AANVULLENDE CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 15 JULI 1982
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak, waarin door mij op 25 maart 1982 conclusie werd genomen, werd door Uw Hof besloten tot heropening van de mondelinge behandeling. U wenste nader te worden geïnformeerd over de aard, achtergrond en gevolgen van de beslissing van het Franse verzekeringsorgaan, de Caisse régionale d'assurance maladie du Nord de la France (CRAM) van 25 november 1976 tot toekenning van een overlevingspensioen aan de weduwe en de onmiddellijke reductie daarvan tot nihil onder verwijzing naar artikel 12 van verordening nr. 1408/71 en artikel 7 van verordening nr. 574/72. Deze beslissing vormde de aanleiding tot een aantal misverstanden die aan de vraagstelling van de Belgische rechter ten grondslag liggen, welke misverstanden door mij in punt 2.2. van mijn eerdere conclusie werden behandeld. Deze misverstanden betreffen de veronderstelling dat door het Belgische orgaan ook een anti-cumulatieregel zou zijn toegepast op het tot nihil gereduceerde Franse overlevingspensioen. Dit is onjuist, zoals nog eens duidelijk blijkt uit de goed gedocumenteerde antwoorden van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen. Daaruit blijkt dat de weduwe, naast hetzelfde rustpensioen, krachtens de nieuwe beslissing van 11 januari 1977 een hoger overlevingspensioen ontvangt, dan haar bij de eerdere beslissing van 9 augustus 1971 werd toegekend.
Voor wat betreft de Franse beslissing zelf, formuleerde ik in mijn eerdere conclusie, mede naar aanleiding van het terzake door de Commissie opgemerkte, de hypothese dat het in casu zou gaan om toepassing van een nationale anti-cumulatieregel. Het antwoord van de Franse regering bevestigt de juistheid daarvan. De vraag naar de juistheid van deze beslissing krachtens Frans recht, staat in het kader van deze procedure niet aan Uw Hof ter beoordeling. Waar het in casu om gaat is dat uit de antwoorden van de Franse regering geen gegevens blijken die aanleiding zouden zijn aan de juistheid van het besluit van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen te twijfelen. Dienovereenkomstig zie ik op zich zelf geen aanleiding het in mijn eerdere conclusie in deze zaak geformuleerde standpunt te wijzigen.
Op grond van de thans verkregen preciseringen van de feiten en van de in casu toegepaste bepalingen van gemeenschapsrecht, zou dit standpunt als volgt in Uw antwoord op de gestelde vraag tot uitdrukking kunnen worden gebracht:
Mits daarbij rekening wordt gehouden met het bepaalde in artikel 7, lid 1, b, van verordening nr. 574/72, verzet artikel 12 van verordening nr. 1408/71 zich niet tegen de toepassing van een nationale anti-cumulatiebepaling ten opzichte van rustpensioenen en overlevingspensioenen, zulks ongeacht hetgeen een andere Lid-Staat ten aanzien van de toepassing van een soortgelijke anti-cumulatiebepaling in zijn nationale recht heeft beslist.
Full & Egal Universal Law Academy