CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 6 MEI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Deze zaak betreft een beroep tot schadevergoeding van een ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Mario Berti, tegen deze instelling in verband met een ongeval dat zijn zoon tijdens een verblijf in een vakantiekolonie is overkomen.
I — De feiten zijn de volgende :
Bij dienstnota van 5 februari 1971 deelde de directeurgeneraal Personeelszaken en Algemeen Beheer van de Commissie te Brussel aan de ambtenaren en personeelsleden van deze instellig mee, dat evenals vorige jaren tijdens de paasvakantie 1971 vakantiekolonies werden georganiseerd voor de kinderen.
De bij de nota gevoegde „financiële voorwaarden” vermeldden de door de ouders te betalen verblijfkosten („reis en verzekering inbegrepen”) na aftrek van de — naar gelang van het salaris variabele — bijdrage van de Commissie.
Ten processe werd ons meegedeeld dat bedoelde verzekering was afgesloten bij de Algemene Verzekeringsmaatschappij Mercator NV, te Antwerpen. Het betrof met name een „verzekering burgerlijke aansprakelijkheid” en een „individuele verzekering tegen persoonlijke ongevallen”.
Krachtens artikel 11 van de bijzondere voorwaarden biedt de persoonlijke ongevallenverzekering een alternatieve dekking, die niet kan worden gecumuleerd met de waarborg voor het risico burgerlijke aansprakelijkheid. Derhalve worden de door de persoonlijke ongevallenverzekering gewaarborgde vergoedingen slechts uitbetaald na algehele decharge vanwege het slachtoffer of zijn rechthebbenden en op voorwaarde dat zij afstand doen van alle verhaal ten opzichte van de verzekerden op grond van de burgerlijke aansprakelijkheid.
De vraag of een beroep op de persoonlijke ongevallenverzekering een beroep op de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering uitsluit, gaat slechts de Commissie en haar verzekeraar aan. De tekst van de polissen is de ouders nooit ter kennis gebracht. Op de inschrijvingsformulieren voor de vakantiecentra was alleen vermeld dat de verzekering diefstal, opzettelijke beschadiging of verlies van voorwerpen niet dekte. Het is echter gebruikelijk dat de nemer van een groepsverzekering (de Commissie) de verzekerden (de ouders) zeer nauwkeurig meedeelt welke hun rechten en verplichtingen zijn. Daar dat niet is gebeurd, zijn deze overeenkomsten voor wat de ambtenaren en personeelsleden van de Commissie betreft, een „res inter alios acta”.
Bij de dienstnota was een inschrijvingsformulier gevoegd, waarbij de administratie werd gemachtigd om de verblijfkosten in te houden op het salaris van de ambtenaar of het personeelslid; dit formulier moest worden teruggestuurd aan de sociale dienst van de Commissie.
Na lezing van deze dienstnota besloot verzoeker, ambtenaar in de rang D 1 van de Commissie, zijn toenmaals zevenjarige zoon Paolo naar het vakantietehuis „La Petite Merveille” te Durbuy (Belgische Ardennen) te zenden, dat werd aanbevolen voor kinderen van 6 tot 14 jaar. Categorie D, waartoe verzoeker behoorde en nog steeds behoort, omvat functies waarvoor kennis op lagereschoolniveau is vereist.
De leiding van het tehuis was in handen van een onderwijzersechtpaar, dat de directie en het beheer voerde; verder was er een moniteur voor elke tien kinderen aanwezig. 60 à 80 plaatsen waren gereserveerd voor kinderen van het personeel van de Europese instellingen.
Op 7 april 1971 maakte de kleine Paolo bij het spelen met een schommel op een terrein van de gemeente Durbuy een zo ongelukkige val, dat hij zijn bovenkaak brak en de vier definitieve bovensnijtanden verloor.
Er is in verband met dit ongeval nooit sprake geweest van een aansprakelijkheid van de gemeente Durbuy. Klaarblijkelijk was het geen kwestie van een gebrek in het materiaal.
Op 14 april 1971 deelde de Commissie het ongeval per telex mee aan haar assurantiemakelaar Van Breda, waarbij zij liet weten dat het aangifteformulier later zou volgen.
Zijnerzijds berichtte het tehuis „La Petite Merveille” de Commissie op 30 april 1971, dat het op 8 april 1971 aangifte had gedaan bij zijn eigen verzekeraar, Royale Beige te Brussel, en daarbij had verklaard dat de kinderen speelden onder toezicht van twee moniteurs. (Ondanks uw verzoek is de verzekeringspolis van „La Petite Merveille” niet övergelegd).
Volgens de Commissie werden de kosten van geneeskundige hulp in de eerste zes maanden na het ongeval vergoed door Royale Beige, waaraan zij vervolgens werden terugbetaald door Mercator, met uitzondering van wat reeds aan de heer Berti was terugbetaald in het kader van het stelsel van sociale zekerheid dat krachtens titel V, hoofdstuk 2, van het Statuut op de ambtenaren van toepassing is. Het dossier bevat evenwel geen enkel stuk desbetreffend.
In zijn rapport van 22 mei 1975 wees de stomatoloog P. Doms erop, dat het nodig was een vergroeide tand te trekken en vijf losse voorlopige prothesen aan te brengen. Deze prothesen moesten tot op 18-jarige leeftijd jaarlijks worden vervangen; eerst dan kon een vaste brug met 8 elementen worden aangebracht.
Een andere arts, dr. A. Reychler kwam op 3 juni 1975 tot de volgende conclusie: „Boven ontbreken de laterale snijtanden alsook de middelste snijtand rechts ... De hoektand rechtsboven komt niet door ... Het is zeer onwaarschijnlijk dat de middelste snijtand bovenlinks behouden zal blijven ... Er zal een vervangende prothese moeten worden geplaatst...”
Aansluitend bij een vroegere — niet bij het dossier gevoegde — briefwisseling, deelde verzoekers advocaat bij brief van 2 april 1976 de directeurgeneraal Personeelszaken en Algemeen Beheer van de Commissie mee, dat de toestand zich had geconsolideerd, en vroeg hij wat men voornemens was te doen ter zake van de schadevergoeding voor zijn cliënt, zulks in verband met de prijs van de prothesen, de morele schade (begroot op minstens BFR 250000), en de esthetische schade (gezien de jeudige leeftijd van het slachtoffer begroot op BFR 250000).
Op 28 april 1976 zond de Sociale Dienst van de Commissie een kopie van de twee genoemde medische rapporten aan de dienst Ziekteverzekering, met het verzoek haar op de hoogte te houden van het gevolg dat de verzekeraars aan de zaak zouden geven.
Op 10 mei 1976 zond A. Wegener, raadadviseur bij het directoraatgeneraal Personeelszaken en Algemeen Beheer, de stukken aan het assurantiekantoor Van Breda, met het verzoek ze voor advies te doen toekomen aan de verzekeraars.
Na het kind op 29 september 1976 opnieuw te hebben onderzocht, deelde dr. Reychler op 3 november 1976 aan de vader mee, dat het ongeval had geleid tot het verlies, respectievelijk het trekken van de vier definitieve bovensnijtanden, en dat er uiteraard een prothese moest worden aangebracht.
Op 30 september 1977 bezorgde raadadviseur Wegener het assurantiekantoor Van Breda een nieuwe afrekening van voor het kind gemaakte kosten, waarbij hij uitdrukkelijk stelde dat het dossier nog niet kon worden gesloten.
Onder verwijzing naar een — niet bij het dossier gevoegde — brief van het assurantiekantoor Van Breda de dato 12 september 1978, liet Mercator op 18 september 1978 aan eerstgenoemde weten, dat de polis de door verzoekers advocaat in zijn brief van 2 april 1976 te berde gebrachte morele en esthetische schade niet dekte — Mercator betaalde slechts de gewone kosten van geneeskundige hulp —, dat de Commissie niet aansprakelijk was en dat het overigens niet meer mogelijk was een van aanvang 1976 daterend dossier te heropenen.
Verwijzend naar de brief van de Commissie van 18 september 1978 (deze zegt dat slechts haar brief van 30 september 1977 kan zijn bedoeld, waarin zij haar makelaar had meegedeeld dat het dossier niet kon worden gesloten), berichtte het assurantiekantoor Van Breda op 28 september 1978 aan de dienst Verzekeringen van de Commissie, dat volgens de medische rapporten de letsels van hun kind sinds aanvang 1976 waren geconsolideerd, en bevestigde het dat de door de advocaat gevorderde vergoeding voor esthetische en morele schade niet ten laste van Mercator kwam. Mitsdien verzocht het de Commissie mee te delen of het dossier kon worden geacht afgesloten te zijn.
Op 26 oktober 1978 berichtte de Commissie, in de persoon van de heer Wegener, aan verzoeker, dat zij op 18 september 1978 (in feite op 30 september 1977) te kennen had gegeven dat het betrokken dossier niet kon worden afgesloten, maar na hem op de hoogte te hebben gesteld van hiervoor weergegeven antwoord van Mercator, verzocht zij hem haar te laten weten of zij het dossier nu „als gesloten kon beschouwen”.
Tenslotte — en hiermee belanden wij bij de fase onmiddellijk voorafgaande aan dit beroep — richtte verzoeker zich op 17 april 1980 tot de secretarisgeneraal van de Commissie met een verzoek om toekenning van een vergoeding voor „blijvende invaliditeit, veroorzaakt door de schuld van een ondergeschikte van de Commissie, alsook voor de morele schade die daaruit was voortgevloeid.” Hij wees erop, dat het dossier betreffende het ongeval zich in handen van de heer Wegener bevond.
Dit verzoek werd op 22 april 1980 door de bevoegde dienst ingeschreven als een „verzoek in de zin van artikel 90 van het Statuut”. Daags erop werd het als „klacht” doorgegeven aan de hogere instanties, hetgeen onjuist was, daar het nog slechts een verzoek was. In elk geval werd er generlei gevolg aan gegeven.
„Wegens het uitblijven van antwoord, hetgeen geldt als een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek van 22 april 1980”, diende verzoeker op 29 oktober 1980 een klacht in langs de hiërarchieke weg. Deze werd als dusdanig op 10 november 1980 ingeschreven en wederom aan de hogere instanties doorgezonden. Evenmin als op het eerdere verzoek werd op deze klacht geantwoord.
In deze omstandigheden heeft verzoeker de zaak op 29 mei 1981 aanhangig gemaakt bij het Hof. In zijn verzoekschrift vraagt hij om een uitspraak, dat de Commissie gehouden is hem de materiële en morele schade te vergoeden die zijn zoon als gevolg van het ongeval heeft geleden, welke schade wordt begroot op BFR 500000 behoudens vermeerdering of vermindering van eis in de loop van het geding. Voorts vraagt hij het Hof, een of drie deskundigen te belasten met het opstellen van een rapport over de gevolgen van het ongeval, teneinde het bedrag van de hem toe te kennen schadevergoeding objectief te kunnen vaststellen.
II —
Volgens de Commissie zou het Hof onbevoegd zijn om kennis te nemen van dit geschil, zowel in de veronderstelling dat het beroep is gebaseerd op artikel 179 EEG-Verdrag (en de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut), als in de veronderstelling dat het steunt op artikel 178 (en 215) EEG-Verdrag.
1.
Verweerster doet vooreerst gelden, dat waar het gaat om een geschil tussen een derde en de Commissie, strekkende tot vergoeding van de gevolgen van een ongeval dat deze derde is overkomen, het beroep niet past in het kader van de artikelen 179 EEG-Verdrag en 90 en 91 Ambtenarenstatuut.
Desbetreffend wijs ik erop, dat het geen geschil betreft tussen de Commissie en verzoekers zoon, maar tussen de Commissie en de vader van het kind; welnu, deze is ambtenaar en treedt op in naam van zijn zoon, over wie hij het ouderlijk gezag uitoefent en wiens wettelijk vertegenwoordiger hij is. Krachtens artikel 179 EEG-Verdrag is het Hof bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Statuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor genoemde personeelsleden van toepassing is.
2.
Op de tweede plaats stelt verweerster, dat het ongeval dat verzoekers zoon is overkomen, niet het gevolg is van een onrechtmatige daad van harentwege, maar van een vermeend laakbaar nalaten van een harer ondergeschikten. In feite zou het hier gaan om een op artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag gebaseerde vordering uit niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie. Verzoeker zou trouwens in repliek hebben bevestigd dat zijn beroep „met name op de artikelen 178 en 215 van het Verdrag” was gegrond. Daarmee had hij de grondslag van zijn oorspronkelijke vordering gewijzigd.
Ik meen echter niet, dat het feit dat verzoeker de hiërarchieke beroepsweg heeft gevolgd, zich tegen hem kan keren.
Volgens artikel 43, eerste zin, van ‚s Hofs Statuut-EEG „verjaren de vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit, dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit, hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, hetwelk de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap.” Volgens de uitlegging van het Hof kan de gelaedeerde die een beroep wil doen op artikel 215 EEG-Verdrag, zich op grond van de aangehaalde bepaling rechtstreeks tot het Hof wenden. Wanneer hij zich tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap (in casu de Commissie) richt en deze nalaat te antwoorden, kan hem geen verjaring worden tegengeworpen. Een klacht overeenkomstig artikel 90 Ambtenarenstatuut, zelfs zo er geen bedragen in worden genoemd en ermee wordt beoogd tot een minnelijke regeling te komen, is stellig een eerder gedaan verzoek in de zin van artikel 43 van ’s Hofs Statuut-EEG.
Is de gelaedeerde een gemeenschapsambtenaar of een lid van diens gezin, dan ligt het in de lijn van een goed bestuur, dat hij zich eerst tot de Commissie wendt om te proberen het geschil in der minne te regelen. Zijn beroep krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut blijft evenwel materieel een beroep tot schadevergoeding.
In het arrest-Meyer-Burckhardt van 22 oktober 1975 (Jurispr. 1975, blz. 1171) heeft het Hof overwogen :
„dat een uit de dienstbetrekking voortkomend schadegeding tussen een ambtenaar en de instelling waarbij hij in dienst is of was, binnen het kader van artikel 179 van het Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut ligt en, met name op het punt van de ontvankelijkheid, buiten het toepassingsgebied van zowel de artikelen 178 en 215 van het Verdrag als artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG valt;
...
dat, al vormen de actie tot schadevergoeding en het beroep tot nietigverklaring inderdaad verschillende beroepsmogelijkheden, niettemin bij geschillen tussen ambtenaren en de instellingen de artikelen 90 en 91 van het Statuut tussen deze beide geen onderscheid maken ter zake van zowel de administratieve als de gerechtelijke procedure waartoe zij aanleiding kunnen geven;
...
dat volgens artikel 91 het Hof, ongeacht de aard van het beroep, bevoegd is, zodra het gaat om een geschil over de wettigheid van een besluit waardoor verzoeker zich bezwaard acht;
...
dat het [verzoeker] vrijstond wegens de zelfstandigheid der verschillende beroepsmogelijkheden hetzij de ene, hetzij de andere, hetzij beide gezamenlijk te kiezen, maar dat hij in elk geval zijn beroep moest instellen binnen de termijn van drie maanden na de afwijzing van zijn klacht...” (r.o. 7, 10 en 11).
In zijn conclusie bij deze zaak was advocaatgeneraal Warner van oordeel „dat het duidelijk is dat het Hof in gedingen ex artikel 179 evenzeer bevoegd is schadevergoeding toe te kennen als in gedingen ex artikel 178” (blz. 1188).
In een latere zaak (arrest van 17 februari 1977, zaak 48/76, Reinarz, Jurispr. 1977, blz. 291) voegde het Hof daaraan toe, dat „het Hof krachtens zijn volledige rechtsmacht in de gedingen bedoeld in artikel 179, in het kader van zulk een geding niet slechts uitspraak vermag te doen over de geldigheid van de bestreden handeling, doch ook over de vergoeding van de schade welke betrokkene eventueel heeft geleden doordien in strijd met zijn statutaire rechten is gehandeld” (r.o. 11).
Mijns inziens kan nauwelijks worden betwist dat het onderhavige geding, aanbangig gemaakt door iemand die zich beroept op zijrï hoedanigheid van ambtenaar, een probleem opwerpt dat moet worden opgelost in het kader van de regeling voor het personeel van de Gemeenschappen, en dat het zijn oorsprong vindt in het dienstverband, in ruime zin, ussen de belanghebbende en zijn instelling.
Afgezien van het feit dat de vakantiekolonies werden georganiseerd voor de kinderen van de ambtenaren, volgt dit verband uit het feit dat in de verblijfkosten ook de verzekering was begrepen, dat die verblijfkosten varieerden naargelang het basissalaris van de betrokken ambtenaar, dat zij op zijn salaris werden ingehouden en, tenslotte, dat in eerste instantie het stelsel van sociale zekerheid van de ambtenaren de gevolgen van het ongeval heeft vergoed.
III —
Ten gronde stelt de Commissie, dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor haar contractuele (artikel 215, lid 1) of niet-contractuele aansprakelijkheid (artikel 215, lid 2).
—
Het vakantietehuis waar de kinderen verbleven, was een particuliere instelling, waarop het Belgische handelsrecht van toepassing was, dat openstond voor alle kinderen en dat zijn eigen personeel had; de moniteurs waren geen personeelsleden van de Commissie.
—
Zelfs in de onderstelling dat de moniteurs onder wier toezicht het kind op het ogenblik van het ongeval speelde, als ondergeschikten van de Commissie waren te beschouwen, zou verzoeker geenszins hebben aangetoond dat zij schuld hebben aan het ongeval.
De omstandigheden hiervan zijn inderdaad duister gebleven. Artikel 215 vereist echter geenszins het bestaan van schuld, en het doel van een verzekering is nu juist, moeilijkheden in verband met het bewijs van een schuld te vermijden.
De verzekeringnemer is aansprakelijk wanneer een bijzonder ernstige schade niet of onvoldoende wordt gedekt door de met de verzekeraar gesloten overeenkomst. De beste manier voor de instellingen om te voorkomen dat zij overstelpt worden met schadevorderingen, is te zorgen voor een goede waarborg.
Noch in de door de Commissie afgesloten burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering, noch in de persoonlijke ongevallenverzekering komt trouwens een schuldvereiste voor.
Artikel 12 van de „Algemene voorwaarden voor alle gewaarborgde risico's” bepaalt:
„de waarborg van de verzekeraar geldt voor alle activiteiten van de vakantiekolonie, waarbij het woord ‚activiteiten’ is uit te leggen in de ruimste zin, met inbegrip van:
...
f)
alle excursies, stages, reizen, wandelingen, bezichtigingen van landschappen of monumenten, alle georganiseerd door de verantwoordelijken van de kolonie ...
In artikel 14 verklaart de verzekeraar, bij het afsluiten van de polis het risico genoegzaam te kennen, en ontslaat hij de verzekeringnemer van elke verdere beschrijving.
Ter zake van de waarborg „persoonlijke ongevallen”, voorzien de bijzondere voorwaarden in de betaling van de in de (niet overgelegde) getypte bijzondere voorwaarden vastgestelde vergoedingen, telkens wanneer bij de activiteiten van de vakantiekolonies een ongeval met lichamelijk letsel overkomt aan een van de in die voorwaarden uitdrukkelijk genoemde personen.
Artikel 6 van de bijzondere voorwaarden van de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid luidt: „De dekking is beperkt tot ... gebeurtenissen die zich voordoen wanneer deze personen (de verzekerden) onder de bewaking of het rechtstreeks of onrechtstreeks toezicht staan of dienden te staan van de bevoegde, instantie of van eender welke andere persoon die haar vervangt of waaraan zij haar bevoegdheden heeft overgedragen, of door wie zij — zelfs stilzwijgend — zich heeft laten vervangen of werd vervangen.”
De vraag of de „bevoegde instantie” haar bevoegdheden had gedelegeerd aan de moniteurs, is geen zaak van de ouders, die onbekend waren met de inhoud van deze clausule. Te hunnen opzichte was de Commissie rechtstreeks de bewaker van de kinderen en de organisatrice van de vakantiekolonie, zelfs zo het beheer ervan in handen was van het tehuis of het personeel hiervan.
De rechtspraak waarnaar de Commissie verwijst (Raad van State, 21 maart 1980, Vanderiele, Actualité Juridique. Droit Administratif, 1980, biz. 437), moet in een andere samenhang worden gezien: wanneer een particuliere vereniging voor de kinderen van een gemeente vakantiekolonies organiseert, dan is deze vereniging — als rechtspersoon onderscheiden van de gemeente — inderdaad aansprakelijk voor de gevolgen van een ongeval dat een dezer kinderen overkomt.
In casu evenwel is de vakantiekolonie georganiseerd, zo niet door de Commissie, dan toch door haar Sociale Dienst, die niet een van de Commissie onderscheiden rechtspersoon is. Ten aanzien van die kinderen in heţ tehuis „La Petite Merveille”, wier ouders ambtenaren of personeelsleden waren van de Commissie, was deze de beheerder van de publiekrechtelijke sociale dienst „vakantiekolonies” van de Commissie. Deze kon dus stellig in de eerste plaats door verzoeker aansprakelijk worden gesteld voor het aan zijn zoon overkomen ongeval.
IV —
Tot slot stelt de Commissie nog, dat de gelaedeerde in geen geval zonder verhaal is, aangezien hij naar Belgisch recht een aansprakelijkheidsvordering heeft zowel tegen de moniteurs als tegen hun particuliere werkgevers.
Mij dunkt dat deze stelling het probleem omkeert: het staat aan de Commissie eventueel de NV Mercator, haar eigen verzekeraar, in vrijwaring te roepen, zoals voorzien in artikel 14 van de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid. Nogmaals, verzoeker kende enkel de Commissie en had slechts met haar te doen. Hij heeft nooit enige decharge verleend en nooit uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn rechten tegenover de Commissie. Door zelf ervan uit te gaan, dat het dossier niet afgesloten was, heeft de Commissie bij verzoeker de gedachte in stand gehouden, dat zij borg stond.
Het is onaanvaardbaar dat een verbintenis van een verzekeraar in de plaats zou komen van de rechtstreekse verbintenis van de Commissie, voortvloeiende uit de onder het personeel verspreide dienstnota; de instelling kan het niet aan haar verzekeraar overlaten, bij een ongeval de daaruit voortvloeiende, problemen in verband met de dekking van het risico te regelen en haar eigen rol te beperken tot die van tussenpersoon tussen de verzekeraar en de gelaedeerde.
Artikel 25, lid 1, Ambtenarenstatuut, bepaalt heel algemeen dat „de ambtenaar verzoeken kan richten tot het tot aanstelling bevoegde gezag van zijn instelling.” Zo verzoeker zich — te goeder trouw — had vergist omtrent de te volgen weg, dan zou het voor de Commissie een zaak van behoorlijk bestuur zijn geweest om hem dat te zeggen. Maar in de plaats daarvan heeft zij noch op zijn verzoek, noch op zijn klacht geantwoord. Het Hof heeft dit stilzwijgen van de administratie herhaaldelijk een „slechte gewoonte” genoemd. In het arrest van 26 februari 1981 overwoog het, dat „het ontstaan en de ontwikkeling van het geschil zijn begunstigd door de houding van de administratie, in het bijzonder ... door haar weigering, verzoeker enige verklaring te geven ..., (men) kan het verzoeker niet kwalijk nemen, beroep te hebben ingesteld teneinde op te komen tegen een optreden van de administratie te zijnen opzichte, dat hij als willekeurig mocht aanmerken” (zaak 148/79, Korter, Jurispr. 1981, blz. 615 r.o. 19).
In het arrest-Morbelli van 21 mei 1981 herinnerde het Hof eraan, dat „goede trouw ... de betrekkingen tussen de Commissie en haar ambtenaren, met inbegrip van de tussen partijen aanhangige gedingen, moet beheersen” (Jurispr. 1981, blz. 1357, r.o. 14).
Voor het overige meen ik dat het voor partijen niet al te moeilijk moet zijn om het eens te worden over het bedrag van de schadevergoeding. Zo niet, dan staat het aan hen zich opnieuw tot het Hof te wenden.
In dit stadium concludeer ik dat het Hof verklare voor recht, dat verweersters exceptie van onbevoegdheid ongegrond is en dat verweerster in beginsel aansprakelijk is, met verwijzing van verweerster in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy