CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 4 FEBRUARI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In casu is voor de Italiaanse Corte suprema di Cassazione, seconda sezione civile, de vraag in geding of het Italiaanse wetsbesluit nr. 425 van 24 juli 1973 (GU nr. 189 van 24 juli 1973, later omgezet in wet nr. 494 van 4 augustus 1973), waarbij prijsverhogingen na 28 juni 1973 werden verboden, van toepassing is op een overeenkomst tussen de firma Fratelli Fancon (hierna: Fancon) en de Società Industriale Agricola Tresse (hierna: SIAT) inzake de verkoop van meel van Braziliaanse sojapulp, gesloten op 2 juli 1973. Fancon betoogt met een beroep op genoemd wetsbesluit, dat zij de overeengekomen koopprijs niet langer verschuldigd is. Volgens SIAT is het wetsbesluit niet van toepassing op grond dat sojameel valt onder verordening nr. 136/66 van de Raad van 22 september 1966 (PB van 1966, blz. 3025, hierna: de verordening), houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliehoudende zaden en vruchten, plantaardige oliën en vetten alsmede oliën en vetten van vis of van zoogdieren; door deze verordening zou de Lid-Staten de bevoegdheid zijn ontnomen, de prijzen van de betrokken produkten te regelen. Artikel 1, lid 2, van de verordening geeft een opsomming van de betrokken produkten, met vermelding van een aantal posten van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) en de omschrijvingen van die posten in genoemd tarief.
De Corte suprema di Cassazione heeft het Hof de prejudiciële vraag voorgelegd
„of meel van sojapulp behoort tot de produkten vermeld in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 136/66 van de Raad van 22 september 1966, en inzonderheid in de posten 12.02, 15.17 en 23.04 van het gemeenschappelijk douanetarief”.
Nu niet is gevraagd wat de gevolgen zullen zijn indien het onderhavige produkt onder de richtlijn valt, zal ik daar niet op ingaan.
Het onderhavige produkt is meel van sojapulp, bestemd om te worden gebruikt als veevoeder. Het is een van de produkten die bij de industriële bewerking van sojabonen worden verkregen. Het procédé is als volgt. De bonen worden om te beginnen schoongemaakt, gebroken en van hun omhulsels ontdaan. De omhulsels worden gebruikt voor veevoeder. De bonen worden vervolgens mechanisch geperst, waarbij de olie wordt afgescheiden. Dit levert een produkt op genaamd perskoek, dat een eiwitgehalte heeft van ongeveer 45 % en een vetgehalte van ongeveer 4 à 5 %. Die olie wordt ook wel, zoals in casu, geëxtraheerd met behulp van oplosmiddelen. In dat geval worden de geperste bonen met hexaan behandeld. De verkregen olie wordt gezuiverd, waarbij lecithine wordt afgescheiden. Hetgeen overblijft na afscheiding van de olie wordt eveneens gezuiverd door verhitting, om de oplosmiddelen geheel te verwijderen. Aldus wordt meel van sojapulp verkregen dat ofwel wordt gemalen en in poedervorm verkocht, ofwel tot pellets wordt verwerkt. De sojabonen zouden bij deze methode ongeveer 80 % meel en 20 % olie opleveren, alsmede 1 % sojalecithine. Beweerd is ook dat het meel twee keer zoveel marktwaarde heeft als de olie. Sojameel heeft een hoger eiwitgehalte dan perskoek en een oliegehalte van circa 1 %, daar volledige extractie onmogelijk is. Bij extractie door oplosmiddelen wordt zoveel olie onttrokken als in een commercieel-industrieel procédé mogelijk is.
Fancon heeft verscheidene algemene argumenten aangevoerd voor haar stelling dat zelfs indien het produkt onder een van de in artikel 1, lid 2, van de verordening vermelde tariefposten valt, het niet wordt beheerst door de betrokken gemeenschappelijke ordening der markten. In de eerste plaats zou de verordening zijn vastgesteld ter bescherming van de produktie van olijfolie en plantaardige en dierlijke vetten in de Gemeenschap. Ten tijde van de vaststelling ervan echter werden sojabonen in de Gemeenschap nog niet geproduceerd. Derhalve, aldus Fancon, gold de gemeenschappelijke marktordening niet voor sojabonen. Eerst vanaf juli 1974, dus na de vaststelling van het Italiaanse wetsbesluit, gold de gemeenschappelijke marktordening ingevolge verordening nr. 1900/74 van de Raad van 15 juli 1974 (PB L 201 van 1974, blz. 5) ook voor sojabonen. In de tweede plaats zou meel van sojapulp in het geheel geen olie of vet bevatten en derhalve niet kunnen vallen onder een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten.
