CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 7 OKTOBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in de zaak waarin ik thans concludeer, was van 1966 tot 1977 in dienst bij de Europese Associatie voor Samenwerking (EAS). Tijdens deze periode was hij onder meer ter beschikking gesteld van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, die hem in 1975 als gedelegeerde zond naar Benin en in 1976 naar Zambia.
Begin 1977 verbrak verzoeker zijn overeenkomst voor onbepaalde tijd met de EAS om op 9 juni 1977 een nieuwe overeenkomst te ondertekenen, die hem door de Commissie van de Europese Gemeenschappen was aangeboden. Ingevolge deze overeenkomst werd verzoeker met terugwerkende kracht tot 31 mei 1977 voor de duur van één jaar aangesteld als afdelingshoofd (rang A 3, salaristrap 4) bij het directoraat-generaal Ontwikkeling (VIII-B-2).
Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze overeenkomst en na een korte verlenging werd op 15 november 1978 een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd gesloten, ingevolge welke verzoeker met terugwerkende kracht tot 23 september 1978 en tot en met 30 juni 1980 werd aangesteld als afdelingshoofd (rang A 3, salaristrap 4) bij de Permanente Delegatie van de Commissie bij de internationale organisaties te Genève.
Nadat ook de geldigheidsduur van deze overeenkomst was verstreken, bood de Commissie verzoeker op 22 augustus 1980 een nieuwe overeenkomst aan met terugwerkende kracht tot 1 juli 1980. Anders dan in de voorgaande overeenkomst, werd ditmaal bepaald dat verzoeker voor onbepaalde tijd als hoofdadministrateur in de rang A 4, salaristrap 4, bij de Delegatie van de Commissie te Genève (directoraat-generaal Ontwikkeling) werd tewerkgesteld.
Op 27 september 1980 gaf verzoeker deze overeenkomst ondertekend terug, en overhandigde hij tegelijkertijd een nota waarin hij uitdrukkelijk een voorbehoud maakte met betrekking tot de voorziene indeling in rang A 4/4. Dit voorbehoud baseerde hij onder meer op het feit dat hij in voorgaande overeenkomsten voor bepaalde tijd in rang A 3 was ingedeeld, terwijl zijn werkzaamheden te Genève dezelfde waren gebleven. In zijn toestand zag hij zich echter verplicht, deze overeenkomst te ondertekenen hoewel zij onverenigbaar was met de gedurende 15 jaar ononderbroken voor en in opdracht van de Commissie verrichte werkzaamheden en evenmin in overeenstemming kon worden gebracht met de belofte van een vaste aanstelling, die hem bij het sluiten van de eerste overeenkomst was gedaan.
Aangezien de Commissie hierop niet reageerde, diende verzoeker op 22 november 1980 een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut. Daarin verzocht hij om nietigverklaring van zijn indeling in rang A 4 en van zijn functieomschrijving, vervat in de overeenkomst van 22 augustus 1980, en verlangde hij als „raadadviseur” in rang A 3 te worden ingedeeld. Ook deze klacht werd niet beantwoord.
Via een aan het hoofd van de Delegatie van de Commissie bij de Verenigde Naties gerichte nota van 9 januari 1981 van de heer Meyer, directeur-generaal van het directoraat-generaal Ontwikkeling, vernam verzoeker dat met ingang van1 februari 1981 een nieuwe ambtenaar als vertegenwoordiger voor DG VIII naar Genève zou worden gezonden, te weten de heer Grumbach; de nota gaf een gedetailleerde omschrijving van diens werkzaamheden. Tevens werd bepaald, dat verzoeker deze ambtenaar, onder diens rechtstreekse verantwoordelijkheid, bij de vervulling van zijn taken zou dienen bij te staan.
Bij aankomst van Grumbach te Genève werd bovendien verzoekers accrediteringskaart bij de aldaar gevestigde internationale organisaties ingetrokken, op grond dat deze accreditering was voorbehouden aan de ambtenaar die het directoraat-generaal VIII vertegenwoordigde.
Op 20 januari 1981 diende verzoeker opnieuw een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut, waarin hij verzocht om herstel van zijn accreditering bij de internationale organisaties en om een gedetailleerde omschrijving van zijn werkzaamheden.
Bij nota van 18 maart 1981 bevestigde de heer Tran Van-Thinh, hoofd van de Permanente Delegatie, verzoekers nieuwe werkzaamheden, door te verklaren dat verzoeker tot taak had de heer Grumbach, onder diens leiding en toezicht, bij te staan bij de behandeling van documenten die verschillende internationale organisaties betroffen.
Tenslotte wees de Commissie bij uitdrukkelijk besluit van 13 juli 1981 verzoekers klachten af.
Inmiddels had verzoeker het op 22 juni 1981 ten Hove ingekomen beroep ingesteld, waarin hij primair vordert:
a)
nietig te verklaren het besluit houdende indeling van verzoeker in rang A 4 en de omschrijving van zijn functie, vervat in de overeenkomst van 22 augustus 1980 tot aanstelling als tijdelijk functionaris per 1 juli 1980, en te verklaren voor recht dat, in die overeenkomst, verzoeker moet worden ingedeeld in rang A 3, salaristrap 5, en zijn functie is te omschrijven als die van raadadviseur, een en ander met het gevolg dat de wederpartij de geldelijke rechten van verzoeker per 1 juli 1980 dient te herzien;
b)
nietig te verklaren het besluit houdende intrekking van verzoekers accreditering bij de internationale organisaties te Genève, alsmede het hem op 9 januari 1981 meegedeelde besluit houdende ontheffing uit zijn functie bij de Delegatie van de Commissie te Genève, en te verklaren voor recht dat voornoemde accreditering hem moet worden teruggegeven en dat hij wederom in zijn vroegere functie moet worden aangesteld;
c)
verzoeker een vergoeding toe te kennen voor morele schade, vermeerderd met de gerechtelijke interessen op de voet van 8 % 's jaars, met ingang van 22 november 1980 tot de dag van betaling;
d)
nietig te verklaren de stilzwijgende besluiten tot afwijzing van zijn klachten van 22 november 1980 en 20 januari 1981.
Subsidiair vordert verzoeker toekenning van een vergoeding voor materiële en morele schade, vermeerderd met 8 % rente vanaf 22 november 1980.
Tenslotte vordert hij, dat verweerster in alle geval in de kosten wordt verwezen.
De Commissie daarentegen concludeert in wezen dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en over de kosten moet worden beslist overeenkomstig het Reglement voor de procesvoering.
Ten aanzien van deze vorderingen wil ik het volgende opmerken.
I — Ontvankelijkheid
De Commissie acht verzoekers vordering tot nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzing van zijn klachten niet-ontvankelijk, aangezien — zoals het Hof van Justitie met name in zijn arrest van 28 mei 1980 (gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677) heeft verklaard — ieder besluit tot afwijzing zonder meer enkel een bevestiging vormt van de handeling of het stilzitten waarover de betrokkene zich beklaagt, en geen voor bestrijding vatbare handeling vormt.
Met betrekking tot deze exceptie van niet-ontvankelijkheid volstaat de opmerking, dat ingevolge artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut het niet binnen de daarin gestelde termijn beantwoorden van een klacht is aan te merken als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen beroep in de zin van artikel 91 van het Statuut kan worden ingesteld. In vorengenoemde gevoegde zaken heeft het Hof het niet beantwoorden van de klacht dan ook behandeld als een stilzwijgende afwijzing waartegen het eerste beroep rechtgeldig was ingesteld. Enkel met betrekking tot het tweede beroep verklaarde het Hof vervolgens, dat elk besluit tot afwijzing zonder meer als zodanig geen maatregel vormt waartegen zelfstandig in een afzonderlijk beroep kan worden opgekomen; bijgevolg verklaarde het het tweede beroep zonder voorwerp en dus niet-ontvankelijk. Daar verzoeker niet een dergelijk tweede beroep heeft ingesteld, is er geen reden het beroep voor wat genoemde vordering betreft, niet-ontvankelijk te verklaren.
II — Ten gronde
1. De eerste vordering
Verzoekers eerste vordering is gericht op wijziging van zijn indeling en functieomschrijving in de betrokken overeenkomst van 22 augustus 1980, zulks met terugwerkende kracht tot de aanvang van de geldigheidsduur van de overeenkomsten met behoud van de overige bestanddelen ervan. Deze vordering baseert hij in wezen op twee middelen, ten aanzien waarvan ik het volgende wil opmerken.
a) Het eerste middel
Volgens verzoeker maken zijn indeling in rang A 4 en de omschrijving van zijn functie als hoofdadministrateur inbreuk op het beginsel van de overeenstemming tussen werkzaamheden, rang en ambt, dat is gewaarborgd in de artikelen 5 en 7 Ambtenarenstatuut en ingevolge de artikelen 9 en 10 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ook bij de tewerkstelling van tijdelijke functionarissen móet worden in acht genomen. Terzake merkt hij op, dat zijn bevoegdheden en werkzaamheden ook na 30 juni 1980, dus na de tweede overeenkomst voor bepaalde tijd van 15 november 1978, ten opzichte van de vorige werkzaamheden in wezen ongewijzigd zijn gebleven. Uit de vorige overeenkomst en de door verweerster ingevolge artikel 5 van het Statuut vastgestelde omschrijving van de aan iedere standaardfunctie verbonden werkzaamheden en bevoegdheden (Personeelskoerier nr. 272 van 4 september 1973), blijkt onder meer dat deze taken corresponderen met de rang A 3 en de functieomschrijving van raadadviseur of afdelingshoofd. Een andere indeling en functieomschrijving is volgens hem onwettig wegens feitelijke dwaling of rechtsdwaling. Verzoeker meent dat de eerst achteraf opgestelde nota's van de directeur-generaal van directoraat-generaal VIII van 9 januari 1981 en van het hoofd van de Permanente Delegatie van 18 maart 1981, die volgens hem enkel ten doel hadden deze dwaling a posteriori te rechtvaardigen, daaraan niets kunnen afdoen.
Er zijn volgens verzoeker een aantal, door de Commissie niet weerlegde aanwijzingen, waaruit blijkt dat bij het sluiten van de overeenkomst werd gedacht aan een verdere tewerkstelling in het kader van zijn tot dan toe verrichte werkzaamheden. In de eerste plaats pleit daarvoor de omstandigheid dat hij ook na het sluiten van de overeenkomst in elk geval tot januari 1981 — dus gedurende een periode van tenminste vier maanden — dezelfde bevoegdheden had als voorheen, en dat hem geen wijziging van zijn werkzaamheden was meegedeeld. Bovendien heeft verzoeker naar eigen zeggen zowel in zijn nota van 27 september 1980 bij het sluiten van de overeenkomst, als in de latere klacht van 22 november 1980 duidelijk gesteld, dat hij ervan uitgaat dat hij in zijn tot nog toe uitgeoefende functie blijft tewerkgesteld, zonder op dit punt door de Commissie te zijn weersproken. Tenslotte pleit volgens verzoeker voor dit vermoeden, dat hij uit dezelfde begrotingspost wordt betaald als onder zijn vorige overeenkomst en dat de Commissie geen documenten kan overleggen waaruit blijkt dat bij het sluiten van de overeenkomst aan een wijziging van zijn functie is gedacht.
Tegen deze stelling van de stilzwijgende voortzetting van de bestaande arbeidsverhouding — met als zwakste punt dat zij berust op aanwijzingen — pleit mijns inziens in de eerste plaats het feit dat de inhoud van de overeenkomst van 22 augustus 1980 wezenlijk verschilt van die van de eerdere overeenkomsten, omdat daarin uitdrukkelijk en ondubbelzinnig wordt voorzien in een tewerkstelling van verzoeker als hoofdadministrateur in rang A 4, en wel voor onbepaalde tijd. Daaruit volgt dat het niet de bedoeling was, de bestaande arbeidsverhouding eenvoudig voort te zetten. Ook verzoeker, die de door de Commissie vastgestelde omschrijving van de aan iedere standaardfunctie verbonden werkzaamheden en bevoegdheden kende, kon er toch bezwaarlijk van uitgaan dat hij onbeperkt met zijn tot dan toe verrichte werkzaamheden belast zou blijven. Zo hij terzake twijfels had, had hij deze in elk geval kunnen wegruimen door bij het sluiten van de overeenkomst nadere inlichtingen te vragen.
Voorts kan het behoud van de vroegere bevoegdheden ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid, dat de Commissie de door verzoeker in de nota van 27 september 1980 en in de klacht van 22 november 1980 geuite veronderstelling, dat hij met zijn tot dan toe uitgeoefende functie belast bleef, niet prompt heeft rechtgezet. AI getuigt een dergelijke houding niet van een goed bestuur, zij kan in geen geval de daarvoor vastgestelde, duidelijke indeling en functieomschrijving aantasten. Anders dan verzoeker meent, kan het tegendeel evenmin worden afgeleid uit de houding van de Commissie die, naar slechte gewoonte, verzoekers klacht pas na het verstrijken van de termijn uitdrukkelijk heeft afgewezen. Het Statuut bepaalt immers klaar en duidelijk dat het niet binnen de termijn van vier maanden beantwoorden van een klacht als een stilzwijgend besluit tot afwijzing is aan te merken.
Tenslotte kan ook uit het ontbreken van interne documenten — al is dit bevreemdend — niet met stelligheid worden afgeleid, dat de Commissie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geen andere personeelsbezetting in haar diensten te Genève voor ogen stond. De Commissie verklaart dat dergelijke besluiten ook mondeling kunnen worden genomen. De nieuw geredigeerde overeenkomst, alsmede de gewijzigde budgettaire verankering op een tijdelijke ACS-post A 4/5 bewijzen in elk geval dat een dergelijk besluit genomen was.
De Commissie stelt terecht, dat bij het onderzoek of het beginsel van de overeenstemming tussen werkzaamheden en rang is in acht genomen, derhalve enkel behoeft te worden nagegaan of verzoekers taken krachtens de nieuwe overeenkomst daadwerkelijk die van een hoofdadministrateur in de rang A 4 waren. Terzake wordt dunkt mij niet betwist, dat de door verzoeker tot aan de komst, van Grumbach op 1 februari 1981 vervulde taken min of meer vergelijkbaar waren met zijn vroegere werkzaamheden, en dat pas na die datum daarin zowel kwalitatief als kwantitatief verandering is gekomen; zulks blijkt uit de nota's van de directeur-generaal van directoraat-generaal VIII van 9 januari 1981 en van het hoofd van de Permanente Delegatie te Genève van 18 maart 1981. Volgens de Commissie is een ambtenaar evenwel verplicht een dergelijke tewerkstelling ad interim ter vervulling van taken van en boven zijn rang gelegen niveau te aanvaarden.
Deze rechtsopvatting moet worden aanvaard aangezien krachtens artikel 7, lid 2, van het Statuut een ambtenaar die ten hoogste voor één jaar wordt belast met het vervullen van een ambt behorende bij een hogere loopbaan die waarin hij is geplaatst, zich niet tegen een dergelijke tewerkstelling ad interim kan verzetten, en zoals het Hof van Justitie bij herhaling heeft verklaard (arrest van 19 maart 1975, zaak 189/73, van Reenen, Jurispr. 1975, blz. 445; arrest van 12 juli 1973, zaak 28/72, Tontodonati, Jurispr. 1973, blz. 779) geeft dit hem evenmin aanspraak op een andere indeling.
Anderzijds had echter in aanmerking moeten worden genomen dat, naar in de arresten van 17 december 1964 (zaak 102/63, Boursin, Jurispr. 1964, blz. 1416) en van 9 juli 1970 (zaak 35/69, Lampe, Jurispr. 1970, blz. 609) is verklaard, het tot aanstelling bevoegde gezag uitdrukkelijk dient toe te stemmen in de „aanwijzing” van een ambtenaar om een hoger ambt te vervullen, aangezien deze laatste ingevolge het betrokken artikel met ingang van de vierde maand aanspraak heeft op een aanvullende toelage. Niet in de laatste plaats dient in dit verband ook te worden gewezen op artikel 10 van de Regeling andere personeelsleden, dat voor de tewerkstelling van een tijdelijk functionaris in een ambt dat overeenkomt met een hogere rang dan die waarin hij is aangesteld, een aanvullende overeenkomst eist.
Nu het beginsel van de overeenstemming tussen ambt en rang dus niet is geschonden, moet het subsidiaire argument worden onderzocht, volgens hetwelk de Commissie verzoeker geen lagere werkzaamheden dan hij in zijn vroegere functie verrichtte, en geen ambt in een lagere rang kon aanbieden zonder zijn rechten te schenden,
b) Het tweede middel
Verzoeker betoogt ter zake, dat de indeling in een lagere rang en functie indruist tegen de in artikel 24 Ambtenarenstatuut neergelegde bijstandsplicht, alsmede tegen een aantal andere algemene rechtsbeginselen, met name de zorgplicht.
Volgens de Commissie daarentegen kunnen de rechten waarop verzoeker zich beroept, niet worden afgeleid uit de Regeling andere personeelsleden, en evenmin uit de overeenkomst van 22 augustus 1980, die verzoeker is aangeboden zonder dat daartoe enige verplichting bestond, en die door hem vrijwillig is ondertekend.
Bij het beoordelen van deze argumenten dient de Commissie gelijk te worden gegeven op het punt dat — zoals het Hof van Justitie meermaals en laatst nog in het arrest van 25 maart 1982 (zaak 98/81, Munk, Jurispr. 1982, blz. 1155) heeft vastgesteld — artikel 24 van het Statuut ter zake niet geldt, daar deze bepaling de verdediging van de ambtenaren door het orgaan tegen aanvallen van derden, maar niet tegen handelingen van het orgaan zelf betreft. Daarentegen kan ik haar stelling, dat de betrokken overeenkomst op zichzelf moet worden beoordeeld, en haar conclusie dat verzoekers nieuwe indeling derhalve geen uit de tot dan toe bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende rechten schendt, niet onderschrijven.
Met name het op het eerste gezicht aannemelijke formele argument, dat de Commissie na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige overeenkomst niet verplicht was, hem een nieuwe overeenkomst aan te bieden en dat derhalve niets haar belette, hem een lager ambt aan te bieden, blijkt bij nader inzien niet aannemelijk. Men kan in dit verband namelijk niet voorbijgaan aan het feit dat er vóór de overeenkomst reeds een arbeidsverhouding tussen verzoeker en verweerster bestond. Met name de aan de overeenkomst toegekende terugwerkende kracht toont aan, dat het de bedoeling was deze arbeidsverhouding zonder onderbreking te continueren. Wij hebben hier dus te maken met een voortgezette arbeidsverhouding berustend op verschillende, aan elkaar gekoppelde tijdelijke overeenkomsten en op een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Ofschoon niet zonder meer kan worden ontkend dat dergelijke gekoppelde overeenkomsten geoorloofd zijn — de houding van de -werkgever kan om bepaalde redenen economisch gerechtvaardigd en sociaal aanvaardbaar blijken —, toch mag voor wat het arbeidsrecht van alle of althans een groot aantal Lid-Staten betreft, als vaststaand worden aangenomen dat dergelijke gekoppelde arbeidsovereenkomsten niet mogen leiden tot een uitholling van de bescherming die het arbeidsrecht biedt aan degenen die economisch en sociaal van de werkgever afhankelijk zijn. Op grond daarvan zijn gekoppelde arbeidsovereenkomsten voor wat de bescherming bij ontslag en de bescherming van de andere door de werknemer verworven rechten betreft, terecht als één enkele arbeidsverhouding te beschouwen.
In casu betekent dit, dat verzoeker met het oog op de bescherming van zijn rechten moet worden behandeld als iemand die in dienst is gebleven, en zulks ongeacht of dit geschiedde door verlenging van zijn overeenkomst of door een nieuwe overeenkomst. Eigenlijk is dan ook niet de vraag hoe hij thans mocht worden ingedeeld, maar wel of hij na de vorige tewerkstelling als afdelingshoofd, respectievelijk raadadviseur (rang A 3), in de lagere rang van hoofdadministrateur (A 4) mocht worden ingedeeld.
Afgezien van bepaalde uitzonderingsgevallen — bijvoorbeeld als tuchtmaatregel — is een dergelijke lagere indeling volgens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, maar ook bijvoorbeeld volgens het Duitse ambtenarenrecht, in beginsel uitgesloten. Een lagere indeling en het belasten met werkzaamheden van een lager niveau zijn althans naar het Duitse recht inzake arbeiders en — bedienden im openbare dienst slechts geoorloofd onder zeer strikte voorwaarden, zoals toestemming van de betrokkene of een opzegging van de overeenkomst met het oog op haar wijziging (Änderungskündigung). Tenslotte is het belasten met werkzaamheden van een lager niveau met het daaraan verbonden evenredige lagere salaris ook in het gewone arbeidsleven niet zonder meer toegelaten, doch enkel wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Met deze uit het wezen van het arbeidsrecht zelf voortspruitende beschermingsgedachte dient echter ook rekening te worden gehouden in het kader van de Regeling andere personeelsleden, ook als is zij daarin niet uitdrukkelijk opgenomen. Derhalve moet ook hier het grondbeginsel uit het arbeidsrecht in acht worden genomen, dat een langdurige arbeidsverhouding bijzondere beschermings- en zorgplichten in het leven roept en dat deze bescherming niet mag worden uitgehold door gekoppelde overeenkomsten of door een tewerkstelling bij verschillende rechtspersonen die slechts organen van hetzelfde lichaam zijn.
Het standpunt van de Commissie dat de zorgplicht, zoals deze door het Hof jegens ambtenaren werd erkend in vorengenoemd arrest-Kuhner, niet geldt voor de andere personeelsleden, dient derhalve, te worden verworpen.
Met betrekking tot de inhoud van de zorgplicht jegens ambtenaren heeft het Hof in genoemd arrest en in het arrest van 29 oktober 1981 (zaak 125/80, Arning, Jurispr. 1981, blz. 2539) beklemtoond, dat deze de weergave vormt van het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de ambtenaar, en met name eist dat het administratief gezag bij zijn beslissing over de situatie van een ambtenaar alle elementen in aanmerking neemt die zijn besluit kunnen beïnvloeden, waarbij niet enkel rekening moet worden gehouden met het belang van de dienst, maar ook met dat van de betrokken ambtenaar. Ook voor de zorgplicht jegens de andere personeelsleden moet hetzelfde gelden. Ook hier eist het evenwicht, dat het administratief gezag bij zijn beslissing over de situatie ván deze andere personeelsleden via een wederzijdse belangenafweging niet enkel rekening houdt met het belang van de dienst, maar ook met dat van de betrokkene.
De subsidiaire stelling van de Commissie, dat de zorgplicht enkel geldt bij een eenzijdig en niet bij een contractueel handelen van het administratief gezag, is in zoverre evenmin houdbaar. Uiteindelijk heeft verzoeker — aldus de Commissie — de overeenkomst vrijwillig en zich wel bewust van haar inhoud ondertekend.
Afgezien van de vraag of de zorgplicht, die tot het wezen van iedere arbeidsverhouding behoort, wel contractueel kan worden uitgesloten, moet in casu in elk. geval worden vastgesteld, dat de toen 54-jarige verzoeker met een sterk gespecialiseerd beroep, gesteld voor de keuze tussen verdere tewerkstelling als hoofdadministrateur en het verlies van zijn betrekking, slechts ogenschijnlijk vrijwillig heeft ondertekend en daarbij uitdrukkelijk zijn rechten heeft voorbehouden.
Bij het onderzoek van de vraag, of de Commissie door deze indeling in een lagere rang haar in beginsel bestaande zorgplicht heeft geschonden, moet nog worden nagegaan of zij, toen zij destijds de werkzaamheden opdroeg, volledig rekening heeft gehouden met alle relevante factoren, met inbegrip van die factoren welke verband hielden met verzoekers persoonlijke situatie. Ter zake betoogt de Commissie met betrekking tot de duur van verzoekers tewerkstelling, dat hij tot 22 mei 1977 in dienst was bij de Europese Associatie voor Samenwerking — een autonome rechtspersoon — en pas daarna uit vrije wil en na afweging van alle omstandigheden bij haar in dienst is getreden.
Weliswaar kan dit argument formeel juist zijn, doch men kan er niet aan voorbijgaan dat verzoeker ook tijdens de periode waarin hij bij de EAS in dienst was, reeds ter beschikking was gesteld van de Commissie, die hem onder meer naar Benin en Zambia heeft afgevaardigd. Ondanks zijn aanstelling bij de EAS kan immers niet worden betwist, dat hij ook reeds in de periode — en dit lijkt mij het beslissende punt — qua functie voor de Commissie heeft gewerkt en haar 14 jaar lang zijn arbeidskracht ter beschikking heeft gesteld.
Daarenboven moet in dit verband worden bedacht, dat verzoeker menselijkerwijs gesproken zijn overeenkomst voor onbepaalde tijd met de EAS wel niet zou hebben opgezegd, indien hem niet minstens een gelijkwaardige positie in het vooruitzicht was gesteld. De twee overeenkomsten van 9 juni 1977 en van 15 november 1978 tonen echter aan, dat beide partijen althans in het begin er kennelijk van uitgingen dat het ambt van afdelingshoofd of van raadadviseur-A 3 correspondeerde met verzoekers vroegere werkzaamheden. Derhalve mocht verzoeker er mijns inziens terecht van uitgaan, dat hij op grond van het beginsel van de goede trouw ook in de toekomst zou worden belast met arbeid die correspondeerde met een dergelijk ambt.
Daartegen kan met name ook niet worden ingebracht dat de lagere indeling van verzoeker nodig was in het belang van de dienst, omdat om budgettaire redenen op de tot dan toe door verzoeker beklede post een ambtenaar moest worden benoemd. Al kon verzoeker mogelijkerwijs niet meer in Genève worden tewerkgesteld, dan hadden in elk geval, gezien het grote aantal posten waarover de Commissie beschikt, ergens anders werkzaamheden kunnen worden gevonden, die correspondeerden met het tot dan toe door hem beklede ambt.
Voorts kan de lagere indeling ook niet worden gerechtvaardigd met het argument, dat de A 3-overeenkomsten voor bepaalde tijd zijn vervangen door een A 4-overeenkomst voor onbepaalde tijd, die verzoeker thans meer zekerheid biedt. Afgezien van het feit dat ook dergelijke overeenkomsten voor onbepaalde tijd kunnen worden opgezegd en dus slechts een beperkte bescherming bieden, verleent de overeenkomst voor onbepaalde tijd verzoeker slechts een rechtspositie waarop hij, rekening houdend met hetgeen ik over de uit gekoppelde overeenkomsten voortvloeiende beschermingsplicht heb gezegd, toch al recht had.
Aangezien dus concluderend moet worden vastgesteld, dat de Commissie in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld, door verzoeker in de overeenkomst van 22 augustus 1980 slechts een ambt van hoofdadministrateur in rang A 4 aan te bieden, moeten in aansluiting op verzoekers vordering de daarin vastgestelde indeling en de daarmee verbonden functieomschrijving worden nietigverklaard, en moet voor recht worden verklaard dat verzoeker, met inachtneming van voornoemde beginselen en met behoud van zijn rechten, vanaf 1 juli 1980 in zijn vorige rang moet worden ingedeeld.
2. De tweede vordering
Deze vordering is gericht tegen de intrekking van verzoekers accreditering bij de internationale organisaties te Genève en tegen de nieuwe omschrijving van zijn bevoegdheden in de nota van de directeur-generaal van directoraat-generaal VIII van 9 januari 1981. Verzoeker stelt zich op het standpunt, dat dit hem bezwarende besluiten zijn, die ingevolge artikel 11 van de Regeling andere personeelsleden juncto artikel 25, tweede alinea, Ambtenarenstatuut met redenen hadden moeten zijn omkleed.
Ik heb echter reeds aangetoond dat de indeling in een lagere rang in de overeenkomst van 22 augustus 1980 moet worden aangemerkt als een voor verzoeker bezwarende maatregel. In zoverre kan de betrokken nota slechts worden beschouwd als een interne, verzoeker niet bezwarende administratieve handeling, waarbij zijn bevoegdheden als hoofdadministrateur worden uitgewerkt en waartegen als zodanig geen zelfstandig beroep openstaat. Bij toewijzing van de eerste vordering verliest dit middel trouwens zijn betekenis, aangezien verzoeker alsdan geen belang meer heeft bij de betwisting van dit besluit.
Voor wat de vordering betreft dat hij opnieuw met zijn vroegere werkzaamheden moet worden belast, heb ik er ook reeds op gewezen, dat noch de Regeling andere personeelsleden, noch het Ambtenarenstatuut recht geeft op een tewerkstelling in een bepaalde functie. Volgens vaste rechtspraak van het Hof zou de tegenovergestelde opvatting immers leiden tot een onnodige beperking van de vrijheid van de instellingen om hun interne organisatie zo goed mogelijk op het belang van de dienst af te stemmen. De discretionaire bevoegdheid waarover de administratie bij het nemen van noodzakelijke organisatorische maatregelen beschikt, wordt slechts beperkt doordat een ambtenaar of een ander personeelslid niet louter om redenen van administratieve doelmatigheid kan worden belast met taken die qua aard, belang en omvang kennelijk niet aan zijn opleiding en zijn eerdere werkzaamheden beantwoorden.
Tenslotte moet ook de accreditering bij andere staten of internationale organisaties in nauwe samenhang met de interne taakverdeling- binnen de administratie worden gezien. Zonder dat behoeft te worden ingegaan op de specifieke inhoud van de accreditering, kan in het algemeen worden gesteld dat haar voornaamste oogmerk is, de uitoefening van de functie voor de betrokken ambtenaar of functionaris mogelijk te maken en te vergemakkelijken. De voordelen van de accreditering zijn dan ook gebonden aan de functie en niet aan de persoon van de betrokken ambtenaar. Bij de beoordeling van de vraag of voor een bepaalde functie een accreditering nodig is, dient het tot aanstelling bevoegde gezag over een beleidsvrijheid te beschikken. Indien de functie van de ambtenaar wordt gewijzigd en het tot aanstelling bevoegde gezag bij een behoorlijke uitoefening van haar beleidsvrijheid oordeelt, dat accreditering niet langer nodig is, betreft dit besluit niet de rechtspositie van de betrokkene, die is bepaald in het Ambtenarenstatuut of in de Regeling andere personeelsleden, en kan het bijgevolg ook niet als een bezwarend besluit in de zin van artikel 25, lid 2, Ambtenarenstatuut worden aangemerkt. Wanneer de Commissie na verzoeker met nieuwe werkzaamheden te hebben belast, de accreditering heeft ingetrokken omdat die volgens haar voor het verrichten van de nieuwe werkzaamheden niet nodig was, kan tegen dit interne administratieve besluit rechtens — en enkel daarover moet in casu worden geoordeeld — niet worden ingebracht dat het onvoldoende is gemotiveerd of dat ter zake misbruik van bevoegdheid is gemaakt.
Aangezien verzoeker, zoals aangetoond, er geen recht op heeft in een bepaalde functie te worden benoemd, heeft hij dus evenmin aanspraak op herstel van de accreditering.
3. De overige vorderingen
Verder verlangt verzoeker vergoeding van de immateriële schade, die hij ten gevolge van de indeling in een lagere rang en de wijziging van zijn werkzaamheden zou hebben geleden. Deze schade baseert hij in wezen op de aantasting van zijn beroepseer en zijn goede naam.
Afgezien van het feit dat de desbetreffende schade niet genoegzaam is bewezen, lijkt de voorgestelde oplossing mij in elk geval een passend herstel van een mogelijke aantasting van verzoekers beroepseer, zodat zijn vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet meer behoeft te worden onderzocht.
Gelet op het voorgaande behoeven ook de vordering tot nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzing van verzoekers klacht, alsmede de subsidiaire vorderingen niet meer te worden onderzocht.
III —
Concluderend geef ik het Hof in overweging, het in de overeenkomst van 22 augustus 1980 vervatte besluit betreffende verzoekers indeling in rang A 4 en de omschrijving van zijn functie nietig te verklaren en voor recht te verklaren dat verzoeker per 1 juli 1980 dient te worden ingedeeld met behoud van zijn verworven rechten en met inachtneming van de aangegeven beginselen, en het beroep voor het overige te verwerpen. Aangezien de Commissie daarmee op wezenlijke punten in het ongelijk zou zijn gesteld, dient zij ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy