CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 8 JULI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een beroep van Dominique Noëlle Oberthür tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen; zij vordert nietigverklaring van een aantal besluiten die enerzijds betrekking hebben op haar beoordelingsrapporten en anderzijds op haar tewerkstelling.
De feiten zijn de volgende.
1.
In een eerder beroep (zaak 24/79) had verzoekster, ambtenaar van de Commissie met als standplaats Brussel, de bevorderingsprocedure voor de rang B voor het jaar 1978 aangevallen.
Bij arrest van 5 juni 1980 veroordeelde het Hof (Eerste kamer) de Commissie om haar als schadevergoeding een bedrag van BFR 20000 te betalen; het verwees de Commissie bovendien in de kosten.
Die uitspraak berustte op de overweging, dat verzoeksters beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1975 tot 30 juni 1977, dat volgens artikel 43 van het Statuut had moeten dienen als basis voor het vergelijkend onderzoek van de verdiensten de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren, niet tijdig was opgesteld, in tegenstelling tot de beoordelingsrapporten van haar collega's.
Nadien handhaafde de beoordelaar in beroep, bij nota van 4 juli 1980, het beoordelingsrapport van 4 april 1979 zonder enige wijziging.
In de onderhavige zaak richten Oberthürs bezwaren zich tegen de omstandigheden waaronder dit rapport tot stand is gekomen. Zij stelt met name, dat achteraf wijziging is gebracht in haar tewerkstelling, die bepalend is voor het gezag dat bevoegd is om haar beoordeling op te stellen, en dat zij als gevolg daarvan is onttrokken aan de bevoegdheid van de beoordelaar die wegens haar feitelijke tewerkstelling eigenlijk bevoegd was.
Om te beginnen wil ik opmerken dat verzoekster geen werkelijk belang lijkt te hebben bij dit nieuwe beroep. Zou immers haar beoordelingsrapport inderdaad gebrekkig blijken te zijn, dan zou dit geen andere gevolgen kunnen hebben dan die welke het uitvloeisel zijn van het feit dat het te laat is opgesteld.
Het Hof heeft echter reeds alle consequenties getrokken uit het feit dat het rapport niet tijdig was opgesteld, door namelijk in plaats van de door verzoekster in zaak 24/79 gevorderde nietigverklaring uit te spreken, de Commissie te veroordelen tot een schadevergoeding wegens een dienstfout.
Het overwoog daartoe — in r.o. 13 van het arrest —, dat de nietigverklaring van de bevordering van de ambtenaren die daadwerkelijk waren bevorderd, een te strenge sanctie voor de begane onregelmatigheid zou vormen, dat — r.o. 14 — de toekenning van een vergoeding in casu de vorm van schadeloosstelling was die het best tegemoet kwam aan de belangen van verzoekster en aan het dienstbelang.
Het voegde hieraan nog toe — r.o. 15 —, dat „bij de raming van de geleden schade dient te worden bedacht dat de verzoekster kan deelnemen aan een volgende bevorderingsprocedure waarvan de Commissie het regelmatige verloop zal moeten verzekeren.”
De Commissie heeft gevolg gegeven aan deze aanmaning, want bij besluit van 24 november 1980 is verzoekster met terugwerkende kracht to 1 januari 1980bevorderd tot de rang B2, derde salaristrap.
Ook in zijn vierde en definitieve versie heeft het beoordelingsrapport van verzoekster over het tijdvak 1975—1977, dus geen belemmering opgeleverd voor de verdere ontwikkeling van haar loopbaan. Er is haar ten volle recht wedervaren.
2.
Enkele in dit nieuwe beroep aangevoerde middelen vertonen echter op zichzelf een zeker belang, en alleen om deze reden wil ik ze nader onderzoeken.
Tot staving van haar vordering tot nietigverklaring stelt verzoekster onder meer:
1)
Niet de formeel juridische, doch de feitelijke tewerkstelling van een ambtenaar is bepalend voor het gezag dat bevoegd is het beoordelingsrapport op te stellen;
2)
Ook indien de formeel juridische tewerkstelling bepalend zou zijn, dan mag deze toch niet het gevolg zijn van een besluit met terugwerkende kracht.
Men kan zich inderdaad de vraag stellen, of de feitelijke dan wel de formeel juridische tewerkstelling bepalend moet zijn voor het gezag dat bevoegd is het beoordelingsrapport op te stellen.
Ik ben geneigd aan te nemen dat de eerste oplossing de beste is, vooral wanneer de betrokkene, zoals hier het geval is, gedurende een tijdvak van twee jaar slechts vier maanden heeft gewerkt bij het directoraatgeneraal waaraan zij officieel verbonden was.
Het feit dat de Gids voor de beoordeling, die door de Commissie is vastgesteld op basis van artikel 43 van het Statuut, in de in het betrokken tijdvak geldende versie voor de tweede oplossing koos, kan hierbij niet de doorslag geven.
De bij de Commissie gebruikte Gids voor de beoordeling heeft trouwens op dit punt wijziging ondergaan.
Terwijl volgens de in juli 1975 geldende tekst moeilijkheden ten aanzien van de bepaling van de bevoegde beoordelaar, „dienen te worden opgelost door naar gelang van het geval rekening te houden met de juridische of met de feitelijke situatie”, bepaalt de vanaf september 1979 geldende tekst dat dergelijke moeilijkheden dienen te worden opgelost door niet alleen „rekening te houden” met de juridische doch ook met de feitelijke situatie (punt B.l.2.2). De zin: „Om zowel juridische als praktische redenen moet de officiële tewerkstelling van de ambtenaar immers de voorrang hebben op de feitelijke situatie”, die vroeger voorkwam onder punt B.l.2.2.2, is in de tekst van september 1979 geschrapt.
Het ligt inderdaad meer voor de hand om op de feitelijke positie van een ambtenaar bij een bepaalde dienst te letten dan op zijn officiële positie.
Uit overwegingen van opportuniteit of eenvoudigheidshalve zal de officiële tewerkstelling van een ambtenaar in bepaalde gevallen moeten prevaleren boven de feitelijke situatie, doch dan moet de officiële tewerkstelling zelf op regelmatige wijze gedurende het beoordelingstijdvak zijn geschied.
In zijn conclusie van 27 maart 1980 heeft advocaatgeneraal Mayras er evenwel op gewezen, dat het besluit van 29 november 1976, waarbij Dominique Obertliür, „tijdelijk ambtenaar in der rang B 3”, met haar ambt B 3/2 werd overgeplaatst naar directoraatgeneraal VII, „Vervoer”, bepaalde fouten vertoonde, en dat daarom op 13 december 1978 een nieuw besluit werd genomen, waarbij verzoeksters voorlopige tewerkstelling op 17 oktober 1975 bij het directoraat VB, „Europees Sociaal Fonds”, werd beëindigd en waarbij zij met terugwerkende kracht tot 1 december 1976 werd tewerkgesteld bij het directoraatgeneraal „Vervoer”.
Het is ondenkbaar dat de bepaling van de bevoegde beoordelaar kan afhangen van een dergelijke wijziging met terugwerkende kracht, wanneer deze wijziging tot gevolg heeft dat een beoordelaar wordt aangewezen — de assistent van verzoeksters chef in plaats van deze chef zelf — van wie in het dossier wordt gezegd dat hij haar niet bijzonder goed gezind was.
Mocht het Hof menen dat het onderzoek van deze beide middelen van verzoekster van belang blijft, dan wil ik voorstellen ze te aanvaarden, doch zonder daaraan enig ander gevolg te verbinden dan de verwijzing van de Commissie in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy