CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 29 OKTOBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Alpha Steel Ltd. keert zich met dit beroep tegen de quotaregeling voor het tweede kwartaal 1981, vastgesteld op basis van beschikking nr. 2794/80/EGKS van de Commissie van 31 oktober 19.0 tot invoering van een quotastelsel voor de produktie van staal voor de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie (PB L 291 van 1980, blz. 1) en beschikking nr. 664/81/EGKS.
Bij beschikking van 6 april 1981, door verzoekster ontvangen op 9 april daaropvolgende, had de Commissie, uitgaande van een referentieproduktiecijfer van 80803 ton en met toepassing van een verminderingspercentage van 35,62 °/o, de quota voor produkten van categorie I, dat wil zeggen warmgewalst breedband en bandstaai gewalst op gespecialiseerde walsgroepen, vastgesteld op 52021 ton. Het quotum voor ruw staal was, uitgaande van 53497 ton en met toepassing van hetzelfde verminderingspercentage, vastgesteld op 34441 ton. Volgens genoemde mededeling waren de quota voorts aangepast overeenkomstig artikel 6 van de algemene beschikking nr. 2794/80.
Op 8 mei 1981 wendde verzoekster zich tot het Hof en vorderde nietigverklaring van de beschikking van 6 april 1981 en veroordeling van de Commissie in de kosten van het geding.
De Commissie concludeert daarentegen tot afwijzing van de vordering met veroordeling van verzoekster in de kosten van het geding.
I —
Evenals in zaak 14/81, waarin verzoekster zich tegen de quotavaststelling voor het eerste kwartaal keert, stelt zij in casu dat beschikking nr. 2794/80 nietig is wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften, bestaande in ontoereikende motivering, en schending van de artikelen 58, eerste en tweede alinea, 74 en 14 EGKS-Verdrag. Verder stelt zij dat de aangevallen beschikking onverenigbaar is met de algemene beschikking waarop zij is gebaseerd, met name de artikelen 4, lid 3, en 14 daarvan.
Daar het standpunt van partijen ten aanzien van deze middelen in grote lijnen identiek is met hun standpunt in zaak 14/81, kan ik in zoverre verwijzen naar mijn conclusie in die zaak, waarin ik uitvoerig op deze argumenten ben ingegaan.
Een aanvulling daarop is slechts in zoverre nodig als verzoekster wederom de onverenigbaarheid van de individuele beschikking met artikel 14 van beschikking nr. 2794/80 aanvoert. Zoals uit de mededeling van 6 april 1981 blijkt, had de Commissie dit keer namelijk bij de vaststelling van de quota voor het tweede kwartaal 1981 geen gebruik gemaakt van artikel 14 van de algemene beschikking. Onder verwijzing naar de bijzondere situatie van haar onderneming vroeg verzoekster daarop bij brief van 21 april 1981 om aanpassing van de quota overeenkomstig artikel 14 van de beschikking. Bij brief van 30 juni 1981, dat wil zeggen nadat het beroep was ingesteld, wees de Commissie het verzoek om toepassing van artikel 14 af, daar het haars inziens, gezien de geringe mate waarin de toegewezen quota in de afgelopen kwartalen en in het lopende kwartaal waren benut, hoogst onwaarschijnlijk was dat verzoekster het totale quotum dat haar ter beschikking stond, nog uit zou putten.
Verzoekster stelt thans dat de Commissie, toen zij artikel 14 voor het eerste kwartaal toepaste, terecht heeft aangenomen dat de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling aanwezig waren. Daarom zou artikel 14 ook voor het tweede kwartaal 1981 zo moeten worden toegepast, dat de quota krachtens deze bepaling worden vastgesteld op een niveau dat boven de referentieproduktie ligt.
Met de Commissie ben ik echter van mening dat ook dit middel niet kan slagen. Verzoekster verlangt nietigverklaring van de op beschikking nr. 2794/80 gebaseerde individuele beschikking van 6 april 1981, die nu een desbetreffend verzoek niet was gedaan, geen verwijzing naar artikel 14 bevat. Op het na de vaststelling van de quota voor het tweede kwartaal door verzoekster ingediende verzoek om toepassing van artikel 14 is echter pas op 30 juni 1981 afwijzend beschikt. Hieruit volgt dat het beroep niet mede betrekking op deze afwijzing kan hebben.
Laat ik hier tenslotte nog aan toevoegen dat, zelfs wanneer dit, in afwijking van de hier verdedigde opvatting, wel zou worden aangenomen, de Commissie, gelet op hetgeen ik in zaak 14/81 naar voren heb gebracht, geen oneigenlijk gebruik van haar discretionaire bevoegdheid kan worden verweten wanneer zij op grond van haar beoordeling der concrete omstandigheden weigert artikel 14 toe te passen. Ik behoef er in dit verband slechts aan te herinneren dat verzoekster na de eerste twee maanden van het tweede kwartaal nog maar ongeveer 16 % van haar quotum voor produkten van categorie I had benut en 0 % van haar quotum voor ruw staal, en dat zij dus geen uitzonderlijke moeilijkheden kon aantonen die ten gevolge van de produktiebeperkingen waren ontstaan.
II —
Op grond hiervan kan ik niet anders dan concluderen tot verwerping van het beroep, met veroordeling van verzoekster in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy