CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 10 JUNI 1982 ( *1 )
Mijnheer de Voorzitter,
mijne heren Rechters,
I — Inleiding
1.
De thans aan de orde zijnde zaak Bosnians geeft het Hof de gelegenheid meer duidelijkheid te verschaffen omtrent de rechtspositie van de talrijke ambtenaren van wie het ambt of de rang 1 in de op grond van artikel 6 van het Statuut bij de verschillende afdelingen van de begroting gevoegde lijst van ambten in voetnoten wordt aangeduid als „ad personam”.
Blijkens de in het dossier gevoegde en op 31 december 1980 in het Publikatieblad gepubliceerde lijst van ambten, bedroeg het aantal van deze rangen „ad personam” toen alleen reeds bij de Commissie 69. Met uitzondering van de Rekenkamer blijken echter ook de overige instellingen een aantal dergelijke rangen „ad personam” te kennen. Alleen bij het Hof van Justitie wordt in enkele gevallen aan die aanduiding toegevoegd „voor de duur van hun functie”. Het gaat daarbij steeds om vaste ambten in de zin van artikel 1 van het Statuut.
Grotere duidelijkheid omtrent deze rechtspositie is uiteraard met name in het belang van alle betrokkenen, waaronder de appellant in het onderhavige geding.
Zij wordt echter soms ook om andere redenen gewenst geacht, zoals blijkt uit het in het dossier gevoegde uittreksel van een verslag van de voorgangster van de huidige Rekenkamer, de Controlecommissie, over de rekeningen betreffende het begrotingsjaar 1976. Op blz. 33 van genoemd verslag stelt de Controlecommissie, dat de toekenning van rangen „ad personam” door geen enkele statutaire bepaling is geregeld en dat de betekenis en de juiste draagwijdte van deze budgettaire machtigingen tenminste een verduidelijking behoeven. Op blz. 34 meent de Controlecommissie, dat de toekenning van een dergelijke persoonlijke rang aan de ambtenaren die ingevolge Uw arresten in de zaken 20 en 21/63, Maudet t. Commissie (Jurispr. 1964, X, blz. 231) en 79 en 82/63, Reynier en Erba t. Commissie (Jurispr. 1964, X, blz. 54) recht hebben op een rang A 3, onverenigbaar is met genoemde arresten. De enige classificaties „ad personam” die de Controlecommissie toen in overeenstemming achtte met het gemeenschapsrecht waren die welke voortvloeiden uit Raadsverordening nr. 259/68 van 29 februari 1968 (PB nr. 56 van 4. 3. 1968, blz. 1).
2.
Naar aanleiding van deze beschouwingen van de Controlecommissie acht ik het met het oog op het onderhavige geschil allereerst gewenst kort in herinnering te roepen wat de voornaamste drie categorieën van rangen „ad personam” bij de Commissie zijn. In de eerste plaats moet dan de reeds vermelde categorie van ambtenaren worden genoemd die als gevolg van Uw vermelde arresten en in verband met het in werking treden van het Statuut werden „bevorderd” naar een rang A 3. Deze bevordering, geschiedde „ad personam”. Onder meer omdat hier in feite niettemin van een bevordering sprake was, is het begrijpelijk, dat betrokkenen daartegen niet in verzet zijn gekomen, al kan men zich met de Controlecommissie uiteraard afvragen of het aldus gevolg geven aan Uw arresten daarmede in overeenstemming was. De tweede en ¡ets grotere categorie van rangen „ad personam” vloeide voort uit de in verband met de fusie van de instellingen vastgestelde verordening nr. 259/68 van de Raad en bracht, zoals in de onderhavige procedure nogmaals gebleken is, een functiedegradatie voor betrokkenen mede, met behoud van hun rang „ad personam”. Deze ambtenaren werden dus wel benadeeld, met name in de hun toegekende verantwoordelijkheden die niet met hun rang overeenstemden. Deze afwijking van artikel 7 van het Statuut werd echter gedekt door de betrokken verordening. De derde en grootste categorie van ambtenaren met een persoonlijke rang is blijkens de mededelingen tijdens de onderhavige procedure ontstaan in verband met de eerste uitbreiding van de Gemeenschappen. Appellant in de onderhavige procedure behoort tot deze categorie. Uit antwoorden op Uwerzijds tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige geschil gestelde vragen is niet gebleken van de toepassing van duidelijke criteria bij de overplaatsing in dit verband van ambtenaren naar een ambt waaraan op de in artikel 6 van het Statuut bedoelde lijst slechts een persoonlijke rang werd verbonden van overigens gelijkgebleven niveau. In het onderhavige geschil is ook niet bestreden, dat het nieuwe, toen aan betrokkene toegekende ambt in overeenstemming bleef met zijn rang A 3. Evenmin bestrijdt hij dit ten aanzien van het hem in 1980 door overplaatsing toegekende nieuwe ambt van raadadviseur.
Wanneer men de genoemde drie categorieën met elkaar vergelijkt, blijkt dat de eerste categorie er feitelijk in financiële positie op vooruitgang.
De tweede categorie ging financieel niet, in verantwoordelijkheid van de uitgeoefende functie echter wel achteruit, doch kon daartegen op grond van genoemde verordening geen bezwaar maken.
De derde categorie, waartoe de heer Bosmans behoort, werd conform artikel 7 van het Statuut, dus met behoud van rang en een bij deze rang passend ambt, overgeplaatst, doch deze rang werd in de in artikel 6 van het Statuut bedoelde lijst evenals de rangen van de twee andere categorieën aangeduid als „persoonlijk”. De persoonlijke titel blijkt dus zeer verschillende categorieën van ambtenaren te betreffen, van wie de belangen door de toekenning van deze titel op zeer uiteenlopende wijze worden geraakt. Volledigheidshalve merk ik nog op, dat er blijkens Uw arrest in de zaak Loebisch (zaak 14/79, Jurispr. 1979, blz. 3692) nog een vierde categorie van vermoedelijk geringere omvang bestaat. Het betrof hier een „discrétionnaire bevordering wegens (zijn) persoonlijke verdiensten en waarschijnlijk omdat hij aan het einde van zijn loopbaan was”. De functie van betrokkene bleef in dit geval een functie, corresponderend met de rang A 3. Dit lijkt mij het enige geval waarin in alle opzichten geheel terecht van een persoonlijke titel kan worden gesproken.
3.
Voordat ik op het concrete geschil inga, lijken mij nog enkele algemene opmerkingen op hun plaats met betrekking tot de ter discussie staande terminologie. Statutair zijn hier met name van belang de begrippen „(vast) amt” en „rang”. Het begrip „persoonlijke rang” of een daarmede vergelijkbaar begrip wordt als gezegd met name in de in artikel 6 van het Statuut bedoelde begrotingsbijlage gebruikt, maar niet in het Statuut. Het in bedoelde begrotingsbijlage gehanteerde begrip speelt een centrale rol in de onderhavige procedure.
De vraag is echter of in het Statuut niet wel een rol speelt een mogelijk onderscheid tussen een „budgettair” begrip „ambt” en een „functioneel” begrip „ambt” (waarmede dan een budgettair en een functioneel begrip „rang” zouden corresponderen). Volgens Euler (Europäisches Beamtenstatut, Kölner Schriften zum Europarecht, deel 4 A) heeft het begrip „ambt” in het Statuut inderdaad niet altijd dezelfde betekenis. Soms, met name in de artikelen 1 en 6, alsmede impliciet in artikel 4, zou het begrip een duidelijk budgettaire betekenis hebben. Voor wat betreft artikel 1 vindt Euler daarbij onder meer steun in Uw arrest in de zaak 18/63 (Schmitz, Jurispr. 1964, blz. 203), waar gesteld wordt "dat dit begrip (vast ambt) slechts doelt op die ambten die in de begroting van de Gemeenschap uitdrukkelijk als „vast” zijn voorzien of op soortgelijke wijze zijn aangeduid. Deze uitspraak werd nog onlangs bevestigd in rechtsoverwegingen 9 en 10 van Uw arrest Fournier van 19 november 1981 (zaak 106/80, nog niet gepubliceerd), onder verwijzing naar Uw arrest in de zaak Deshormes van 1 februari 1979 (zaak 17/78, Jurispr. 1979, blz. 189). Uw meest recente geciteerde arrest onderstreept op ondubbelzinnige wijze het verschil tussen het budgettaire en het functionele begrip door er op te wijzen, dat een tijdelijke ambtenaar in functionele zin zeer wel een vast ambt in de budgettaire betekenis kan uitoefenen. Tevens onderstreept het arrest, dat ook in artikel 6 van het Statuut het begrip „ambt” een zuiver budgettaire betekenis heeft.
Daarentegen heeft hetzelfde begrip in artikel 5 van het Statuut volgens Euler duidelijk een functionele betekenis, die taken, plichten en bevoegdheden van de ambtenaren verduidelijkt (o.e., blz. 61). Eenzelfde functionele betekenis zal aan het begrip „ambt” naar mijn mening moeten worden toegekend in artikel 7 van het Statuut, dat in het onderhavige geschil naast artikelen 1 en 5 en bijlage I A van het Statuut een hoofdrol speelt.
Wat de verhouding tussen het budgettaire begrip en het functionele begrip „ambt” (en de daarmede corresponderende budgettaire en functionele begrippen „rang”) betreft, zij om te beginnen opgemerkt, dat ook het budgettaire begrip als gezegd, zijn grondslag vindt in het Statuut, zoals door Uw Hof uitgelegd. Men kan het vermelde onderscheid dus niet gelijk stellen met een onderscheid tussen een budgettair en een statutair begrip „ambt”. Voorts kan men zich dan met de Controlecommissie afvragen of het begrip „persoonlijke rang” in de bij de begrotingen ingevolge artikel 6 van het Statuut gevoegde „lijsten van het aantal ambten” al dan niet in overeenstemming is met het Statuut. Klager in het onderhavige geschil meent, dat dit niet het geval is en de Controlecommissie leek daarover in haar verslag over de rekeningen van het jaar 1976 ook tenminste grote twijfel te hebben.
In de tweede plaats moet echter ten aanzien van genoemd onderscheid worden opgemerkt, dat het budgettaire en het functionele begrip „ambt” (en de daarmede corresponderende „rang”-begrip-pen) in het Statuut geenszins geheel los van elkaar staan, zoals de Commissie tijdens de procedure heeft gesuggereerd. De beschikbaarheid van een overeenkomstige budgettaire post vormt immers de voorwaarde voor het kunnen bezetten van een ambt in functionele zin (vgl. Euler, o.e. biz. 63). Ook deze vaststelling lijkt mij van belang voor de beoordeling van het onderhavige geschil. Met name voor zover een ambt, dat budgettair in het kader van artikel 6 van het Statuut slechts met een persoonlijke rang is voorzien, geacht zou kunnen worden een rang lager te zijn ingedeeld dan het niveau waarop het ambt functioneel conform artikel 5 van het Statuut moet worden gewaardeerd, rijst de vraag, of deze praktijk al dan niet in overeenstemming is met het Statuut ( 1 ). Slechts in de gevallen, voortvloeiend uit de Raadsverordening nr. 259/68 lijkt over de conformiteit van de begrotingspraktijk met het gemeenschapsrecht geen twijfel mogelijk. Voor de in casu aan de orde zijnde derde categorie van persoonlijke rangen zal een persoonlijke rang A 3 in budgettaire zin (zelfs indien deze terminologie in budgettair verband aanvaardbaar is) in elk geval moeten corresponderen met een ambt, dat in functionele zin met een A 3-rang overeenkomt.
4.
Mijn verdere betoog zal als volgt zijn opgebouwd. In de volgende paragraaf zal ik kort de relevante feiten van het onderhavige geschil, het voorwerp van het beroep en de aangevoerde middelen samenvatten. Voor een uitvoeriger samenvatting verwijs ik als gebruikelijk naar het rapport ter terechtzitting.
In de derde paragraaf van mijn conclusie zal ik uiteenzetten, waarom de door de Commissie aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid naar mijn oordeel moeten worden verworpen, maar op welke andere grond het beroep naar mijn oordeel niettemin ambtshalve door het Hof niet ontvankelijk moet worden verklaard.
In de vierde paragraaf zal ik, voor zover nodig, een korte beschouwing ten gronde geven voor het geval Uw Hof het beroep wel ontvankelijk zou achten.
In de vijfde paragraaf zal ik tenslotte nog enkele slotopmerkingen maken en mijn eindconclusie formuleren. Op de in de aanvang genoemde gronden zal ik ook in mijn verdere betoog nastreven, de rechtspositie van de betrokken ambtenaren te verduidelijken, voor zover dit voor de beoordeling van het onderhavige geschil van belang is.
II — Feitelijke achtergrond, voorwerp en middelen van het onderhavige beroep
Klager trad op 1 september 1958 bij de Commissie in dienst in de rang A 5. Na herhaalde promoties werd hij op 1 oktober 1963 benoemd tot hoofd van de afdeling „Betrekkingen met de Europese Gemeenschappen en organisaties” van het Directoraat-generaal I „Buitenlandse Betrekkingen”. Later werd hij achtereenvolgens belast met de leiding van verschillende andere afdelingen in de Directoraten-Generaal I en IX van de Commissie.
Bij Commissiebesluit van 25 mei 1973 werd klager benoemd tot hoofd van de afdeling „Salarissen, pensioenen, missies en verschillende vergoedingen” van laatstgenoemd Directoraat-generaal. Nadat hij uit een op 29 november 1973 in het Publikatieblad gepubliceerde lijst van ambten als bedoeld in artikel 6 van het Statuut, alsmede uit een op 30 oktober 1973 gedateerd organigram had afgeleid, dat zijn oude A3-ambt was vervangen door een A 5/A 4-ambt met persoonlijke A 3-rang, diende hij een verzoekschrift in waarin hij het tot aanstelling bevoegde gezag verzocht deze aanduiding weer te vervangen door de aanduiding van de rang die hij sinds 1 oktober 1963 ononderbroken had gehad. Na een gesprek met zijn directeur-generaal, waarin hij naar zijn zeggen terzake voldoende geruststellende verzekeringen kreeg, trok hij genoemd verzoekschrift op 8 februari 1974 weer in. Ik teken daarbij aan, dat blijkens het procesdossier over de inhoud van genoemd gesprek geen volstrekte duidelijkheid is verkregen. Naar mijn oordeel zal men bij de beoordeling van de eventuele relevantie van de intrekking van het verzoekschrift onder meer moeten bedenken, dat op dat moment nog geen enkele praktijkervaring bestond ten aanzien van de mogelijke invloed van het bezetten van een dergelijke post met een persoonlijke rang op de kansen op promotie of overplaatsing naar een „reguliere” A 3-post.
Wat daarvan ook zij, mede op grond van zijn persoonlijke ervaringen bij sollicitaties naar hoger of normaal ingeschaalde functies, heeft appellant na het eerstvolgende nieuwe hem betreffende overplaatsingsbesluit van de Commissie van 25 juni 1980 op 25 juli 1980 wederom een verzoekschrift ingediend bij het tot aanstelling bevoegde gezag, waarin hij verzocht te bevestigen, dat hij na zijn overplaatsing in het „tableau des effectifs” (de lijst van ambten als bedoeld in artikel 6 van het Statuut) een ander A 3-ambt dan een ambt A 3 „ad personam” bezette.
Ruim een maand later ontving hij eerst op 4 september 1980 van de directeur-generaal van Personeel en Administratie de officiële mededeling van zijn overplaatsing naar een functie van raadadviseur van de Personeelsdirectie. Deze mededeling was kennelijk verzonden, voordat de directeur-generaal van zijn verzoekschrift van 25 juli had kennis genomen. Op 13 oktober 1980 zond de directeur-generaal hem althans een nieuwe brief, die volgens de mededelingen van de Commissie tijdens de procedure wel bedoeld was als een antwoord op het verzoekschrift, hoewel zulks uit de brief zelf niet blijkt. De tekst van deze tweede brief luidt als volgt:
„In het kader van de reorganisatie van het Directoraat-generaal, ‚Personeelszaken en algemeen beheer’ heeft de Commissie tijdens haar 565e bijeenkomst op 25 juni 1980 besloten, U per 1 augustus 1980 te werk te stellen als raadadviseur bij het Directoraat IXA ‚Personeelszaken’, zonder de door U bezette post te wijzigingen.
Dientengevolge blijft U een A 3-post ‚ad personam’ van de lijst van het aantal ambten bezetten.”
Op 2 december 1980, dus binnen de daarvoor in artikel 90, lid 2 van het Statuut gestelde termijn, diende appellante vervolgens tegen dit besluit tot afwijzing van zijn verzoekschrift een klacht in bij het tot aanstelling bevoegde gezag.
Bij gebreke van een antwoord van de Commissie op deze klacht binnen vier maanden, ging klager op grond van artikel 91 van het Statuut binnen de daar gestelde termijn van drie maanden bij het Hof in beroep.
Voorwerp van zijn beroepschrift is, voor zover hier van belang, „de nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 25 juni 1980 voorzoverre zijn plaatsing als raadadviseur bij de Directie IXA ‚Personeel’ met ingang van 1 augustus 1980 is geschied in een ambt A 3 ‚ad personam’, alsmede het voor recht verklaren, dat het door hem bezette ambt is en moet zijn een vast ambt A 3, opgenomen in de lijst van ambten van de Commissie en de nietigverklaring van de verwerping van zijn verzoek van 25 juli 1980 en van zijn klacht van 2 december 1980”.
De ter ondersteuning van het beroep aangevoerde middelen zijn, samengevat, schending en/of miskenning van:
a)
het Statuut, met name zijn artikelen 1, 5, 7, § 1 en zijn bijlage I, rubriek A;
b)
van de beslissing van de Commissie tot toepassing van artikel 5, § 4 van het Statuut, waarbij de werkzaamheden en bevoegdheden worden omschreven die aan iedere standaardfunctie zijn verbonden;
c)
van de beschikking Commissie van 10 december 1963, waarbij klager, met ingang van 1 oktober 1963, werd benoemd in de rang A 3;
d)
van rechtsbeginselen, met name gelijkheidsbeginselen, beginselen van goed bestuur en verdelende rechtvaardigheid.
III — De ontvankelijkheid van het beroep
De Commissie roept twee excepties van niet-ontvankelijkheid in. In de eerste plaats zou het beroep in werkelijkheid zijn gericht tegen een reeds ten minste sinds 1 augustus 1973 bestaande rechtspositie van betrokkene en dan te laat zijn ingediend. Deze exceptie zal naar mijn oordeel moeten worden verworpen, omdat het beroep duidelijk is gericht tegen de beschikking van de Commissie van 25 juni 1980 en tegen de verwerping van zijn klacht van 2 december 1980. Slechts in een onderzoek ten gronde zal kunnen blijken of de Commissie bij haar beschikking van 25 juni 1980 op grond van het Statuut of op grond van andere voorschriften of algemene rechtsbeginselen had dienen te beslissen tot overplaatsing met toekenning van een reguliere A 3-rang van het ambt in budgettaire zin. De omstandigheden die alleszins kunnen verklaren waarom klager niet reeds in 1973 of 1974 in beroep is gegaan heb ik hierboven reeds uiteengezet, maar deze voorgeschiedenis lijkt mij voor het thans ingestelde beroep niet van belang.
Zich beroepend op Uw arresten in de zaken 177/73 en 5/74 Reinart t. Commissie (Jurispr. 1974, blz. 819 en volgende) en 35/72, Kley t. Commissie (Jurispr. 1973, blz. 679 en volgende) acht de Commissie het beroep voorts niet ontvankelijk, omdat de aangevochten beschikking betrokkene geen nadeel zou berokkenen als in Uw rechtspraak omschreven. Volgens deze rechtspraak zouden uitsluitend als zodanig worden beschouwd „rechtshandelingen die een bepaalde rechtstoestand rechtstreeks kunnen beïnvloeden of de morele belangen en toekomstvooruitzichten van belanghebbende kunnen aantasten”. Ook deze tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid dient naar mijn oordeel te worden verworpen. Appellant stelt immer juist, dat aan beide door de Commissie aan Uw rechtspraak ontleende voorwaarden in zijn geval wel is voldaan. Onder meer stelt hij bij herhaling zelf te hebben ervaren, dat ambtenaren met een persoonlijke rang A 3 bij sollicitaties naar een ambt in de naaste hogere rang of zelfs bij sollicitaties naar een ambt met een normale A 3-rang minder kans maken dan reguliere A 3-ambtenaren. De door de Commissie op verzoek van het Hof overgelegde statistieken tonen, dat deze stelling niet reeds aanstonds door deze statistieken wordt weersproken. Voorts kan de door appellant geformuleerde verklaringshypothese, dat het dienstbelang van de Commissie zich verzet tegen het door promotie of overplaatsing prijs geven van een door een persoonlijke A 3-rang gedekte verantwoordelijke post evenmin zonder onderzoek ten gronde worden verworpen. Tenslotte beroept hij zich op een moreel belang bij een juiste aanduiding van zijn rechtspositie. Of de ter ondersteuning van zijn belang aangevoerde argumenten van appellant moeten worden verworpen, kan dus slechts uit een onderzoek ten gronde blijken.
Er is intussen als eerder opgemerkt een andere grond, waarop het onderhavige beroep naar mijn oordeel ambtshalve niet ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij moet ik allereerst opmerken, dat het beroep ten onrechte er van uitgaat dat appellant door de aangevochten beschikking op een ambt A 3 „ad personam” zou zijn geplaatst. Hij werd bij de aangevochten beschikking van 25 juni 1980 integendeel, bij wijze van overplaatsing, geheel conform artikelen 5 en 7 van het Statuut, tewerkgesteld overeenkomstig een rang A 3 in een tot zijn categorie of groep behorend ambt, in casu het ambt van raadadviseur. Dit blijkt met name uit de zich in het dossier bevindende aan hem gerichte mededeling van 4 september 1980. Pas in antwoord op zijn verzoek van 25 juli tot verduidelijking van zijn rechtspositie als bezettende een ambt A 3, niet zijnde een persoonlijk ambt A 3, werd daaraan op 13 oktober toegevoegd, dat tewerkstelling plaats vond zonder wijziging van zijn ambt, zodat hij een ambt A 3 ad personam op de lijst van ambten zou blijven bezetten. Het is op deze, naar mijn oordeel onzorgvuldig geredigeerde, precisering van zijn rechtspositie, dat het beroepschrift in wezen betrekking heeft.
De precisering is onzorgvuldig, omdat het ambt in functionele zin van betrokkene juist wel gewijzigd werd, namelijk van afdelingshoofd in raadadviseur. De precisering is voorts onzorgvuldig, omdat niet het ambt van betrokkene (dat tot de vaste ambten behoort) een persoonlijk karakter heeft, maar de met het ambt corresponderende rang in budgettaire zin.
Deze precisering van wat de Commissie met haar onzorgvuldig geredigeerde brief bedoeld moet hebben is van belang voor de thans te onderzoeken ontvankelijkheidsvraag, waarbij vooropgesteld moet worden dat de Commissie met haar brief zelf tot een verwarring van de verantwoordelijkheden en van de verschillende betekenissen van het woord „ambt” (en het daarmede corresponderende begrip „rang”) in het Statuut heeft bijgedragen. Als in mijn inleidende beschouwingen opgemerkt, is de Commissie bij de toepassing van artikel 7 uitsluitend gehouden een ambtenaar overeenkomstig zijn rang te werk te stellen in een tot zijn categorie of groep behorend ambt in functionele zin. Zoals ik in mijn inleidende beschouwingen voorts heb opgemerkt, moet dit begrip „ambt” in functionele zin goed worden onderscheiden van het begrip „ambt” in budgettaire zin, zoals dit onder meer wordt gebruikt in artikel 6 van het Statuut. Het is daarvan weliswaar afhankelijk in die zin, dat ingevolge genoemd artikel 6 de begrotingsautoriteit een lijst van ambten en rangen in elke loopbaan dient vast te stellen, die de beleidsruimte van het tot aanstelling bevoegde gezag bij de toepassing van artikel 7 begrenzen. Verantwoordelijk voor de in die lijst aangegeven aantallen ambten die slechts met een persoonlijke rang kunnen worden vervuld, is echter niet de Commissie, maar de begrotingsautoriteit, thans Raad en Parlement. Ik behoef hier niet te onderzoeken of een beroep tegenover die begrotingsautoriteit in casu ontvankelijk zou zijn. Vast staat, naar mijn oordeel, dat het door betrokkene tegen de Commissie ingestelde beroep in elk geval niet ontvankelijk is. Ik leid dat mede af uit de beschikking van Uw Hof (Eerste kamer) in de zaak Ooms tegen Commissie van 4 oktober 1979 (Jurispr. 1979, blz. 3121), waaruit ik het volgende citeer: „Het beroep is klaarblijkelijk niet ontvankelijk. Ingevolge artikel 91, lid 2, Ambtenarenstatuut dienen beroepen van ambtenaren, welke in het kader van artikel 179 EEGVerdrag worden ingesteld, te zijn gericht tegen het tot aanstelling bevoegde gezag en betrekking te hebben op besluiten of verzuimen van dit gezag, waardoor de verzoeker zich bezwaard acht. Het onderhavige beroep voldoet niet aan deze voorwaarde, aangezien het strekt tot nietigverklaring van een verordening van de Raad”. Evenzo richt het onderhavige beroep zich naar mijn oordeel in wezen tegen een besluit niet van het tot aanstelling bevoegde gezag, maar van de begrotingsautoriteit.
Appellant heeft tijdens de mondelinge behandeling daartegenover gesteld, dat de begrotingsautoriteit in deze zaak op voorstel van de Commissie heeft besloten. Een soortgelijk argument werd in de geciteerde beschikking echter reeds uitdrukkelijk door Uw Hof verworpen. Voorts heeft appellant tijdens de mondelinge behandeling gesteld, dat de Commissie toch tenminste verantwoordelijk was voor de toepassing van genoemd besluit van de begrotingsautoriteit op zijn geval. Hierop dient allereerst geantwoord te worden dat tijdens de procedure in antwoord op een vraag van het Hof is komen vast te staan, dat het hier om een nieuwe post ging en dat daarvoor slechts ambten met een (budgettair gezien) persoonlijke A 3-rang beschikbaar waren. Van enigerlei eigen verantwoordelijkheid van de Commissie voor het toepassingsbesluit in concreto met betrekking tot de budgettaire rang van het ambt van appellant is dus niets gebleken. In de tweede plaats kan volgens de eerder uitgevoerde analyse de Commissie in het kader van de toepassing van artikel 7 van het Statuut in het geheel geen beslissingen nemen over budgettaire ambten of rangen, maar alleen over de tewerkstelling in een ambt in functionele zin, dat past bij de functionele rang van betrokkene, wat de begrotingsautoriteit ook moge besluiten over de budgettaire kwalificatie van die rang.
Wel moet de Commissie naar mijn oordeel de gesignaleerde onzorgvuldigheid van haar antwoord aan betrokkene over diens rechtspositie worden verweten. Door de Commissie dient betrokkene naar mijn oordeel in het kader van artikel 7 van het Statuut, zonder meer als een ambtenaar te worden beschouwd, die overeenkomstig zijn rang A 3 is tewerkgesteld als raadadviseur. In dit opzicht is haar in december 1981 gepubliceerde organisatieschema wel correct, evenals haar aanvankelijke mededeling aan betrokkene van 4 september 1980 in dit opzicht geheel correct was. Daar de Commissie door haar antwoord van 13 oktober 1980 aldus de onduidelijkheid van de rechtspositie van betrokkene eerder heeft vergroot dan verminderd, dient zij haar mijn opvatting, onder toepassing van artikel 69, § 3, van het Reglement voor de procesvoering, in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.
IV — De zaak ten gronde
Zoals uit het voorgaande moge zijn gebleken, ben ik van oordeel, dat de in casu na te streven verduidelijking van de rechtspositie van appellant het beste bereikt kan worden door zijn beroep niet ontvankelijk te verklaren op de door mij aangegeven gronden. Ik acht het inderdaad niet in het belang van een verduidelijking van zijn rechtspositie, wanneer de Commissie verantwoordelijk wordt gesteld voor aspecten van haar personeelsbeleid, die door bepalingen van het Statuut worden geregeerd voor welker toepassing formeel en inhoudelijk duidelijk de begrotingsautoriteit verantwoordelijk is. Intussen hebben wij tijdens de mondelinge behandeling gehoord, dat de vertegenwoordiger van de Commissie op dit punt aarzelde. Hij leek de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de toepassing in concreto van de door de begrotingsautoriteit ingevolge artikel 6 van het Statuut vastgestelde lijst van ambten niet zonder meer te willen uitsluiten. Voor het geval U tenslotte het beroep wel ontvankelijk zou achten, zal dit beroep naar mijn oordeel moeten worden verworpen. Om te beginnen is de aangevochten beschikking, als eerder opgemerkt, duidelijk gebaseerd op artikel 7 van het Statuut en geeft zij daaraan een juiste toepassing.
Voor zover de beschikking op grond van de in de brief van 13 oktober 1980 gegeven precisering tevens geacht zou moeten worden uitvoering te geven aan de op grond van artikel 6 van het Statuut vastgestelde lijst van ambten, moet zij ondanks de minder juiste formulering van de precisering geacht worden aan genoemde lijst de betekenis te geven, die haar volgens onze analyse van artikel 6 toekomt. Niet het ambt van betrokkene, maar uitsluitend de daarbij behorende rang blijkt dan een persoonlijk karakter te dragen en voor zover de beschikbaarheid van een ambt daarvan afhangt, is dat in genoemde lijst een ambt in de eerder aangegeven budgettaire, niet een ambt in functionele zin. De betrokken begrotingstechniek acht ik zeker niet elegant, voor zover de Controlecommissie in haar geciteerde rapport gelijk zou hebben met haar vaststelling dat het aantal van de betrokken ambten ook na vertrek van de betrokken ambtenaren niet vermindert. Het regulariseren van deze ambten zou dan wellicht meer voor de hand liggen. Intussen acht ik de betrokken begrotingstechniek niet in strijd met de door appellant geciteerde artikelen van het Statuut, nu noch de vastheid van het ambt van betrokkenen daardoor wordt aangetast, noch hun recht op tewerkstelling conform hun rang. Overigens lijkt de Commissie door deze begrotingstechniek, blijkens de feiten van de onderhavige procedure, een zekere beleidsvrijheid te worden verschaft bij het scheppen van nieuwe, volwaardige ambten in functionele zin.
Wegens de onjuiste interpretatie die de Commissie later aan haar onderhavige beschikking heeft gegeven, acht ik echter ook bij verwerping van het beroep bijzondere redenen aanwezig als bedoeld in artikel 69, § 3 van het Reglement van de procesvoering om de Commissie te veroordelen in de kosten van het geding.
V — Slotopmerkingen en conclusie
Uit mijn gehele betoog moge zijn gebleken dat in de onderhavige procedure vooral terminologische vragen, d.w.z. nadere kwalificaties van in het Statuut gehanteerde begrippen, aan de orde zijn. Deze vragen zijn echter voor de presentatie van de rechtspositie van de vele daarbij betrokkenen binnen en buiten de instellingen waar zij werken niet zonder belang. Voor de ambtenaren die tot dezelfde categorie van ambtenaren met een persoonlijke rang behoren als appellant is daarbij met name onbevredigend, dat zij door deze presentatie — onder meer in de jaarlijks opgestelde en althans binnen de diensten van de Commissie blijkbaar verspreide organigrammen — op één lijn worden gesteld met ambtenaren die, ingevolge de Raadsverordening nr. 259/68, een ambt uitoefenen dat correspondeert met een lagere dan hun persoonlijke rang en dit dan bovendien met een terminologie die afwijkt van de terminologie, die in de in artikel 6 van het Statuut bedoelde lijsten wordt gehanteerd. Grotere duidelijkheid ten aanzien van de rechtspositie van betrokkenen lijkt mij echter ook op de andere aangegeven gronden dringend gewenst. Dit mede omdat, als opgemerkt, naar mijn oordeel niet geheel uitgesloten kan worden, dat voortduring van de bestaande onduidelijkheid van hun rechtspositie niet alleen hun morele recht op een juiste kwalificatie zou kunnen schaden, maar ook verwarring of twijfel zou kunnen doen ontstaan bij de beoordeling van hun sollicitaties naar een niet aldus gekwalificeerd ambt. Mocht blijken, dat zij hierbij — of ook bij vrijwillige uittredingsregelingen als in het verleden op uitleenlopende gronden reeds herhaaldelijk toegepast — inderdaad worden achtergesteld, dan zou een dergelijke achterstelling inderdaad vragen van rechtmatigheid oproepen, die dan in voorkomende gevallen door Uw Hof zouden moeten worden onderzocht.
Een zo groot mogelijke duidelijkheid terzake kan naar mijn oordeel als opgemerkt het beste bereikt worden door het beroep niet ontvankelijk te verklaren en de Commissie wegens de haar te verwijten terminologische onzorgvuldigheid te veroordelen in de kosten van het geding.
In concludeer derhalve :
1)
het beroep dient niet ontvankelijk te worden verklaard, daar het zich in werkelijkheid richt tot de begrotingsautoriteit en niet tot het tot aanstelling bevoegde gezag, dat in het kader van zijn in artikel 7 van het Statuut neergelegde bevoegdheden een daarmede en met de artikelen 1 en 5 van het Statuut geheel in overeenstemming zijnde beschikking heeft genomen. Impliciet volgt uit mijn betoog, dat de Commissie aldus handelend ook niet in strijd heeft gehandeld met enig algemeen rechtsbeginsel als door appellant ingeroepen, zodat ook dat middel niet ontvankelijk moet worden geacht. Of de begrotingsautoriteit wel in strijd heeft gehandeld met enige statutaire bepaling (met name artikel 6 van het Statuut) of algemeen rechtsbeginsel kan in deze procedure niet aan de orde komen;
2)
de Commissie dient op grond van bijzondere redenen, als bedoeld in artikel 69, § 3 van het reglement voor de procesvoering, te worden veroordeeld in de kosten van het geding, omdat zij onnodig aan genoemde beschikking een uitleg heeft gegeven, die geen juist inzicht in de rechtspositie van betrokkene verschaft.
( *1 ) Bij Parlement en Commissie wordt het ambt als zodanig aangeduid, bij de Raad en het Hof de rang, hetgeen mij op de nog aan te geven gronden juister lijkt. Ik zal derhalve hierna de terminologie van de Raad en het Hof volgen.
( 1 ) Aldus interpreteert de Commissie de waardering in de begrotingslijst in haar tijdens de mondelinge behandeling voorgelegde organigrammen waarin de post van appellant budgettair als een post A 5/A 4 wordt aangeduid.
Full & Egal Universal Law Academy