Deze argumenten moeten mijns inziens worden verworpen. Artikel 1, lid 2, van de verordening somt de onder de gemeenschappelijke marktordening vallende produkten op. Niets wijst erop dat hier alleen wordt gedoeld op in de Gemeenschap vervaardigde produkten. Het tegengestelde blijkt juist uit de considerans van de verordening, die uitdrukkelijk spreekt van uit derde landen ingevoerde oliën en oliehoudende zaden. Doel van de verordening mag dan wel de bescherming van de produktie in de Gemeenschap zijn geweest, maar blijkens de considerans heeft de Raad erkend dat dit alleen mogelijk was indien concurrerende produkten door de gemeenschappelijke ordening der markten werden omvat. Mijns inziens kan niet worden gesteld dat sojabonen tot 1974 niet onder de verordening vielen, omdat artikel 1, lid 2, de onder post 12.01 van het GDT vallende „oliehoudende zaden” vermeldt en de Aantekeningen bij hoofdstuk 12 van het GDT bepalen dat sojabonen onder genoemde post vallen. Bij verordening nr. 1900/74 werd een stelsel van richtprijzen en produktiesteun voor sojabonen ingevoerd. Hieruit volgt echter niet dat sojabonen van verordening nr. 136/66 waren uitgesloten. Voorts kan de vraag of van sojabonen afkomstige produkten onder de verordening vallen, niet worden beantwoord onder verwijzing naar verordening nr. 1900/74, die alleen betrekking heeft op sojabonen zelf.
Het is duidelijk dat het procédé waarbij meel van sojapulp wordt verkregen erop is gericht, zo veel mogelijk olie af te scheiden, daar de voornaamste waarde van het meel veeleer in het eiwitgehalte dan in het vetgehalte is gelegen. De stelling dat een dergelijk produkt in beginsel niet onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten valt, is evenwel in direkte strijd met de uitdrukkelijke verwijzing in artikel 1, lid 2, van de verordening bij post 23.04 naar „... bij de winning van plantaardige oliën verkregen afvallen, met uitzondering van droesem of bezinksel ...” Indien het de bedoeling was geweest meel van sojapulp of dergelijke stoffen van de toepassing van de verordening uit te sluiten, had zulks toch in de verordening moeten zijn vermeld. Fancon heeft een vermelding in die zin echter niet kunnen aanwijzen; voor het antwoord op de gestelde vraag is mijns inziens dan ook beslissend of meel van sojapulp onder een van de in artikel 1, lid 2, van de verordening genoemde tariefposten valt.
Voorts is gesteld dat artikel 2 van de verordening niet voorziet in heffingen voor de produkten vermeld in artikel 1, lid 2, sub b, maar alleen bepaalt dat het gemeenschappelijk douanetarief op die produkten moet worden toegepast. Dit is mijns inziens niet relevant voor de onderhavige vraag, nu duidelijk is dat de in artikel 1, lid 2, sub b, vermelde goederen door de richtlijn worden omvat en onder de betrokken gemeenschappellijke ordening der markten vallen.
Van de in artikel 1, lid 2, genoemde tariefposten komen alleen de drie die in de verwijzingsbeschikking worden vermeld in aanmerking. Post 12.02 luidt „meel van oliehoudende zaden en vruchten, waaruit de olie niet is afgescheiden, met uitzondering van mosterdmeel”, en omvat twee onderverdelingen: „A — van sojabonen” en „B — ander”. De Toelichtingen op het Douanetarief van de Europese Gemeenschappen zeggen in het geheel niets over deze post. De Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur verklaren enkel dat de post betrekking heeft op „meel, dat verkregen wordt door de oliehoudende zaden bedoeld bij post 12.02 fijn te maken en waaruit de olie niet is afgescheiden. Van deze post zijn uitgezonderd: ... meel ... waaruit de olie is afgescheiden (post 23.04)”. Partijen zijn het erover eens dat de goederen niet onder deze post vallen.
Ten tijde van de onderhavige feiten luidde post 15.17 als volgt: „afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was”. Ook deze post bevat twee onderverdelingen: „A — welke olie bevatten die de kenmerken van olijfolie heeft” en „B — andere”. De Toelichtingen bij het Douanetarief van de Europese Gemeenschappen zwijgen ook over deze post, maar de Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur verklaren uitdrukkelijk dat hij geen betrekking heeft op „perskoeken, ook die van olijven, en andere bij de winning van plantaardige oliën overblijvende afvallen (post 23.04)”. Fancon en de Commissie zijn — zij het op verschillende gronden — van mening dat meel van sojapulp niet onder post 15.17 vak. SIAT noch de Italiaanse regering hebben op dit punt opmerkingen ingediend bij het Hof.
Post 23.04 omvat „perskoeken, ook die van olijven, en andere bij de winning van plantaardige oliën verkregen afvallen, met uitzondering van droesem of bezinksel”. Hij omvat twee onderverdelingen: „A — perskoeken van olijven en andere bij de winning van olijfolie verkregen afvallen” en „B — andere”. Volgens de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur zijn perskoeken en andere in deze post bedoelde afvallen „vaste residuen, welke overblijven na winning van de olie uit zaden, ... door persen, extraheren met oplosmiddelen of centrifugeren ... De afvallen bedoeld in deze post komen voor in de vorm van platte koeken, van korrels of van grof meel. Deze produkten kunnen eveneens samengeperst zijn in de vorm van cilinders, bolletjes en dergelijke (pellets), met of zonder toevoeging van een bindmiddel”. Op Fancon na is men het erover eens dat het onderhavige produkt onder deze post valt.
Het komt mij voor dat meel van sojapulp om twee redenen niet onder post 12.02 valt:
(i)
de olie is eraan onttrokken, zodat het niet een produkt is „waaruit de olie niet is afgescheiden”;
(ii)
volgens de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur omvat deze post meel, verkregen door de oliehoudende zaden bedoeld bij post 12.01 fijn te maken; het onderhavige produkt echter ondergaat een verdere bewerking.
Het valt evenmin onder post 15.17, daar de Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur perskoeken, ook die van olijven, en andere bij de winning van plantaardige oliën overblijvende afvallen uitdrukkelijk uitsluit. Dit betekent dat de tweede onderverdeling, „andere”, doelt op afvallen die olie bevatten welke niet de kenmerken van olijfolie heeft, en niet op afvallen die weinig of helemaal geen olie bevatten. Het betekent ook dat algehele extractie van de olie niet noodzakelijk is opdat de goederen van de post zijn uitgesloten.
Volgens Fancon valt meel van sojapulp niet onder post 23.04 op grond dat (i) het geen perskoek is maar meel, verkregen door extractie met oplosmiddelen, en (ii) het geen afval is maar het voornaamste produkt van het hele procédé. Met het eerste argument ben ik het eens. De term „perskoek” doelt volgens mij niet op een substantie waaruit zo veel mogelijk olie is verwijderd. Hij kan geen betrekking hebben op een gedroogde stof als het onderhavige meel, waarin zich nog slechts de olie bevindt die commercieel gezien niet kan worden verwijderd. Wat het tweede argument betreft komt het in het normale spraakgebruik vreemd over indien het voornaamste produkt van een procédé met „afval” wordt aangeduid. Het is echter de vraag of het meel afval in de zin van de verordening is. Volgens de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur zijn de onder deze post vallende produkten „vaste residuen, welke overblijven na winning van de olie”. Er wordt geen onderscheid gemaakt al naar gelang de winning van olie voorop staat dan wel de olie een bijprodukt is en het voornaamste doel de verkrijging van — waardevoller — meel met een hoog eiwitgehalte. Het gaat om het resultaat en niet om het doel. Het meel is datgene wat overblijft na afscheiding van de olie en wat mijns inziens wordt bedoeld met „afvallen”. Onder „afval” moet hier mijns inziens niet afval in strikte zin worden verstaan, daar „droesem of bezinksel” van post 23.04 is uitgesloten. Ook volgens de Franse versie zijn „lies” (droesem) en „fèces” (bezinksel) geen „afvallen” in de zin van de betrokken post. De Italiaanse versie sluit met de term „morchie” aan bij de Engelse („dregs”). De Deense en de Duitse versie wijken ietwat af. Volgens de eerste zijn overblijfselen van de zuivering van olie („restprodukter fra rensning af olier”) uitgesloten, terwijl de tweede bezinksel van olie („Oeldrass”) uitsluit. Het komt mij derhalve voor dat „droesem of bezinksel” en de overeenkomstige termen in de andere taalversies wellicht doelen op lecithine maar niet op meel van sojaextract.
Zoals de Italiaanse regering heeft betoogd, hangt indeling in post 23.04 niet af van de vraag of aan het produkt de olie geheel is onttrokken. Volgens de Toelichtingen bij het Douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat deze post ook sommige afvallen met een vetgehalte van niet meer dan 8 %, te weten de bij de winning van olijfolie verkregen produkten en de afvallen die worden verkregen bij de winning van maïskiemolie. Volgens de Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur heeft post 23.04 geen betrekking op „proteïneconcentraten, die verkregen worden door bepaalde bestanddelen af te scheiden uit ontvet sojameel en die bestemd zijn om te worden toegevoegd aan produkten voor menselijke consumptie (post 21.07)”. Deze laatste post is een restpost, die alleen produkten voor menselijke consumptie bevat. Het onderhavige produkt is echter bestemd om te worden gebruikt als veevoeder, zodat het, zelfs indien het kon worden aangeduid als proteïneconcentraat, niet op die grond in post 21.07 kon worden ingedeeld. Derhalve valt het volgens mij onder post 23.04.
Gezien het bovenstaande moet mijns inziens op de vraag van de Corte suprema di Cassazione worden geantwoord dat meel van sojapulp behoort tot produkten genoemd in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 136/66.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy