CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 22 JUNI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak verzoekt de Commissie het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek haar verdragsverplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de in artikel 43 gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan de Tweede richtlijn van de Raad van 13 december 1976 (nr. 77/91/EEG) strekkende tot de harmonisatie van het vennootschapsrecht PB L 26 van 1977, blz. 1). Die termijn is verstreken op 16 december 1978, twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn aan de Lid-Staten.
De Italiaanse Republiek heeft noch in zijn schriftelijke noch in zijn mondelinge opmerkingen betwist dat zij de richtlijn niet is nagekomen. Zij heeft uitgelegd dat een ontwerp van wet tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht bij het
zevende Parlement is ingediend, maar dat het onmogelijk is gebleken het ontwerp vóór de ontbinding van dat Parlement in 1979 te doen goedkeuren. Op 4 of 24 september 1979 werd bij het achtste Parlement een zelfde ontwerp ingediend, dat na door de bevoegde commissies te zijn onderzocht, op 16 juli 1980 door de Senaat werd goedgekeurd, het ontwerp ligt thans ter tafel in de Kamer van Afgevaardigden. De Italiaanse regering heeft bij herhaling aangedrongen op een snelle afhandeling van de parlementaire procedure én heeft de verzekering gegeven dat deze richtlijn zo spoedig mogelijk ten uitvoer zal worden gelegd.
Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat een Lid-Staat zich niet kan beroepen op omstandigheden of praktijken in zijn nationale rechtsorde ter rechtvaardiging van zijn verzuim om de hem door een richtlijn opgelegde verplichtingen na te komen.
Mitsdien concludeer ik in deze zaak tot toewijzing van het beroep van de Commissie en tot toewijzing van de Italiaanse Republiek in de kosten van de procedure.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy