CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 30 JUNI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 15 juni 1981 hebben een aantal ambtenaren en tijdelijke functionarissen bij het Hof beroep ingesteld tegen de Commissie in verband met de voorwaarden voor toekenning van het dubbele maximumbedrag van de schooltoelage voor kinderen die een instelling voor tertiair onderwijs bezoeken.
De onderhavige conclusie betreft slechts een gedeelte van de aanhangig gemaakte zaken. Niet aan de orde komen hier de zaken waarvan het Hof bij beschikking van 25 mei 1982 de voeging ongedaan heeft gemaakt als gevolg van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond dat de voorafgaande klacht te laat zou zijn ingediend. Bij beschikking van 7 juni 1982 heeft de president van het Hof de procedure in die zaken sine die opgeschort.
De onderhavige beroepen strekken er in hoofdzaak toe:
—
artikel 3, derde alinea, tweede streepje van bijlage VII bij het Statuut niet-toepasselijk te doen verklaren voor zover het recht op de verdubbelde maximumschooltoelage daarin alleen wordt toegekend aan ambtenaren die in aanmerking komen voor de ontheemdingstoelage,
en
—
bijgevolg, de Commissie te doen gelasten de rekeningen van verzoekers te corrigeren door vergoeding van de bedragen overeenkomende met de verdubbelde schooltoelage die zij ten onrechte hebben moeten derven.
I —
De feiten in deze zaken, die een louter juridisch probleem betreffen, zijn uiterst eenvoudig.
1.
Verzoekers, die allen bij het Gemeenschappelijk centrum voor onderzoek te Ispra werkzaam zijn, voldoen aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor het verdubbelde maximumbedrag, doch zij hebben geen recht op de ontheemdingstoelage als voorzien in artikel 69 van het Statuut en uitgewerkt in afdeling 2 van bijlage VII bij het Statuut. Daardoor voelen zij zich gediscrimineerd ten opzichte van hun collega's die deze toelage wel ontvangen en wier kinderen, evenals de hunne, tertiair onderwijs volgen aan een instelling in Italië, op meer dan 50 km afstand van hun standplaats. In de praktijk betreft het hier meestal de universiteit van Milaan, op 71 km afstand van Ispra.
Einde 1980 verzochten zij krachtens artikel 90, lid 1, om toekenning van het verdubbelde maximumbedrag. Het tot aanstelling bevoegd gezag wees hun verzoeken af met een beroep op de duidelijke tekst van artikel 3 van bijlage VII.
2.
Daarop hebben verzoekers een klacht ingediend overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut. Al deze klachten werden evenwel afgewezen, eerst impliciet (door het uitblijven van antwoord binnen 4 maanden), later, nadat beroep was ingesteld, bij uitdrukkelijke afwijzende besluiten van 15 juli of 9 december 1981.
II —
Voor een juiste beoordeling van het geschilpunt moet naar mijn mening eerst worden herinnerd aan de ingrijpende wijzigingen in de voorwaarden voor toekenning van de schooltoelage sedert de inwerkingtreding op 1 januari 1962 van de Ambtenarenstatuten en van de verordeningen welke van toepassing zijn op de andere personeelsleden van de EEG en de EGA (in dit opzicht was het Statuut-EGKS van 1962 volkomen gelijkluidend).
1.
Krachtens verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA) van de Raad van 18 december 1961 werd de toelage aan iedere ambtenaar toegekend, ongeacht of hij een ontheemdingstoelage genoot, en om het even welke instelling zijn kind bezocht.
De schooltoelage werd evenwel niet voor de volledige duur van het tertiair onderwijs uitgekeerd: het recht op de toelage eindigde wanneer het kind de 21-jarige leeftijd bereikte. Er was evenmin sprake van een verdubbeling van het maximumbedrag.
2.
Deze kwam er in 1965 (bij verordening nr. 30 (EEG), 4 (EGA) van 16 maart 1965; in het EGKS-Statuut werden dezelfde wijzigingen aangebracht). Het dubbel maximum werd toen toegekend aan ambtenaren wier kinderen dagonderwijs volgden en wier standplaats ten minste 50 km verwijderd was van een Europese school, mits zij de ontheemdingstoelage genoten. Deze regeling werd in 1968 opgenomen in het ene en voor alle gemeenschapsambtenaren geldende Statuut dat in de plaats kwam van de EGKS-, EEG- en EGA-Statuten (verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van 29 februari 1968).
3.
In 1972 werd (bij artikel 52 van verordening nr. 1473/72 van 30 juni 1972) het genot van een dubbel maximam uitgebreid tot de ambtenaren wier kindertn tertiair onderwijs volgden. Om voor dit nieuwe recht in aanmerking te komen, moest zijn voldaan aan de volgende drie voorwaarden :
—
de ambtenaar ontving de ontheem-dingstoelage,
—
binnen een straal van 50 km van zijn standplaats was er in zijn land van oorsprong geen onderwijsinstelling van universitair niveau,
—
zijn kind bezocht metterdaad een onderwijsinstelling van universitair niveau op ten minste 50 km afstand van zijn standplaats.
Uit het onderlinge verband tussen die laatste twee voorwaarden volgt dat de bezochte onderwijsinstelling niet noodzakelijk in het land van oorsprong van de ambtenar gelegen diende te zijn.
4.
In 1974 diende de Commissie bij de Raad een voorstel in om de voorwaarden voor toekenning van de verdubbelde schooltoelage andermaal te verruimen. Het voorstel beoogde met name de voorwaarde betreffende het recht op de ontheemdingstoelage te schrappen. Wat het tertiair onderwijs betreft is de Raad bij verordening nr. 711/75 van 18 maart 1975 het voorstel van de Commissie slechts zeer gedeeltelijk gevolgd. Hij aanvaardde de intrekking van de voorwaarde inzake de ontheemdingstoelage wel voor het primair en secundair onderwijs, doch niet voor het tertiair onderwijs. Wel werd aan het slot van de bepaling toegevoegd dat aan die voorwaarde niet behoeft te worden voldaan, „indien in het land waarvan de ambtenaar de nationaliteit bezit, een dergelijke instelling niet aanwezig is” (deze uitzondering betreft de Luxemburgse ambtenaren die in hun land geen volledig universitair studieprogramma hebben).
5.
De thans geldende tekst luidt als volgt:
„Het in de eerste alinea genoemde maximum wordt verdubbeld voor:
...
—
de ambtenaar wiens standplaats ten minste 50 km verwijderd is van een instelling voor tertiair onderwijs van het land waarvan hij de nationaliteit bezit en aan welke instelling onderricht in zijn taal wordt gegeven, op voorwaarde dat het kind metterdaad een instelling voor tertiair onderwijs bezoekt op ten minste 50 km afstand van de standplaats en dat de ambtenaar in aanmerking komt voor de ontheemdingstoelage; aan deze laatste voorwaarde behoeft niet te worden voldaan indien in het land waarvan de ambtenaar de nationaliteit bezit, een dergelijke instelling niet aanwezig is.”
Vergeleken met de vroegere versie is de tekst slechts op ondergeschikte punten verruimd (afgezien van de reeds gesignaleerde slotzin worden de woorden „onderwijsinstelling van universitair niveau” vervangen door „instelling voor tertiair onderwijs” en de woorden „land van oorsprong” door „land waarvan hij de nationaliteit bezit en aan welke instelling onderricht in zijn taal wordt gegeven”). De drie voorwaarden uit de vroegere tekst bleven behouden.
Voorts dient erop te worden gewezen dat overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de „Algemene uitvoeringsbepalingen inzake de schooltoelage” (gepubliceerd in de „Mededelingen van de Administratie” nr. 153 van 2 mei 1977, blz. 25 tot 28), de schooltoelage voor studie aan een instelling voor tertiair onderwijs een forfaitair bedrag is, gelijk aan het in artikel 3, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut genoemde maximumbedrag: het staat los van de werkelijk gedragen onderwijskosten en van het salaris van de betrokken ambtenaar. Voor het academisch jaar 1981/82 beliep dit bedrag BFR 4105 per kind per maand (artikel 1, sub b, laatste streepje, van verordening nr. 372/82 van de Raad van 15 februari 1982).
Ingevolge lid 2 van artikel 5 ontvangt de ambtenaar die aan de voorwaarden voor toekenning van de dubbele toelage voldoet en wiens kind een instelling voor tertiair onderwijs bezoekt automatisch een bedrag dat gelijk is aan het dubbele maximum. Voor hetzelfde jaar ontving hij dus maandelijks BFR 8210 per kind.
III —
1.
Het enige middel van verzoekers houdt in dat een in 's Hofs rechtspraak erkend algemeen rechtsbeginsel, te weten het discriminatieverbod, is geschonden. Schending van dit verbod vindt plaats wanneer vergelijkbare omstandigheden verschillend of verschillende omstandigheden gelijk worden behandeld, zonder dat zulks objectief gerechtvaardigd is (zie bijvoorbeeld de arresten van 25 oktober 1978, zaak 125/77, Koninklijke Scholten-Honig, Jurispr. 1978, blz. 2004, r.o. 27; 15 december 1982, zaak 5/82, Maizena, r.o. 16 en 17, nog niet gepubliceerd; 23 februari 1983, zaak 8/82, Wagner, r.o. 18 en 19, nog niet gepubliceerd).
Volgens verzoekers komt het feit dat het dubbele maximum van de schooltoelage alleen wordt toegekend wanneer de ontheemdingstoelage wordt genoten, neer op een verschil in behandeling van ambtenaren die in vergelijkbare situaties verkeren, zonder dat dit onderscheid gerechtvaardigd is.
Zij stellen dat alle ambtenaren wier kinderen tertiair onderwijs aan een instelling op ten minste 50 km afstand van hun standplaats volgen, daarvoor dezelfde kosten hebben te dragen. Zij bevinden zich derhalve in een gelijke situatie. Ambtenaren met een ontheemdingstoelage ontvangen echter het dubbele maximum, ambtenaren zonder die toelage niet. Daarin schuilt volgens hen de discriminatie.
2.
Voorts is dit verschil in behandeling niet objectief gerechtvaardigd. Mijns inziens vormt dit laatste punt het kernprobleem in de onderhavige zaken.
Levert het feit dat toekenning van de dubbele schooltoelage afhankelijk is gesteld van het genieten van de ontheem-dingstoelage „een willekeurig verschil in de behandeling der ambtenaren” op (zaak 20/71, Bertoni, arrest van 7 juni 1972, r.o. 13, Jurispr. 1972, blz. 352), of — anders gesteld en in bepaalde gevallen — is er sprake van discriminatie ten gevolge „van de toepassing van een algemene regel die leidt tot een schending van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren die zich in een vergelijkbare situatie bevinden” (zaak 156/78, Newth, arrest van 31 mei 1979, r.o. 13, Jurispr. 1979, blz. 1952 en 1953)? Of wordt er op basis van objectieve criteria die rechtstreeks verband houden met het doel van de regeling, een indeling in categorieën gecreëerd, die op alle ambtenaren die zich in de door het Statuut beoogde situatie bevinden, gelijkelijk van toepassing is, doch in grensgevallen tot bezwaren leidt (zaken 147/79, Hochstrass, arrest van 16 oktober 1980, r.o. 13 en 14, Jurispr. 1980, blz. 3020 en 3021, en 1322/79, Vutera, arrest van 15 januari 1981, r.o. 9, Jurispr. 1981, blz. 138)?
Hoewel dat niet uitdrukkelijk uit de gebruikte bewoordingen volgt, staat wel vast dat de Raad de voorwaarde betreffende de ontheemdingstoelage heeft gehandhaafd om de ambtenaren die niet de nationaliteit van de Staat van hun standplaats hebben, in staat te stellen de hogere kosten te dragen die met de studie van hun kinderen in hun land van oorsprong gepaard gaan.
Men kan het met de Raad en de Commissie eens zijn, dat een studie in een ander land dan dat waar de vader of moeder is tewerkgesteld, doorgaans hogere kosten, inzonderheid reiskosten, meebrengt dan een studie in dat land zelf.
Ook blijken ambtenaren die een ontheemdingstoelage ontvangen meestal niet de nationaliteit te hebben van het land hunner standplaats (zo hebben bijvoorbeeld 97,4 % van de ambtenaren en tijdelijke functionarissen met standplaats te Ispra die recht hebben op de ontheemdingstoelage, niet de Italiaanse nationaliteit); en hun kinderen gaan meestal terug naar hun land van oorsprong om daar hun studie af te maken (te Ispra betrof dit tijdens het academisch jaar 1981/82, 147 kinderen terwijl 36 kinderen in Italië studeerden).
3.
Toch moet acht worden geslagen op het betoog van verzoekers die, geenszins overtuigd door de argumenten van de Raad, betwisten dat de — veronderstellenderwijs hogere — kosten voor een studie in het land van oorsprong de werkelijke reden vormen voor het stellen van de voorwaarde betreffende de ontheemdingstoelage. Zij voeren hiertoe drie argumenten aan, waarvan het laatste mij het meest consistent voorkomt.
a)
Indien de gegeven verklaring juist is, valt volgens hen moeilijk in te zien waarom die voorwaarde in 1975 is afgeschaft voor de toekenning van het dubbel maximumbedrag voor primair en secundair onderwijs.
De vergelijking met deze onderwijstypes is volgens mij evenwel niet relevant. Door voor het tertiair onderwijs de voorwaarde betreffende de ontheemdingstoelage te handhaven, heeft de Raad een keuze van personeelsbeleid gedaan — waarover de rechter niet heeft te oordelen — en daaraan de logische consequenties verbonden. Met name om budgettaire redenen wilde hij dat de toekenning van het dubbel maximum een uitzondering zou blijven. De afschaffing van de voorwaarde betreffende de ontheemdingstoelage voor primair en secundair onderwijs deed het aantal ambtenaren met een dubbel maximum niet noemenswaard toenemen, daar de overgrote meerderheid van die ambtenaren in hun standplaats de beschikking hebben over ten minste één Europese school waar hun kinderen het gewenste primair en secundair onderwijs kunnen volgen. Voor het tertiair onderwijs bestaat er evenwel geen equivalent van de Europese scholen, zodat een verruiming hier tot een aanzienlijke toeneming zou hebben geleid van het aantal ambtenaren met een dubbel maximum.
Verzoekers beweren ook dat de bijkomende kosten voor de studie van een kind van een in het buitenland tewerkgestelde ambtenaar in zijn eigen land, forfaitair gedekt worden door de ontheemdingstoelage. Daarop antwoordt de Commissie terecht dat de ontheemdingstoelage de ambtenaren persoonlijk toekomt, terwijl de schooltoelage juist bedoeld is om de studie van hun kinderen te bekostigen.
b)
Verzoekers hebben de hele procedure lang met nadruk gewezen op „de absurditeit” van het stelsel waarin de ambtenaren met een ontheemdingstoelage het dubbele maximum ontvangen, en hun collega's zonder eerstgenoemde toelage niet, ofschoon hun kinderen aan dezelfde universiteit studeren en derhalve dezelfde uitgaven moeten doen.
Dit is ontegenzeglijk een vrij sterk argument, maar het noopt mij nog niet tot de conclusie dat deze situatie een willekeurige discriminatie oplevert. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat bij de uitlegging van een onduidelijk geformuleerde bepaling, te rade moet worden gegaan met het doel en de opzet van het systeem (arrest van 27 november 1980, gevoegde zaken, 81, 82 en 146/79, Sorasio e.a., r.o. 15, Jurispr. 1980, blz. 3571 en 3572). Het heeft echter nooit in de bedoeling van de wetgever gelegen de ambtenaren die een ontheemdingstoelage ontvangen — en in veruit de meeste gevallen niet de nationaliteit hebben van hun land van tewerkstelling — het dubbele maximum toe te kennen; dit is alleen het gevolg van de — door de Commissie erkende — onvolmaaktheid van de thans geldende tekst. Verzoekers dienen hun geval dan ook veeleer te vergelijken met dat van de enige categorie ambtenaren waaraan de Raad de dubbele schooltoelage heeft willen toekennen, namelijk de ambtenaren met een ontheemdingstoelage die hun kinderen naar hun land van oorsprong sturen.
Ook al zijn de gevallen waarmee verzoekers hun situatie vergelijken niet marginaal ( 2 ), toch blijkt uit de aangehaalde cijfers dat de Raad de gewraakte tekst heeft gebaseerd op de situatie die veruit het meest voorkomt. Men kan dan ook zeggen dat in deze tekst een onmiskenbare sociologische realiteit is uitgedrukt.
Dat het overgrote deel van de kinderen van de gemeenschapsambtenaren in hun land van herkomst studeren ( 3 ), komt doordat zij daarvoor zwaarwichtige redenen hebben. Voor de toegang tot talrijke carrières, met name bij de overheid en in bepaalde vrije beroepen, is in de huidige stand van de wederzijdse erkenning van de diploma's door de verschillende Lid-Staten vaak een nationaal diploma vereist. Ook overwegingen ten aanzien van de taal kunnen een rol spelen. Tenslotte ligt het voor de hand dat het iemand die in het land van herkomst heeft gestudeerd, gemakkelijker zal vallen zich aldaar in het beroepsleven in te leven.
IV —
1.
Thans lijkt de in 1975 door de Raad gehandhaafde voorwaarde betreffende de ontheemdingstoelage dus enerzijds rechtstreeks verband te houden met het oogmerk van de regeling inzake het dubbele maximum van de schooltoelage, anderzijds objectief en eenvormig van aard te zijn, dat wil zeggen toepasselijk op alle personen die zich in dezelfde situatie bevinden zonder dat hun individuele situatie discretionair wordt beoordeeld.
Het komt mij evenwel voor dat uit de rechtspraak van het Hof kan worden afgeleid dat deze voorwaarde onwettig zou worden, indien toepassing ervan tot een buitensporige toeneming zou leiden van het aantal ambtenaren dat geen dubbel maximum geniet, terwijl zij die logischerwijze wel zouden moeten ontvangen. Ook als de voorwaarde betreffende ontheemdingstoelage niet bestond, zouden er alleen al door de invoering van „een algemene en abstracte regeling”„grensgevallen” voorkomen (voornoemd arrest-Hochstrass, r.o. 14, Jurispr. 1980, blz. 3021), waarin aan ambtenaren, a priori onrechtmatig, het dubbele maximumbedrag wordt onthouden.
Wanneer naast de andere voorwaarden ook nog het vereiste van de ontheemdingstoelage wordt gesteld, neemt dit risico echter toe en kan het aantal onrechtmatig uitgesloten personen dermate toenemen dat geen sprake meer kan zijn van grensgevallen. Het staat immers buiten kijf dat de toepassing van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, waarin de voorwaarden voor de ontheemdingstoelage zijn vastgelegd, eveneens tot onrechtvaardige situaties kan leiden, al kan niet worden gewaagd van willekeurige differentiatie (voornoemd arrest-Vutera, r.o. 9, Jurispr. 1981, blz. 138).
Met andere woorden, wanneer een regeling tegelijkertijd twee gebrekkige criteria bevat, kan dit tot gevolg hebben dat de regeling discriminatoir en dus onwettig wordt.
2.
Thans moet in concreto worden nagegaan of dit in casu zo is.
Mijns inziens zijn er vier soorten situaties te onderscheiden, die als abnormaal kunnen worden aangemerkt.
a)
In de eerste plaats zijn er de ambtenaren die de nationaliteit hebben van de standplaats en toch een ontheemdingstoelage ontvangen (uitzonderingsgevallen), zoals de Italianen te Ispra. Blijkens de statistieken in bijlage bij de dupliek, ging het daarbij voor het academisch jaar 1981/82 te Ispra slechts om 9 van de 374 kinderen van ambtenaren die tertiair onderwijs volgden. Daar er op minder dan 50 km afstand van hun standplaats geen instelling voor tertiair onderwijs is van het land waarvan zij de nationaliteit bezitten en waar onderricht in hun taal wordt gegeven, zullen deze ambtenaren steeds het dubbele maximumbedrag ontvangen, ongeacht of de instelling waarop hun keuze is gevallen in het land van hun standplaats, waarvan zij tevens de nationaliteit bezitten, dan wel in een ander land is gelegen. Men kan zeggen dat deze ambtenaren in een bevoorrechte positie verkeren ten opzichte van hun landgenoten die geen ontheemdingstoelage ontvangen (het normale geval) en derhalve ook niet het dubbele maximum.
b)
Het komt mij normaal voor dat deze laatsten het dubbele maximumbedrag niet ontvangen wanneer zij hun kinderen in het buitenland laten doorstuderen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen. Er kan geen sprake van discriminatie zijn wanneer dit voordeel bijvoorbeeld wordt toegekend aan een Duits ambtenaar te Ispra die zijn kind naar een Duitse universiteit stuurt, en wordt ontzegd aan een Italiaans ambtenaar te Ispra wiens kind in Duitsland hetzelfde onderwijs volgt als dat van zijn collega. Die twee ambtenaren verkeren immers in een objectief verschillende situatie, omdat eerstgenoemde vaak een beslissing wordt opgedrongen, terwijl zijn collega vrijwel steeds bewust kan kiezen. Ongetwijfeld is de keuze van een buitenlandse universiteit in overeenstemming met het beginsel van de vrije keuze van een instelling voor tertiair onderwijs, dat de gemeenschapsinstellingen kunnen noch willen aanvechten. Maar het discriminatieverbod kan niet met vrucht worden ingeroepen om de Raad te dwingen in dergelijke gevallen een dubbele maximumschooltoelage toe te kennen, die in zijn opzet een uitzondering moet blijven.
Het komt mij wenselijk voor dat een ambtenaar die in een bepaalde standplaats een ontheemdingstoelage ontvangt en deze uitkering verliest ten gevolge van een overplaatsing naar zijn land van herkomst, voor zijn kind dat in eerstgenoemd land studeert en deze studie niet wenst te onderbreken, het dubbele maximumbedrag kan blijven ontvangen ( 4 ). Daar het aantal ambtenaren dat zich in deze situatie bevindt ongetwijfeld uiterst gering is, kan dit evenwel onmogelijk anders dan als een randverschijnsel — hoe ongelukkig ook — worden beschouwd. Het kan dus niet als discriminerend in de zin van 's Hofs rechtspraak worden aangemerkt. Daarom staat het veeleer aan de communautaire wetgever om een gepaste oplossing te vinden om daaraan een einde te maken.
c)
Verzoekers wijzen op een andere abnormale situatie: het betreft hier de ambtenaren die niet de nationaliteit hebben van het land van hun standplaats en een ontheemdingstoelage ontvangen (het normale geval), doch wier kinderen onderwijs volgen in het land van de standplaats, en niet, zoals de Raad had voorzien, in hun land van herkomst. Het gaat dan om kinderen van niet-Italiaanse ambtenaren te Ispra die in Italië, inzonderheid te Milaan, studeren. Te denken valt ook aan kinderen van Franse ambtenaren die in België aan een Franstalige universiteit studeren, of aan Nederlandstalige Belgen die op het Gemeenschappelijk centrum voor onderzoek te Petten werken, wier kinderen in Nederland studeren. Waarschijnlijk gaat het hier nogal eens om kinderen uit een gemengd huwelijk of om kinderen die zijn geboren in het land van de standplaats van de rechthebbende nadat deze in dienst van de Gemeenschappen is getreden, zodat zij zich in laatstgenoemd land beter thuis voelen dan in het land waarvan zij de nationaliteit hebben. Het is dan ook volkomen begrijpelijk dat zij daar tertiair onderwijs wensen te volgen.
Tevens ontvangen deze ambtenaren onder de thans geldende regeling niet alleen de dubbele maximumschooltoelage, wanneer zij hun kinderen naar hun land van herkomst sturen, doch ook wanneer zij hun kinderen naar eender welk ander land sturen. Deze gevolgen, die door de Raad kennelijk niet zijn gewild, maar alleen voortvloeien uit de gebrekkige redactie van de tekst, zijn met name in een Europese context op zichzelf niet laakbaar, wanneer het kind in een ander land van de Gemeenschap studeert dan dat van de standplaats of de nationaliteit van de rechthebbende. Die gevolgen stuiten evenwel tegen de borst wanneer men denkt aan de tegenovergestelde gevallen van ambtenaren waarop de tekst betrekking heeft. Gelet op het gering aantal ambtenaren dat volgens de cijfers over Ispra dit voordeel geniet, kan evenwel niet worden geconcludeerd dat zij die dit voordeel niet hebben, worden gediscrimineerd. Hoewel degenen die het voordeel genieten er geen enkel belang bij hebben zich over de huidige situatie te beklagen, mag niet uit het oog worden verloren dat het thans bestaande verschil in behandeling onder meer zou kunnen worden beëindigd door dit voordeel af te schaffen.
d)
In een nadelige positie verkeren verder de ambtenaren die niet de nationaliteit van het land van de standplaats hebben, maar toch geen ontheemdingstoelage ontvangen (uitzonderingsgevallen) ( 5 ), en wier kinderen tertiair onderwijs volgen buiten het land van de standplaats, bijvoorbeeld in hun land van herkomst. In 1981/82 kwam dit soort gevallen te Ispra geen enkele maal voor. Blijkens door de Commissie verstrekte aanvullende inlichtingen betreffende haar personeel te Brussel en Luxemburg gaat het hier om een uiterst zeldzame situatie: voor het jaar 1982/83 ging het slechts om twee van de 32 kinderen van ambtenaren of tijdelijke functionarissen, voor wie wegens tertiair onderwijs recht op een schooltoelage bestond.
Uit dit overzicht van abnormale situaties blijkt mitsdien, dat zij niet vaak genoeg voorkomen om te kunnen stellen dat de bestreden tekst een willekeurige discriminatie oplevert. Ik kan mij evenwel niet aan de indruk onttrekken dat de gekozen redactie, gezien de talrijke criteria, waaronder het recht op een ontheem-dingstoelage, wellicht nodeloos ingewikkeld is. Weliswaar is een volkomen rechtvaardig systeem, waaronder niemand wordt geschaad of ten onrechte bevoordeeld, niet te verwezenlijken, gezien de enorme verschillen tussen de individuele situaties als gevolg van het grote aantal factoren dat daarbij een rol speelt, maar het is denkbaar dat een andere regeling eventueel een stap in de richting van een billijker oplossing zal zijn.
Op de eerder uiteengezette gronden concludeer ik evenwel tot verwerping van de beroepen, met verwijzing van elk der partijen in de eigen kosten krachtens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) Ik wijs er nogmaals op dat te Ispra in 1981/82, 36 kinderen van ambtenaren met een ontheemdingstoelage in Italie' studeerden, terwijl 147 kinderen naar hun land van herkomst waren teruggekeerd, wat toch altijd nog circa 1 op 4 uitmaakt (4,08333 om precies te zijn).
( 3 ) Op de I 050 Italiaanse ambtenaren en personeelsleden met standplaats te Ispra waren er slechts 4 kinderen die buiten Italië tertiair onderwijs volgden.
( 4 ) Zo genoot de heer Carraro (zaak 305/81) van Italiaanse nationaliteit, zolang hij bij het Gemeenschappelijk centrum voor onderzoek te Geel werkte, een ontheemdingstoelage alsmede een dubbele schooltoclage voor zijn dochter die in Belgie ingeschreven was aan de universiteit te Louvain-la-Ncuvc. Vanaf zijn overplaatsing naar Ispra, begin december I960, werd hem de ontheemdingstoelage — en dus ook de dubbele schooltoclage — niet langer uitbetaald, ofschoon zijn dochter haar studie in Belgie voortzette.
( 5 ) B.v. omdat zij gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór hun indiensttreding, voor een particuliere onderneming in bedoeld land hebben gewerkt, ook al waren zij er niet woonachtig — artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII.
Full & Egal Universal Law Academy