CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 17 januari 1985 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Op 7 april 1971 overkwam de zoon van verzoeker, Paolo Berti, een ongeval tijdens een verblijf in een vakantiekolonie voor kinderen van ambtenaren en personeelsleden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Commissie).
Bij arrest van 7 oktober 1982 heeft het Hof
—
verklaard dat de Commissie verplicht is de door het slachtoffer geleden schade te vergoeden,
—
partijen uitgenodigd om binnen zes maanden tot overeenstemming te komen, bij gebreke waarvan het Hof uitspraak zou doen over het bedrag van de geldelijke vergoeding.
2.
Bij overeenkomst van 24 maart 1983 hebben M. Berti en de Commissie elk een arts aangewezen als deskundige. In hun rapport van 10 januari 1984 verklaarden de twee artsen, dat de uit het ongeval voortvloeiende schade als volgt zou moeten worden vergoed:
—
BFR 125000 voor het aanbrengen van een prothese en het nog vier maal vervangen van deze prothese,
—
BFR 3000 voor het trekken van een hoektand en voor een röntgenfoto,
—
BFR 3000 voor het aanpassen van de voorlopige prothese,
—
BFR 1000 voor het bijstellen na levering van de prothese,
in totaal dus een bedrag van BFR 132 000.
Partijen zijn met deze berekening akkoord gegaan. Voorts zijn de deskundigen van oordeel, dat het slachtoffer aan het ongeval overhoudt:
—
een blijvende gedeeltelijke invaliditeit van 1%, ten gevolge van het verlies van vier snijtanden en één hoektand;
—
lichte esthetische schade, graad 2 in een schaal van 7, wegens een litteken aan de onderlip.
3.
Partijen hebben op deze schatting niets aan te merken, doch zijn het niet eens over het bedrag van de desbetreffende schadevergoeding.
Bij brief van 29 maart 1984 heeft de Commissie verzoeker een schadevergoeding aangeboden van in totaal BFR 120000, omvattende BFR 60000 voor de blijvende gedeeltelijke invaliditeit, en BFR 60000 voor de esthetische schade, vermeerderd met interessen vanaf de uitspraak van het eindarrest. Zij verzoekt het Hof dit aanbod voor voldoende té verklaren.
—
Berti aanvaardt het aanbod van BFR 60000 ter vergoeding van de esthetische schade, maar vordert BFR 200000 ter vergoeding van de blijvende gedeeltelijke invaliditeit en verlangt dat hem compensatoire interessen worden toegekend vanaf de datum van het ongeval, alsmede moratoire interessen tegen een rentevoet van 12% vanaf de datum van het eindarrest.
4.
Ter zake van de blijvende gedeeltelijke invaliditeit vordert Berti BFR 200000, op grond dat de aan het organiseren van vakantiekolonies verbonden risico's volgens de door de Commissie gesloten verzekeringsovereenkomst zijn gedekt tot een maximumbedrag van BFR 20000000. Hij concludeert dat dit maximumbedrag is voorzien voor een blijvende gedeeltelijke invaliditeit van 100%, en dat hij derhalve aanspraak kan maken op éénhonderdste van de voorziene maximumschadevergoeding.
Deze vordering kan niet worden toegewezen, want zij komt voort uit een verwarring van de geschatte schade met het bedrag van de waarborg. Hoe groot dit bedrag ook is, wat aan Berti moet worden vergoed, is heel de schade en niet meer dan de schade. Ik meen dat het aanbod van de Commissie van BFR 60000 voor een dermate geringe blijvende gedeeltelijke invaliditeit voldoende moet worden geacht.
5.
De interessen
Mocht de vordering van compensatoire interessen, waar het inleidend verzoekschrift niet van spreekt, al ontvankelijk zijn, dan is zij toch ongegrond. De Commissie wijst er immers terecht op, dat de bedragen die zij ter vergoeding van zowel de blijvende gedeeltelijke invaliditeit als van de esthetische schade heeft aangeboden, gelet op de desbetreffende rechtspraak ruim zijn berekend, teneinde naar billijkheid rekening te houden met de muntontwaarding en het renteverlies.
Wat de moratoire interessen betreft, betwist de Commissie de gegrondheid van de vordering niet.
6.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging
—
partijen akte te verlenen van alle punten van hun akkoord, daaronder begrepen het punt terzake van de vergoeding van de esthetische schade,
—
het aanbod van de Commissie met betrekking tot de blijvende gedeeltelijke invaliditeit voldoende te verklaren,
—
te verstaan dat over de ter zake van de esthetische schade en de blijvende gedeeltelijke invaliditeit toegekende bedragen (tweemaal BFR 60000) 12% rente verschuldigd is vanaf de dag van uitspraak van het arrest,
—
de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy