CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 16 MAART 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Staple Dairy Products Ltd. is een Engelse vennootschap, die zich bezighoudt met internationale handel in zuivelprodukten. De Intervention Board for Agricultural Produce is de instantie die naar Brits recht is belast met de uitbetaling van bedragen die ingevolge het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de Europese Economische Gemeenschap aan handelaren zijn verschuldigd.
Tussen 1 april en 26 april 1980 exporteerde de vennootschap zuivelprodukten uit het Verenigd Koninkrijk naar andere Lid-Staten van de EEG. In die tijd was het pond sterling ten opzichte van zijn representatieve koers zozeer in waarde gestegen, dat bij de handel in de meeste landbouwprodukten, waaronder zuivelprodukten, positieve monetair compenserende bedragen (mcb's) moesten worden betaald.
Verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106 van 1971, blz. 1), geeft in artikel 2, lid 1 — ingevoerd bij verordening nr. 1112/73 van de Raad van 30 april 1973 (PB L 114 van 1973, blz 4) — de, wat ik hier zal noemen, „basisformule” voor de berekening van mcb's, niet enkel voor de Lid-Staten waarvan de valuta's deel uitmaakten van de zogenoemde „slang” (later vervangen door het Europees Monetair Stelsel), maar ook voor de Lid-Staten die buiten de „slang” waren gebleven. Die basisformule wordt in's Hofs arrest in zaak 154/73 (Becher, Jurispr. 1974, blz. 19, r.o. 5) aldus omschreven: „De compenserende bedragen worden vastgesteld door op de prijzen van de betrokken waren een zeker percentage toe te passen, overeenkomende met het verschil tussen de pariteit van de betrokken nationale munteenheid en het gemiddelde van de wisselkoersen gedurende een bepaalde periode”.
Tussen 1974 en 1976 werd de basisformule gewijzigd door invoering van een „vrijstelling”, uiteindelijk bepaald op 1,5 %, waarmee het volgens de basisformule berekende bedrag werd verminderd in het geval van valuta's die, zoals het pond sterling, geen deel uitmaakten van de „slang” en een waardevermindering hadden ondergaan (zie verordeningen van de Raad nrs. 2497/74, PB L 268 van 1974, blz. 5; 475/75, PB L 52 van 1975, blz. 28; 557/76, PB L 67 van 1976, blz. 1). De basisformule werd nogmaals gewijzigd bij artikel 3 van verordening nr. 652/79 van de Raad van 29 maart 1979 (PB L 84 van 1979, blz. 1), waarbij de Europese Rekeneenheid (Ecu) in het stelsel van landbouwprijzen werd ingevoerd en de vrijstellingsregeling aangepast. Genoemd artikel voorzag onder meer in een vrijstelling van 1,5 %, in mindering te brengen op het volgens de basisformule berekende bedrag, in het geval van zwevende valuta's (waaronder het pond sterling), onverschillig of zij al dan niet een devaluatie hadden ondergaan ten opzichte van hun representatieve koers. Volgens artikel 5 was die verordening van toepassing van 9 april tot 30 juni 1979. Deze toepassingsperiode werd tot 31 maart 1980 verlengd bij artikel 1 van verordening nr. 1264/79 van de Raad van 25 juni 1979 (PB L 161 van 1979, blz. 1).
Op 18 februari 1980 deed de Commissie een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende, onder meer, mcb's; voorgesteld werd aftrek van een vrijstelling van 1,5 % in het geval van Lid-Staten die negatieve mcb's toepasten, en 1 % bij positive mcb's (PB C 576 van 1980). Op 20 maart 1980 stelde de Commissie verder voor, de toepassing van verordening nr. 652/79 te verlengen tot 30 juni 1980. Op 2 april 1980, enkele dagen nadat de geldingsduur van's Raads verordening nr. 652/79 was verstreken, stelde de Commissie verordening nr. 846/80 vast (PB L 91 van 1980, blz. 1), die op 7 april daaropvolgende in werking trad. De considerans hiervan beschreef de geschiedenis van de mcb's en de door verordening nr. 652/79 daarin aangebrachte wijzigingen in verband met de invoering van de Ecu in het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de vrijstellingsregeling. De considerans vermeldde ook dat de Raad niet in staat was geweest tijdig, dat wil zeggen voor het einde van maart 1980, een verordening vast te stellen om het stelsel van verordening nr. 652/79 te verlengen, en vervolgde:
„dat het in het openbaar belang noodzakelijk blijkt, ten einde een onderbreking in deze regeling — die met name zou kunnen leiden tot een verhoging of tot de wederinvoering van monetaire compenserende bedragen voor bepaalde Lid-Staten — te voorkomen, conservatoir en in afwachting van een definitieve beslissing terzake, de regeling verder toe te passen in haar huidige vorm, d.w.z. de monetaire compenserende bedragen verder te berekenen ten opzichte van de Ecu, met inachtneming van de in verordening (EEG) nr. 652/79 bepaalde vrijstellingen”.
De bij de verordening vastgestelde mcb's waren door de Commissie dan ook berekend op basis van's Raads verordening nr. 652/79.
Tussen 1 april en 26 april 1980, zo is voor het Hof verklaard, heeft verweerder mcb's betaald over verzoeksters vorenbedoelde exporten, „met toepassing van een aftrek van 1,5 %”.
Niet is meegedeeld welk gedeelte van de exporten van de vennootschap tussen 1 en 25 april 1980 vóór 7 april is afgewikkeld, zodat daarbij geen rekening kon worden gehouden met verordening nr. 846/80-van de Commissie. Volgens de Commissie vielen transacties gedurende de eerste week van april in elk geval onder de regeling die op 30 maart 1980 van kracht was.
Op 18 april stelde de Commissie bij een nieuwe verordening (nr. 967/80, PB L 103 van 1980, blz. 1) nieuwe mcb's vast op dezelfde grondslag, maar rekening houdend met inmiddels opgetreden wijzigingen in de wisselkoersen.
Op 26 april 1980 werd verordening nr. 1011/80 van de Raad van 23 april 1980 (PB L 108 van 1980, blz. 3) van kracht. Artikel 1 hiervan bepaalde: „Met werking vanaf 1 april 1980, wordt in artikel 5, tweede alinea, van verordening (EEG), nr. 652/79 de datum 31 maart 1980 vervangen door 30 juni 1980, zonder dat dit afbreuk kan doen aan door economische subjecten verkregen individuele rechten”.Voor het Commercial Court te Londen betoogde de vennootschap als verzoekster dat in de periode na 31 maart 1980 de vrijstelling van 1,5 % niet in mindering had mogen worden gebracht, en dat verordening nr. 846/80 van de Commissie ongeldig was in zoverre die aftrek daarbij werd geregeld. De kennisnemende rechter meende dat zijn beslissing afhankelijk was van de geldigheid van verordening nr. 846/80 van de Commissie en van de uitlegging van artikel 1 van verordening nr. 1011/80 van de Raad. Derhalve verzocht hij het Hof om een uitspraak over drie vragen. De eerste vraag is, of de bevoegde instanties in het Verenigd Koninkrijk gehouden waren, met betrekking tot transacties verricht tussen 1 april en 26 april 1980, mcb's zonder aftrek van een vrijstelling van 1,5 % te betalen. De tweede vraag luidt, of verordening nr. 846/80, die na de bij verordening nr. 652/79 (zoals gewijzigd) bepaalde toepassingsperiode is vastgesteld, ongeldig is voor zover daarbij, vóór de publikatie van's Raads verordening nr. 1011/80, de in geding zijnde mcb's met 1,5 % zijn verlaagd. In de derde plaats wordt gevraagd om uitlegging van artikel 1 van's Raads verordening nr. 1011/80, teneinde vast te stellen of een onderneming die tussen 1 april en 26 april 1980 zuivelprodukten uit het Verenigd Koninkrijk naar andere Lid-Staten had geëxporteerd, verkregen rechten heeft in de zin van het laatste zinsdeel van dat artikel.
De Commissie hecht veel belang aan de tweede vraag, die, zo stelt zij, constitutionele betekenis heeft in verband met, in ruime zin, de plichten en bevoegdheden van de Commissie bij het beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in een situatie waarin de Raad verzuimt te handelen en er bijgevolg een „wettelijk vacuüm” ontstaat, en, in meer beperkte zin, in verband met de mcb's. Het lijkt mij echter juister om met de derde vraag te beginnen, aangezien een uitspraak over de geldigheid van verordening nr. 846/80 van de Commissie niet nodig is wanneer verordening nr. 1011/80 van de Raad geldig is en geen bescherming geeft aan wat de vennootschap als haar verkregen rechten beschouwt.
Het betoog van de vennootschap komt er in wezen op neer, dat zij exporttransacties verrichtte tussen 1 april en 26 april (juister zou wellicht zijn 25 april), toen er geen wettelijke regeling inzake aftrek van de vrijstelling van kracht was. Bijgevolg had zij toen recht verkregen op betaling van mcb's zonder aftrek van de vrijstelling. Artikel 1 van's Raads verordening nr. 1011/80 liet die verkregen rechten onverlet en mitsdien was de aftrek van de vrijstelling onwettig. Zou artikel 1 die verkregen rechten niet beschermen, dan zou het terugwerkende kracht hebben ten aanzien van transacties die voor zijn inwerkingtreding afgewikkeld waren, en bijgevolg ongeldig zijn.
Wettelijke regelingen die betrekking hebben op volledig afgewikkelde transacties, zijn ongewenst en kunnen ongeldig zijn. Maar men kan niet zeggen dat dergelijke regelingen naar gemeenschapsrecht steeds ongeldig zijn.
In zaak 98/80 (Racke, Jurispr. 1979, blz. 69) bevestigde het Hof de geldigheid van een verordening die van toepassing was op importen van wijn, welke ko'rt vóór de bekendmaking van de verordening hadden plaatsgevonden en die voordien niet aan mcb's onderworpen waren geweest. Het Hof omschreef de rechtssituatie als volgt:
„Ofschoon het beginsel van de rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen verzet dat een gemeenschapsbesluit reeds vóór afkondiging van kracht is, kan hiervan bij wijze van uitzondering worden afgeweken indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen”.
Dergelijke wettelijke regelingen kunnen dus bij uitzondering geldig zijn. Lees ik's Hofs arrest goed, dan moet de terugwerkende kracht noodzakelijk en niet alleen maar passend of wenselijk zijn ter verwezenlijking van het doel van de betrokken regeling. Een wettelijke regeling die gevolgen heeft voor geheel afgewikkelde transacties, zal door het Hof slechts als geldig worden beschouwd indien die bedoeling duidelijk en het doel gerechtvaardigd is en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen wordt beschermd.
Uit de geschiedenis van de regeling die thans aan de orde is, blijkt duidelijk dat het op 31 maart 1980 geldende, op verordening nr. 652/79 van de Raad berustende stelsel verschilde van dat van's Raads verordening nr. 974/71, die de basisformule voor de berekening van mcb's bevatte. De „vrijstelling” of aftrek was kennelijk ingevoerd om distorsies te voorkomen, maar ook als onderdeel van een beleid op lange termijn om de mcb's zo mogelijk geleidelijk af te schaffen. In het gemeenschappelijk landbouwbeleid was de rekeneenheid vervangen door de Ecu. Het Europese Monetaire Stelsel was in de plaats gekomen van de „slang”. In theorie had men, toen de geldingsduur van verordening nr. 652/79 was verstreken, kunnen proberen weer naar het oorspronkelijke systeem terug te keren, maar het lijkt de vraag of een poging daartoe niet bij voorbaat kansloos zou zijn geweest, en op zijn minst zou het, gezien de veranderingen die zich sedert 1971 hadden voorgedaan, uitermate moeilijk zijn geweest. Er is evenwel geen enkele reden aangevoerd waarom men moest terugkeren naar de situatie van vóór verordening nr. 652/79. En terwijl het zeker is dat de Raad bevoegd was de bepalingen van die verordening voor de toekomst weer in te voeren, is ook niets aangevoerd wat een afwijkend stelsel voor de korte tijd tussen de datum waarop verordening nr. 652/79 verviel, en die waarop verordening nr. 1011/80 in werking trad, zou kunnen rechtvaardigen.
Wanneer eenmaal duidelijk is dat de Raad verordening nr. 652/79 voor de toekomst weer wilde invoeren, ook al was het op een wat andere grondslag en voor een beperkte tijd, valt alles te zeggen voor de noodzaak om in de tussentijd de continuïteit te handhaven. Het alternatief is onzekerheid, om niet te zeggen chaos. Voor sommige Lid-Staten moesten misschien nieuwe of hogere mcb's worden bepaald; er kon een belangrijke onderbreking zijn in de handhaving van het peil van de landbouwprijzen; verstoring van het communautair prijsmechanisme zou gevolgen kunnen hebben voor handelaren die recht hadden op uitbetaling van mcb's dan wel deze moesten betalen. Ofschoon het dus te betreuren valt dat verordening nr. 652/79 vóór haar vervaldatum niet is verlengd, in afwachting van overeenstemming over wijziging van het stelsel, zodat handelaren en interventiebureaus hadden geweten waar zij aan toe waren, is het mijns inziens in deze zaak wel duidelijk geworden dat, toen eenmaal was besloten het stelsel voor de toekomst in stand te houden, het noodzakelijk en van algemeen belang was het ook toe te passen in de inmiddels verstreken korte tussenperiode, mits daarbij het gewettigd vertrouwen in acht werd genomen.
Ondanks de overtuigend klinkende argumenten van de vennootschap, lijkt het mij niet mogelijk tot de conclusie te komen, dat de handelaren mochten verwachten dat de vrijstellingsregeling eind maart 1980 zou verdwijnen. De vrijstellingsregeling had, in de een of de andere vorm, sedert 1974 bestaan; in 1980 was zij een vast element van het mcb-stelsel geworden en niemand had ooit voorgesteld ze af te schaffen. De Commissie had in februari en maart 1980 voorstellen ingediend, waarvan het minst vergaande was, het bestaande stelsel tot juni 1980 te handhaven. Mijns inziens mochten de handelaren verwachten dat het percentage van de vrijstelling niet met terugwerkende kracht zou worden gewijzigd. Dit is ook niet gebeurd. Zij mochten echter niet verwachten dat de vrijstelling in het geheel niet zou worden toegepast. Mijns inziens kan dan ook niet worden gezegd dat onvoldoende rekening wordt gehouden met het gewettigd vertrouwen wanneer de vrijstellingsregeling gehandhaafd wordt, ook indien dit met terugwerkende kracht gebeurt.
Gesteld is ook dat de Raad artikel 190 EEG-Verdrag heeft geschonden doordat hij de verordening, en inzonderheid het feit dat deze terugwerkende kracht heeft, niet heeft gemotiveerd.
Het is uiteraard veel beter dat een motivering in de verordening zelf is opgenomen, zoals artikel 190 verlangt. Anderzijds meen ik dat een motivering in een verwijzing kan bestaan of kan blijken uit het wetgevend kader waarin een nieuwe verordening thuishoort (dit laatste is door het Hof aanvaard in zaak 92/77, An Bord Bainne, Jurispr. 1978, blz. 495, r.o. 36). Waar het op aankomt, is dat de betrokkene redelijkerwijze niet in onzekerheid kan verkeren omtrent de redenen waarom de verordening zo luidt en niet anders. De considerans van verordening nr. 1011/80 van de Raad treedt niet in bijzonderheden. Hij vermeldt echter dat „de ervaring die tot en met 31 maart 1980 met de toepassing van [verordening nr. 652/79, zoals gewijzigd] is opgedaan, het mogelijk maakt de toepassing te verlengen tot en met 30 juni 1980”. Zo die ervaring een verlenging al rechtvaardigt, dan moet dat eerder het geval zijn vanaf 31 maart 1980 dan vanaf de datum van publikatie van de verordening. Beziet men de geschiedenis van de regeling, dan is het trouwens duidelijk dat de continuïteit van de vrijstelling, ook indien deze van tijd tot tijd formeel wat wordt gewijzigd, van wezenlijk belang is om te voorkomen dat verstoringen als boven genoemd zich voordoen, en dat het om deze reden noodzakelijk was de verordening retroactief te maken. Mijns inziens moet men tot deze conclusie komen ook zonder de considerans van verordening nr. 846/80 van de Commissie in de beschouwing te betrekken. Maar of deze verordening nu geldig is of niet, het lijkt mij alleszins aanvaardbaar die considerans in aanmerking te nemen. Wat daar wordt overwogen, stond voor de Commissie feitelijk vast en verklaart de noodzaak een breuk in de continuïteit te voorkomen.
Ik ben derhalve van mening dat verordening nr. 1011/80 van de Raad geldig was, onverschillig of de vennootschap gelijk heeft met haar interpretatie van dat gedeelte van artikel 1 van die verordening, dat luidt „zonder dat dît afbreuk kan doen aan door economische subjecten verkregen individuele rechten”.
Op het eerste gezicht lijkt er veel te zeggen voor het betoog van de vennootschap, dat het recht om de transactie behandeld te zien overeenkomstig de op het relevante tijdstip geldende regeling, een verkregen recht is waaraan door de wederinvoering van de vrijstellingsregeling geen afbreuk kan worden gedaan. Waar ik het bij dit betoog moeilijk mee heb, is dat het zou moeten gelden voor alle transacties die tussen 1 april en 25 april 1980 zijn verricht. Dan zou de vrijstelling immers bij geen enkele transactie in mindering kunnen worden gebracht en zou het bepaalde bij artikel 1 van's Raads verordening nr. 1011/80 — de vervanging van de datum 31 maart 1980 door 30 juni 1980 — voor wat de vrijstelling betreft, geen enkele betekenis hebben. Zo de verwijzing naar verkregen rechten niet een meer beperkte betekenis kon hebben, zou ik mij met dat betoog kunnen verenigen, want het is duidelijk dat andere bepalingen van verordening nr. 652/79 dan niettemin wederingevoerd konden worden, zodat artikel 1 niet geheel inhoudsloos zou zijn. Ik meen echter dat de verwijzing naar verkregen rechten in verband met de vrijstelling een meer beperkte betekenis kan hebben. Uitgangspunt hierbij is, dat er wordt gesproken van „individuele rechten”. Mijns inziens wijst dit erop, dat men moet bezien of er ingevolge bijzondere regelingen bepaalde rechten zijn verkregen. Zo ja, dan blijven zij in stand. Bij voorbeeld, als een interventiebureau is overeengekomen mcb's uitdrukkelijk zonder toepassing van de vrijstelling te betalen, of in elk geval het volle bedrag te betalen, of als het een beschikking in die zin heeft gegeven die aan de vennootschap is meegedeeld, en deze op die basis heeft gedisponeerd: dan doet de wederinvoering met terugwerkende kracht van verordening nr. 652/79 geen afbreuk aan de rechten die aan zo'n overeenkomst of beschikking kunnen worden ontleend. Een dergelijke overeenkomst kan ook besloten liggen in een feitelijke handeling, bij voorbeeld wanneer het volle bedrag is uitbetaald zonder dat erbij is gezegd dat een gedeelte eventueel kan worden teruggevorderd. Of er een dergelijke overeenkomst of beschikking waaraan verkregen rechten kunnen worden ontleend, is geweest, is uiteraard een vraag die de nationale rechter heeft te beantwoorden.
Ik geloof niet dat de zaak waarop de vennootschap zich beroept (zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533), tot de slotsom moet leiden dat de ruimere opvatting de juiste is. In die zaak ging het immers om gerechtvaardigd vertrouwen en niet om verkregen rechten en dat zijn, zoals de Commissie terecht opmerkt, verschillende begrippen.
Ofschoon artikelen die retroactieve bepalingen bevatten, strikt moeten worden uitgelegd en artikelen die verkregen rechten beschermen, in de ruimst mogelijke mate moeten worden toegepast, ben ik derhalve van mening dat de beschermde individuele rechten waarom het in verband met de aftrek van de vrijstelling gaat, die zijn welke voortvloeien uit individuele overeenkomsten met of beschikkingen van de nationale instanties, op basis waarvan de handelaar heeft gedisponeerd en waaraan hij de zekerheid ontleent dat, ongeacht de objectieve rechtssituatie, geen vrijstelling in mindering zal worden gebracht.
De door de Commissie vastgestelde mcb's waren verschuldigd tenzij de verordening ongeldig werd verklaard. Aangezien's Raads verordening nr. 1011/80 geldig was, kan niet worden gezegd dat de feitelijk betaalde mcb's op een rechtens ongeldige grondslag zijn betaald, tenzij er een als door mij bedoelde bijzondere overeenkomst met of beschikking van verweerder in het hoofdgeding bestond.
De vraag of de Commissie bevoegd was bij verordening nr. 846/80 mcb's te bepalen, in Ecu's en met toepassing van een vrijstelling, krijgt dan een academisch karakter. Zo het Hof mijn zienswijze deelt, is het niet nodig en kan het zelfs ongewenst zijn, dat het op deze vraag ingaat. Voor het geval het Hof tot een tegengestelde conclusie zou komen, meen ik in het kort mijn mening te moeten geven over de subsidiaire stelling van de Commissie, namelijk dat zij hoe dan ook bevoegd en verplicht was te doen wat zij heeft gedaan.
Het lijkt mij niet gewenst of noodzakelijk in ruime, algemene zin te onderzoeken of de Commissie bij de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bevoegd is te handelen „teneinde in een vacuüm te voorzien”, wanneer een andere instelling geen nieuwe verordening vaststelt bij het verval van een bestaande wettelijke regeling die alleen die instelling bevoegd is vast te stellen. Een dergelijke ruime vraag werpt belangrijke problemen op die in een ruimer verband dan dat van de mcb's zouden moeten worden onderzocht en die de andere partijen dan de Commissie niet in den brede hebben besproken. De vraag moet beperkter worden geformuleerd, namelijk of, gezien de veranderingen in de monetaire structuur, de wisselkoersen en het beheer van de mcb's sinds 1971, de Commissie gehouden of gerechtigd was de bij verordening nr. 652/79 ingevoerde wijzigingen in aanmerking te nemen toen zij, overeenkomstig haar plicht en bevoegdheid, met toepassing van verordening nr. 974/71 mcb's vaststelde.
In een zorgvuldig geformuleerde schriftelijke en mondelinge analyse van de situatie, heeft de Commissie het dilemma duidelijk gemaakt waarin zij verkeerde. Het komt mij aannemelijk voor, dat wanneer de Ecu niet was gebruikt en geen vrijstelling was toegepast, distorsies en verstoringen van het prijsmechanisme zouden zijn opgetreden die de uitvoering van het beleid ernstig hadden belemmerd; dat het in 1980 werkelijk onmogelijk, of tenminste bezwaarlijk en verwarringwekkend was de klok te willen terugdraaien en de regeling toe te passen die vóór verordening nr. 652/79 had gegolden; en dat de moeilijkheden en prijsdistorsies niet eenvoudig konden worden opgeheven door een omgekeerde toepassing van de in artikel 1 van verordening nr. 652/79 vastgestelde coëfficiënt. Daarbij lijkt het niet van belang of de situatie die er het gevolg van is, al den niet als een „wettelijk vacuüm” wordt gekarakteriseerd.
Het werkelijke probleem is, of de Commissie, ook indien die onmogelijkheid of ernstige moeilijkheid werkelijk bestond, bevoegd was de vrijstelling toe te passen, aangezien de verordening die de rechtsgrondslag vormde voor de aftrek van de vrijstelling, niet meer gold. De Commissie mag zich daarbij stellig beroepen op het feit dat het Hof haar ruime beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van mcb's krachtens verordening nr. 974/71 en haar plicht een goed beheer van het gemeenschapsbeleid te waarborgen, heeft erkend. Voor de bevoegdheid waarop zíj in dit bijzondere geval aanspraak maakt, dient zij mijns inziens echter een solidere basis te vinden. De argumenten die zij heeft aangevoerd, kunnen mij er niet van overtuigen dat zij die bevoegdheid ontleende aan het „continuïteitsbeginsel” of aan verordening nr. 974/71. De artikelen 3 en 6 van deze verordening machtigen de Commissie voorschriften te geven ter uitvoering van het in artikel 1 neergelegde stelsel, maar niet om mcb's vast te stellen op een andere basis dan in de verordening omschreven. Evenmin ben ik ervan overtuigd dat artikel 155 EEG-Verdrag de Commissie die bevoegdheid geeft. Dit artikel bepaalt dat de Commissie, „teneinde de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijk markt te verzekeren, toeziet op de toepassing zowel van de bepalingen van dit Verdrag als van de bepalingen welke de instellingen krachtens dit Verdrag vaststellen”. Deze woorden kunnen mijns inziens niet de toepassing door de Commissie rechtvaardigen van een bepaling van de Raad, die buiten werking is getreden. De visserijzaken waarop de Commissie zich beroept (zaken 804/79 en 124/80), betreffen, zo lijkt mij, een andere situatie. Daarin werd vastgesteld dat de Lid-Staten geen actie mogen nemen zonder de goedkeuring van de Commissie, indien de Raad nalaat de maatregelen te treffen ter zake waarvan hij bevoegd is. De Commissie bevoegd verklaren een bepaald stelsel in te voeren op basis van een regeling die niet meer van toepassing is, lijkt mij verder te gaan en ik lees in's Hofs arrest niets wat die stap rechtvaardigt. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de Commissie verplicht en bevoegd zou kunnen zijn gedurende korte tijd een regeling te blijven toepassen krachtens een verordening waarvan de geldingsduur verstreken is en die niet tijdig is verlengd, maar na enige aarzeling over de pragmatische argumenten van de Commissie en de Franse regering ben ik tot de conclusie gekomen dat een dergelijke bevoegdheid de Commissie niet toelaat een verordening vast te stellen als die waarom het thans gaat. Misschien zou de Commissie uitdrukkelijk een dergelijke interimbevoegdheid moeten hebben, maar dat is in deze zaak niet aan de orde.
Was ik niet van mening geweest dat verordening nr. 1011/80 van de Raad geldig was, dan zou ik dus tot de conclusie zijn gekomen dat de Commissie niet bevoegd was door middel van een eigen verordening de toepassing van een uitgewerkte verordening van de Raad te verlengen. Het ontbreken van een dergelijke bevoegdheid geeft steun aan het argument, dat het voor de Raad noodzakelijk en gerechtvaardigd was de ontstane situatie met terugwerkende kracht te regelen.
Op grond van het voorgaande concludeer ik dat het Hof de vragen van de Commercial Court beantwoorde als volgt:
1.
Verordening (EEG) nr. 1011/80 van de Raad machtigt en verplicht de bevoegde instanties van de Lid-Staten een aftrek van 1,5 % toe te passen op monetair compenserende bedragen bij exporten van zuivelprodukten uit het Verenigd Koninkrijk naar andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, verricht tussen 1 april en 25 april 1980, ongeacht de datum genoemd in artikel 5 van's Raads verordening (EEG) nr. 652/,79, zoals gewijzigd bij artikel 1 van's Raads verordening (EEG) nr. 1264/79, en ongeacht de geldigheid of ongeldigheid van verordening (EEG) nr. 846/80 van de Commissie, behalve in de gevallen waarin een economisch subject een individueel recht heeft verkregen op uitbetaling van monetair compenserende bedragen zonder aftrek van die 1,5 %.
2.
De door de economische subjecten verkregen individuele rechten, bedoeld in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1011/80 van de Raad, zijn die welke voortspruiten uit een speciale overeenkomst met of een beschikking van een nationale instantie of een gemeenschapsinstelling, volgens welke een handelaar in een bepaald geval monetair compenserende bedragen zonder aftrek van 1,5 % zal ontvangen. Wanneer zulk een overeenkomst is aangegaan of zulk een beschikking ter kennis van het economisch subject is gebracht en deze op basis ervan heeft gedisponeerd, heeft het economisch subject dat tussen 1 april en 25 april 1980 uit het Verenigd Koninkrijk naar een andere Lid-Staat heeft geëxporteerd, voor die exporten recht op uitbetaling van monetair compenserende bedragen zonder de aftrek van 1,5 %.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy