CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 4 MAART 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster in de onderhavige zaak, ambtenaar van het Europees Parlement, was op 25 mei 1977 betrokken bij een verkeersongeval waarbij zij verscheidene verwondingen opliep (kneuzingen en verwondingen aan de knieën, kneuzingen aan de linkerelleboog en -heup, ontwrichting van de halswervels en een afgebroken tand). Zij was daardoor drie weken arbeidsongeschikt.
Op 1 juli 1977 tekende zij een formulier waarmee zij haar recht op schadevergoeding tegen de andere bij het ongeval betrokken partij cedeerde aan de Gemeenschappen voor zover deze uikeringen wegens het ongeval zouden verrichten op grond van de artikelen 72, 73 en 75 Ambtenarenstatuut. Deze subrogatie was op dat moment nog geregeld in artikel 8 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten; sinds de inwerkingtreding van verordening nr. 912/78 (PB L 119 van 1978, blz. 1) is zij voorzien in artikel 73, lid 4, van het Statuut zelf.
Verzoekster vorderde nochtans, zonder het Parlement daarvan op de hoogte te stellen, in het kader van de voor de Luxemburgse rechter tegen de aansprakelijke derde aanhangig gemaakte procedure een vergoeding voor geleden smart en aantasting van haar lichamelijke integriteit, alsook terugbetaling van artsenhonoraria en medische kosten. Dr. Neuen werd als deskundige door de Luxemburgse rechter belast met de vaststelling van deze vergoeding. Na verzoekster in november 1978 te hebben onderzocht begrootte hij in een rapport van 13 februari 1979 haar morele schade wegens geleden smart op BFR 15000; aangezien het letsel evenwel geen functionele gevolgen in eigenlijke zin had gehad, was er volgens hem geen sprake van blijvende gedeeltelijke invaliditeit en hij stelde daarom voor, verzoekster wegens de voorbijgaande traumatische effecten en de minimale duurzame gevolgen een vergoeding toe te kennen van BFR 50000 voor de aantasting van haar lichamelijke integriteit. Deze bedragen zijn blijkbaar aan verzoekster uitbetaald door de verzekeringsmaatschappij van de andere bij het ongeval betrokken partij.
Daar verzoekster, zoals alle gemeenschapsambtenaren, tegen alle mogelijke ongevallen is verzekerd ingevolge artikel 73 Ambtenarenstatuut in samenhang met de reeds genoemde Regeling voor de verzekering tegen ongevallen, kwam het ook in dit kader tot een onderzoek van de gevolgen van het ongeval. Daarbij kwam de raadgevend arts van het Parlement in oktober 1979 tot de conclusie, dat de door hem geconstateerde gevolgen geleid hadden tot een blijvende gedeeltelijke invaliditeit van 6 %. Dit werd bij brief van 16 januari 1981 aan verzoekster meegedeeld door het hoofd van de afdeling Sociale zaken. Tevens werd haar gevraagd of zij akkoord ging met de op die grondslag vastgestelde vergoeding van BFR 292582, en of zij een schadeloosstelling had ontvangen van de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke derde.
Bij brief van 4 februari 1980 verklaarde verzoekster het voorstel te aanvaarden, en deelde zij mee dat zij van de „partie adverse” geen vergoeding wegens invaliditeit had ontvangen, doch enkel een „dédommagement pour douleurs endurées et atteinte à l'intégrité physique.”
Nadat de administratie van het Parlement in juni 1980 van verzoeksters verzekeringsmaatschappij en die van de aansprakelijke derde had vernomen welke vergoedingen verzoekster van laatstgenoemde had ontvangen, deelde het hoofd van de afdeling Sociale zaken haar bij brief van 24 juli 1980 mee, dat hij opdracht had gegeven haar slechts een bedrag van BFR 242582 over te maken, aangezien het bedrag van de oorspronkelijk vastgestelde vergoeding (BFR 292582) moest worden verminderd met de uitkering die verzoekster wegens aantasting van haar lichamelijke integriteit had ontvangen van de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke derde.
Op 2 oktober 1980 diende verzoekster tegen dit besluit een formele klacht in, waarin zij stelde dat bedoelde vermindering niet gerechtvaardigd was: waar de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke derde haar geen vergoeding wegens blijvende gedeeltelijke invaliditeit had uitgekeerd, maar slechts een vergoeding wegens aantasting van haar lichamelijke integriteit, kon er in zoverre geen sprake zijn van subrogatie ten bate van de Gemeenschappen.
Toen haar klacht bij besluit van 29 januari 1981 was afgewezen, stelde zij op 28 april 1981 beroep in bij het Hof van Justitie, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 24 juli 1980 en veroordeling van het Parlement tot betaling van BFR 50000 vermeerderd met rente ad 6 % 's jaars vanaf 24 juli 1980.
Over deze vorderingen, die het Parlement ongegrond acht, wil ik het volgende opmerken.
1.
Omdat het ten processe ter sprake is gebracht en het met name in verweerders argumenten een belangrijke plaats inneemt, moet vooraf worden herinnerd aan het arrest van 2 oktober 1979 (zaak 152/77, B. t. Commissie, Jurispr. 1979, blz. 2819), dat eveneens handelt over de toepassing van artikel 73 Ambtenarenstatuut en de toekenning van een uitkering voor de gevolgen van een ongeval.
In dit arrest wordt in de eerste plaats ervan uitgegaan, dat artikel 73 niet onder verwijzing naar vergelijkbare bepalingen uit het nationale recht, maar slechts als het ware autonoom kan worden uitgelegd. Hieruit volgt dat verzoeksters tweede middel — inhoudende dat de wijze waarop artikel 73 in het bestreden besluit is toegepast, niet in overeenstemming is met de rechtsbeginselen die gemeen zijn aan de Lid-Staten en die ten grondslag liggen aan de gemeenschapsregeling — moet falen.
In de tweede plaats geeft dit arrest een toelichting op enkele sleutelbegrippen in artikel 73 Ambtenarenstatuut, die ook in het onderhavige geval van beíang zijn. In mijn conclusie in die zaak wees ik op bepaalde aan het nationale recht te ontlenen inzichten en verwees ik verder naar een definitie uit de socialezekerheidsregelingen voor migrerende werknemers (verordening nr. 574/72, PB L 74 van 1972, blz. 1), en toonde ik tenslotte aan dat niet alleen in artikel 73 een zekere relatie met het werk wordt gelegd — omdat namelijk de verzekeringspremies en -uitkeringen afhankelijk zijn van het basissalaris van de betrokken ambtenaar —, maar dat ook de tabel van percentages van de Regeling ter uitvoering van artikel 73 kennelijk betrokken is op het arbeidsvermogen. Daarbij aanhakend besliste het Hof dat bij artikel 73 de mate van arbeidsongeschiktheid weliswaar geen rol speelde en dat een uitkering kan worden toegekend ongeacht de geschiktheid om verder werkzaamheden te blijven verrichten, doch dat het begrip „invaliditeit” in de zin van dit artikel principieel aldus moest worden opgevat, dat het betrekking heeft op de lichamelijke of de geestelijke letsels tengevolge waarvan de betrokkene „geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is een normaal actief leven te leiden” (r.o. 10).
Daaruit volgt dat de invaliditeitsuitkering in de eerste plaats is bedoeld als compensatie van een schade die als materiële schade is aan te merken, ook wanneer deze niet of niet dadelijk tot een vermogensverlies leidt. Daaruit volgt ook dat de op genoemd arrest gebaseerde stelling van het Parlement, dat invaliditeit enkel aantasting van de lichamelijke integriteit betekent, zonder dat de arbeidsgeschiktheid daarbij een rol speelt, niet staande valt te houden.
Mitsdien moet ervan worden uitgegaan dat de bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit uit te keren vergoeding bedoeld in artikel 12 van de Regeling inzake de ongevallenverzekering, een vergoeding is voor aantasting van het arbeidsvermogen. In die richting wijst overigens ook artikel 14 van de Regeling, krachtens hetwelk — met overeenkomstige toepassing van de in artikel 12 bedoelde invaliditeitsschaal — ook een vergoeding wordt toegekend voor eenvoudige aantasting van de lichamelijke integriteit, die geen invloed heeft op de arbeidsongeschiktheid, wanneer het letsel een onmiskenbaar nadelige invloed uitoefent op de sociale betrekkingen.
2.
Centraal in deze procedure staat de vraag, of het Parlement zich met betrekking tot de uitkeringen die verzoekster van de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke derde had ontvangen, terecht op subrogatie heeft beroepen.
Deze subrogatie is sedert de inwerkingtreding van verordening nr. 912/78 geregeld in artikel 73, lid 4, Ambtenarenstatuut, dat bepaalt.
„de Gemeenschappen treden, binnen de grenzen van de voor hen uit de artikelen 72, 73 en 75 voortvloeiende verplichtingen, van rechtswege in de plaats van de ambtenaar of van zijn rechtverkrijgenden, wat betreft hun recht van verhaal tegen de derde die aansprakelijk is voor het ongeval dat het overlijden of de verwondingen van de ambtenaar of de uit zijnen hoofde verzekerde personen tot gevolg heeft gehad.”
Vroeger gold hiervoor artikel 8 van de al meermaals genoemde Regeling inzake de ongevallenverzekering. Dit artikel luidde:
„de ingevolge deze regeling te verrichten uitkeringen, schadeloosstellingen en vergoedingen van medische kosten worden de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden slechts uitbetaald op voorwaarde dat deze de Gemeenschappen tot het bedrag dier uitkeringen, schadeloosstellingen en vergoedingen subrogeren in al hun rechten en vorderingen tegen eventueel aansprakelijke derden.”
Uit de tekst en het doel van de regeling — verhinderen dat een zelfde schade twee maal wordt vergoed — blijkt duidelijk dat de subrogatie slechts geldt voor uitkeringen van dezelfde aard als die welke de werkgever van het slachtoffer naar aanleiding van het betrokken ongeval betaalt krachtens artikel 73 Ambtenarenstatuut en de bijhorende uitvoeringsregeling.
Volgens verzoekster ontbreekt in de onderhavige zaak die gelijkaardigheid nu juist. Zij betoogt dat de vergoeding die de verzekeringsmaatschappij van de derde aansprakelijke op grond van een expertise in het kader van een Luxemburgse gerechtelijke procedure heeft betaald, een vergoeding was voor morele schade in de ruimste zin, doch niet — gelijk de invaliditeitsuitkering krachtens artikel 73 Ambtenarenstatuut — een vergoeding voor aantasting van het arbeidsvermogen. Zij staaft haar zienswijze voorts met een „note d'information” van het hoofd van het directoraatgeneraal Administratie van het Parlement van 18 februari 1980, waarin ter zake van de subrogatie in geval van een ongeval wordt verklaard, dat de gelaedeerde ambtenaar rechtstreeks schadevergoeding kan vorderen van de aansprakelijke derde, voor zover het om bepaalde materiële schades gaat, zoals schade aan kleding of aan een auto, alsmede om smartegeld en morele schade.
Verweerder daarentegen is van mening dat zowel de vergoeding die de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke derde, als de vergoeding die hijzelf heeft betaald, een uitkering is wegens eenvoudige aantasting van de lichamelijke integriteit, en dat derhalve eerstbedoeld bedrag terecht in mindering is gebracht op het tweede.
a)
Voor de oplossing van dit probleem is verweerders verwijzing naar de definitie van het begrip „ongeval ” in artikel 2 van de Regeling in geen geval van belang. Deze luidt:
„als ongeval wordt beschouwd elke van buiten komende en plotselinge dan wel gewelddadige of ongewone gebeurtenis of inwerking, waardoor de ambtenaar lichamelijk en/of geestelijk letsel wordt toegebracht.”
Op een gelijkaardig in zaak 152/77 aangevoerd argument heb ik in mijn conclusie reeds geantwoord, dat dit artikel enkel een definitie geeft van het begrip „ongeval” en daarbij vanzelfsprekend uitgaat van een aantasting van de lichamelijke of geestelijke integriteit, maar dat het niets zegt over de aard van de krachtens artikel 73 toe te kennen uitkering (Jurispr- 1979, blz. 2859). Op deze wijze laat zich dus niet bewijzen dat vergoedingen bij ongevallen alleen wegens aantasting van de lichamelijke integriteit worden betaald.
b)
In de onderhavige zaak is in de eerste plaats van belang, hoe volgens de ons ter beschikking staande gegevens de in het kader van de Luxemburgse procedure toegekende vergoeding moet worden gekwalificeerd. Het spreekt voor zich, dat daarbij het Luxemburgs recht beslissend is. Als ik mij niet vergis, is naar Luxemburgs recht sprake van invaliditeit bij een „perte ou une entrave dans les moyens d'action”. De invaliditeit wordt dan berekend aan de hand van de vermindering van de arbeidsgeschiktheid, waarbij de inkomensderving van geen belang is (Thiry, Actions et recours des assurances sociales devant les juridictions répressives, blz. 114). Uitgaande van deze rechtssituatie en omdat er geen „functionele gevolgen in de eigenlijke zin” waren, heeft de deskundige uitdrukkelijk vastgesteld dat er niet van een blijvende gedeeltelijke invaliditeit kon worden gesproken. Wanneer hij niettemin wegens „de voorbijgaande traumatische effecten en minimale duurzame gevolgen” (lichte neuralgie aan het achterhoofd, weergevoelige en tamelijk ontsierende littekens ter hoogte van de linkerknieschijf) een vergoeding ten bedrage van BFR 50000 passend vond, dan kan dat volgens verzoekster in feite slechts een vergoeding zijn voor morele schade in ruime zin.
c)
Vraagt men zich anderzijds af, hoe de door het Parlement betaalde vergoeding moet worden gekwalificeerd, dan komt na alles wat in de loop van het geding duidelijk is geworden, slechts een indeling onder artikel 12 van de Regeling in aanmerking.
Daarbij is van belang dat de raadgevend arts in zijn rapport over de gevolgen van het ongeval kort en bondig concludeert: „l'invalidité est de 6 %.” Ook de gemachtigde van het Parlement heeft ter terechtzitting op een vraag van het Hof slechts kunnen antwoorden, dat een invaliditeitsuitkering was. toegekend. Zo ook is er in de in het begin vermelde brief van het hoofd van de afdeling Sociale zaken van 16 januari 1980, waarin de uitslag van het onderzoek werd meegedeeld en gesproken werd van een „invalidité permanente partielle de 6 %” niets wat erop wijst dat het daaruit voortvloeiende bedrag op grond van artikel 14 van de Regeling zou zijn berekend, dus met overeenkomstige toepassing van de in artikel 12 bedoelde invaliditeitsschaal.
Wij moeten derhalve aannemen dat de door het Parlement betaalde vergoeding is toegekend met het oog op een — zij het slechts geringe — vermindering van bet arbeidsvermogen, dit wil zeggen, dat het geen compensatie is voor morele, maar voor materiële schade.
d)
Aan de duidelijke consequentie hiervan valt niet te ontkomen: aangezien het Parlement niet heeft weten aan te tonen dat voldaan was aan de voorwaarden voor subrogatie — gelijksoortigheid van de door het Parlement en de op grond van de Luxemburgse procedure door de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke derde verstrekte uitkeringen —, heeft het laatstbedoelde uitkering ten onrechte in mindering gebracht. Mitsdien moet het bestreden besluit worden nietigverklaard en moet worden vastgesteld dat verzoekster tegenover het Parlement recht heeft op betaling van de volledige schadevergoeding ten bedrag van BFR 292582.
3.
Ook verzoeksters vordering tot betaling van rente over het saldo vanaf de datum waarop de aftrek is toegepast, is mijns inziens gegrond.
Te dezen moet niet zozeer worden gelet op de rechtspraak over de vergoeding van ongevalschade, volgens welke in aanmerking is te nemen of de vertraging in de uitbetaling te wijten is aan een onrechtmatige gedraging van de administratie (zaak 152/77), dan wel of die betaling ten onrechte werd vertraagd (arresten van 21 mei 1981, zaak 156/80, Morbelli, en 14 juli 1981, zaak 186/80, Suss, Jurispr. 1981, blz. 1357 en 2041). In deze zaken en ook in zaak 115/76 (arrest van 16 maart 1981, Leonardini, Jurispr. 1978, blz. 735), ging het immers telkens om de vraag of de invaliditeitsprocedure wel vlot genoeg was afgewikkeld, en zo nee, wie er dan verantwoordelijk voor was, dat de invaliditeitsgraad na de stabilisatie van de letsels niet tijdig was vastgesteld om zodoende de betalingsverplichting te doen ontstaan.
Hier echter gaat het enkel om de wettigheid van de aftrek van het door de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke derde betaalde bedrag van de vergoeding die door het Parlement was toegekend. Het is daarom geraden zich te baseren op de rechtspraak omtrent een overeenkomstige problematiek — weduwen- en wezenpensioenen die na een ongeval opeisbaar worden (arrest van 16 oktober 1980, gevoegde zaken 63 en 64/79, Boizard, Jurispr. 1980, blz. 2975). Wanneer daar, na de vaststelling dat aftrek niet geoorloofd was, rente is toegekend vanaf het ogenblik van die aftrek, dan dient dat ook in de onderhavige zaak te gebeuren — dus juist gewoon zoals in zaak 185/80 (Garganese, arrest van 2 juli 1981, Jurispr. 1981, blz. 1785) die betrekking had op de betaling van de ontheemdingstoelage — en moeten wij verzoekster moratoire interessen toekennen teneinde haar in de situatie te brengen waarin zij zich zou hebben bevonden wanneer haar op het juiste tijdstip het volledige bedrag van de schadevergoeding was uitgekeerd.
4.
Mitsdien concludeer ik tot gegrondverklaring van het beroep, nietigverklaring van het besluit van 24 juli 1980, en veroordeling van het Parlement tot betaling van BFR 50000 vermeerderd met 6 % rente 's jaars vanaf 24 juli 1980. Bij een uitspraak in deze zin zal het Parlement ook in de kosten van het geding moeten worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy