut, dat de overgang van een ambtenaar naar een hogere categorie alleen kan plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek, is ingevolge artikel 98, tweede alinea, Ambtenarenstatuut niet van toepassing op bepaalde ambtenaren, die op het gebied van de kernenergie een ambt bekleden waarvoor wetenschappelijke of technische bekwaamheden worden vereist. Voor deze ambtenaren publiceerde de Commissie op het voor de onderhavige zaken relevante tijdstip in Mededelingen van de administratie nr. 220 van 20 december 1978 de „Procedure welke voorafgaat aan de besluiten tot wijziging van categorie, van B naar A, voor ambtenaren van de wetenschappelijke of technische groepen” (hierna: de mededeling).
In de mededeling werden ambtenaren met de in artikel II van die mededeling bepaalde rang, anciënniteit en beroepservaring gevraagd, zich kandidaat te stellen voor overgang overeenkomstig deze procedure, welke was bedoeld om „een systeem in te voeren waarmee de geschiktheid kan worden beoordeeld van wetenschappelijke of technische ambtenaren van de categorie Β om een functie uit te oefenen welke tot de categorie A ... behoort, en waarmede hun derhalve toegang tot deze categorie kan worden gegeven.” Beklemtoond werd, dat deze procedures waren opgesteld om „te waarborgen dat deze besluiten gegrond zijn.”
Er werd een comité ad hoc gevormd, dat tot taak had de lijst op te stellen van ambtenaren van categorie Β die in aanmerking kwamen voor een besluit tot wijziging van categorie. Dit comité moest het sollicitatiedossier van elke kandidaat onderzoeken. Kandidaten met een universitaire opleiding, die over de vereiste beroepservaring beschikten, moesten worden geacht geschikt te zijn voor een wijziging van categorie, na verificatie van hun diploma en „een onderhoud met het comité ter beoordeling van het terrein van hun vakbekwaamheid” (artikel III, lid 2, sub d); kandidaten zonder universitaire opleiding, die voor het eerste onderzoek slaagden, moesten een verhandeling indienen waarover zij zouden worden ondervraagd teneinde het niveau van hun beroepsbekwaamheid te beoordelen en het comité in staat te stellen uit te maken of zij geschikt waren voor het uitoefenen van een functie in categorie A (artikel III, lid 2, sub a en c).
Na beëindiging van zijn werkzaamheden moest het „comité een met redenen omkleed verslag aan het tot aanstelling bevoegd gezag richten met de lijst van die kandidaten die geschikt (werden) geacht tot het uitoefenen van een functie in categorie A, met voor elke kandidaat vermelding van het terrein of de terreinen waarop zijn vakbekwaamheid ligt” (artikel III, lid 2, sub e).
Niet alle kandidaten met de juiste kwalificaties mochten rekenen op een onmiddellijke wijziging van categorie, daar de besluiten inzake overgang nog steeds dienden te worden genomen door het tot aanstelling bevoegde gezag, met inachtneming van de behoeften van de dienst en de beschikbare begrotingsmiddelen.
Ten tijde van de publikatie van de mededeling waren de vier verzoekers in de onderhavige zaken ambtenaren van categorie Β van Belgische nationaliteit, die in Ispra waren tewerkgesteld. Zij hebben allen een Belgisch diploma van technisch ingenieur dat, naar Belgisch recht, is gelijkgesteld met een universitair diploma. Desondanks zou van hen zijn verlangd bij het comité geschreven bewijsstukken over te leggen.
Na onderzoek van de sollicitaties stelde het comité twee lijsten van geslaagde kandidaten op, die in Mededelingen van de administratie nr. 281 van 10 juni 1980 werden gepubliceerd. Op de eerste lijst — omschreven als „eerste prioriteit” — waren de namen van de ambtenaren opgenomen in alfabetische volgorde, terwijl zij op de tweede lijst — omschreven als „tweede prioriteit” — waren opgenomen in volgorde van verdienste. Beide lijsten gaven het terrein van vakbekwaamheid van iedere ambtenaar aan. Verzoekers kwamen op geen van beide lijsten voor. Bij brieven die kennelijk op 9 juni 1980 waren verstuurd — één ervan was niet gedateerd — werden zij ervan in kennis gesteld, dat het comité, „dat de geschiktheid moest beoordelen van ambtenaren van categorie Β om werkzaamheden van categorie A te verachten” hen niet op de lijst had kunnen opnemen, en dat zij met het oog op een eventuele deelneming aan een nieuwe procedure hun kwalificaties dienden te verbeteren.
Daarop bestreden zij in de gevoegde zaken 80-83/81 de geldigheid van het besluit van het comité ad hoc om hen niet in te schrijven op de lijst van geschikte kandidaten, en vorderden zij nietigverklaring van dit besluit. Nog voor in deze zaken een verweerschrift was ingediend, werd verzoekers bij brief van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van 24 september 1981 meegedeeld, dat het comité na een nieuw onderzoek tot de conclusie was gekomen dat zij wel geschikt waren voor een wijziging van categorie, ofschoon het comité op grond van het onderhoud met de kandidaten niet het terrein van vakbekwaamheid had kunnen vaststellen, waarin zij thans werkzaamheden van categorie A met een binnen de diensten van de Commissie vereist deskundigheidsniveau zouden kunnen verrichten. In Mededelingen van de administratie nr. 339 van 16 oktober 1981 publiceerde de Commissie een addendum met een aanvulling op de lijst van ambtenaren die voor overgang in aanmerking kwamen; alle verzoekers kwamen op deze lijst voor. Deze lijst gaf geen terrein van vakbekwaamheid aan, maar bepaalde dat die namen werden „toegevoegd aan de lijst van ambtenaren ... die geacht worden geschikt te zijn voor een wijziging van categorie Β naar categorie A” (Mededelingen van de administratie nr. 281 van 10 juni 1980). Zo gezien hehoeft op die eerste groep beroepen niet te worden beslist, behoudens dat de Commissie moet worden verwezen in de kosten van deze beroepsprocedures die, gelet op wat volgde, kennelijk gegrond waren.
Verzoekers gingen evenwel op twee belangrijke punten niet akkoord met de procedures die met betrekking tot dit tweede besluit van het comité waren gevolgd. In het addendum werd het terrein van hun vakbekwaamheid niet aangegeven, en evenmin werd daarin bepaald, of de kandidaten moesten worden geacht tot de eerste of tot de tweede lijst te behoren. Nadat hun klacht krachtens artikel 90 Ambtenarenstatuut was afgewezen, stelden zij bij de verzoekschriften in de zaken 182-185/82 van 19 juli 1982 nieuwe beroepen in.
Op 1 januari 1984 werd De Blust, verzoeker in zaak 183/82, bevorderd naar categorie A, weshalve hij, uitgezonderd voor de kosten, afstand van instantie deed.
De eerste twee middelen die in de overige drie beroepen worden aangevoerd, betreffen het feit dat geen terrein van vakbekwaamheid is vastgesteld. Verzocht wordt om nietigverklaring van zowel het besluit van het comité om geen terrein van vakbekwaamheid vast te stellen, als van het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, bij brief van 24 september 1984, om eerstgenoemd besluit over te nemen. Verzoekers stellen, dat het comité verplicht was een terrein van vakbekwaamheid te vermelden, dat het tot aanstelling bevoegde gezag ervoor moest zorgen dat dit gebeurde en niet een lijst zonder zo een vermelding mocht publiceren, en dat het verzuim om zulks te doen verzoekers schade berokkent. Samengevat komt het antwoord van de Commissie erop neer, dat het comité over een beoordelingsmarge beschikte bij het vaststellen of er een terrein van vakbekwaamheid bestond, en dat het, indien het geen terrein kon vaststellen, dat niet behoefde aan te geven. Immers, indien het niet overtuigd was, dat de kandidaten op enig terrein vakbekwaam waren om werkzaamheden van categorie A te verrichten (wat nu als een mogelijkheid lijkt te worden geopperd), dan kon er nooit een worden aangegeven. Bovendien stellen zij, dat de bevoegdheid tot benoeming blijft berusten bij het tot aanstelling bevoegde gezag dat over het volledige dossier van de kandidaten beschikte. Op basis van dat dossier kan een besluit worden genomen omtrent de sollicitatie van een kandidaat voor een bepaalde post, zodat een loutere vermelding van het terrein waarop de kandidaat heeft gewerkt, niet relevant is. Het tot aanstelling bevoegde gezag kon in elk geval niet corrigeren wat het comité had nagelaten.
Deze procedure is verbindend voor de kandidaten; ofschoon zij is vastgesteld als een interne administratieve maatregel, bindt zij mijns inziens ook het tot aanstelling bevoegde gezag. Aan deze maatregel kan niet iedere rechtswaarde worden ontzegd, en de kandidaten mogen ervan uitgaan, dat zij zullen worden nageleefd (zaak 282/81, Ragusa, Jurispr. 1983, blz. 1245, r.o. 18).
De taak van het comité wordt duidelijk uiteengezet in artikel 3, lid 2, sub d. Indien het comité een kandidaat geschikt acht om werkzaamheden van categorie A te verrichten, moet het ook het terrein aangeven waarop zijn vakbekwaamheden worden geacht te liggen. Het is verplicht een onderhoud met een kandidaat te hebben, om het terrein van zijn vakbekwaamheid te beoordelen (artikel III, lid 2, sub d). Enkel wanneer het dit doet, wordt voldaan aan de doelstellingen van de procedure, te weten de invoering van een methode om de geschiktheid te beoordelen van ambtenaren van categorie Β om werkzaamheden van categorie A te verrichten. Het feit dat het comité een kandidaat geschikt acht om werkzaamheden van categorie A te verrichten, moet betekenen dat het ervan overtuigd is dat hij op sommige terreinen dergelijke werkzaamheden kan verrichten; het heeft niet tot taak om in abstracto vast te stellen dat hij werkzaamheden van categorie A kan verrichten.
Zodra het een kandidaat geschikt acht om werkzaamheden van categorie A te verrichten, staat het evenmin ter discretie van het comité of het het terrein van vakbekwaamheid van de kandidaat wel of niet zal vaststellen.
In de mate dat het comité heeft nagelaten een dergelijk terrein vast te stellen, heeft het onjuist gehandeld; het tot aanstelling bevoegde gezag had van het comité moeten eisen dat het zulks deed, en had het in gebreke moeten stellen en de lijst zonder een vermelding van het terrein van vakbekwaamheid niet mogen publiceren.
Voorts worden het comité en het tot aanstelling bevoegde gezag verweten onjuist te hebben gehandeld, doordat zij hebben nagelaten aan te geven of de kandidaten tot de eerste dan wel tot de tweede groep van de oorspronkelijke lijst behoorden, die is vervat in Administratieve mededeling nr. 281.
Ik ben bereid aan te nemen, zonder terzake een definitief standpunt in te nemen, dat het comité de kandidaten die van meet af aan geschikt werden geacht, op twee lijsten kon inschrijven, een in alfabetische volgorde (deze zou de beste kandidaten kunnen bevatten, die allen nagenoeg gelijk waren) en een in volgorde van verdienste; niettemin ben ik van mening dat het comité de grondslag voor het onderscheid tussen beide lijsten had moeten aangeven. Doet het comité zulks evenwel en neemt het tot aanstelling bevoegde gezag deze twee lijsten over, dan moet „bij toevoeging van andere kandidaten aan de lijst” in de oorspronkelijke Administratieve mededelingen (nr. 281) wel worden aangegeven, in welk gedeelte van de lijst de nieuwe kandidaten worden opgenomen, althans zolang beide lijsten nog bestaan. Anders lijkt de aanvullende lijst op een derde, misschien minderwaardige lijst, en dit zou onbillijk zijn voor daarop geplaatste kandidaten die eigenlijk op de eerste lijst hadden moeten voorkomen. Indien de kandidaten op de tweede lijst in volgorde van verdienste zijn geplaatst, dan hebben aan die tweede lijst „toegevoegde” kandidaten eveneens recht op een indeling volgens verdienste. In de onderhavige zaak stond op de eerste lijst op 24 september (of 16 oktober) 1981 nog één naam (van iemand die nog niet was overgegaan), en was nog niemand van de tweede lijst overgegaan. Er bestonden dus nog steeds twee lijsten, zodat het comité duidelijk had moeten maken, op welke lijst — en indien dat de tweede lijst was, op welke plaats — elke kandidaat voorkwam.
Ik aanvaard de argumenten van de Commissie dat in laatste instantie het tot aanstelling bevoegde gezag met inachtneming van de vacatures en de beschikbare begrotingsmiddelen moet bepalen, hoeveel wijzigingen van categorie mogelijk zijn, en dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij zijn keuze van de beste kandidaat voor een vacature over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt. Voorts staat vast, dat in de praktijk de kandidaten niet werden benoemd in volgorde van verdienste, als uitgedrukt in de tweede lijst, en dat één kandidaat van de tweede lijst en één van het addendum nog voor een kandidaat van de eerste lijst naar de andere categorie zijn overgegaan.
Aangezien de procedure op twee punten niet volledig werd nageleefd, moet mijns inziens worden geconcludeerd, dat kandidaten waarschijnlijk in het nadeel zijn indien a) geen terrein van vakbekwaamheid wordt aangegeven (daar het kennelijk de bedoeling was de besluiten tot wijziging van categorie te baseren op de bevindingen van het comité betreffende het terrein van vakbekwaamheid), en b) de nieuwe kandidaten louter onderling alfabetisch worden geclasseerd, zonder dat wordt aangegeven, welke rangorde zij innemen in vergelijking tot de kandidaten op de oorspronkelijke lijst.
Opgemerkt zij, dat alle 15 ambtenaren van de eerste groep en zeven van de acht van de tweede groep van categorie zijn gewijzigd. Van deze 22 ambtenaren zijn er acht overgegaan na de publikatie van het addendum, terwijl van de in het addendum opgenomen kandidaten er slechts twee, inclusief De Blust, zijn overgegaan.
Nu vaststaat dat de procedure niet behoorlijk is gevolgd, vormen deze feiten voldoende grond om het bewijs dat de in het addendum opgenomen kandidaten niet zijn benadeeld, ten laste van de Commissie te brengen. Zelfs indien wijzigingen van categorie afhangen van vacatures op bepaalde terreinen en de beschikbare begrotingsmiddelen, ben ik, gelet op de feiten, er niet van overtuigd dat de Commissie dit bewijs heeft geleverd.
Met hun vierde en laatste middel bestrijden verzoekers het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag om niet alle bevorderingen ongedaan te maken, die hebben plaatsgevonden op basis van de in Administratieve mededelingen nr. 281 van 10 juni 1980 gepubliceerde lijst. Derhalve vorderen zij nietigverklaring van al deze bevorderingen. Volgens mij staat deze vordering in geen verhouding tot verzoekers' rechtmatige belangen. Deze worden afdoende beschermd, indien wordt verklaard, dat het besluit van het comité ad hoc en het tot aanstelling bevoegde gezag, voor zover het gebreken vertoont, wat verzoekers betreft onwettig wordt verklaard. Voor dit standpunt vind ik steun in rechtsoverweging 35 van het arrest van het Hof in de gevoegde zaken 4, 19 en 28/78 (Salerno, Jurispr. 1978, blz. 2403). In dat arrest werd het besluit waarbij de jury weigerde de verzoekers toe te laten tot een vergelijkend onderzoek, nietigverklaard, maar weigerde het Hof de resultaten van het vergelijkend onderzoek ongedaan te maken of de daarop gebaseerde benoemingen nietig te verklaren.
Op het beroep van De Blust behoeft niet te worden beslist behoudens dat de Commissie moet worden verwezen in de kosten van het geding.
Wat de beroepen in de zaken 182, 184 en 185/82 betreft, geef ik het Hof in overweging te verklaren, dat de besluiten van het comité ad hoc en van het tot aanstelling bevoegde gezag betreffende verzoekers met wezenlijke fouten zijn behept, doordat daarin niet het terrein van vakbekwaamheid van de kandidaten wordt vastgesteld en wordt aangegeven op welke lijst, en indien op de tweede lijst, op welke plaats, iedere verzoeker diende te worden ingeschreven.
Verzoekers hebben mijns inziens niet alleen in de zaken 80-83/81, maar ook in de zaken 182-185/82 recht op vergoeding van hun kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels,
Full & Egal Universal Law Academy