CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 5 MEI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Het thans te behandelen verzoek om een prejudiciële beslissing van het Bundesfinanzhof betreft, evenals uw recente arrest van 9 februari 1982 in de zaak-Polydor, de uitlegging van een bepaling van de op 22 juli 1972 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal, namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972.
De feiten zijn de volgende :
Verzoekster in het hoofdgeding, C. A. Kupferberg & Cie. KG a. A., te Mainz, liet in augustus 1976 portwijnen uit Portugal in de Bondsrepubliek Duitsland inklaren.
Dit produkt wordt vervaardigd door stopzetting van de gisting van het basisprodukt wijn; het uiteindelijke alcoholgehalte wordt bereikt door toevoeging van produkten verkregen bij het distilleren van wijn. Volgens de definitie in artikel 2 van verordening nr. 948/70 van de Raad van 26 mei 1970 valt portwijn onder„likeurwijnen” in de zin van het „Branntweinmonopolgesetz”. Volgens de artikelen 151 en 152 van deze wet, wordt bij de invoer van likeurwijnen een „Monopolausgleich” geheven over het alcoholgehalte boven 14 volumepercenten; dit recht komt — zoals het Hof uit eerdere procedures is gebleken — overeen met de „Branntweinsteuer” of de „Branntweinaufschlag”.
Overeenkomstig deze bepalingen hief het Hauptzollamt over het alcoholgehalte van de portwijn boven 14 volumepercenten een bedrag aan Monopolausgleich van DM 18103,80, volgens het destijds geldende tarief van DM 1650/hl ethylalcohol.
De firma Kupferberg kwam hiertegen in beroep bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, dat de belastingaanslag wijzigde in die zin, dat de Monopolausgleich werd verlaagd tot DM 16303,80. Het Finanzgericht was van oordeel dat er termen aanwezig waren om voor bij de vervaardiging van binnenlandse likeurwijnen gebruikte vruchtenbrandwijn de Branntweinaufschlag te verlagen met 21 %, overeenkomstig artikel 72, paragraaf 2, Branntweinmonopolgesetz, voor zover deze brandwijn wordt geproduceerd door coöperatieve vruchtendistilleerderijen die ook het recht hebben de wijn te verwerken. Deze vraag of de binnenlandse coöperatieve vruchtendistilleerderijen op het tijdstip van invoer inderdaad gedistilleerd uit wijn vervaardigden, is volgens het Finanzgericht niet relevant, aangezien het Branntweinmonopolgesetz deze mogelijkheid in ieder geval voorziet, hetgeen een wettelijke discriminatie ten opzichte van gelijksoortige ingevoerde ethylalcoholprodukten oplevert.
Het Hauptzollamt stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, waarop het Bundesfinanzhof bij beschikking van 24 maart 1981 het geding schorste en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag, of het discriminatieverbod van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en de Republiek Portugal rechtstreeks toepasselijk is en rechten doet ontstaan voor verzoekster. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst volgens het Bundesfinanzhof voorts de vraag of deze bepaling dezelfde inhoud heeft als artikel 95 EEG-Verdrag, en of zij ook van toepassing is bij de invoer van portwijn.
Slechts voor het geval dat deze vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt het Bundesfinanzhof of artikel 95 EEG-Verdrag of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal ook reeds geldt, wanneer er slechts sprake is van een potentiële discriminatie, dat wil zeggen wanneer vanuit zuiver juridisch oogpunt de mogelijkheid van discriminatie bestaat, doch deze discriminatie in feite is uitgesloten, doordat over gelijksoortige binnenlandse produkten zonder uitzondering dezelfde belasting wordt geheven als over ingevoerde produkten. Ervan uitgaande dat de Duitse belastingregeling voorts nog onderscheid maakt tussen gedistilleerde wijn, enerzijds, en wijnen waarvan het hoge alcoholgehalte voortkomt uit natuurlijke gisting, anderzijds, vraag het Bundesfinanzhof het Hof tenslotte of, gezien de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag te maken lastenvergelijking, portwijn niet alleen gelijksoortig aan binnenlandse likeurwijnen is, doch ook moet worden vergeleken met wijnen waarvan het alcoholgehalte voortkomt uit natuurlijke gisting.
I —
Logischerwijs vraag de Vile Senat van het Bundesfinanzhof terecht in de eerste plaats, of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal rechtstreeks toepasselijk is in die zin, dat de marktdeelnemers zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen op deze bepaling, die luidt als volgt:
„De partijen bij de overeenkomst onthouden zich van iedere maatregel of gedraging van intern fiscale aard die al dan niet rechtstreeks leidt tot discriminatie tussen de produkten van een partij bij de overeenkomst en de gelijksoortige produkten van oorsprong uit de andere partij.”
Zoals bekend heeft de Court of Appeal te Londen in de zaak-Polydor reeds een vraag gesteld over de rechtstreekse werking van een bepaling uit de overeenkomst EEG—Portugal; het ging daarbij om de in artikel 14, lid 2, voorziene verplichting de kwantitatieve invoerbeperkingen af te schaffen. In uw arrest van 9 februari 1982 bent u niet aan die vraag toegekomen, gezien het antwoord op de overige vragen. Doch ik deel de mening van de regeringen van Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en van de Commissie, dat in casu bezwaarlijk voorbij kan worden gegaan aan de vraag of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal rechten doet ontstaan die voor de nationale rechter geldend kunnen worden gemaakt.
Daar ik mijn standpunt in dezen reeds heb ontvouwd in mijn conclusie in de zaak-Polydor, wil ik thans slechts herinneren aan de belangrijkste redenen die naar mijn mening nopen tot een ontkennend antwoord op deze vraag.
In de eerste plaats valt voor de rechtsgevolgen van de verschillende bepalingen van deze overeenkomst niets af te leiden uit de vorm van de rechtshandeling, waarmee de Raad de overeenkomst namens de Gemeenschap heeft gesloten en goedgekeurd.
Zoals het Bundesfinanzhof terecht op-. merkt, zijn de tot dusver door het Hof van Justitie gewezen arresten inzake de rechtstreekse werking van tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten, evenmin concludent. Zo heeft u een dergelijke rechtstreekse werking toegekend aan een aantal bepalingen van de overeenkomst van Jaoende van 1973, daar die overeenkomst niet berustte op de wederkerigheid, doch bijzondere voordelen wilde toekennen aan bepaalde Afrikaanse staten en Madagascar. Van een dergelijke dissymmetrie is evenwel geen sprake bij de overeenkomst EEG—Portugal, die op het beginsel van volstrekte gelijkheid berust.
In het arrest van 30 april 1974 (zaak 181/73, Haegeman, Jurispr. 1974, blz. 449) heeft u duidelijk uitgemaakt, dat de associatieovereenkomst tussen de Gemeenschap en Griekenland een bestanddeel van de communautaire rechtsorde vormt en daarmee aan een aantal bepalingen van deze overeenkomst rechtstreekse werking toegekend. In mijn conclusie in de zaak-Pabst en Richarz, heb ik mij daarom ook op het standpunt gesteld, dat artikel 53, lid 1, van de overeenkomst EEG—Griekenland een dergelijke werking had, zowel gezien de doelstellingen en de inhoud van de associatieovereenkomst, als gezien de tekst van deze bepaling, die vergelijkbaar is met de tekst van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag. In de onderhavige zaak is de vrijhandelsovereenkomst met Portugal echter enerzijds, qua doelstellingen en inhoud, beperkter dan de associatieovereenkomst; anderzijds verschilt de tekst van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal, zoals wij zullen zien, aanzienlijk van de overeenkomstige bepalingen van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag.
Tenslotte kan, anders dan verzoekster in het hoofdgeding meent, ook geen beroep worden gedaan op's Hofs arrest van 13 maart 1979 (zaak 91/78, Hansen, Jurispr. 1979, biz. 935). Weliswaar is de daarin uitgelegde bepaling, namelijk artikel 5, lid 1, van besluit nr. 70/549 van 23 september 1970, bijna identiek aan artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal, maar ze is een integrerend onderdeel van een eenzijdige rechtshandeling, waarbij de Gemeenschap heeft besloten bepaalde voordelen toe te kennen aan de daarin genoemde geassocieerde landen en gebieden overzee. Ook dit besluit bevat de reeds genoemde dissymmetrie, die de enige rechtvaardigingsgrond vormt voor het aannemen van rechtstreekse werking.
Daartegen heeft u in het arrest van 12 december 1972 (gevoegde zaken 21-24/72, International Fruit Company, Jurispr. 1972, blz. 1219) uitgemaakt dat artikel XI van de GATT — dat betrekking heeft op de opheffing van kwantitatieve beperkingen — niet rechtstreeks toepasselijk is, omdat de bepalingen van de GATT, die uitdrukkelijk zijn gericht tot de Staten als „verdragsluitende partijen”, worden gekenmerkt door een grote soepelheid.
Ik meen dat hetzelfde geldt voor de overeenkomst EEG—Portugal: de bepalingen daarvan zijn, evenals die van de GATT, minder strikt dan die van het EEG-Verdrag; zij bevat een aantal vergaande afwijkende bepalingen en kan zelfs worden opgezegd; de overeenkomst houdt één jaar na de kennisgeving van de opzegging op van kracht te zijn (artikel 37). Voor de verschillen in inhoud, structuur en doeleinden tussen het EEG-Verdrag en de overeenkomst EEG— Portugal, moge ik verwijzen naar mijn conclusie in de zaak-Polydor. Ik acht het te dezen bijzonder significant dat de overeenkomst EEG—Portugal — evenals de andere vrijhandelsovereenkomsten — geen rechterlijke instantie aanwijst voor de beslechting van geschillen, doch alleen verwijst naar de overlegprocedure in het „gemengd comité” (artikel 32 en volgende). Zou men nu rechtstreekse werking toekennen aan een bepaling van deze overeenkomst, zonder dat vaststaat dat een particulier zich in Portugal onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde gevolgen wat betreft de rechtsbescherming op die bepaling kan beroepen, dan zou dit, wegens het ontbreken van wederkerigheid, leiden tot behandeling van de Gemeenschap, hetgeen niet in overeenstemming is met de tot uiting gekomen wil van de overeenkomstsluitende partijen.
In uw arrest-Polydor van 9 februari 1982 heeft u duidelijk gewezen op het verschil in doelstellingen tussen de overeenkomst EEG—Portugal, die „de liberalisatie van het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Portugal beoogt”, en het EEG-Verdrag, dat „de nationale markten wil verenigen tot één enkele markt die de kenmerken van een binnenlandse markt vertoont”. Bij de gelegenheid heeft u erop gewezen dat een dergelijk onderscheid te meer noodzakelijk is, „omdat er in het kader van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en Portugal geen equivalent bestaat voor de instrumenten waarover de Gemeenschap beschikt om binnen de gemeenschappelijke markt een eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en een geleidelijke afschaffing van wettelijke dispariteiten te verwezenlijken.” Bijgevolg heeft u beslist, dat ondanks de gelijkenis in de bewoordingen van de artikelen 14, lid 2, en 23 van de overeenkomst EEG—Portugal enerzijds, en de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag anderzijds, niet voldoende redenen bestaan om de jurisprudentie inzake de laatstgenoemde bepalingen te transponeren op het stelsel van de overeenkomst EEG—Portugal.
Hetzelfde geldt met betrekking tot de vergelijking tussen artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal en artikel 95 EEG-Verdrag. Sinds het arrest van 16 juni 1966 (zaak 57/65, Lütticke, Jurispr. 1966, blz. 345) is het vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 95 EEG-Verdrag rechtstreekse werking heeft, hoewel deze bepaling — naar de letter — slechts gericht is tot de Lid-Staten. In dat arrest wordt uitdrukkelijk overwogen dat het stelsel van artikel 95, eerste alinea, volgens hetwelk uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten niet aan zwaardere binnenlandse belastingen mogen worden onderworpen dan soortgelijke nationale produkten, ten doel heeft te verzekeren dat de onderdanen der Gemeenschap voor de nationale wetgevingen gelijk worden behandeld en in dat opzicht „op fiscaal gebied als de onmisbare grondslag der gemeenschappelijke markt moet worden beschouwd”. Hieruit volgt dat de draagwijdte van deze rechtspraak moet worden beoordeeld in het licht van de doelstellingen en de activiteit van de Gemeenschap, zoals omschreven in de artikelen 2 en 3 EEG-Verdrag. Zoals u reeds heeft vastgesteld in het arrest van 15 juli 1964 (zaak 6/64, Costa t. Enel, Jurispr. 1964, blz. 1198), wordt ervan uitgegaan dat „het EEG-Verdrag, anders dan met gewone internationale verdragen het geval is, een eigen rechtsorde in het leven heeft geroepen, die bij de inwerkingtreding van het Verdrag in de rechtsorde der Lid-Staten is opgenomen en waarmee de nationale rechters rekening dienen te houden”.
Zoals ik heb aangetoond, kan deze opvatting niet worden getransponeerd op de overeenkomst met Portugal, daar deze naar doel en wezen verschilt van het EEG-Verdrag en uitsluitend beoogt een vrijhandelszone tussen de overeenkomstsluitende partijen in het leven te roepen.
II —
Dan kom ik thans op de tweede vraag van het Bundesfinanzhof, namelijk of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal een met artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag overeenkomend discriminatieverbod bevat. Nu de eerste vraag ontkennend is beantwoord, behoeft de tweede vraag slechts subsidiair te worden onderzocht, doch het antwoord daarop levert een nieuw argument op tegen de rechtstreekse werking van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal.
1)
Sinds het arrest-Lütticke is het vaste rechtspraak van het Hof dat het discriminatieverbod van artikel 95, eerste alinea, een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting schept, waarvan de uitvoering of de gevolgen niet afhankelijk zijn van enigerlei handeling van de gemeenschapsinstellingen of de Lid-Staten en die dus rechtstreekse gevolgen kan teweegbrengen in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen. Bovendien heeft u in het arrest van 4 april 1968 (zaak 27/67, Fink-Frucht, Jurispr. 1968, blz. 315) een dergelijke werking toegekend aan artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag, dat „als een verbodsbepaling zonder meer is te beschouwen, welke de tegenhanger vormt van het in de eerste alinea omschreven verbod”. Hiertoe heeft u uitdrukkelijk overwogen, dat deze bepaling weliswaar ten dele van een beoordeling der economische feiten afhankelijk is, doch dat dit niet wegneemt dat de nationale rechter bevoegd en verplicht is de eerbiediging van de verdragsregelen te verzekeren. In de arresten van 27 februari 1980 (zaken 168/78, Commissie t. Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 347; 169/78, Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 385 en 171/78, Commissie t. Denemarken, Jurispr. 1980, blz. 447), betreffende het gelijksoortig karakter van de belasting op alcoholhoudende dranken, hebt u dan de vraag in het midden gelaten of bedoelde dranken al d;..i niet, geheel of gedeeltelijk, gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea, waren, gezien de moeilijkhedi n bij het hanteren van materiële onderscheidingscriteria. U stelde vast dat de ingevoerde dranken althans gedeeltelijk in een concurrentieverhouding stonden met de betrokken nationale produkten en dat dus schending van artikel 95, tweede alinea, moest worden aangenomen.
In een andere reeks arresten (onder meer van 17 februari 1976, Rewe-Zentrale, Jurispr. 1976, blz. 81; 22 juni 1976, Bobie, Jurispr. 1976, blz. 1079, en 10 oktober 1978, Hansen & Balle, Jurispr. 1978, blz. 1787) heeft uw Hof schending van artikel 95, eerste alinea, aangenomen wanneer de nationale belastingregeling in bepaalde gevallen aan nationale produkten voordelen toekende, waarvoor ingevoerde produkten niet in aanmerking konden komen.
Deze jurisprudentie valt te verklaren uit het doel van artikel 95, dat, zoals het Hof in zaak 168/78 heeft bevestigd, erin bestaat „de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en geïmporteerde produkten”.
2)
Vergelijkt men in het licht van deze jurisprudentie artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal met artikel 95 EEG-Verdrag, dan moet allereerst worden vastgesteld dat de overeenkomst EEG—Portugal niet ten doel heeft „volstrekte neutraliteit ten aanzien van de mededinging” in te voeren in het kader van een geïntegreerde economie. Bijgevolge kan een bepaling van deze Overeenkomst inzake belastingdiscriminaties, hoezeer ook gesteld in dezelfde of soortgelijke bewoordingen als artikel 95 EEG-Verdrag, evenmin zo worden uitgelegd, dat zij een dergelijk doel beoogt. Gezien het meer beperkte doel van deze Overeenkomst, is bij een dergelijke non-discriminatieclausule alleen van belang of de belastingmaatregelen inderdaad een protectionistische werking hebben ten aanzien van ingevoerde goederen, en daarmee de afschaffing van de belemmeringen van het handelsverkeer kunnen bedreigen.
Een dergelijke uitlegging is in overeenstemming met het discriminatieverbod van artikel III, lid 2, GATT, en van artikel 6 van de EFTA-overeenkomst van 1959 (Verdrag van Stockholm), waarin rekening wordt gehouden met de protectionistische werking van de belastingregeling.
Bij onderzoek van de vraag of er sprake is van een dergelijke protectionistische werking bestaat er een ruime beoordelingsmarge, waarin noodzakelijkerwijs overwegingen van economische en fiscale politiek aan de orde komen. Wordt aan artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal rechtstreekse werking toegekend, dan zouden de rechterlijke instanties in hun uitspraken kunnen vooruitlopen op de beslissingen van het gemengd comité. De door de overeenkomstsluitende partijen gewilde procedure van politieke besluitvorming zou dan worden overgebracht naar de rechterlijke macht en uiteenlopende uitspraken van nationale rechters zouden aanleiding kunnen geven tot onevenwichtigheden bij de uitvoering van de overeenkomst, hetgeen ook niet verenigbaar zou zijn met het karakter van wederkerigheid van de overeenkomst EEG—Portugal.
Zelfs wanneer men het standpunt zou willen verdedigen, dat het criterium van de protectionistische werking van belastingmaatregelen in artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal niet voorkomt en dat deze bepaling qua inhoud overeenkomt met artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, moet hetzelfde voorbehoud worden gemaakt, want blijkens de rechtspraak ter zake van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, bestaat er ook ten aanzien van het begrip gelijksoortigheid een ruime beoordelingsmarge, zodat aan het verbod van belastingdiscriminatie in de overeenkomst EEG—Portugal geen rechtstreekse werking in de zin van's Hofs rechtspraak kan worden toegekend.
3.
Indien gelijkluidende bepalingen in verschillende internationale overeenkomsten niet per se dezelfde betekenis behoeven te hebben, geldt zulks a fortiori voor bepalingen — zoals de onderhavige — die aanzienlijke verschillen in redactie vertonen. Artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag betreft de gelijkheid van belastingen, terwijl artikel 21 van de overeenkomst EEG—Portugal betrekking heeft op „iedere maatregel of gedraging van intern fiscale aard”, die leidt tot „discriminatie”. Uit de nadruk op dit laatste punt blijkt in ieder geval, dat de overeenkomstsluitende partijen, meer dan in artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, wilden letten op de economische gevolgen van daadwerkelijke discriminatie, en niet zozeer op het verschil in belastingen.
In vergelijking met het EEG-Verdrag valt voorts op, dat de overeenkomstsluitende partijen hebben afgezien van een met artikel 95, tweede alinea, overeenkomende bepaling, en met het discriminatieverbod in de overeenkomst EEG— Portugal duidelijk een minder vergaande oplossing wilden kiezen. Derhalve is het feit dat artikel 21, eerste alinea, van deze overeenkomst zich beperkt tot gelijksoortige produkten, noodzakelijkerwijs van groter belang dan het geval is bij artikel 95, waarvoor zo nodig een beroep kan worden gedaan op de algemene bepaling van de tweede alinea.
4.
Tenslotte blijkt uit de door de Commissie in detail beschreven ontstaansgeschiedenis van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal, dat de overeenkomstsluitende partijen in verband met de engere doelstelling van de vrijhandelsovereenkomst aan deze bepaling een beperkter draagwijdte wilden toekennen dan aan het overeenkomstige discriminatieverbod van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag.
III —
Met het oog op deze opmerkingen behoeft eigenlijk niet meer op de andere vragen te worden ingegaan. Toch wil ik daarover — zuiver subsidiair — de volgende opmerkingen maken.
1)
De verwijzende rechter vraagt u of, gezien de bijzondere regels van protocol nr. 8 bij de overeenkomst, artikel 21, eerste alinea, ook van toepassing is bij de invoer van portwijn.
Het antwoord op deze vraag volgt uit artikel 2 van de overeenkomst, dat in het algemeen het materiële toepassingsgebied van de overeenkomst vastlegt. Volgens deze bepaling is de overeenkomst onder meer van toepassing op de produkten genoemd in de protocollen nrs. 2 en 8 — landbouwprodukten en verwerkte produkten — „met inachtneming van de daarin vastgestelde bijzondere regels”. Het verbod van belastingdiscriminatie bedoeld in artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst wordt echter niet beïnvloed door de — in de protocollen nrs. 2 en 8 vastgestelde — bijzondere regels inzake de verlaging van de heffing bij invoer, zodat de in protocol nr. 8 genoemde produkten moeten vallen onder de algemene bepalingen van de overeenkomst. Voor het overige laat dit protocol de aan artikel 21, eerste alinea, toe te kennen strekking onverlet.
2)
De verwijzende rechter vraagt voorts of ingevoerde produkten krachtens artikel 95 EEG-Verdrag of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal ook belastingvoordelen moeten genieten, met andere woorden, of de voordelen die ingevolge het Branntweinmonopolgesetz theoretisch voor nationale produkten gelden, ook moeten worden toegekend aan gelijksoortige ingevoerde produkten. Ik ben het met het Bundesfinanzhof eens, dat reeds uit de bewoordingen van artikel 95, EEG-Verdrag en uit's Hofs rechtspraak — met name de arresten van 30 oktober 1980 (zaken 45/75, 148/77, 26/80, Firma Schneider-Import GmbH en Co. KG, Jurispr. 1980, blz. 3469) en van 7 mei 1981 (zaak 153/80, Rumhaus Hansen, Jurispr. 1981, blz. 1165) kan worden afgeleid dat slechts met behulp van een concrete vergelijking van de belastingen de vraag kan worden beantwoord, of er al dan niet sprake is van belastingdiscriminatie in de zin van deze bepaling. Potentiële belastingvoordelen voor gelijksoortige nationale produkten, die ingevolge de nationale wet weliswaar theoretisch gelden, doch niet in concreto kunnen worden gerealiseerd, behoeven dus niet enkel op grond van deze bepalingen in aanmerking te worden genomen.
Dit geldt in het bijzonder met betrekking tot artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal, welke bepaling — zoals ik heb aangetoond — een beperkte draagwijdte heeft en slechts beoogt te voorkomen dat aan nationale produkten voordelen van protectionistische aard worden toegekend. In het kader van deze bepaling moet dus alleen worden nagegaan of een belastingvoordeel de invoer van vergelijkbare produkten inderdaad benadeelt, hetgeen slechts kan worden vastgesteld door een onderzoek van het feitelijk volume van de bevoordeelde nationale produktie en de omvang van de gevolgen daarvan voor de mededinging. Uit de stukken blijkt, dat de bevoordeling van in de Gemeenschap geproduceerde „likeurwijnen” ten opzichte van portwijnen — aangenomen dat deze produkten vergelijkbaar zijn — tengevolge van de mogelijkheid deze likeurwijnen te produceren door middel van alcohol die een vrijstelling geniet, louter theoretisch is, want het vergelijkbare nationale produkt wordt in concreto en in de praktijk door dezelfde belasting getroffen als het ingevoerde produkt, zodat er geen sprake is van discriminatie.
3.
Tenslotte moet ook ontkennend worden geantwoord op de laatste vraag, namelijk of het in artikel 21 van de overeenkomst EEG—Portugal voorziene discriminatieverbod een onderscheid naar de samenstelling van de produkten uitsluit. Het Bundesfinanzhof stelt deze vraag in verband met het feit dat de Duitse wetgever onderscheid maakt tussen enerzijds belasting op wijnen waaraan alcohol is toegevoegd, waartoe likeurwijnen en portwijnen behoren, en anderzijds de belasting op wijnen met een relatief hoog alcoholgehalte, dat echter uit natuurlijke gisting voortkomt.
In de zaak Bobie (Jurispr. 1976, blz. 1079) heeft uw Hof met betrekking tot artikel 95 EEG-Verdrag verklaard voor recht, dat deze bepaling de vrijheid der Lid-Staten om het voor elk produkt meest geschikt geachte belastingstelsel in te voeren, niet beperkt. In de zaken-Schneider-Import (Jurispr. 1980, blz. 3469), Rumhaus Hansen (Jurispr. 1981, blz. 1165) en in de arresten van 14 januari 1981 (zaak 140/79, Chemial Farmaceutici, Jurispr. 1981, blz. 1; zaak 46/80, Vinal, Jurispr. 1981, blz. 77), hebt u verder duidelijk gesteld dat een gedifferentieerde belastingheffing op produkten die op dezelfde wijze en voor dezelfde doeleinden kunnen worden gebruikt, op zichzelf geen discriminatie in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag oplevert, indien het verschil in behandeling berust op rechtmatige, objectief gerechtvaardigde criteria, zoals de aard van de toegepaste grondstoffen of produktieprocédés. Dit geldt a fortiori voor artikel 21 van de overeenkomst EEG—Portugal. Het Bundesfinanzhof heeft terecht vastgesteld dat er gezien deze criteria niets valt te zeggen tegen een gedifferentieerde belastingregeling voor wijnen waaraan alcohol is toegevoegd enerzijds en voor normale wijn anderzijds.
IV —
In antwoord op de gestelde vragen concludeer ik mitsdien dat u voor recht verklare dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst van 22 juli 1972 tussen de Europese Economische Gemeenschap en Portugal — dat een beperkter draagwijdte heeft dan artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag — niet rechtstreeks toepasselijk is in de communautaire rechtsorde en voor particulieren geen rechten doet ontstaan waarop zij zich voor de nationale rechter kunnen beroepen.
( 1 ) Vertaald uit hel Frans.
Full & Egal Universal Law Academy