CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
van11 mei 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Ivenel, verzoeker in het hoofdgeding en wonende te Straatsburg, sloot in september 1971 een overeenkomst met Schwab, verweerder in het hoofdgeding, die in de Bondsrepubliek Duitsland een machinefabriek heeft. Krachtens deze overeenkomst zou verzoeker voor rekening van verweerder machines verkopen in Frankrijk, en daarvoor een provisie krijgen ten belope van 15 % van het bedrag van elke opdracht. Sinds augustus 1975 heeft verweerder blijkbaar geen provisies meer uitbetaald, ten gevolge waarvan verzoeker zijn werkzaamheden voor verweerder per 1 juli 1976 heeft stopgezet.
Verzoeker beschouwt dit als een verbreking van de overeenkomst, waarvoor verweerder verantwoordelijk is. Daarom wendde hij zich in januari 1977 tot de Conseil de prud'hommes commerciaux te Straatsburg, met het verzoek verweerder te veroordelen tot betaling van verscheidene bedragen (provisies, vervangende vergoeding, vergoeding wegens niet-inachtneming van een opzeggingstermijn, vakantiegeld, compensatie van een zogenaamde interne rekening).
Daar verweerder de onbevoegdheid ratione loci en ratione materiae van de aangezochte rechter opwierp, heeft deze bij vonnis van 17 april 1978 uitspraak gedaan over de bevoegdheidsvraag. In zijn vonnis verklaarde hij zich bevoegd ratione materine, met de overweging dat de vorderingen verband hielden met een arbeidsovereenkomst. Voorts was hij van oordeel ook ratione loci bevoegd te zijn, en wel op grond van artikel 5, lid 1, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van burgerlijke en handelszaken (het Executieverdrag), dat luidt:
„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
1.
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats, waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd”.
Te dezen was de rechter van oordeel dat de verschillende verbintenissen uit een wederkerige overeenkomst niet los van elkaar moeten worden gezien, maar dat moet worden gelet op de verbintenis waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd. Bij vertegenwoordigingsovereenkomsten zou dat de verbintenis van de vertegenwoordiger zijn; aangezien deze moet worden uitgevoerd op de plaats waar de vertegenwoordiger zijn kantoor heeft, zouden in de onderhavige zaak — ook al omdat partijen geen bevoegde rechter hadden aangewezen — de Franse gerechten bevoegd zijn.
Van dit vonnis, waarbij de behandeling ten gronde tot een latere datum werd uitgesteld, ging verweerder in beroep bij de Cour d'appel te Colmar, waar hij ten dele in het gelijk werd gesteld. Weliswaar bevestigde de sociale kamer van deze rechterlijke instantie bij arrest van 10 oktober 1978 het standpunt van de eerste rechter, dat in casu het bestaan van een arbeidsovereenkomst moest worden aangenomen en dat bijgevolg de daarvoor aangewezen gerechten ratione materine bevoegd waren, anderzijds besliste zij evenwel dat ingevolge artikel 5, lid 1, Executieverdrag de Franse gerechten niet ratione loci bevoegd konden zijn. Daarvoor moest immers worden gelet op de verbintenis die aan de vordering ten grondslag lag. Daar het echter bij, vorderingen tot betaling van provisies en andere vergoedingen zowel naar Frans als naar Duits recht niet om breng-, maar om haalschulden ging, zou de plaats van uitvoering enkel in de Bondsrepubliek Duitsland gelegen kunnen zijn.
Bij de beoordeling van de zaak op verzoekers cassatieberoep van 22 december 1978, overwoog de sociale kamer van de Franse Cour de cassation dat de vaststelling van één plaats van uitvoering met het oog op het Executieverdrag problemen stelt in het geval van een vertegenwoordigingsovereenkomst, die voor beide partijen verbintenissen inhoudt waarvan er enkele in Frankrijk moesten worden uitgevoerd. Daarom heeft zij de behandeling van de zaak geschorst en bij arrest van 2 april 1982 verzocht om uitlegging van artikel 5, lid 1, Executieverdrag, gelet op de bijzonderheden van de voor haar gebrachte casus.
Hierover wil ik het volgende opmerken.
1.
Wanneer moet worden bepaald welke het forum solutionis in de zin van artikel 5, lid 1, Executieverdrag is — wanneer het er dus om gaat de plaats te bepalen waar bepaalde verbintenissen uit de overeenkomst moeten worden uitgevoerd —, dient de aangezochte rechter eerst een probleem van collisierecht op te lossen. Hij moet overeenkomstig zijn eigen internationaal privaatrecht bepalen welk recht op de overeenkomst van toepassing is, en vervolgens naar dit recht de plaats van uitvoering vaststellen. Zo heeft — in verband met het feit dat het Executieverdrag zelf geen definitie geeft van het begrip plaats van uitvoering — het Hof beslist in zaak 12/76 (Tessili, Jurispr. 1976, blz. 1473), en daarbij moet het ook wel blijven: de onderhavige zaak en de in het kader hiervan gemaakte opmerkingen bieden geen reden om andere oplossingen te overwegen.
In het kader van dat eerste onderzoek moet de litigieuze overeenkomst natuurlijk ook worden gekwalificeerd. In de onderhavige zaak waren zowel de rechter in eerste als die in tweede aanleg van oordeel dat het in casu om een arbeidsovereenkomst ging.
Dit moet dan blijkbaar tot de conclusie leiden dat Frans recht toepasselijk is, en wel artikel L-751-1 e.v. Code du travail. Dit schijnt de opvatting van de Franse doctrine te zijn; verzoeker citeert te dezen Battifol, Traité de Droit International Privé, 1976, nr. 576. Het stemt echter ook overeen met het nog niet in werking getreden Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (PB L 266 van 1980, blz. 1 e.V.). Artikel 6 daarvan bepaalt namelijk, dat bij gebreke van een rechtskeuze een arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, en het bepaalt zelfs, dat een eventuele rechtskeuze er niet toe kan leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het rechtsstelsel dat, gelijk zojuist gezegd, in principe toepasselijk is.
Verzoeker in het hoofdgeding alsook de Commissie hebben uitsluitend vanuit dit uitgangspunt geargumenteerd. Ik ben nochtans van mening dat dit het gezichtsveld al te zeer beperkt.
Verweerder in het hoofdgeding voert immers een aantal argumenten aan — die ik hier niet vermeld, omdat wij ons niet over de kwalificatievraag behoeven te buigen — tegen de opvatting dat het hier om een arbeidsverhouding gaat, en betoogt met klem dat verzoeker een zelfstandig handelsagent is. Het is trouwens niet zeker, of de kwalificatievraag al definitief is beslecht. Omdat de Cour d'appel te Colmar in elk geval de bevoegdheid ratione loci van de Franse gerechten heeft verworpen, had verweerder in de eerste plaats tot nu toe geen reden om de opvatting dat de arbeidsgerechten bevoegd zijn, te betwisten. En in de tweede plaats zou de Cour de cassation, waaraan het probleem van de bevoegdheid ratione materiae niet is voorgelegd, in het kader van de toepassing van artikel 5, lid 1, Executieverdrag de kwalificatievraag anders kunnen oplossen.
Het heeft dus weinig zin, bij de ons gevraagde uitlegging van artikel 5, lid 1, Executieverdrag enkel uit te gaan van de veronderstelling dat het hoofdgeding betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst; die uitlegging dient in een ruimer kader te geschieden.
2.
Met het oog op de juiste toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag moet de aandacht van de verwijzende rechter, die op vorenbedoelde wijze moet uitmaken, welke de plaats(en) van uitvoering van de litigieuze overeenkomst is (zijn), ook worden gevestigd op het arrest van 6 oktober 1976 (zaak 14/76, De Bloos, Jurispr. 1976, blz. 1497).
a)
In dat arrest werd overwogen — zulks in aansluiting op mijn conclusie, waarin ik de beslissende argumenten daarvoor had uiteengezet —, dat artikel 5, sub 1, niet uitgaat van de gedachte dat er één enkele plaats van uitvoering is, die voor de overeenkomst in haar geheel zou gelden en die afhankelijk zou zijn van de verbintenis die kenmerkend is voor de overeenkomst. De verbintenis bedoeld in artikel 5, lid 1, is volgens het arrest veeleer die welke aan de vordering in rechte ten grondslag ligt; er moet dus worden gelet op de verbintenis welke de keerzijde vormt van het contractuele recht waarop de vordering is gebaseerd.
Hierop moet worden gewezen in verband met bepaalde aanwijzingen in het — zeer summiere — verwijzingsarrest, die de indruk wekken dat de Cour de cassation de mening is toegedaan dat het voor de toepassing van artikel 5, lid 1, voldoende is dat enkele verbintenissen uit de litigieuze wederkerige overeenkomst in Frankrijk moeten worden uitgevoerd, ook wanneer dat niet de verbintenissen zijn die thans in geschil zijn.
Overigens biedt de onderhavige zaak geen reden om in het algemeen van genoemd beginsel terug te komen. Op de vraag of een aanpassing ervan gewenst zou kunnen zijn wanneer het om gewone arbeidsovereenkomsten gaat, kom ik later terug.
b)
Ik wil evenwel nog herinneren aan twee andere conclusies van genoemd arrest:
—
In de eerste plaats werd met betrekking tot vervangende vergoedingen die na opzegging van een alleenverkoopovereenkomst worden betaald voor door de vertegenwoordiger aangebrachte clientele, vastgesteld dat de nationale rechter moet nagaan of volgens het op de overeenkomst toepasselijke recht sprake is van autonome contractuele verbintenissen of van verbintenissen die in de plaats treden van de niet-nagekomene. Dit gebeurde kennelijk omdat er in het Belgische recht, dat in die zaak toepasselijk was, daaromtrent ernstige problemen bestaan (zie bij voorbeeld Vander Eist, Journal des Tribunaux 1976, blz. 733 e.V.). Als ik het goed zie, kan daarvan evenwel in de onderhavige zaak, gelet op de in aanmerking komende rechtsstelsels, geen sprake zijn. Met name in het Franse recht schijnt het duidelijk te zijn — zo zijn verweerders opmerkingen te verstaan —, dat de aanspraken die krachtens de Code du travail na de opzegging van een vertegenwoordigingsovereenkomst ontstaan, geen zelfstandige aanspraken zijn, doch in de plaats komen van de oorspronkelijke contractuele rechten, welke de keerzijde vormen van de hoofdverbintenissen van de werkgever. Er is derhalve geen reden, langer stil te staan bij dit gedeelte van het arrest in zaak 14/76 — dat, zoals de Commissie heeft aangetoond, aanleiding heeft gegeven tot uiteenlopende commentaren — en bij voorbeeld in te gaan op de vraag of het op grond van overwegingen die aanstonds ter sprake zullen komen, wellicht gewenst is een andere weg in te slaan, dat wil zeggen in een dergelijk geval alle aanspraken als van gelijke aard te beschouwen, ook indien zij niet gericht zijn op uitvoering van de overeenkomst, maar op vervangende prestaties in de ruimste zin. Mijns inziens bestaan er goede gronden voor dit standpunt.
—
In de tweede plaats werd in het aangehaalde arrest duidelijk gesteld, dat in een proces over de gevolgen van de schending van een alleenverkoopovereenkomst door de concessiegever, waarin bij voorbeeld schadevergoeding of ontbinding van de overeenkomst wordt gevorderd, moet worden gezien naar de verbintenis van de concessiegever waarvan de niet-nakoming wordt ingeroepen, dat dus van deze verbintenis moet worden uitgegaan bij de vaststelling van de plaats van uitvoering. Hierin komt de gedachte tot uitdrukking, dat moet worden voorkomen dat meer rechters bevoegd zijn, welke gedachte elders in het arrest ook uitdrukkelijk wordt uitgesproken, waar gewezen wordt op de noodzaak „zoveel mogelijk te voorkomen dat met betrekking tot een zelfde overeenkomst meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn” (r.o. 9). Dit heb ik in aansluiting op het standpunt van de Commissie in mijn conclusie ook verdedigd en uitdrukkelijk voorgesteld, artikel 5, lid 1, overeenkomstig het fundamentele doel van het Executieverdrag aldus uit te leggen, dat wanneer uit een overeenkomst meerdere verplichtingen voor een partij voortvloeien, naar de hoofdverbintenis moet worden gezien. Wat in deze zaak, ter verduidelijking en eventueel ter verdere ontwikkeling van de rechtspraak in zaak 14/76, kan en mijns inziens ook moet geschieden, is dat het beginsel, dat het aankomt op de hoofdverbintenis van de verwerende partij, duidelijk in het licht wordt gesteld.
3.
Deze richtsnoeren zouden — maar dat behoeven wij hier echter niet vast te stellen — in het bodemgeschil tot het resultaat kunnen leiden, dat met betrekking tot de ingestelde rechtsvorderingen ervan wordt uitgegaan dat de plaats van uitvoering in Frankrijk is gelegen en dat mitsdien de Franse gerechten bevoegd zijn.
Zoals bekend, vordert verzoeker in wezen de veroordeling van verweerder tot betaling van provisies, van een vergoeding wegens niet-inachtneming van de opzeggingstermijn, en van een uitwinningsvergoeding als compensatie voor de onrechtmatige opzegging van de overeenkomst. Gedeeltelijk gaat het dus om uitvoering van de overeenkomst (betaling van provisies, vereffening van een interne rekening, waarover incasso's en vorderingen van verzoeker werden verrekend), en gedeeltelijk om aanspraken wegens niet-nakoming van de overeenkomst (vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen, wegens niet-inachtneming van de opzeggingstermijn en wegens onrechtmatige eenzijdige opzegging van de overeenkomst).
Omtrent de eerste verbintenissen kan men, gelet op de ingediende opmerkingen, van mening zijn dat zij — althans wanneer het een arbeidsovereenkomst zou betreffen — in Frankrijk moeten worden uitgevoerd. Ik herinner hierbij aan de met verwijzingen naar de rechtspraak gestaafde opmerkingen van verzoeker, inhoudende dat het loon naar Frans recht moet worden betaald op de plaats waar de arbeid wordt verricht, dat vergoedingen van handelsvertegenwoordigers aan hun woonplaats betaalbaar zijn en dat vanaf bepaalde bedragen per cheque of bankoverschrijving moet worden betaald, wat in de regel eveneens neerkomt op uitvoering ten domicilie van de werknemer.
Hetzelfde zou kunnen gelden voor de aanspraken wegens niet-nakoming van de overeenkomst (vergoeding wegens opzegging van de overeenkomst en wegens niet-inachtneming van een opzeggingstermijn), aangezien deze zijn gebaseerd op verweerders verbintenis verzoeker niet te hinderen bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het is duidelijk dat de plaats van uitvoering van deze verbintenis slechts in verzoekers werkgebied gelegen kan zijn. Hiervoor kan worden verwezen naar het reeds genoemde artikel van Vander Eist alsook naar Belgische rechtspraak (Hof van Beroep Bergen, arrest van 3 mei 1974; Hof van Cassatie, arrest van 6 april 1978; Hof van Beroep Luik, arrest van 12 mei 1977; opgenomen in het Repertorium van de rechtspraak inzake het gemeenschapsrecht, Serie D, Executieverdrag, ad artikel 5).
Als dit juist is — maar dit moet worden uitgemaakt door de nationale rechter, die ook heeft te beslissen over verweerders tegenwerping, dat verzoeker om toepassing van de salarisregeling van de Duitse vertegenwoordigers en betaling van zijn loon in Duitse marken heeft gevraagd —, dan zou hier inderdaad een zekere overeenstemming bestaan met een arrest in een gelijksoortige zaak van de Cour d'appel te Angers van 21 januari 1980, waarnaar de Commissie verwijst. Dat is stellig in zoverre het geval als in dit arrest wordt overwogen, dat de litigieuze betalingsverplichtingen in de plaats waren gekomen van de niet-nagekomen contractuele verbintenissen, en dat het recht op vergoeding wegens niet-inachtneming van de opzeggingstermijn, op een uitwinningsvergoeding, alsook het recht op schadevergoeding, voortvloeien uit de schending van de verplichting de overeenkomst verder uit te voeren. Daartegenover zou men, in het licht van de rechtspraak van het Hof tot nu toe, wel een vraagteken moeten plaatsen bij een andere overweging in het arrest, namelijk dat het recht op provisies en op vergoeding voor niet-opgenomen vakantiedagen berust op de niet-nakoming van verbintenissen die als tegenprestatie voor de verrichte arbeid zouden zijn te beschouwen, zodat zij uitgevoerd zouden moeten worden ter plaatse waar de arbeid was verricht.
Vorenbedoeld resultaat zou daarenboven in overeenstemming zijn met het rapport-Jenard, dat zich uitspreekt voor een forum solutionis in de staat welks recht de litigieuze overeenkomst beheerst.
4.
Tenslotte wil ik — zoals aangekondigd — nog even terugkomen op de vraag, of het althans met betrekking tot arbeidsovereenkomsten niet geraden is's Hofs rechtspraak in zaak 14/76 heel duidelijk te modificeren.
De Commissie heeft zich in die zin uitgelaten. Wat haar voor de geest staat, is blijkbaar dat bij dergelijke rechtsverhoudingen één centraal aspect wordt gekozen — beslissend zou zijn de plaats waar de arbeid moet worden verricht en waarvan het dwingend recht moet worden toegepast —, en dat alleen aan de hand daarvan wordt bepaald welke de voor artikel 5, lid 1, relevante plaats van uitvoering is, dit wil zeggen, dat voor de overeenkomst in haar geheel slechts één plaats van uitvoering in aanmerking wordt genomen. Daarmee zou de leer dat de verbintenis die de overeenkomst karakteriseert, de doorslag geeft en dat dienovereenkomstig het Jomm solutionis moet worden bepaald, tenminste op het gebied van de arbeidsovereenkomst als de juiste worden aanvaard.
Het komt mij evenwel voor, dat dit bij de huidige stand van het recht moeilijk te verdedigen valt.
Weliswaar wordt in het rapport-Jenard, dat voor de uitlegging van het Executieverdrag stellig van belang is, gezegd dat men bij de uitwerking van dat Verdrag oog heeft gehad voor de bijzondere problematiek van arbeidscontracten, en wordt er de aandacht op gevestigd, dat het wenselijk is „dat geschillen over araeidscontracten zoveel mogelijk worden gebracht voor de gerechten van het land sveiks wet voor het betrokken contract moet gelden”, dit alles neemt echter niet weg, dat de bepaling van het voorontwerp van het Verdrag, volgens welke op het gebied van het arbeidscontract een uitsluitende bevoegdheid werd gegeven aan de rechters van de Verdragsluitende Staat waarin hetzij de betrokken inrichting hetzij de plaats waar de arbeid moest worden verricht, zich bevond — niet in het Executieverdrag is opgenomen. In het rapport wordt integendeel met zoveel woorden gezegd, dat men ervan heeft afgezien de bevoegdheid op het gebied van het arbeidsrecht specifiek te regelen, kennelijk omdat door de Commissie van de EEG werd gewerkt aan de eenmaking van de regels welke beslissen over de toepassing van de normen van het arbeidsrecht; verder wordt uitdrukkelijk gezegd, dat voortaan ten aanzien van het arbeidscontract dus de algemene regels van het Verdrag van toepassing zouden zijn, waarmee — zoals in zaak 14/76 reeds aangetoond — in verband met artikel 5, lid 1, de theorie dat de kenmerkende verbintenis beslissend is, niet valt te verenigen. Tenslotte is het ook niet mogelijk daarvan af te wijken op grond dat inmiddels de tekst van het — nog niet in werking getreden — Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, gereed gekomen is. Hierover immers zegt het rapport-Jenard zeer duidelijk (PB C 59 van 1979, blz. 24):
„De bepalingen van het Verdrag zullen, wanneer de werkzaamheden binnen de Commissie zullen zijn voltooid, nog altijd kunnen worden gewijzigd, hetzij door een bijkomend protocol, hetzij door een akkoord betreffende alle problemen in verband met het arbeidscontract...”
5.
Ik kan mitsdien slechts concluderen, de vraag van de Franse Cour de cassation te beantwoorden als volgt:
Artikel 5, lid 1, Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat bij wederkerige overeenkomsten niet één plaats van tenuitvoerlegging moet worden vastgesteld — zulks aan de hand van de verbintenis die de overeenkomst karakteriseert —, doch dat die verbintenis in aanmerking moet worden genomen die aan de vordering in rechte ten grondslag ligt. Bij vorderingen wegens niet-nakoming van verbintenissen uit overeenkomst moet worden gezien naar de verbintenis waarvan de niet-nakoming wordt ingeroepen. Zijn meerdere vorderingen uit overeenkomst ingesteld, dan moet overeenkomstig het op de overeenkomst toepasselijke recht worden bepaald, welke de desbetreffende hoofdverbintenis van de verweerder is; de plaats waar deze moet worden uitgevoerd, is dan bepalend voor de vraag welke rechter bevoegd is.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy